Geloof om onze beproevingen het hoofd te bieden

Door Pat Higgins
Forerunner, "Ready Answer," juni 2003

Lijkt het erop dat het leven bestaat uit de ene beproeving na de andere? Dit komt beslist niet als een verrassing voor hen die geloven dat er nog maar weinig tijd is; het is eindexamentijd. Voor hen die niet geloven dat er nog maar weinig tijd is, is er in ieder geval persoonlijk nog maar weinig tijd. Niemand van ons weet hoeveel tijd van leven God ons nog geeft. Sommigen sterven onverwacht in hun dertiger, veertiger of vijftiger jaren. We weten allemaal dat met iedere dag die voorbijgaat, we dichter bij ons einde komen. Omdat God getrouw is en niet traag in de uitvoering van Zijn belofte om het goede werk dat Hij in ons begonnen is te beëindigen, zijn beproevingen een noodzakelijk onderdeel van het leven van een christen.

Toch kunnen die beproevingen ons teveel worden. Hoe gaan we ontmoediging te lijf? Hoe volharden we tot het einde? God heeft ons het fundamentele begrip gegeven dat nodig is om onze beproevingen met succes het hoofd te bieden en te doorstaan. Hij leert ons dat in 1 Johannes 4:17: "Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld."

Zo op het eerste gezicht lijkt dit niet echt op een antwoord. Dat komt, omdat we dit vers voor een goed begrip moeten combineren met andere schriftgedeelten, het "hier een weinig, daar een weinig" principe. De uitleg begint met een ongelooflijk, maar toch in het algemeen over het hoofd gezien schriftgedeelte.

Gods volmaakte liefde

Dit verbazingwekkende schriftgedeelte is te vinden in Johannes 17. Dit hoofdstuk is het laatste gebed van Jezus Christus vlak voordat Hij in die Pascha-nacht werd gearresteerd. Hij begon met voor Zichzelf te bidden, daarna voor zijn discipelen. In vers 20 begint een gedeelte waarin Hij alle toekomstige gelovigen erbij betrekt: "die door hun woord [dat van de discipelen] in Mij geloven."

Laten we op dit punt aangekomen eens even in beschouwing nemen hoe groot Gods liefde voor Jezus Christus wel moest zijn. Per slot van rekening hadden Ze letterlijk ontelbare jaren lang — de gehele eeuwigheid — in volledige harmonie zij aan zij gewerkt.

Slechts weinig paren zijn gezegend met voortreffelijke huwelijken die vijftig jaar of langer duren. Na zo'n lange tijd moet hun relatie wel heel hecht en intiem zijn. Als dat tussen twee mensen in vijftig jaar gebeurt, hoe moet het dan wel niet zijn na enkele miljarden jaren? De relatie moet wel zo intiem zijn, dat het ons begrip te boven gaat. Dat geldt inderdaad voor de grootte van Gods liefde voor Christus, deze gaat ons begrip ver te boven.

Let nu op vers 23, in het bijzonder op de twee verzoeken die Christus doet in het laatste deel van dat vers: "Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt." Jezus vraagt God om twee dingen aan de wereld te openbaren: dat God Hem zond en dat Gods liefde voor ons even groot is als die voor Jezus Christus.

Het begrijpen van de volledige betekenis van dit vers hangt af van het woord "gelijk". [De schrijver gebruikte een Engelse vertaling die het woordje "as" (zoals) gebruikte.] Dit woord gelijk betekent: "in dezelfde mate". Dat betekent: niet meer, maar ook niet minder. De bewoordingen van Jezus' verzoek zijn duizelingwekkend als we erover gaan denken wat dat wel precies betekent! Het betekent dat we oprecht kunnen zeggen dat er niemand is in het gehele universum — inclusief Jezus Christus — die God meer liefheeft dan ons. Iedereen die door God is geroepen kan hetzelfde zeggen. God heeft ons allemaal lief en wel op hetzelfde ongelooflijke niveau, dat ons begrip te boven gaat.

