Het eerste gebod

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," januari 1997

Christenen zouden een grote belangstelling moeten hebben voor het onderwerp afgodendienst vanwege het geweldige belang van dit onderwerp voor moraliteit en onze relatie met God. We behoren ons begrip hiervan voortdurend te verdiepen, zodat we kunnen voorkomen dat er ook maar iets tussen ons en God komt in te staan. Misschien ontsnapt afgodendienst bij sommigen, zo niet de meesten van ons, aan onze aandacht, omdat we er te algemeen naar kijken. Deze algemene benadering weerhoudt ons ervan te begrijpen, waaruit afgodendienst voorkomt en in welke mate het in onze relatie met God kan binnendringen.

Alhoewel Romeinen 14:22-23 gewoonlijk niet op afgodendienst wordt toegepast, heeft het een interessant verband met dit onderwerp.

Romeinen 14:22-23 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

Paulus heeft het hier over een botsing van waarden binnen het denken van een persoon. Soms plaagt ons geweten ons, voelen we ons niet op ons gemak over iets wat we onszelf hebben toegestaan te doen. Als er geen verschil zou zijn tussen wat iemand mag doen en wat iemand in feite doet — en een schuldig geweten veroorzaakt — dan zouden we ons geen zorgen behoeven te maken over twijfel aan onszelf en een veroordelen van onszelf.

Maar deze omstandigheden doen zich voor. Dit leidt tot een aantal vragen die gedeeltelijk samenvallen en die we moeten beantwoorden:

  • Wat is de bron van wat u zichzelf toestaat te doen?
  • Waar komen uw waarden vandaan?
  • Waar hebben uw waarden zich gevormd?
  • Bent u er zeker van dat u het bij het juiste eind hebt, ook al plaagt uw geweten u niet?

We moeten ons deze vragen stellen op terreinen zoals: zakelijke ethiek, opleiding, vermaak, atletiek, mode, dieet, kinderopvoeding en huwelijksrelaties, en niet alleen op de voor de hand liggende terreinen van moraliteit.

Onze bron van moraliteit

In 1983 hoorde ik Herbert Armstrong een preek geven over de bron en de oorsprong van de wet. Hij zei: "De verzameling van geloofspunten op basis waarvan u handelt is uw systeem van moraliteit en ethiek." Dat systeem van moraliteit is ook een verzameling wetten en waarden. Waar kwam uw systeem vandaan?

Binnen de geest van het woord "religie" is ieder systeem van moraliteit een uitdrukking van religie, omdat het een manier van leven is. Webster's Dictionary of the English Language definieert religie als "een systeem van geloofspunten en praktijken in samenhang met het gewijde dat de volgelingen ervan binnen een gemeenschap samenbrengt." Het is ook "iets dat een krachtige invloed heeft op iemands manier van denken, zijn belangstelling, enzovoort." Religie behoeft dus niet gerelateerd te zijn aan het goddelijke, want Webster's gaat verder met het voorbeeld: "Voetbal is de religie van die persoon." Toewijding aan iets brengt een manier van leven tot stand.

Webster's New World Dictionary voegt hier aan toe: "de staat of de manier van leven van iemand in een klooster." Met elkaar gecombineerd laten deze woordenboeken zien dat "religie", alhoewel het meestal (en terecht) in samenhang met God en kerk wordt begrepen, ook kan duiden op een wereldlijke toewijding aan een verzameling geloofspunten, waarden en wetten die iemand er in feite toe aanzetten zijn leven op een bepaalde manier te leiden.

Als het wordt toegepast op een wereldlijk leven, heeft dit interessante consequenties. Elk systeem van moraliteit is een uitdrukking van religie, omdat het zich bezighoudt met waarden en de manier waarop we ons leven leiden. Wet is dus vastgestelde, gecodificeerde moraliteit.

De bijbel laat dit heel duidelijk zien in relatie met God:

Romeinen 3:20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen.

Romeinen 4:15 voegt daar het volgende aan toe:

Romeinen 4:15 De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.

