De offeranden van Leviticus (Deel 9):
Conclusie (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," december 2003

We zagen in het vorige artikel hoe onze positie voor God wordt bepaald. God heeft ons in dit opzicht ongelooflijke gaven gegeven, omdat niemand in de gehele geschiedenis van de mensheid, behalve Jezus Christus, door eigen verdienste de juiste positie heeft verworven en daarmee toegang tot God. Toch zegt 1 Johannes 4:17 duidelijk: "Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij [Christus] is, zijn ook wij in deze wereld."

Petrus voegt toe: "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?" (1 Petrus 4:17). Voor diegenen onder ons die nu deel uitmaken van het lichaam van Jezus Christus en daarom "in de kerk" zijn, is de tijd van oordeel nu. Elke dag blijft er dus minder tijd over voor ons om God te behagen. Als we meer kennis van God en Zijn weg krijgen, worden we ons er steeds meer van bewust hoe vaak we tekortschieten in het bereiken van Zijn heerlijkheid. Desondanks laat God ons verbazingwekkend genoeg zien dat "gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld". God aanvaardt ons — we staan voor Hem — en Hij bekijkt ons op dezelfde manier als Hij Christus zou aanvaarden en bekijken! Het woord gelijk betekent "in dezelfde graad, hoeveelheid, manier of mate".

Onze aanvaarding en onze positie worden nog duidelijker door het extra feit dat Jezus in Zijn gebed voor de discipelen op de avond voor Zijn kruisiging, God vraagt de wereld te laten zien dat Hij "hen [ook duidend op ons] lief had evenals Gij Mij hebt liefgehad" (Johannes 17:23). De Vader heeft ons in dezelfde mate lief als Hij Jezus liefheeft!

In de offeranden van Leviticus hebben we gezien, dat Jezus de bedoeling ervan personifieerde. Hij leefde elke dag als een levend offer, waarbij Hij Zich voegde naar de geestelijke bedoeling ervan. Zijn leven was het voorbeeld van een volmaakt brand-, spijs- en vredeoffer. Daardoor kwalificeerde Hij om het zond- en schuldoffer te zijn. Hij had God met Zijn hele hart, met Zijn gehele ziel, met Zijn gehele verstand lief, en Zijn naaste als Zichzelf. Als gevolg daarvan bracht Jezus — zoals het vredeoffer uitbeeldt — de mens en God samen in omgang met elkaar, en God aanvaardde en paste Zijn offer toe voor de zonde van de mens.

Deze factoren hebben verreikende voordelen voor ons in de zin dat zij ons met Christus eenheid, identificatie, gemeenschappelijkheid en een positie verschaffen bij God. Met Hem als onze Hogepriester bij God is het alsof wij daar zijn (Efeziërs 1:3). Zijn werk heeft de deur geopend voor een intieme relatie met zowel de Vader als de Zoon. Wat nog afgewacht moet worden, is of we ons conformeren aan het leven van Christus.

Een doel voor onze positie

Onze positie voor God heeft als doel dat we ons leven zo nauwgezet mogelijk gaan leiden als Jezus dat deed. 1 Johannes 2:3-5 zegt:

En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. 4 Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; 5 maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn.

Er moet iets zijn dat bewijst dat we één zijn met Christus, in Hem zijn geënt en in eenheid leven met de Vader en de Zoon. Dat iets is de manier waarop we ons leven leiden. Dat moet steeds meer uiting geven aan het steeds volmaakter houden van de geest van de levitische offeranden.

Paulus schrijft in Galaten 3:26-29:

Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Na Zijn laatste Pascha met Zijn discipelen voegt Jezus in Johannes 14:15 toe: "Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren." Eerder had Hij gezegd: "Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander" (Johannes 13:35). Het aandoen van Christus is het proces waardoor we worden zoals Hij, en we doen dit binnen de relatie die door Zijn offer tot stand is gekomen. Het bewaren van Gods geboden is een essentieel onderdeel van dit proces.