Deze uitspraak laat ons ook de ongelooflijke liefde van Christus voor ons zien. Hij was van eeuwigheid bij God en toch voelt de Zoon geen vijandigheid dat onze Vader ons met dezelfde liefde liefheeft, dit in tegenstelling tot de oudste broer in de gelijkenis van de verloren zoon. Christus vraagt God in feite in Zijn gebed dit feit aan de gehele wereld bekend te maken! Christus is de meeste in positie en verantwoordelijkheid — maar niet in de liefde van de Vader. Als de volmaakte Ouder heeft Hij het ene kind niet lief boven het andere.

Om deze gelijkheid in liefde te onderstrepen, moeten we eens kijken hoe andere [Engelstalige] bijbelvertalingen het woord "zoals" vertalen. Ze gebruiken [Engelse] woorden die [in het Nederlands vertaald worden] als "net als", "evenals", "op dezelfde manier", "met dezelfde liefde als", "evenveel als" en "precies evenveel als". Al deze bewoordingen benadrukken de gelijkheid van de liefde van de Vader.

Op gezag van Jezus Christus, dezelfde Jezus die van eeuwigheid bij God was, weten we, dat de Vader ons in gelijke mate liefheeft als Hij Jezus liefheeft — niet meer en niet minder. Als we in beschouwing nemen, hoe intens Hij Christus — na miljarden jaren van samenwerking in perfecte harmonie — wel moet liefhebben, dan weten we ook, dat Hij ons in precies dezelfde mate liefheeft. De ware omvang van die liefde gaat ons begrip echt te boven. Er is geloof nodig om deze eenvoudige, feitelijke uitspraak te geloven.

"Zal Hij het geloof vinden?"

De bijbel laat zien, dat vertrouwen in die liefde, dat geloven hoe bijzonder we voor God zijn en hoe intens Hij ons liefheeft, beslissend zal zijn voor ons behoud, voor ons volharden tot het einde. In Lucas 18:8 staat — en let in het bijzonder op de tijd waarop dit slaat: "Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?"

Deze ontnuchterende tekst is rechtstreeks gericht op iedereen die dan, bij Zijn komst, zogezegd nog staande is gebleven. Christus keek door de eeuwen heen en zag ons — keek in ons hart — en vroeg Zich af: "Waar is het geloof?"

Over welk geloof heeft Jezus het? Het kan niet het geloof in Zijn bestaan zijn, omdat zelfs de demonen daarin geloven. De demonen hebben ook een groot respect voor Gods macht en soevereiniteit. De demonen geloven echter niet in Gods liefde en alles wat daaruit voortvloeit. Bijvoorbeeld, hoe kon Satan in opstand zijn gekomen als hij echt in Gods liefde voor hem geloofde? Misschien was het oorspronkelijke onrecht dat in Satan werd gevonden, het begin van alle problemen, wel zijn gebrek aan geloof in Gods liefde voor hem — "Al wat niet uit geloof is, is zonde" (Romeinen 14:23). Dat gebrek aan geloof leidde tot trots en ijdelheid en uiteindelijk tot een opstand.

Als Christus wederkeert, zal Hij dan mensen vinden die geloven hoe groot Gods liefde voor hen is en zullen zij Hem daarom vertrouwen, ongeacht hoe de fysieke omstandigheden eruit zien? Dat is het geloof, waar Christus het in vers 8 over heeft.

In de voorafgaande verzen stelt Christus de onrechtvaardige rechter, die het een zorg zou zijn [die er niets om gaf], tegenover de ware God, Die het wel een zorg was [Die er alles om gaf], Die niet méér kon liefhebben. Het onderwerp dat ten grondslag ligt aan de gelijkenis is Gods trouw en liefde. Jezus gaf deze gelijkenis om ons geloof in de liefde van de Vader te versterken.

Dan in vers 8 zegt Christus: "Ik zeg u, dat Hij [de Vader] hun [de uitverkorenen] spoedig recht zal verschaffen," en gaat dan onmiddellijk verder met: "Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?" God zal in Zijn grote liefde voor ons spoedig handelen en toch zullen de mensen in de eindtijd moeite hebben om in de grootte van Zijn liefde te geloven.

Ons behoud hangt af van ons geloof in hoe bijzonder we voor God zijn — hoe groot Zijn liefde voor ons is. Jezus zegt in vers 1: "Hij sprak een gelijkenis tot hen met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen." Deze gelijkenis leert ons naast bidden, ook niet te verslappen — tot het einde te volharden. Weten hoe groot Gods liefde voor ons is, kan ons de moed en de hoop geven die we nodig hebben om wat vóór ons ligt het hoofd te bieden en te doorstaan.