Paulus versterkt dit nog eens in Romeinen 7:7.

Romeinen 7:7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.

De wet laat ons onze plichten zien. In samenhang met God maakt het ons bewustzijn van zonde wakker. Door de wet worden we ons bewust van de tegenstelling tussen wat we behoren te doen en wat we in feite doen. Onze burgerlijke wetgevers stellen wetten vast en daarmee zeggen zij ons wat moreel is en juist en goed voor wat betreft een bepaald wereldlijk terrein van het leven.

Overtreding van de wetten van de staat noemen we geen "zonde", maar "misdaad". Veel misdaden zijn ook zonde. Het verschil tussen de wereldlijke wet en Gods wet is, dat Gods wet rechtstreeks samenhangt met het goddelijke. Gods wet openbaart onze plichten ten aanzien van Hem.

Waar leert de mens wat moreel is? Als we dit vanuit bijbels perspectief bekijken, behoren religie, wet, staat en moraliteit — alhoewel op zichzelf verschillende elementen — in werkelijkheid tot dezelfde familie. In werkelijkheid stelt ieder systeem van wet — of systeem van moraliteit, aangezien de wet moraliteit vaststelt — een religie vast.

Technisch bezien kan er dus geen scheiding zijn tussen kerk (religie) en staat. Dit punt onttrekt zich waarschijnlijk aan de aandacht van de meeste westerse mensen vanwege ons democratisch politiek wereldbeeld. Het is voor politici onmogelijk hun waardensysteem (religie) te scheiden van hun openbare leven in de politiek. Als in de nabije toekomst het Beest op het toneel verschijnt, zal dit concept heel duidelijk worden als de banden tussen kerk en staat worden aangehaald. Deze vorm van afgodendienst zal een heel groot verschil uitmaken in ons leven.

"Geen andere goden"

De NBG en de Statenvertaling vertalen Exodus 20:3 allebei als:

Exodus 20:3 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Deze vertaling is echter misleidend, omdat deze ons de ruimte geeft te denken dat andere goden zijn toegestaan, zolang we de ware God als de meest belangrijke beschouwen. God staat in het geheel geen andere goden toe!

Er zijn vertalingen die dichter bij de bedoeling komen. De Moffat vertaling luidt: "U zult behalve Mij geen goden hebben." De Knox vertaling luidt: "U zult Mij niet uitdagen door andere goden tot de uwe te maken." De Spurrel vertaling luidt: "U zult naast Mij geen andere goden hebben." Tenslotte de New English Bible: "U zult geen goden hebben om die tegenover Mij te stellen." Deze vertalingen maken het heel duidelijk dat God Zijn positie, Zijn glorie en Zijn lof niet met enige concurrent (zie Jesaja 42:8) wil delen. Het zou niet goed zijn voor Zijn doel om ons een verdeelde loyaliteit toe te staan.

Ezechiël 20:23-26 openbaart in samenhang met afgodendienst een kritieke factor die we moeten begrijpen.

Ezechiël 20:23-26 Nochtans zwoer Ik in de woestijn, dat Ik hen zou verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, 24 omdat zij mijn verordeningen niet opvolgden, mijn inzettingen verwierpen, mijn sabbatten ontheiligden en omdat hun ogen gevestigd waren op de afgoden van hun vaderen. 25 Toen gaf Ik hun zelf inzettingen die niet goed waren, en verordeningen waardoor zij niet zouden leven. 26 Ik verontreinigde hen door hun offergaven (doordat zij alle eerstgeborenen door het vuur lieten gaan) om hen te verbijsteren, en opdat zij zouden weten, dat Ik de HERE ben.

Let op de nadruk op het persoonlijke voornaamwoord "mijn". De bron van de wet of de waarden waaraan we ons onderwerpen is de soeverein. Dit helpt ons in sterke mate in het bepalen of er afgodendienst aanwezig is en hoe ons geweten daarop zal reageren.

