Het tweede gebod

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," februari 1997

In het "Persoonlijk" van de vorige maand begon deze serie over de tien geboden met het eerste gebod, het gebod dat het meest direct betrekking heeft op loyaliteit aan de ware God, die de Schepper, Heerser, Onderhouder en Voorziener is van dit universum. Hij is degene die leven geeft en "alle dingen draagt door het woord van zijn kracht" (Hebreeën 1:3). Zijn heiligheid gaat het begrip van ons voorstellingsvermogen ver te boven en Hij is in alle opzichten onze onverdeelde aanbidding en eredienst waardig.

We hebben de neiging om aan aanbidding en eredienst alleen te denken aan iets dat zich tot een kerkdienst beperkt. Aanbidding en eredienst is echter iemands reactie op zijn god en deze strekt zich uit tot ieder facet van ons leven. Mijn bezorgdheid strekt zich uit tot het gevolg van verkeerde aanbidding, ongeacht of die nu uit onwetendheid, verkeerd gerichte ijver of rebellie voortkomt. Wat is het gevolg? Zonder de ware aanbidding van de ware God worden de standaards en de idealen van geloof en gedrag op morele, ethische en geestelijke terreinen volledig overgelaten aan menselijke ervaring. Menselijke ervaring is beperkt, feilbaar en zelfgericht.

Romeinen 1:28 laat er geen twijfel over bestaan dat dit juist is.

Romeinen 1:28 En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt:

Spreuken 29:18 uit de Living Bible voegt hieraan toe:

Spreuken 29:18 (Vertaald naar de Living Bible) Waar geen kennis is van God, daar teelt de misdaad [zonde] welig; maar het is een geweldig iets voor een volk om Zijn wetten te kennen en te houden.

In Romeinen 1:18-32 geeft Paulus een kort, maar verbijsterend overzicht van de gevolgen voor de mens als hij de Schepper God de rug toekeert. De mens heeft de schepping veel meer vereerd dan de Schepper en daarom gaf God de mens over aan walgelijke interesses en een denken dat niet tot een waarachtig oordeel in staat is — het natuurlijke denken van de mens. Aangezien de ervaringen van de mens zijn oordeel over gedrag hebben gevormd, is zijn vermogen om de waarheid te beoordelen vaag geworden en dat leidde tot de afschuwelijke lijst van perversiteiten die Paulus opsomt. Vandaag de dag kreunt de wereld onder het gewicht van de vrucht van deze afgodendienst.

Onze persoonlijke ervaringen bevestigen de juistheid van deze verzen. Paulus somt de consequenties op van een puur op de wereld gericht denken, dat het gevolg was van het uit ons leven weglaten van de ware Bron van juiste standaards. Hij laat zien dat als we het beschreven pad volgen, we niet alleen godsvrucht verliezen maar ook ware menselijkheid.

Tegengestelde bronnen van oordeel

Het is goed om deze erg menselijke trek tegenover het voorbeeld van Jezus in Johannes 5:30 te stellen.

Johannes 5:30 Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.

Het is duidelijk dat de mensen in Romeinen 1 God verwierpen en voortgingen om betrokken te worden bij allerlei verdorvenheid. Daarentegen legde Jezus Zijn eigen wil niet aan God op en het gevolg was helder en rechtvaardig oordeel. Hij had er geen moeite mee om duidelijk onderscheid te maken tussen wat juist en onjuist was. Hoe kan iemand zelfs maar iets gaan begrijpen van de waarheid op morele en geestelijke gebieden als hij de verkeerde bron heeft?

Op een Loofhuttenfeest niet lang daarna had Jezus nog een confrontatie met de joden over hetzelfde algemene onderwerp.

Johannes 7:16-20, 24 Jezus antwoordde hun en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; 17 indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. 18 Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem. 19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waartoe tracht gij Mij te doden? 20 De schare antwoordde: Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden? ... 24 [Jezus antwoordde:] Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel.