De namen van mensen zijn waarschijnlijk de meest algemene van alle identificaties. Taal identificeert mensen, evenals hun fysieke kenmerken en de kleding die ze dragen. Toch worden de zonen van God, zij die in eenheid verkeren met de Vader en Zijn Zoon, uit alle naties en talen gekozen. Ongeacht de cultuur waaruit God hen roept, worden ze geïdentificeerd door het bewaren van de geboden, waardoor bevestigd wordt dat ze verenigd zijn met Christus. Het bewaren van de geboden is liefde. Bijbelse liefde is een handeling, niet alleen maar een gevoel. Er kan een positief gevoel mee samengaan, zelfs diepgaande affectie en hartstocht voor hen op wie de handeling van liefde is gericht, maar de basis ervan ligt in de handeling en niet in de emotie.

Lege woorden en bevestiging

Velen beweren Christus lief te hebben, maar hun manier van leven spreekt tegen wat ze zeggen, omdat ze Zijn geboden niet bewaren. Paulus schrijft in Titus 1:15-16:

Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet. 16 Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.

Hebben deze mensen het geloof van Jezus Christus, dat wil zeggen geloven ze in en passen ze dezelfde dingen toe als Hij? Wandelen ze echt in Zijn voetstappen? Zelfs voor de oppervlakkige waarnemer is het duidelijk dat ze niet bereid zijn om zich opofferingen te getroosten om in veel opzichten op dezelfde manier te handelen als Hij. Jezus hield de wekelijkse sabbat en de heilige dagen van Leviticus; zij doen dat niet. Jezus hield het Pascha; zij vieren Pasen, wat Jezus nooit deed. Hij heeft geen enkele Halloween of Kerstmis gevierd; deze feesten worden nergens in de Bijbel bevolen en zijn in feite tot op het bot duidelijk heidens.

Dit is nog maar net de oppervlakte waarbij slechts de meer opvallende patronen van werken zijn betrokken. Deze dingen verwijzen er echter naar dat de bevestiging dat iemand God liefheeft een morele zaak is. God bepaalt de standaards van moraliteit, niet de mens die zegt God lief te hebben, en toch vaak in veel gebieden van het leven onwetend zijn eigen gang gaat. Zonder het bewaren van de geboden is er geen ander middel aanvaardbaar voor God om te identificeren dat wij in eenheid met Hem zijn.

Dit betekent niet dat liefde met deze werken ophoudt — in feite is juist het tegendeel het geval. Het bewaren van Zijn geboden, waarin goddelijke liefde tot uiting komt, is slechts het begin van het proces. Door middel hiervan geven wij ons getuigenis aan de wereld. De apostel Johannes schrijft: "Maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn" (1 Johannes 2:5). Dit proces brengt dus ook de vrijmoedigheid en het vertrouwen voort dat ons in staat stelt onze verontrustende angsten te overwinnen en ons leven op het Zijne te doen lijken.

We werden geschapen, geroepen en ontvingen vergeving toen we voor dit doel ons geloof beleden. In Romeinen 8:28-30 verklaart de apostel Paulus ten volle overtuigd:

Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Romeinen 5:2 herinnert ons eraan dat we ons verheugen in de hoop op de heerlijkheid van God. Ons doel is bepaald, maar nu leren we dat gelijkvormig worden aan Christus leidt tot heerlijkheid. Rechtvaardiging is op zichzelf fantastisch, maar het is slechts het begin van het proces.