God stelt Zijn wetten op heel duidelijke wijze tegenover heidense geboden en praktijken. Hij impliceert daarmee heel duidelijk dat zij die zich aan heidense geboden onderwerpen, schuldig zijn aan het dienen van een andere god boven de ware God. De Israëlieten offerden — in alle oprechtheid en vanuit een schoon geweten, misschien zelfs wel met vurige ijver — op wrede wijze hun lieve en onschuldige eerstgeborenen in het vuur aan Moloch; en ondertussen maakten ze zich schuldig aan een afschuwelijk wrede afgodendienst!

Vandaag de dag offeren we onze baby's misschien niet op het altaar van Moloch, maar er vinden dagelijks wel zo'n 4.200 abortussen plaats, waarmee het leven van potentiële leden van Gods gezin wordt beëindigd onder het mom van vrije keus en eigen welzijn. De wet van dit land staat deze gruweldaad toe! Als dat geen afgodendienst is, weet ik niet wat wel afgodendienst is! Welke moraliteit, welke religie staat de mens toe zulke afschuwelijke wetten vast te stellen? De mens is verblind geraakt door zich te richten op zijn eigen plezier, en ziet daardoor niet meer dat dit om moord gaat, laat staan afgodendienst. Gods wet staat nergens zo'n verdorven handeling toe.

Slaaf van degene die we gehoorzamen

De verzen 16 en 19 uit Romeinen 6 geven extra kennis over het kritieke belang van de bron van onze waarden.

Romeinen 6:16, 19 Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? ... 19 Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.

We worden hier als de slaaf gezien van degene die we gehoorzamen; we staan onder zijn autoriteit. Als de mens de bron is van de moraliteit waaraan we ons onderwerpen, dan is de mens onze soeverein. Zolang deze soevereiniteit overeenstemt met Gods standaard, is afgodendienst geen probleem. Als we dit uitbreiden tot de staat, of die nu democratisch of socialistisch is, dan is de staat de soeverein. Maar hoe verder we dit uitbreiden, hoe groter de kans wordt dat er afgodendienst in het spel komt.

Aan het begin van onze bekering, gewoonlijk tijdens het dooponderhoud, wordt ons gevraagd Lucas 14:26-33 ernstig in overweging te nemen. Vers 26 is in het bijzonder belangrijk omdat het in deze context gaat om loyaliteit aan Christus. Loyaliteit aan iemand of iets anders ten koste van de loyaliteit aan Christus, is afgodendienst. Jezus zegt:

Lucas 14:26 Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.

Dit is van uitzonderlijk belang, omdat het karakter van elk leven wordt bepaald door de loyaliteit die erin heerst. Als iemands loyaliteit verkeerd gericht is — op het verkeerde bestuur, verzameling van geloofspunten, wetten, mensen of religie — dan zal ongeacht of die persoon onwetend is over zijn afgodendienst, oprecht is en een zuiver geweten heeft, zijn karakter daarmee in overeenstemming worden gevormd. Het zal niet naar het beeld van Christus zijn en het zal niet acceptabel zijn binnen het gezin van God.

In het algemeen denken we aan Handelingen 5:29 alleen maar in termen van vervolging, maar het daar vermelde principe geldt voor alle tijden.

Handelingen 5:29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.

Het leven is een opeenvolging van knelpunten die ons dwingen om keuzes te maken. Deze knelpunten komen in twee vormen: 1) gedwongen, alsof er een revolver tegen onze slaap wordt gedrukt met de woorden: "Doe dit of dat", en 2) niet gedwongen, net zoals iedere morgen onweerstaanbaar aanbreekt en ons zachtjes aanzet om op te staan en onze plichten het hoofd te bieden. Elk van deze twee omstandigheden dwingt ons te kiezen; het enige werkelijke verschil ligt in de sterkte van de dwang.