Deze mensen waren zo verblind voor wat juist en onjuist was, dat ze zelfs geen idee hadden van de moordzuchtige bedoelingen van hun boosheid! Maar dit is in het geheel niet ongebruikelijk. Hoevelen begrijpen echt de vernietigingsdrang van de geest van wedijver, de lust die eigen is aan hebzucht of pornografie, of de afgodendienst in het overtreden van het sabbatsgebod?

Miljoenen, misschien wel miljarden, mensen geloven er echt in dat hun god hun toestaat een naburig volk uit te roeien. Ze baseren zo'n geloof op het feit dat hun vijanden een ander geloof, huidskleur, taal, cultuur of welvaartsniveau hebben. Ze voelen zich achtergesteld en gerechtvaardigd in het in bezit nemen van het land en de rijkdom van hun buren, ja zelfs in het nemen van hun leven. Deze ideeën kwamen niet van de Schepper God!

Jeremia 25:5-7 brengt iets naar voren dat het nog duidelijker maakt, hoe belangrijk de bron van onze standaards is.

Jeremia 25:5-7 [Mijn profeten zeiden:] Bekeert u toch een ieder van zijn boze weg en van de boosheid uwer handelingen, dan blijft gij in het land dat de HERE u en uw vaderen gegeven heeft van eeuw tot eeuw; 6 loopt geen andere goden achterna om die te dienen en u voor die neder te buigen, en krenkt Mij niet door het maaksel van uw handen; dan zal Ik u geen kwaad aandoen. 7 Maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven, luidt het woord des HEREN, om Mij te krenken door het maaksel van uw handen, u ten verderve.

"Het maaksel van uw handen" duidt op iets dat uit het menselijk denken voortkomt, niet uit dat van de Schepper. Hun goden waren hun eigen schepping, net als hun standaards hun opvattingen over juist en onjuist waren. Ongeacht hoe de mensen het leven benaderden, of ze nu religieus of niet religieus waren, of ze atheïstisch of agnostisch waren, hun goden en standaards kwamen voort uit een denken dat niet in contact stond met de ware God.

Dit heeft interessante en verwoestende consequenties. De aard van afgodendienst is dusdanig dat zijn gevolgen subtieler zijn dan met andere zonden het geval is. Het trauma dat eruit voorkomt, valt gewoonlijk niet zo op door de straffen die door andere zonden voortkomend uit de oorspronkelijke afgodendienst werden teweeggebracht. Soms komt de straf op de oorspronkelijke afgodendienst zoveel later dat het voor het menselijk denken praktisch onmogelijk is de relatie nog te zien.

Maar het gevolg van het overtreden van het eerste gebod is het overtreden van het tweede gebod. Als iemand eenmaal de Schepper niet langer aanbidt en vereert, moet hij er iets anders voor in de plaats stellen. De mens zal iets aanbidden, en zoals we hebben gezien is het bijna onveranderlijk het eigen ik dat door hem wordt aanbeden! Zelfs al aanbidt hij het werk van zijn handen, dan nog aanbidt hij zichzelf, omdat hij zijn afgod schiep.

"Met wie wilt u dan God vergelijken?"

God richt Zich in Jesaja 40:9-31 tot Sion, een type van de kerk, en wij moeten dit dus heel zorgvuldig in overweging nemen. Jesaja beschrijft op een poëtische manier zowel de eigenschappen als de werken van God. Twee keer wordt er gevraagd: "Met wie wilt u dan God vergelijken ...?" Kan het zijn dat Hij lijkt op een afgod die door een sluw mens kan worden bedacht? Een afgod moet kracht ontlenen aan een mens, die zelf ook een schepping is. De mens is zwak, nietig, onbelangrijk — onmachtig leven aan zijn scheppingen te geven en in vergelijking met de grote Schepper God onwetend.