Kunnen wij eerlijk zeggen dat onze manier van leven in elk opzicht even zuiver is als die van Hem? Als we eerlijk zijn, geven we openlijk toe dat ons leven in vergelijking onregelmatig is, niet consequent en soms werkelijk verkeerd wordt geleid. Onze acties, reacties, woorden en houdingen zijn al te vaak niet in overeenstemming met Christus. We brengen Hem in situaties waar Hij Zichzelf nooit in zou hebben gebracht. Het zou duidelijk moeten zijn waarom we elk jaar het Pascha nodig hebben. Het is vertroostend en bemoedigend te denken aan Gods barmhartigheid — dat Hij, omdat Hij ons ziet als Christus, ons de tijd geeft te erkennen wat we zijn, ons daarvan te bekeren, ons naar Hem te voegen en stapje voor stapje gelijkvormig worden aan het beeld van Zijn Zoon.

De tijd van het brengen van offeranden is beslist niet voorbij — alleen wat er wordt geofferd is veranderd. Er worden niet langer offeranden van bloed en graan gebracht, maar dingen met een onmetelijk veel grotere waarde. Ons leven dat in totale toewijding wordt gegeven aan de manier van leven van onze Schepper en oudste Broer Jezus, is het offer dat gelijkvormigheid met Hem tot stand brengt. Het kan zijn dat ons leven voor onze roeping volledig vervuld was van status, activiteiten en dingen die volgens ons voor ons welzijn belangrijk waren. In veel gevallen moeten zulke dingen echter overboord gegooid worden om dit te bereiken.

De apostel Paulus ervoer precies zo'n test, die voor ons in Filippenzen 3:7 is vastgelegd: "Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht." Als wij ernaar verlangen te leven zoals Jezus dat deed, moeten we met ons gehele wezen ernaar streven om te voldoen aan de vereisten van de offeranden die zich in ons leven zullen voordoen. Christus personifieerde de bedoeling van de bijbelse offeranden; zij maakten een wezenlijk deel van Zijn leven uit.

Volgde Paulus het voorbeeld van Christus als hij zich opofferingen moest getroosten om zijn toewijding aan Hem te bevestigen? Hij zegt van zichzelf dat hij "een Hebreeër uit de Hebreeën" was (Filippenzen 3:5), iemand van de juiste komaf. Hij werd onderwezen aan de voeten van Gamaliël (Handelingen 22:3). Hij was dus waarschijnlijk een rabbi, een achtenswaardige en verheven positie die hij overboord moest gooien. Het kan zijn dat hij lid was van het Sanhedrin en dus iemand met een duidelijke autoriteit en die respect getoond moest worden. Als dat zo is, moest hij getrouwd zijn, toch maakt de Schrift geen melding van een vrouw. Verliet ze hem of stierf ze? Misschien heeft hij ook haar moeten opgeven. Blijkbaar had hij geen kinderen. 2 Corinthiërs 11:22-33 geeft een overzicht van de vele opofferingen die hij zich getroostte om de kerk als apostel te dienen.

Onze Verlosser getroostte Zich meer van dit soort opofferingen dan iemand anders. Hij gaf veel van Zijn voorrechten als God op om het leven van een mens te kunnen leiden. Abraham moest zijn vaderland verlaten en voor de rest van zijn leven als een nomade rondtrekken. Mozes moest elk idee dat hij zou kunnen hebben gehad om op de troon van Egypte te zitten, uit zijn hoofd zetten. Welke opofferingen moeten wij ons getroosten — iets dat vergelijkbaar is met wat deze mensen moesten? Hebben wij huizen, landerijen, familie of banen opgegeven? Paulus zei dat hij alles kwijtraakte! Filippenzen 3:8 legt vast: "Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen."

Velen van ons lijken op de rijke jongeling uit Mattheüs 19, die aan Jezus vraagt wat hij moet doen om behouden te worden. Als Jezus hem zegt alles te verkopen wat hij bezit en het aan de armen te geven, kan hij dat niet opbrengen. We zien dat rijkdom een belangrijke afgod in zijn leven was, zijn hoge toren waar hij naar opkeek voor zekerheid. Op soortgelijke manier menen ook wij dat rijkdom zekerheid verschaft, en we doen ons uiterste best om te voorkomen dat die ons uit de handen glipt. Als dit niet zo zou zijn, zou afgoderij niet zo'n groot probleem zijn, maar het is de meest voorkomende en ernstigste van alle zonden. Het komt tussen God en ons te staan en is een grote belemmering om aan Zijn beeld gelijkvormig te worden.