Klaagliederen 3:21-23 zegt ons wat we moeten onthouden en geloven, als we de juiste hoop willen hebben: "Dit zal ik mij te binnen brengen, daarom zal ik hopen: Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw!"

Volharden tot het einde

De bijbel laat ons de schade zien, die wordt aangericht als Gods volk niet gelooft hoe bijzonder we voor Hem zijn. Jezus zegt in Mattheüs 24:12: "En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen." Hoe voorkomen wij dat onze liefde verkilt? We moeten naar de bron gaan om hem weer aan te vullen. Waar is die bron? Waar komt echte liefde vandaan? Het antwoord kunnen we vinden in 1 Johannes 4:19: "Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad."

Nog niet zo lang geleden had de kerk leiders en leden die niet langer geloofden hoe bijzonder we zijn en hoe groot Gods liefde is voor hen die Hij geroepen heeft. Zij wilden worden zoals de andere kerken. Als dat soort geloof ontbreekt, snijden we onszelf af van de enige ware bron van liefde. Het resultaat komt vanzelf: De liefde die we nog hebben, wordt steeds kouder.

Toen leden de kerk om zich heen zagen ineenstorten, begonnen ze te handelen naar wat ze zagen en geloofden niet langer in de bijzondere positie die de uitverkorenen bij God hebben. Wat gebeurde er met deze mensen? De meesten zijn eenvoudigweg verdwenen — ze volhardden niet tot het einde of geloofden niet langer hoe groot Gods liefde voor hen was. Zo belangrijk is het te geloven in de grootte van Gods liefde voor ons.

Het volgende vers, Mattheüs 24:13, versterkt deze gedachte: "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden." Jezus zet hier een tegenstelling neer. Vers 12 beschrijft mensen zonder geloof in Gods liefde voor ons, wier liefde verkilt en die niet volharden. Het "maar" in vers 13 suggereert, dat zij die geloof hebben in Zijn liefde, zullen volharden en behouden worden.

Wat er in de laatste tien of meer jaren gebeurde, is niets in vergelijking met wat sommigen van ons in de toekomst te wachten staat. De tijd van Jakobs problemen zal verschrikkelijk zijn. Velen zullen geconfronteerd worden met hongersnood, epidemieën en vervolging. Vrienden en familie kunnen zich tegen ons keren. Leden van de kerk zullen sterven. Het kan zijn, dat als dit allemaal gebeurt, we fysiek geen enkele aanwijzing zullen hebben hoe groot Gods liefde voor ons is. Hoe zullen we die tijden doorkomen? We zullen ze doorkomen, maar alleen als we absoluut geloven in hoe bijzonder we voor God zijn, hoe groot Zijn liefde voor ons is. Dat is het geloof dat we nodig zullen hebben om welke beproeving dan ook te doorstaan.

Onze dag des oordeels

Laten we, met dit alles als achtergrond, eens kijken naar 1 Johannes 4:8: "Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde."

Elke gedachte, elk woord, elke handeling van God is een uitdrukking van liefde. God is soeverein en Hij heeft het recht te doen wat Hij maar wil. Dit zou tirannie zijn als één simpel iets ontbrak: Alles wat God doet, of dat nu arbitrair lijkt of niet, is gebaseerd op liefde. Zelfs onze beproevingen zijn uiterste vormen van liefde, zoals Hebreeën 12:5-11 en de ervaringen van Job laten zien.

Herbert W. Armstrong zei eens over Job: "Job was voor God één van de moeilijkste mensen, die ooit op de aardbodem hebben geleefd, om tot bekering te brengen." Hoe verschrikkelijk de beproeving ook was, Job had die nodig om behouden te worden. Psalm 84:12 zegt dat God ons niets goeds zal onthouden. Om Job die beproeving te onthouden, zou betekenen dat hem iets goeds zou worden onthouden. Dat zou God schuldig maken aan het haten van Job (Spreuken 13:24).