Het natuurlijk denken schreeuwt om iets dat kan "helpen" bij de aanbidding van God, maar niets in het beperkte voorstellingsvermogen van de mens kan daaraan voldoen. Dus elke keer dat iemand een beeld van god bedenkt dat anders is dan de ware God, zal een voorspelbaar iets het gevolg zijn. Asaf schrijft in Psalm 78:40-41 over dit gevolg.

Psalm 78:40-41 Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn, griefden Hem in de wildernis, 41 en verzochten God wederom, en krenkten [Statenvertaling: stelden een perk] de Heilige Israëls.

Het menselijke denken zal God beperken. Hoe kan iemand nu rationeel denken dat een schepping van de mens ook maar enigszins groter dan de mens kan zijn?

In 2 Timotheüs 3, de verzen 1, 2 en 5, wordt hieraan voor ons die in de eindtijd leven, een ontnuchterende opmerking aan toegevoegd.

2 Timotheüs 3:1-2, 5 Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: 2 want de mensen zullen ... 5 ... een schijn van godsvrucht [hebben, maar] de kracht daarvan [verloochenen]; houd ook dezen op een afstand.

God beperken brengt afgodendienst tot stand, omdat we ons dan tot een andere bron moeten wenden, als we bevrijd willen worden van datgene dat ons van streek brengt. Beperken wij God door op het gebied van het hebben van afspraakjes, huwelijk, kinderopvoeding, genezing of tienden betalen Zijn raad niet te benutten, omdat we bang zijn dat het niet op de juiste manier zal uitwerken, of door te weigeren ons te vernederen om Zijn manier uit te proberen?

De werkelijke basis van afgodendienst — anders dan onwetendheid — is dat de eigenzinnige mens weigert zich — naar Zijn gebod — in aanbidding aan God over te geven. Bedenk dat aanbidding onze reactie is naar God, en deze vindt vele malen per dag plaats. Bijvoorbeeld het betalen van tienden is niet alleen gehoorzamen maar ook aanbidding, daar het onze reactie is op Gods gebod.

De manier waarop wij aanbidden

Exodus 20:4-6 brengt het tweede gebod als volgt onder woorden:

Exodus 20:4-6 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Velen zien het verschil niet tussen het eerste en het tweede gebod. Het eerste benadrukt de uniekheid van de Schepper God, die de Bron is van waarheid, juiste waarden en standaards die juiste relaties zullen voortbrengen. Dit gebod gaat over wat we aanbidden. Een afgod is iets dat wij maken en waar wij hier op aarde waarde aan hechten, maar God komt van buiten deze fysieke wereld in ons leven.

Het tweede gebod slaat op een speciaal gebied van afgodendienst, Gods geest-zijn. Jezus zegt dat we God in geest en waarheid moeten aanbidden (Johannes 4:24). God wil dat wij aanbidden, toegewijd zijn en reageren op wat Hij is en wat Hij doet, niet op hoe wij denken dat Hij eruit ziet. Hij wil dat wij Zijn karakter gaan nabootsen en de manier waarop Hij leeft. Het tweede gebod gaat over de manier waarop we aanbidden.

Het meest duidelijke aspect van het tweede gebod slaat op het gebruik van fysieke "hulpmiddelen" bij het aanbidden van de onzichtbare, geestelijke God. Het verbiedt het gebruik van alles dat God voorstelt of een voorwerp van verering zou kunnen worden. Het verbiedt elk soort gelijkenis met Christus, zoals crucifixen, afbeeldingen en beelden.

Mozes diept dit in Deuteronomium 4:15-20 verder uit.

Deuteronomium 4:15-20 Neemt u er dan terdege voor in acht (want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de HERE op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur) 16 dat gij niet verderfelijk handelt door u een gesneden beeld te maken in de gedaante van enige afgod: een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen; 17 een afbeelding van een of ander dier op de aarde; een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt; 18 een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt; een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is; 19 en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de HERE, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel; 20 terwijl de HERE u genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte, geleid heeft om voor Hem te zijn tot een eigen volk, zoals dit heden het geval is.