Waar vindt de echte strijd voor gelijkvormigheid plaats?

Tijdens een dooponderhoud neemt een dienaar bijna altijd Jezus' onderwijs in Lucas 14:26-30 door met de kandidaat:

Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. 27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen? 29 Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te bespotten, 30 zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien.

Dit gesprek somt veel mogelijkheden op die opoffering vragen, maar geen daarvan is zo algemeen of kostbaar als "ja zelfs zijn eigen leven". Al kan dit een moeilijke voorwaarde zijn waarvoor een diepgaand zelfonderzoek nodig is, toch kunnen we een erfenis, een baan, een titel of status zonder veel spijt opgeven. Men kan zich van deze verliezen herstellen en het leven gaat verder, maar iemand kan nooit van zichzelf loskomen. Men neemt zijn menselijke natuur en vijandschap tegen God met zichzelf mee, waar men ook gaat. Men moet voortdurend de uitdagingen het hoofd bieden van slechte houdingen, humeur, zwakke vastberadenheid en een zwak karakter dat in het verleden ingesleten is.

Hier vindt de echte strijd plaats om iemands leven in gehoorzaamheid aan God als een brand-, spijs- en vredeoffer op te geven. Hebreeën 5:7-8 zegt over Jezus:

Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, 8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden,

Waarom was de apostel Paulus bereid zich elke opoffering te getroosten die maar nodig was, en wat deed hij eraan?

..., opdat ik Christus moge winnen, 9 en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. 10 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende. (Filippenzen 3:8b-10)

Bij tijden gebruikt de Bijbel "kennen" als een eufemisme voor seksuele intimiteit. Paulus zegt hier niet dat hij seksuele intimiteit met Christus verlangt, maar dat hij sterk verlangt naar geestelijke intimiteit met Hem. Hij wil Hem zo na staan dat hij hetzelfde niveau van leven ervaart als Jezus — zelfs tot het punt van lijden of sterven zoals Hij deed, als dat nodig mocht zijn om op elke mogelijke manier op Hem te gaan lijken. Hij verlangt ernaar God in ieder aspect van zijn leven te verheerlijken, evenals Jezus dat deed (Johannes 17:4).

Om dit te bereiken is een heldere visie nodig op waar men met zijn leven heen wil; vasthoudende, gedisciplineerde vastberadenheid om naar dat doel toe te werken; stugge concentratie om te voorkomen dat men wordt afgeleid; en een onvermoeibare bereidwilligheid elke prijs te betalen die verlangd kan worden. Paulus zegt in Filippenzen 3:12-14:

Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. 13 Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, 14 maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.

Het is duidelijk dat Paulus op het moment dat hij dit schreef niet volmaakt was, evenmin zijn wij — als we dit lezen — volmaakt. Maar God heeft in Zijn barmhartige genade geoordeeld en "ziet" ons nu zoals Hij Christus zou zien, teneinde ons de tijd te geven volmaakt te worden door naar Zijn beeld te worden geschapen.

Paulus drukt zijn vastbeslotenheid uit om alles te doen wat vereist wordt om dit heerlijke doel te bereiken. Het is interessant dat "grijpen" (vers 12) letterlijker betekent "in de kraag pakken". Het is bijna alsof Christus hem vanuit de kudde der mensheid in de kraag pakte, hem eruit rukte om volmaakt te worden gemaakt en een apostel te worden. Dit suggereert op zijn minst dat God vastberaden, zelfs strenge maatregelen zal nemen om ons deze fantastische gelegenheid te geven. Hij laat op geen enkele manier de dingen op passieve wijze gebeuren als Hij Zijn schepping observeert, en Paulus weerspiegelt dezelfde vorm van energieke actie om zijn deel te doen.