We worden omringd door diverse elementen die, gedwongen of niet gedwongen, druk uitoefenen om ons zover te krijgen dat we ons uit loyaliteit aan hen onderwerpen. Zowel goed als kwaad zijn dwingende knelpunten die ons onder druk zetten met hen mee te gaan. Onze cultuur spoort ons aan "mee te gaan". Familiebanden beïnvloeden ons om erin op te gaan. Onze gelijken — vrienden op de zaak, school of uit de buurt — spelen op ons in om ons aan te passen. Deze dwingende knelpunten slepen ons voort en maar al te vaak belanden we in afgodendienst om ons verlangen om geaccepteerd te worden en ons zeker te voelen, te bevredigen. Maar Petrus en de andere apostelen zeiden: "Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen."

Afgodendienst en deze wereld

Wet is niet te scheiden van soevereiniteit. We kunnen van ieder systeem de god identificeren door de bron van zijn wetten te lokaliseren. Toen de Verenigde Staten begonnen, ontleenden de "Founding Fathers" veel van ons wetssysteem en moraliteit rechtstreeks of indirect aan de absolute uitspraken van de bijbel. Na de Burgeroorlog baseerden de leiders van de natie op veel terreinen van onze cultuur onze wetten langzamerhand niet meer op die absolute uitspraken maar op menselijk relativisme. Sindsdien is dit in praktisch elk terrein van het leven doorgedrongen. Het speelt nu de hoofdrol in ons denken in het kader van opleiding, kinderopvoeding, huwelijksrelaties, economie, landbouw, gezondheidszorg, sociale programma's en zelfs binnen de grote religies.

Psalm 10:4 legt uit waarom dit gebeurt.

Psalm 10:4 De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God.

Dit is van groot belang, omdat het eerste gebod het belangrijkste is. Een juist begrip — en dus het gehoorzamen — van de andere negen hangt grotendeels van een goed begrip van dit gebod af.

Dit betekent niet dat "de goddeloze" nooit aan God denkt. Hij kan zelfs tot een kerk "behoren" en vrij regelmatig de kerkdiensten bijwonen. Hij is geen atheïst, maar hij vreest God niet. Hij heeft geen respect voor Hem en het kan zijn dat hij Hem opzettelijk vermijdt. Zo iemand heeft gemakshalve ervoor gekozen zonder God te leven, behalve dan om aan de gebruiken van de maatschappij te voldoen. In principe vereert hij zichzelf.

Ons land wordt meer en meer geleid door mensen die aan deze beschrijving beantwoorden. Zij zijn grotendeels verantwoordelijk geweest voor het overbrengen van hun concepten op de maatschappij en die heeft zich voetstoots door hun ideeën mee laten slepen. Mensen kunnen de mond nog wel vol hebben over God, maar Hij wordt niet gevreesd en gehoorzaamd. Afgodendienst veroorzaakt grote schade en het oogsten van de storm is niet ver meer weg.

Niemand van ons is aan de besmetting van deze wereld ontkomen. Wij werden erin geboren. Aangezien we er praktisch weerloos tegen waren, zijn we opgegroeid in het in ons opnemen van de waarden en moraliteitssystemen van de wereld. De meesten van ons waren zich er absoluut niet van bewust dat dit gebeurde.

Johannes schrijft over dit systeem:

1 Johannes 2:15-17 Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 16 Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.

2 Corinthiërs 4:3-4 identificeert de bron ervan:

2 Corinthiërs 4:3-4 Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, 4 ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.

De bijbel gebruikt "wereld" (cosmos) als het systeem van de mens — van bestuur, economie, religie, opleiding, cultuur, enzovoort — dat los van de Schepper God tot ontwikkeling is gekomen. Dit systeem is de bron van veel van wat we geloven en is samen met de auteur ervan, Satan, onze god geweest, al realiseerden we ons dat niet. Omdat Satan slim genoeg is geweest om het een en ander — geloofspunten, verhalen en praktijken — van het systeem van de ware God in zijn systeem op te nemen, heeft het systeem van de duivel het voorkomen van een rechtvaardige autoriteit. We kunnen ons goed voelen, zelfs opgewekt en geïnspireerd, terwijl we kwaad doen — zoals het bedrijven van afgodendienst — en ons als zijn dienaren aan zijn manier van leven onderwerpen.