Daar ze niets zagen van de God die hen bevrijdde en Wie ze nu moesten aanbidden, zou wat ze ook maar zouden uitdenken om Hem voor te stellen een onbeschaamde leugen zijn. Niemand anders heeft God in Zijn heerlijkheid gezien, dus heeft ook absoluut niemand enig idee van de essentie van een ware voorstelling van Hem. Er is niets dat ook maar in de buurt van enige gelijkenis kan komen. Elke voorstelling door wie dan ook gemaakt in het verleden van de mens is een leugen. Willen we een leugen aanbidden?

Zelfs in het heilige der heiligen was geen voorstelling van God aanwezig. En het altaar was eenvoudig een hoopje aarde of een stapel ongehouwen stenen (Exodus 20:22-26). Daarin zit een waardevolle les: Vanuit Gods perspectief heeft de mens, omdat hij de voorwerpen van zijn aanbidding altijd van de menselijke natuur voorziet, altijd de neiging wat hij in relatie met God aanraakt te vernietigen. Dit is niet goed, omdat de aanbidder het nooit verder kan brengen dan de god die hij aanbidt.

Numeri 33:51-52 maakt dit duidelijk.

Numeri 33:51-52 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij de Jordaan overtrekt naar het land Kanaän, 52 dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij al hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten.

We moeten dit in religieuze zin opvatten, daar iedere willekeurige voorstelling van God Hem verandert van wat Hij werkelijk is. De Egyptenaren aanbaden ossen, vaarzen, schapen, geiten, leeuwen, honden, katten, apen, ibissen, kraanvogels, haviken, krokodillen, slangen, kikvorsen, vliegen, mestkevers, de zon, de maan, de planeten, de sterren, vuur, licht, lucht en duisternis. En ze meenden daar diverse "goede" redenen voor te hebben.

Een jongeman zei me eens dat hij niets verkeerds in een kerstboom kon zien, omdat hij er niet voor neerboog en hem niet aanbad. Hij begreep het niet. Begrijpen wij het? Het eerste gebod bestrijkt dit specifieke aspect van afgodendienst. Als iemand voor die boom zou neerbuigen, dan zou dat zijn wat hij aanbad.

Het tweede gebod heeft van doen met de manier waarop we aanbidden, in geest en in waarheid. Kerstmis — en het daarmee gepaard gaande vertoon zoals de kerstboom — maakt geen deel uit van de manier waarop God ons beval Hem te aanbidden. Het maakt geen deel uit van de waarheid van God. Daarom is de kerstboom een component van een afgodendienst die is ingesteld toen de mens verlangde God te aanbidden op de manier die hij wilde, in plaats van de manier die God gebood. Hij overtreedt dus het tweede gebod, zelfs al buigt hij zich nooit voor die boom neer.

Het gouden kalf

Exodus 32:1-5 bevat een kort verhaal van een veelbetekenende afgodendienst die Israël op zijn reis door de woestijn beging.

Exodus 32:1-5 Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aäron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die voor ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, wij weten niet, wat er van hem geworden is. 2 En Aäron zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij. 3 Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. 4 Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 5 Toen Aäron dat zag, bouwde hij daarvóór een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de HERE!

Toen dit voorval begon, vroegen de mensen niet echt om een verandering van god, maar veeleer om een andere menselijke leider. Mozes had het meeste te verduren gehad van Israëls ontevredenheid en nu was hij verdwenen! In hun ongeduld wilden zij het leiderschap toevertrouwen aan iemand die een god voor hen kon maken. Maar hierdoor werden de ware God en Mozes in hoge mate beledigd! Voor hen was het gouden kalf een poging Gods natuur te herdefiniëren en Hem in overeenstemming met hun verlangens te laten handelen.