De apostel gaat verder met het aanmoedigen van de Filippenzen om dezelfde benadering te hanteren: "Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren" (vers 15). Dit is nog meer bemoediging voor hen die het niveau van volwassenheid dat Paulus beschrijft, nog niet hebben bereikt, daar hij uitlegt dat God op getrouwe wijze ons denken in harmonie met het Zijne zal brengen als we verder gaan om ernaar te streven te worden als Hij..

Vers 16 voegt een aansporing toe om zich niet te laten ontschieten wat men al heeft bereikt: "Maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!" Ons doel in het leven is Christus zo te kennen — zo één met Hem te zijn — dat we dag aan dag het leven delen dat Hij leefde, wandelen zoals Hij wandelde, zelfs lijden zoals Hij leed. We groeien in Zijn geloof en gaan deelhebben aan Zijn hoop, vreugde, zorgen en teleurstellingen. We dragen het kruis en misschien, zoals met sommigen het geval is geweest, sterven de dood die Hij stierf. Op deze manier delen we het leven met Christus en door dit proces worden we tot volmaaktheid gebracht.

We zijn echter nog niet gereed, we moeten dus blijven volharden. God heeft ook ons gegrepen, niet op dezelfde abrupte manier als Hij dat met Paulus deed, maar Hij heeft ons ongetwijfeld in de kraag gepakt. Het is vertroostend te weten dat Hij ons in Filippenzen 1:6 zegt dat Hij in staat is te voltooien wat Hij is begonnen. Hij zal Zijn scheppende werk voltooien, als wij Hem daartoe de gelegenheid geven.

Vanwege Jezus Christus accepteert God ons en hebben we toegang tot Hem. Terwijl we tot volmaaktheid worden gebracht, zouden we de standaard van gedrag die God van ons verlangt, steeds helderder moeten gaan zien. Het is inderdaad een hoge standaard, maar tegelijkertijd zou het feit dat wij zijn aanvaard, ons rust moeten geven om in vertrouwen te leven. De doodstraf hangt ons niet langer boven het hoofd; we hoeven ons niet meer schuldig te voelen. Daar de standaard is te komen tot "de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Efeziërs 4:13), worden ons doelstellingen gegeven die altijd hoger liggen dan we kunnen bereiken. We zullen altijd iets hebben om naar te streven. We kunnen dus niet eerlijk zeggen dat we "rijk zijn, verrijkt zijn geworden en aan niets gebrek hebben", zoals de Laodiceeër zo trots beweert (Openbaring 3:17).

Consequenties, identificatie en opofferingen

Hebreeën 10:11-14 zegt:

Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; 12 deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, 13 voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. 14 Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.

Wij zijn degenen die "voor altijd zijn volmaakt". "Voor altijd volmaakt zijn" betekent echter niet dat we in moreel opzicht volmaakt zijn. Veeleer is Zijn ene offer volmaakt toereikend om ons te verzekeren van de juiste positie voor God. Zoals we hebben gezien, laten de offeranden zien hoe Hij Zijn leven leidde, maar hier zien we de impact ervan, de consequenties van wat Hij zo goed deed. We zien de mens, zondigend en onvolmaakt, één worden met God door Christus.

Middels het brand-, spijs-, vrede-, zond- en schuldoffer zien we dat er aan al Gods heilige vereisten in Christus is voldaan, zodat wij door Zijn Heilige Geest levend gemaakt kunnen worden, voortdurende omgang met Hen kunnen hebben en kunnen groeien om volledig één met Hen te worden. Efeziërs 1:3-6 bevat Paulus' gedachten hierover:

Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4 Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.