Alleen God is wijs genoeg om ons door een beproeving te laten gaan die we heel hard nodig hebben, terwijl Hij deze tegelijkertijd gebruikt om ook Zijn andere doelstellingen te verwezenlijken. In de steeds slechter wordende tijden die voor ons liggen, zal God niemand van ons als kanonvuur voor Zijn doelstellingen gebruiken, alhoewel Hij daartoe wel het recht zou hebben — Hij schiep ons. Vanwege Zijn liefde voor ons, zal Hij toelaten dat wij met problemen geconfronteerd worden, omdat we die nodig hebben om ons tot volmaaktheid te brengen. Per slot van rekening "werken alle dingen ten goede" voor hen die geroepen zijn (Romeinen 8:28).

Hoe zullen we geestelijk overleven als wij tot de groep behoren, die God zal laten vervolgen, misschien wel laten martelen en doden? Alleen omdat we geloven dat God niemand meer liefheeft dan ons, daarom zullen we weten, dat wat we hebben te doorstaan ons ten goede is en Zijn doelstellingen zal realiseren.

Als kinderen werden we door onze ouders gecorrigeerd. Hoe vaak bedankten we hen voor de liefde die zij ons toonden, als dit gebeurde? Als ouders hebben we onze kinderen gecorrigeerd. Hoe vaak hebben zij gezegd: "Dank u wel"? Hoogstwaarschijnlijk is het antwoord op beide vragen: "Nooit!"

Corrigeren we onze kinderen uit liefde of haat? Uit liefde, natuurlijk. Waarom zeggen ze dan geen "Dank u wel"? Op het moment dat het gebeurt, zien ze niet — geloven ze niet — hoe groot onze liefde voor hen is. Het is een kenmerk van de jeugd, van onvolwassenheid, om blind te zijn voor het grote plaatje, om alleen maar te zien wat direct voor ogen staat. Hopelijk zullen wij in tijden van beproeving in geestelijke zin geen kinderen zijn.

De apostel Johannes beschrijft liefde in 1 Johannes 4:10 als volgt: "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden."

Hij schrijft in vers 16: "En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in Hem." Johannes wil, dat wij begrijpen hoe groot Gods liefde voor ons is en geloven hoe bijzonder we zijn voor God — geloven in hoe groot Zijn liefde voor ons is. Het feit dat God liefde is, is een herhaling vanuit vers 8 om te benadrukken hoe volledig Gods liefde op ons is gericht. Het vers eindigt met de vrucht van dit soort liefde — eenheid.

Dit gaat dan verder in 1 Johannes 4:17: "Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld."

Het doel van vers 16 is, dat we dit geloof hebben in Gods liefde voor ons, want dat geeft ons het vertrouwen, de moed en de hoop die we nodig hebben om onze beproevingen in onze dag des oordeels, die nu is (1 Petrus 4:17), het hoofd te bieden; wat voor soort beproevingen dit ook mogen zijn en wanneer ze zich ook maar mogen voordoen. Door dit geloof uit te oefenen, zullen we gelijk zijn aan Christus.

Christus had een absoluut geloof in Gods liefde voor Hem en Hij gebruikte dat geloof om Zijn beproevingen te overwinnen en te doorstaan. Wij moeten precies hetzelfde geloof gebruiken door het voorbeeld dat Hij gaf, na te volgen.

"Onderzoek uzelf, of u wel in het geloof bent."

1 Johannes 4:17 geeft ons de hoofdsleutel — geloof in de grootte van Gods liefde voor ons — om het begrip te ontsluiten dat we nodig hebben om onze beproevingen met succes het hoofd te bieden en te doorstaan. Maar dat is niet het einde van het verhaal. Johannes gaat verder in vers 18: "Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde."

Als het zo belangrijk is, dat we begrijpen hoe groot Gods liefde voor ons is en dat we er in geloven, hoe kunnen we dan vaststellen waar we staan in de kracht van dat geloof? Vers 18 is het begin van een antwoord op deze vraag. Vrees en bezorgdheid laten zien dat we nog niet volmaakt zijn in ons geloof hoe groot Gods liefde voor ons is. Als we geloven dat de God Die beschikt over oneindige kracht en wijsheid, niemand in het universum meer liefheeft dan ons, waar moeten we dan nog bang en bezorgd voor zijn?