Op dezelfde manier zeggen de katholieke, orthodoxe en protestantse kerken dat de versieringen, de ikonen, de crucifixen, de Maria-beelden en de kerstbomen er alleen zijn om God in gedachten te houden. Maar hier werkt hetzelfde principe als in Exodus 32! Het duurt niet lang voordat de mens het beeld gaat associëren met God.

In het voorval met het gouden kalf werden het eerste en tweede gebod rechtstreeks overtreden. Aäron riep "een feest voor de HERE" uit. De kerken zeggen: "Deze dingen zijn gewijd aan de aanbidding van God." De ware God zegt in de verzen 7 en 8 dat "ze het verdorven hadden ... en zich ervoor hadden neergebogen". Dit klinkt wel als het hedendaagse houden van Kerstmis. De mensen verdierven zichzelf door Gods natuur en Zijn manier van aanbidding te herdefiniëren in overeenstemming met hun verlangens en doeleinden.

Marcus 7:7-9 is een nieuwtestamentische referentie naar de principes die bij deze geboden betrokken zijn. Jezus gooide Zich in de strijd tegen zulk soort toevoegingen aan Gods weg.

Marcus 7:7-9 Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. 8 Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. [De Statenvertaling voegt toe: als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.] 9 En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om úw overlevering in stand te houden.

De mens houdt de traditionele feestdagen in Gods naam, maar Hij heeft daarin geen behagen.

Het uiterlijke voorkomen van vroomheid der Farizeeën was een leugen, omdat het niet samenging met een totale toewijding aan de weg van de ware God. Hun tradities verdraaiden de wet van God — en daarmee het beeld van God, omdat de wet een beschrijving is van Gods karakter. Gods ware heilige en rechtvaardige karakter is het beeld van Hem dat Hij ook in ons denken en handelen wil zien. Christus verwerpt dus iedere toevoeging, verwijdering en verdraaiing die door de mens tot een aanvaardbare "goddelijke" autoriteit wordt verheven. Hun gebruik is een overtreding van het tweede gebod, omdat ze geen deel uitmaken van de manier waarop God ons gebiedt Hem te aanbidden.

"Uw feesten"

Jesaja 1:13-14 laat in een ander voorbeeld zien hoe serieus God dit benadert.

Jesaja 1:13-14 Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen; gruwelijk reukwerk is het Mij; nieuwe maan en sabbat, het bijeenroepen der samenkomsten. Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering. 14 Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met heel mijn ziel, zij zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen.

In het verleden hebben we deze verzen uitgelegd door te verwijzen naar het woord "uw", daarmee aangevend dat ze niet Zijn feestdagen hielden. Dat duidt duidelijk op afgoderij. Maar wat te denken als God verwijst naar Zijn ware sabbatten en feestdagen, terwijl Zijn zorg uitgaat naar de manier waarop de mensen deze hielden?

Dit is heel goed mogelijk. De mensenmassa's waren in een feestelijke stemming en toch verwerpt God hun aanbidding. Voor Hem was hun "heiligheid" slechts schijn. Daar God hun offeranden "huichelachtig" noemt en hun reukwerk "een gruwel", moet de geestelijke basis van hun aanbidding wel godslasterlijk zijn geweest. De grotere context laat zien dat deze mensen de moraal van zwerfkatten hadden! Hun ogen waren vervuld van lust en begeerte; hun rijkdom was op misdaad gebaseerd. Ze waren jaloers, moordzuchtig, bedrieglijk, gierig, vervuld van haat en roddel — en toch verschenen ze op de sabbatten voor het aangezicht van God alsof alles in hun relatie tip-top in orde was!

Wat voor idee hadden zij van God gekregen, dat ze dachten dat Hij zulk gedrag zou accepteren? Hun aanbidding bestond alleen maar uit de Handelingen waarbij ze zeer nauwgezet de sabbat en de rituelen onderhielden. Het is duidelijk dat de god die zij zich voorstelden, niet de ware God was, omdat Hij meer bezorgd is over juiste relaties dan een angstvallig in acht nemen van de ceremonies.