De consequenties van Christus' offers eindigen er niet mee dat wij door God worden aanvaard. Aanvaarding brengt het vereiste van gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon met zich mee; er wordt van ons verwacht dat we in nieuwheid van leven wandelen (Romeinen 6:4). Petrus formuleert zijn instructie over onze verantwoordelijkheid als we eenmaal Christus' offer voor ons aanvaarden, op de volgende manier: "En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus" (1 Petrus 2:4-5).

Dit zijn woorden die iedereen die door God is verwekt, kan begrijpen. Wij moeten offers brengen op dezelfde manier als Hij. Er is niets vastgelegd over ook maar één offer dat Hij in de tempel bracht. Hij leefde veeleer naar de bedoeling ervan door een levend offer te zijn. Daarom is onze identificatie met Hem zo belangrijk. Wij maken nu deel uit van Zijn lichaam; wij vertegenwoordigen Hem. Hij leeft in ons en wij ervaren het leven met Hem deel uitmakende van ons. Ons gedrag is zichtbaar voor iedereen die de moeite neemt ernaar te kijken. Verheerlijken wij Hem?

Begrijp alstublieft, dat al zijn onze offeranden armzalig en zwak in vergelijking met die van Hem, ze in geen enkel opzicht waardeloos zijn. Ze zijn toch acceptabel voor God vanwege Christus en ze zijn toch een getuigenis.

Neem deze illustratie in overweging: Als een stel een klein kind van zeg enkele jaren oud heeft, verwachten ze dan van hem dat hij de honderd meter in negen seconden loopt? Zijn ze teleurgesteld omdat hij geen auto kan rijden en ook de relativiteitstheorie van Einstein niet kan begrijpen? Natuurlijk niet! Als hun kind slechts één jaar oud is, is hij misschien slechts amper in staat van de ene kant van de kamer naar de andere kant te waggelen! Als hij enkele keren valt, verliezen ze dan hun geduld en zetten ze hem het huis uit?

Natuurlijk zijn ze niet teleurgesteld over zijn huidige onbekwaamheden, en ze denken er al helemaal niet over hem het huis uit te zetten. Waarom? Omdat zij weten dat hij slechts een baby is, en zij passen hun verwachtingen en oordelen dienovereenkomstig aan. Zij zijn er zeker van dat het hem met het opgroeien beter zal afgaan en dat hij ervaring zal opdoen. Ze weten dat hij op een bepaalde dag vol vertrouwen van de ene kant van de kamer naar de andere zal lopen en nog veel verder. Er komt een dag dat hij misschien de honderd meter wel binnen de tien seconden loopt en dat hij de principes van de relativiteitstheorie begrijpt.

Met andere woorden er wordt groei verwacht. Gods oordeel over ons lijkt hier sterk op. Als we nog maar net in Christus zijn, beschouwt Hij ons als baby's (1 Petrus 2:2; Hebreeën 5:13). Het is heel goed mogelijk dat Hij ons op dat moment als "volmaakt" beschouwt gelet op de tijd die sinds onze verwekking verlopen is, en we zijn acceptabel vanwege Jezus Christus. Hij geeft ons de tijd om te groeien, zelfs al is het mogelijk dat we de ene fout na de andere begaan vanwege onze zwakheid en onvolwassenheid. Vanwege Christus blijft Hij ons als "volmaakt" beoordelen.

Dit is een fantastische gave! Hij is niet overmatig bezorgd over onze individuele zonden zolang Hij in ons een gestage, opgaande lijn ziet naar volwassenheid in ons gedrag om de maat van de wasdom der volheid van Christus te bereiken. Als een kind valt als hij door de kamer waggelt, zullen zijn ouders hem dan niet overeind zetten, hem afkloppen, troosten en hem laten zien: "Zo moet je het doen"? Kunnen wij minder van God verwachten, naar wiens beeld we zijn? Daarom geeft aanvaarding door Hem ons tijd om te groeien.