Onwetendheid is geen excuus

We kunnen denken dat we "ons vrij kunnen pleiten door te zeggen dat we het niet wisten", maar Gods woord drijft ons in Romeinen 1:18-20 allemaal in de hoek.

Romeinen 1:18-20 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.

Onze kennis van God is op zijn best slechts gedeeltelijk, maar we kunnen niet beweren dat we volledig onwetend waren. Paulus zegt dat Zijn schepping genoeg van Hem openbaart om een groot verschil in ons leven te maken. Het niet houden van het eerste gebod is de voornaamste reden dat deze wereld in haar huidige toestand verkeert. Als de mens het had gehouden, dan zouden de natuurlijke, geestelijke gevolgen hem ertoe hebben gebracht ook de andere geboden te houden, omdat hij dan in ieder geval de juiste Bron van wet en moraliteit zou hebben gehad. Zonder het houden van dit gebod is het beste wat de mens kan doen, het vaststellen van standaards op basis van zijn eigen ervaringen en die leiden hem rechtstreeks naar Satan!

We staan niet alleen in onze hulpeloosheid, want alle groten uit het verleden en het heden staan op dezelfde manier als wij voor God. In Handelingen 26 vertelt Paulus koning Agrippa het verhaal van zijn roeping op weg naar Damascus. Vers 14 bevat een heel toepasselijk commentaar.

Handelingen 26:14 en toen wij allen ter aarde vielen, hoorde ik een stem tot mij spreken in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan.

Het lijkt erop dat Christus zegt: "Saul, waarom sla je met je hoofd tegen de muur"? In de veronderstelling dat hij deel had aan het ware geloof, was Paulus een vurig vervolger van Gods kerk, maar op dat moment kende hij de ware God niet eens! God riep hem op een dramatische manier om de bron van zijn geloofssysteem te veranderen, zodat hij de heidenen kon leiden om hun geloofssysteem van dat van Satan in dat van God te veranderen.

Paulus schreef, een aanhaling van David:

Romeinen 3:11 er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt;

De mens is zo misleid en gedrenkt in zijn eigen systeem dat niemand weet waar hij naar uit moet kijken! De duivel heeft de wereld zo misleid (Openbaring 12:9) dat de ware God verborgen is. Satan is de god van deze wereld, omdat hij de bron is van haar manier van leven. De gehele mensheid vereert hem en reageert op hem met uitzondering van die kleine, uitverkoren groep aan wie God Zichzelf heeft geopenbaard.

Ware aanbidding

Let op het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw in Johannes 4:19-24.

Johannes 4:19-24 De vrouw zeide tot Hem: Here, ik zie, dat Gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; 23 maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24 God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.

Jezus zei: "U aanbidt wat gij niet kent." Daar de Samaritanen de Pentateuch gebruikten, beschikten ze over een zekere mate van waarheid. Ze hadden de basis van het beste systeem van moraliteit dat ooit was ontworpen! Maar zelfs al kan iemand stukjes en beetjes van de waarheid ontdekken, toch zal het eropuit draaien dat hij Satan aanbidt. Tenzij God hem roept, benadert hij God met te veel van te voren opgestelde ideeën die hij vanuit het systeem van de wereld heeft overgenomen. Daarom verlangt God berouw en bekering.

In Mattheüs 22:37 breidt Jezus het eerste gebod uit in wat ook wel het eerste en grote gebod van de wet wordt genoemd.

Mattheüs 22:37 Hij [Jezus] zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.

Dit komt erop neer dat we praktisch alle dingen in ons leven aan God moeten wijden! Het heeft zijn invloed op ieder facet van ons leven. Wat kunnen we doen waarbij niet geheel ons leven, onze emoties en ons intellect betrokken is?

Dit gebod heeft daarom betrekking op de vrees, het dienen, het gehoorzamen en het aanbidden van de grote God die de Schepper is. De definitie van het woordenboek van aanbidding zegt dat er intense bewondering, adoratie, eer en toewijding aan iemand of iets bij betrokken is. In principe is aanbidding onze reactie op onze god.