Welke goede ouder gebruikt niet alle bronnen, waarover hij beschikt, om het welzijn van zijn kinderen te verzekeren? Wij staan in de niet aflatende zorg van de grote God (Mattheüs 10:29-31). "Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Romeinen 8:31). Jesaja 43:13 legt op soortgelijke manier een belangrijke belofte van God vast: "Ook voortaan ben Ik dezelfde en niemand redt uit mijn hand. Ik werk, en wie zal het keren?"

Niets buiten ons kan Hem in de weg staan om Zijn doel ons te behouden tot stand te brengen, behalve wij zelf (Johannes 6:39-40; 10:28; Filippenzen 1:6). Hoe moeilijk Job ook was, God wist precies welke beproeving nodig was — in zijn geval een heel pijnlijke — om het juiste resultaat te bereiken. Hij weet op welke knoppen Hij moet drukken en welke druk Hij moet toepassen om ons allemaal op het juiste spoor te krijgen. Job 36:15 zegt ons: "Juist door zijn ellende redt Hij de ellendige, en door de verdrukking opent Hij hun oor."

Een tweede bewijs van ons gebrek aan geloof in Zijn liefde is, hoe we reageren op beproevingen. Als we geloven hoe groot Zijn liefde voor ons is, dan weten we dat de beproeving voor ons eigen bestwil is. Vanwege Zijn liefde zouden we moeten weten, dat een beproeving niet alleen maar een willekeurige gebeurtenis is, waar niets achter zit. Omdat Hij God is, kan het geen toevallige omstandigheid zijn, die plaatsvindt zonder dat Hij er weet van heeft of erbij betrokken is. Het is zeer zeker geen gebeurtenis om ons het leven alleen maar moeilijker te maken. Dit zouden de gedachten van een kind kunnen zijn als het een pak voor zijn broek krijgt, maar dat zouden niet onze gedachten behoren te zijn.

Een derde manier om de kracht van ons geloof te bepalen, is een lijst op te stellen van de dingen die ons leven zouden verbeteren en toch buiten bereik schijnen te liggen. Voor sommigen is dat geld; voor anderen een baan; voor weer anderen een partner. Psalm 84:12b is een vers dat we kunnen gebruiken om het juiste perspectief te krijgen: "Het goede onthoudt Hij niet aan hen die onberispelijk wandelen."

Als we onberispelijk wandelen, is het gemis van een gewenst iets op zichzelf een goede aanduiding, dat het op dit moment niet goed voor ons is, ongeacht of wij er anders over denken. Dit moet wel zo zijn, want anders is dit vers niet waar. Krijgen wat we willen in plaats van wat we nodig hebben, kan geestelijk dodelijk zijn (Openbaring 3:17).

Een laatste manier om de mate van ons geloof te bepalen, is te onderzoeken of we ooit denken dat we onszelf meer liefhebben dan God ons liefheeft. Iemand met deze houding begint de zaken in eigen hand te nemen, omdat hij God niet kan vertrouwen er zorg voor te dragen — hij gelooft niet hoe goed God is en hoe groot Zijn liefde voor hem is. Twijfelen aan de grootte van Gods liefde voor ons staat gelijk aan het loochenen van God en de essentie van wat Hij is — liefde.

Dit beschrijft de houding van Satan, een houding die als krankzinnig kan worden beschouwd. De menselijke natuur, die Satans geest nabootst (Efeziërs 2:2), heeft zelfmoordneigingen, wil zondigen, zelfs terwijl hij weet dat het einde daarvan de dood is. Juist omdat deze geest van zelfvernietiging deel uitmaakt van de menselijke natuur, heeft God ons altijd meer lief dan wij onszelf liefhebben.

Het is van levensbelang dat we ons geloof in Gods liefde voor ons opbouwen en gaan beseffen hoe bijzonder wij voor Hem zijn. Hij heeft niemand in het universum meer lief dan ons. 1 Johannes 4:17 belooft, dat het vervolmaken van ons geloof in Gods liefde voor ons, ons de kracht geeft die we nodig hebben, om onze beproevingen, onze dag des oordeels, vrijmoedig het hoofd te bieden. Dat doende, zullen we het geloof dat Jezus Christus uitoefende, toen Hij het hoofd bood aan Zijn beproevingen, nabootsen en daarmee een absoluut geloof tonen in Gods liefde voor ons.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)