Een detail in de ingewanden

Leviticus 1 bevat instructies voor het brandoffer. Vers 9 is in het bijzonder interessant: "En de ingewanden en de onderschenkels ervan zal men met water wassen, en de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan als een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE." Tijdens de voorbereidingen voor het verbranden moesten de ingewanden — die ons diepste, innerlijke wezen voorstellen; het hart waaraan ons gedrag ontspringt; onze emoties — en de onderschenkels — die ons wandelen, ons gedrag voorstellen — met water gewassen worden voordat het allemaal op het vuur werd verbrand. Het brandoffer wordt aan de binnenzijde volledig gereinigd en daarna verbrand.

Hier wordt de standaard van toewijding aan God uitgebeeld; dit is het doel dat God aan Zijn kinderen geeft doordat ze door Christus toegang tot Hem hebben. Wij moeten gereinigd worden, een volledige offerande. We moeten niets achterhouden; we moeten ons geheel geven. Dit is de moeilijkste van alle offeranden die God ons vraagt te brengen, omdat wij, evenals de rijke jongeling, dingen voor onszelf willen houden. Wat het ook is, het is als een veiligheidsdeken voor een kind, we hangen eraan en willen het niet opgeven.

David begreep wat het brengen van offeranden inhield. Dit komt in 2 Samuël 24:24 tot uiting:

Maar de koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik wil het in elk geval van u voor de volle prijs kopen, want de HERE, mijn God, wil ik geen brandoffers brengen, die mij niets kosten. Daarop kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkels zilver.

Het brandoffer is pijnlijk omdat het kostbaar is. Het is zo kostbaar omdat het ons het leven kost. Dit geven we in ruil voor de vergeving van onze zonden! Jezus zegt dit Zelf in Lucas 14:26: "Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn."

Hebreeën 5:7-8 leert ons dat Jezus Christus Zijn offeranden voelde ? niet alleen maar Zijn offerande aan het kruis, maar ook de talloze offeranden die Hij bracht nadat Hij Zijn goddelijke voorrechten had afgelegd om voor 33½ jaar als brandoffer te leven.

Evenals het brandoffer werd het spijsoffer volledig geconsumeerd (Leviticus 2:2-3). De priester plaatste een deel bovenop het brandoffer en hield de rest voor eigen consumptie. Er bleef niets van over voor de offeraar. Het spijsoffer beeldt uit dat de mens een claim heeft op de mens. We zijn verplicht onze naaste lief te hebben als onszelf; wij zijn onze broeders hoeder. Wij zijn deze dingen schuldig aan onze medemens en daarom heeft onze medemens een claim op onze liefde, evenals wij een claim hebben op zijn liefde.

Paulus schrijft in Filippenzen 2:17: "Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen." Het plengoffer was een toevoeging aan het spijsoffer. Het is duidelijk dat Paulus zijn leven als een offerande aan de Filippenzen beschouwde, ten nutte van hun geloof in God en Zijn doeleinden. Om deze reden kon hij zijn leven niet leiden zoals hij dat anders zou kunnen hebben gewild. Hij stond hun altijd ten dienste, hij offerde zijn leven op voor hen.

Er worden nog anderen genoemd voor hun diensten aan de gemeente. Febe heeft velen uit de gemeente geholpen. Filemon was gastvrij en Lucas en Silas maakten zware reizen met Paulus ten dienste van hen die in verafgelegen gebieden woonden. Evenals wij, dienden zij, zoals de Bijbel zegt, mensen die vleselijk en gezuurd waren, en hun reacties waren dus niet altijd zo als wij die graag zouden zien.