Als we iemand erg hoogachten, is ons respect er dan niet de oorzaak van dat we ons wegens hem anders gedragen? Als we weten dat hij in onze buurt zal zijn, zullen we dan niet proberen enige tijd met hem door te brengen of hem minstens even te ontmoeten? Misschien nemen we ons voor hem een cadeau te geven. Als we zijn gewoonten kennen, zullen we dan niet proberen hem na te doen, zoals bijvoorbeeld zijn manier van kleden of spreken over te nemen? Als we in zijn gezelschap zijn en hij suggereert ons iets te doen, zijn we dan niet geneigd daar gehoor aan te geven?

In de westerse beschaving bereiken mensen en instituten hoogten van bewondering en verering die sommigen ertoe aanzetten allerlei ongewone dingen te doen. Tieners, moeders en zelfs grootmoeders zullen in zwijm vallen voor een neuriënde zanger. Fans zullen een rockster bijna de kleren van het lijf scheuren. Jongens en mannen verafgoden atletische helden. Op politieke bijeenkomsten zullen zelfs oudere volwassenen zich ten gunste van hun kandidaat als hersenloze dwazen gedragen.

Het gaat om dit principe bij het houden van het eerste gebod. Het respect en de reactie die we mensen, dingen of onszelf geven, zou aan God gegeven moeten worden. Besteden we even veel tijd, aandacht en inspanning aan de bewondering van Gods grote bekwaamheden als Schepper als we doen aan mensen die over de een of andere grote bekwaamheid beschikken? God schiep het potentieel voor de bekwaamheden en de schoonheid die we in mensen bewonderen. Zijn bekwaamheden zijn veel groter!

Nodig: Drastische veranderingen

Het resultaat van afgodendienst in onze cultuur is immoraliteit op een schaal die zijn gelijke niet heeft in de geschiedenis van de Verenigde Staten. [Noot vertaler: Dit geldt ook voor Nederland.] Dit zal nooit veranderen, tenzij de waarden, het systeem van moraliteit dat de mensen gebruiken om juist van onjuist te onderscheiden, zal veranderen. Deze verandering zal niet plaatsvinden totdat er zo'n verandering van bestuurssysteem zal plaatsvinden waardoor alle bestaande instituten en standaards zullen worden weggeslagen. We hebben in ons leven gezien dat slechts het veranderen van politieke partij, het veranderen van namen en gezichten in posities van leiderschap, in werkelijkheid niets verandert. Het kan zijn dat het tijdelijk de voortgang van de immoraliteit tempert, maar het verandert niet de basisredenen ervoor.

Wereldlijke religie heeft ons geconditioneerd aan goddelijke aanbidding te denken als aan iets dat we eventjes eens per week doen en daarna staat het ons vrij te doen wat we willen. Dit schiet treurig tekort in het vervullen van Gods doel om ons naar Zijn beeld te scheppen. Zijn doel draait erom dat Zijn manier van denken in ons tot stand komt, zodat we Hem op elk gebied van het leven kunnen imiteren.

In dit opzicht heeft het eerste gebod heel praktische consequenties. Als iemand anders Gods eerste plaats in ons denken, onze genegenheid en ons gedrag inneemt, zodat we hem bewonderen, ons aan hem onderwerpen en hem imiteren, dan zullen we naar het beeld van een ander worden gevormd, niet naar dat van God. Als we niet naar Gods beeld zijn gevormd, zal Hij ons dan in Zijn Koninkrijk toelaten?

Het is goed om heel vaak over Jesaja 57:15 te mediteren.

Jesaja 57:15 Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven.

We moeten ons altijd herinneren dat we geen andere god dan Hem kunnen hebben, omdat Hij ons Model is, evenals de opperste Schepper, Heerser, Levengever, Wetgever, Bevrijder, Genezer, Verlosser, rechtvaardige Rechter, Pleiter en nog veel meer. De bijbel laat Hem zien in Zijn handelen ten behoeve van Zijn volk en Zijn naam. De bijbel laat Hem zien in het trouw nakomen van Zijn beloften en doorwerkend naar het bereiken van Zijn doel.