Ze overtraden zowel het eerste als het tweede gebod. Zij riepen zich een eigen beeld van God voor de geest en aanbaden dat daarna in de naam van de ware God zoals zij het vonden passen. Aanbidding is te allen tijde de reactie op iemands god en kan niet losgekoppeld worden van karakter en houding. De ware God kan niet bedrogen worden.

Vormen van afgodendienst

Jesaja 2:5-20 noemt een aantal vormen van afgodendienst die evenzeer vandaag in onze maatschappij aanwezig zijn als in Jesaja's tijd. Verslaafd aan het bijgeloof van astrologie maakten ze zich drukker om wat de voortekenen zeiden dan het oordeel van God (vers 6). Ze hunkerden naar de macht van het geld en de erkenning en invloed die daarmee samenging. Ze waren enorm trots op hun militaire, politieke en economische invloed in de wereld (vers 7). Ze aanbaden "het werk van hun eigen handen" (vers 8).

De onderliggende motieven voor deze vormen van afgodendienst worden in vers 11 uiteengezet (zie ook de verzen 12 en 17):

Jesaja 2:11a De verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen wordt neergebogen ...

Trots brengt afgodendienst voort en de remedie tegen afgodendienst is de vernietiging van trots. Trots verheft de bezitter ervan, zodat hij denkt God en Zijn wegen niet langer nodig te hebben, dat die teveel beperkingen opleggen, dat die vervelend zijn en beneden zijn intelligentie, waardigheid en behoeften. Trots leidt hem ertoe zijn eigen weg te kiezen, op eigen benen te staan en zijn eigen zaken af te handelen in overeenstemming met zijn eigen oordeel. Om kort te gaan, zelfs als iemand behept met trots Gods wegen kent, dan zal hij zich niet onderwerpen om God te aanbidden op de manier die Hij verlangt.

De duidelijkste vorm van afgodendienst is de aanbidding van een valse god, gebruik makend van een materiële voorstelling, een afgodsbeeld. Het afgodsbeeld begint gewoonlijk niet als de god, maar als een symbool van de god. De functie ervan is de aanbidding van de god gemakkelijker te maken. Maar gewoonlijk duurt het niet lang voordat de mens die god niet langer zonder dat symbool kan aanbidden. Vanaf dat punt is het nog maar een kleine stap om het symbool zelf te gaan aanbidden.

Een tweede vorm komt voor als iemand zichzelf verleidt om te denken dat zolang hij oprecht is, dat hij bijna elke praktijk, ongeacht waar die vandaan komt, aan het christen-zijn kan aanpassen. Dit probeerden Aäron en de Israëlieten met het voorval van het gouden kalf; dit proberen moderne christenen als zij Kerstmis, Pasen en Halloween aan hun geloof toevoegen; dit probeerden de joden toen zij een groot aantal niet-schriftuurlijke rituelen toevoegden aan de dienst van God. In feite schiepen deze mensen hun eigen godsdienst.

Een derde vorm van afgodendienst is een voortvloeisel uit de tweede vorm, maar deze komt meer in wereldlijke aspecten tot uiting dan in religieuze. Deze vorm kent een bijna eindeloze lijst van mogelijke goden. De mens maakt een god van geld, atletiek, hobby's, reizen of waaraan ze bijna hun gehele leven ook maar wijden. Deze mensen kunnen God geheel uitsluiten van hun leven, omdat ze gewoon geen tijd voor Hem hebben.

Deze derde vorm overtreedt rechtstreeks het eerste gebod, maar we moeten het hier in overweging nemen omdat het zeer beslist invloed heeft op de manier waarop we aanbidden. Let op de ontnuchterende consequenties genoemd in Colossenzen 3:5.

Colossenzen 3:5 Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij.