Een duidelijk voorbeeld hiervan vond plaats toen Maria haar kostbare zalf offerde om Jezus' voeten te zalven. Judas reageerde vleselijk en vroeg waarom deze zalf niet was verkocht om de opbrengst aan de armen te geven. Deze illustratie laat zien dat offers voor anderen gebracht verkeerd kunnen worden opgevat, en mensen kunnen daar aanstoot aan nemen. Als we dienen zijn onze verwachtingen gewoonlijk hoog gespannen, maar de werkelijkheid beantwoordt daar soms niet aan, waardoor we pijn lijden zelfs in het proberen goed te doen. We moeten altijd bedenken dat het een offer is om een spijsoffer te zijn. De mogelijkheid van pijn is altijd aanwezig.

Het vredeoffer laat een gevoel van voldoening zien, een gevoel van welzijn dat door dit offer wordt voortgebracht. Hebreeën 13:16 verklaart dat God een welgevallen heeft aan offeranden waarin we delen of dienen in de omgang met elkaar. Filippenzen 4:18 laat zien dat God ingenomen was met de offeranden van de Filippenzen nadat zij hun offer voor de gemeente in Jeruzalem hadden gebracht. Het vredeoffer bevat zelfs een gevoel van beloning en voorspoed voor iets dat goed is gedaan, waarmee gesuggereerd wordt dat de beloning geestelijk van aard zal zijn. Paulus zegt dat God de blijmoedige gever liefheeft, dat moet Hem dus ook aangenaam zijn (2 Corinthiërs 9:6-7)!

Het kan zijn dat het zondoffer het toppunt is in termen van opoffering en het ongemak en de pijn van zelfverloochening. Is dit ook op ons van toepassing? Voerde Christus Zijn geweldige werken voor ons uit om te voorkomen dat wij zouden lijden? Als we denken dat dat Zijn doel was, hebben we het bij het verkeerde eind. Let op wat 1 Petrus 4:1-2 zegt:

Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, 2 om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, te leven.

Christus heeft ons de doodstraf kwijtgescholden, maar ons niet van het lijden vrijgesteld dat met het brengen van de offeranden die nodig zijn om zonde te overwinnen, samengaat. Het weerstaan van het vlees is pijnlijk. We worden met Christus gekruisigd; het vlees moet als het ware ter dood worden gebracht. Paulus stelt in Galaten 5:24: "Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd." En in Romeinen 8:13: "Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven." Als we dit doen worden wij met Christus tot een zondoffer van de allerbeste soort.

In het schuldoffer wordt van de offeraar verlangd een genoegdoening te geven van eenvijfde boven de prijs van wat gestolen was. Dit dient ertoe om ons de praktijk te leren van uitgaan boven wat de wet doorgaans verlangt. We moeten bijvoorbeeld niet alleen onze vrienden liefhebben, maar ook onze vijanden. We moeten vergeven, zelfs al heeft iemand ons niet om vergeving gevraagd. We moeten verlies lijden zelfs al staan we in ons recht en zouden we onze eis voor volledige betaling kunnen doordrukken. We moeten de extra mijl gaan. We moeten edelmoedig zijn, genadig en vriendelijk, volgepakt en overlopend. Dit is een belangrijke les van het schuldoffer.

De les van de offeranden is duidelijk. Jezus zegt in Mattheüs 16:24: "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij." Jezus' leven is een voorbeeld van liefde en de essentie van liefde is het brengen van offers. We moeten op dezelfde manier wandelen als Hij om God te verheerlijken en groot te maken. Dat is echter een vorm van wandelen die een grote last is voor de menselijke natuur, die lijden met zich meebrengt, wat we op onze tocht over de nauwe weg moeten dragen.

Het christen-zijn is niet slechts een steun om ons goed te voelen. Het is een manier van leven die ons voorbereidt om in Gods eeuwigdurende Koninkrijk te leven door juist die manier waarop Zij leven in ons hart in te graveren. Elk offer vertegenwoordigt een belangrijke stap in de dienst van God en Zijn doel. Jezus leefde die offers en Hij en Zijn Vader verwachten van ons iedere mogelijke inspanning te leveren om in Zijn voetstappen te lopen.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)