Niemand kan twee heren dienen. We moeten alleen Yahweh aanbidden. Het aanbidden van één God is het hebben van één opperste loyaliteit in ons leven, waaraan al onze instincten, hartstochten en opwellingen gehoorzamen.

Maar al te vaak is iemands voorstelling van God heel ontoereikend:

  • Zonder het te realiseren vereren sommigen hun eigen geweten, een innerlijke stem die God tot een soort inwonende politieman maakt.
  • Anderen vereren een god die niets meer is dan een veredelde vorm van hun eigen vader. Menselijk kunnen onze vaders goede mensen zijn geweest, maar vergeleken met God schieten alle vaders tekort.
  • Velen denken aan God als een heel oude Man. Ze beschouwen Hem als een aardige kerel, maar een beetje ouderwets, die comfortabel in Zijn gemakkelijke stoel zit, vergeetachtig is en een Watje die in principe buiten het leven staat. Hij is zeer zeker geen vitale, dynamische Aanwezige die op krachtige wijze werkt aan het voleindigen van Zijn doel!
  • Wat te denken van de "zachtmoedige en zachtaardige Jezus"? Jezus daagde op onverschrokken wijze de huichelaars uit Zijn tijd uit en ging op moedige wijze een niet verdiende martelaarsdood ten behoeve van ons tegemoet. De bijbel noemt Hem de Heer der legerscharen!
  • Tenslotte zijn er sommigen die aan Hem denken als de beherende directeur (managing director) van het universum. Dit concept biedt mogelijkheden, maar het impliceert dat Hij gereserveerd en afstandelijk is, te druk om Zich bewust te zijn van "mijn persoontje".

Elk menselijk idee van God is ontoereikend. Jesaja schrijft:

Jesaja 40:18 Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?

Alleen wat God over Zichzelf in de bijbel openbaart is werkelijk toereikend. Wat de bijbel over God openbaart is Zijn inspanning en Zijn gave om op Zijn kinderen een juiste indruk (beeld) van Hem over te brengen. Zelfs doet Hij bij tijd en wijle zulke geweldige uitspraken dat ons beperkt denkvermogen die niet kan bevatten.

Jesaja 40:26 Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter.

Dit is degene op Wie we onze ogen, oren en hart moeten vestigen. Hij is het waard dat we Hem trouw nabootsen. Hij is de Auteur van een verzameling wetten waaruit het enige perfecte moraliteitssysteem voortkomt. Het andere goden naast Hem hebben heeft deze boze wereld voortgebracht. Deze wereld gaat voorbij — met al haar geweld, verwarring, angst en wanhoop. Als de God die alle macht heeft — degene die we moeten aanbidden door het eerste gebod te houden — zegt: "Genoeg!" en opstaat om Zijn heerschappij te vestigen, dan zal deze wereld vergaan.

Het onderwerp waarop het eerste gebod betrekking heeft is loyaliteit — loyaliteit aan de grote Schepper wiens scheppend handelen niet eindigde met de fysieke schepping. Als Zijn kinderen dit gebod houden, werkt er een proces om hun schepping naar Zijn beeld te voltooien. Dit is de reden waarom we een vrije wil hebben — om deel te hebben aan het vormen van heilig, rechtvaardig karakter zoals onze Zaligmaker en God dat heeft. Als we dit gebod niet houden, gaat Gods doel in ons verloren omdat — ongeacht wie we zijn — we het beeld zullen aannemen van wie of wat we geloven en gehoorzamen. We kunnen er zeker van zijn dat God Zijn aandeel zal doen om ons te bemoedigen dit gebod te houden. Laten wij ons aandeel doen door elke mogelijke inspanning te leveren om ons met vreugde te onderwerpen aan Hem die al onze loyaliteit waard is.

© 1997 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)