Begeerte is het onwettige verlangen om te bezitten. Iemand plaatst een afgod in zijn denken als hij iets wil bezitten en er zich dan aan wijdt om het te verkrijgen.

Begeerte is afgodendienst

Hoe vaak hebben we niet de uitdrukking "Ik hou daar en daar van" gehoord of gebruikt. Meestal is het gewoon een manier van spreken die we gebruiken om een sterkere dan gewone genegenheid voor of genoegen in iets tot uitdrukking te brengen. Ongelukkigerwijs gaat zo'n verlangen soms te ver en ontaardt dan in zonde. Het zet ons ertoe aan een groot deel van ons leven te besteden om te streven dat genoegen of die genegenheid te bevredigen. Waar iemand van houdt, dat begeert hij soms. Als wat iemand begeert — waarvan hij houdt of wat hij aanbidt — iets anders is dan God, dan is zo iemand praktisch een afgodendienaar.

Jezus waarschuwt:

Mattheüs 6:21 Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Hij impliceert daar geld mee, maar het principe betreft alles dat van zo'n belang is — buiten het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid — dat het verkrijgen ervan ons denken, plannen maken en gedrag overheerst. Als het ons bestaan bepaalt, hebben we een valse god. Het verlangen om dit ding te "krijgen" vervangt de toewijding die we aan God zouden moeten geven, en dwingt ons tot zonde op andere gebieden. Zo worden we dus een afgodendienaar.

Paulus schrijft in Efeziërs 5:5-6.

Efeziërs 5:5-6 Want hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God. 6 Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.

Deze verzen wijzen duidelijk op de ernst van afgodendienst, maar weinigen schijnen te begrijpen dat de essentie van afgodendienst het aanbidden van het eigen ik is. De jongeman die geen kwaad zag in kerstbomen, kent de waarheid over Kerstmis, maar hij acht zijn mening belangrijker dan de waarheid over de oorsprong en de bedoeling van Kerstmis. Zijn woorden laten ook zien dat hij de betekenis van "neerbuigen" of "dienen" in samenhang met dit gebod niet begreep. Neerbuigen betekent "de nek of het middel buigen", maar als we dit toepassen op een situatie zoals in dit gebod, betekent het "eer geven aan, aanbidden, instemmen met of onderwerpen". Dienen betekent "werken voor, de belangen behartigen van, helpen, gehoorzamen, aan de verlangens voldoen van".

De consequenties hiervan zijn bijna onbeperkt. Ze zouden alle andere geboden kunnen betreffen die men gewoonlijk uit lust overtreedt. Veronderstel dat we God om iets vragen dat Hij heeft beloofd, zoals welvaart. Welvaart is goed; Hij wil dat we welvarend zijn. Als ons verlangen naar welvaart echter groter wordt dan het verlangen om ons te onderwerpen aan de manier waarop we moeten leven om welvaart te ontvangen, dan zullen we wereldse middelen gebruiken om zelfs het beloofde goede ding te verkrijgen. Abraham en Sara gebruikten deze rechtvaardiging in hun pogen de beloofde zoon via Hagar te verwekken. Hun redeneren, gecombineerd met een verzwakking van hun geloof, leidde hen ertoe hun eigen weg te gaan in plaats van die van God. Een afgodendienaar dient zichzelf ten koste van het gehoorzamen van God.

De manier

Jeremia brengt deze zonde in Jeremia 17 op een andere beeldende manier onder woorden.

Jeremia 17:5, 7, 9-10 Zo zegt de HERE: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, wiens hart van de HERE wijkt; ... 7 Gezegend is de man die op de HERE vertrouwt, wiens betrouwen de HERE is; ... 9 Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? 10 Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden.

Bedenk dat het eerste gebod zich bezig houdt met wat we aanbidden en het tweede met de manier waarop we aanbidden. Het christen-zijn is een manier van leven die ontworpen is om de manier te laten zien waarop God zou leven als Hij een mens was. Deze manier zal juiste relaties voortbrengen en zodoende vrede en welvaart. Als we door Gods Heilige Geest op deze manier leven, zal daardoor ook goddelijk karakter ontstaan en God zal ons naar Zijn beeld vormen.

Als God er alleen maar op uit was ons te behouden, dan zou onze manier van leven er niet toe doen, behalve dan wat onze manier van leven zou voortbrengen zolang we dit tijdelijke leven leidden. Maar God is Schepper. Hij zit niet gewoon op Zijn troon om passief toe te kijken wat Zijn schepping uitvoert. Hij maakte deze schepping voor Zijn kinderen; deze is onze erfenis. Hij is actief bezig ons naar Zijn beeld te scheppen. Om dit tot stand te brengen, geeft Hij ons een vrije wil en maakt ons ten opzichte van Hem en elkaar verantwoordelijk voor ons handelen en wat het resultaat is van de manier waarop we leven.

In het boek Handelingen refereert Lucas negen keer naar het christen-zijn als "een weg" of "de weg". Het is de weg van behoud en alleen deze weg zal de resultaten voortbrengen die God in relaties, vrede, welvaart en karakter wil. Als er ingrediënten aan deze weg worden toegevoegd die er vreemd aan zijn, dan zal het nieuwe, syncretistische "christen-zijn" niet de verlangde resultaten voortbrengen. Dit betekent niet dat elke schending van deze weg de oorzaak zal zijn dat we ons behoud kwijtraken. Het betekent echter dat God van elk van Zijn kinderen verlangt dat ze tot hun uiterste mogelijkheden groeien en overwinnen.

Iemand overtreedt het tweede gebod als hij zichzelf tegen God verheft door te vertrouwen op eigen of andermans redeneren en op die manier leeft in plaats van op de manier die God heeft vastgesteld en bevolen. Jeremia waarschuwt:

Jeremia 17:9a Arglistig is het hart boven alles, ...

Maar al te vaak wordt het er gemakkelijk toe geleid de eigen verlangens te bevredigen in plaats van naar geopenbaarde kennis te handelen. Maar God doorzoekt en test getrouw ons hart om ons van alle afgoderij te verlossen, zodat we Zijn weg zo goed als mogelijk is zullen volgen.

Satan speelt een enorme rol in het voortbrengen van deze zonde. 2 Corinthiërs 4:4 bevestigt dat hij "de god dezer eeuw [wereld]" is. Efeziërs 2:1-3 leert dat wij onszelf allemaal als kinderen der ongehoorzaamheid aan "de overste van de macht der lucht" hebben onderworpen. Hij misleidt sommigen door een intellectuele verwerping van God of Zijn weg. Anderen strikt hij door de in hoge mate zinnelijke feesten zoals Kerstmis, Pasen, Halloween en dergelijke. Hij is daarin uitermate goed geslaagd.

Onze weg verlaten

Spreuken 21:2 luidt:

Spreuken 21:2 Elke weg van een mens is recht in zijn ogen, maar de HERE beproeft de harten.

Spreuken 16:25 voegt daaraan toe:

Spreuken 16:25 Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.

Tenslotte schrijft Jesaja:

Jesaja 55:7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.

Onwetendheid of verwerping van de weg van God leidt ertoe dat we het tweede gebod overtreden. Toewijding aan de kennis van God is daarvoor de oplossing. Iemand die Hem en Zijn ontzagwekkende doel werkelijk kent — omdat hij met Hem in gebed en bijbelstudie communiceert en het houden van Zijn geboden door de kracht van Zijn Heilige Geest ervaart — aanbidt Hem in geest en waarheid. Zo iemand heeft een goed inzicht (Psalm 111:10). Zo iemand heeft geen behoefte aan voorstellingen of beelden om hem te helpen, omdat hij de almachtige God persoonlijk steeds beter leert kennen.

© 1997 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)