De offeranden van Leviticus (Deel 8):
Conclusie (Deel 1)

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," november 2003

Romeinen 8:9-11, 15 voorziet in een geschikt fundament voor de afsluiting van deze serie artikelen:

Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. 10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. 11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. ... 15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader.

Het ontvangen van Gods Geest, die in eenheid voorziet met de Vader en de Zoon, is wat in essentie iemand tot christen maakt. Onze eenheid met God is niet voortdurend veranderend, voorbijgaand of slechts denkbeeldig. Deze is werkelijkheid. Omdat de Geest van God ons verwekt, maken we deel uit van Zijn Familie. Maar in hoeverre? Geloven we werkelijk dat we een relatie met God hebben? Maakt God deel uit van ons leven van alledag — als we 's morgens opstaan, aan het werk zijn of spelen, in onze auto rijden, met ons gezin zijn en als we 's avonds naar bed gaan?

De psalmist schrijft in Psalm 10:4: "De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God." Is God werkelijkheid voor ons, de hele dag of zijn er lange perioden dat Hij niet in onze gedachten is? Gaan we door lange perioden heen waarin we alleen maar denken aan vleselijke of wereldse dingen? Wordt alles wat we doen gefilterd door de geestelijke kennis die God ons openbaart om Zichzelf in ons te scheppen? Voldoet alles wat we doen aan de maatlat van Zijn standaards? Maken we echt deel uit van Zijn Familie, het Lichaam van Jezus Christus? Weten we dat zeker? Weerspiegelt alles wat we doen de manier waarop de Familie van God dit zou doen?

Deze vragen op een eerlijke manier positief beantwoorden is een intimiderende opdracht. Inderdaad kan niemand van ons ze allemaal met "Ja" beantwoorden. De apostel Paulus legt ons in 2 Corinthiërs 10:3-5 echter precies deze verplichting op:

Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, 4 want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, 5 zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.

Zouden we dit kunnen doen? Waarom zou God dit als standaard stellen als het niet mogelijk zou zijn?

Verreikende consequenties

In 1 Johannes 4 doet Johannes een nogal opzienbarende uitspraak betreffende onze eenheid met Christus. Deze is raadselachtig in de zin dat de praktische toepassing ervan voor ons vaag is, omdat we niet vertrouwd zijn met de mogelijkheden. Lezers kijken er gewoonlijk vluchtig naar, om daarna verder te lezen, zich afvragend wat het betekent. De woorden zelf zijn eenvoudig genoeg, maar juist hun ongecompliceerdheid maakt de aard ervan nog verwarrender, omdat als ze werkelijk betekenen wat ze schijnen te zeggen, het al te goed is om waar te zijn! Bij gebrek aan bijbels bewijs en een logische verklaring om tot zo'n fantastische conclusie te komen, gaat de lezer verder.

1 Johannes 4:15 zegt: "Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is — God blijft in hem en hij in God." De context is duidelijk onze eenheid met God, zoals de woorden "blijven" en "in" bevestigen. Vers 16 gaat verder met de gedachte: "En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem." Blijven betekent "leven", "vervolgen" of "doorgaan met". Door deze synoniemen te substitueren luidt het laatste deel van de zin: "Hij die doorgaat of leeft in liefde, gaat door of leeft in God, en God in hem."

Het vers benadrukt een voortgaande, ononderbroken, intieme relatie. Niets kan hechter zijn voor iemand dan in een ander te zijn! Daar Johannes in 1 Johannes 5:3 liefde definieert als het bewaren van de geboden, duidt het woord "liefde" in dit vers erop dat het tussen God en ons van twee kanten werkt, en dat bevordert het voortduren van de eenheid en de relatie. Deze verzen bevestigen in feite wat Jezus aan de vooravond van Zijn kruisiging zei:

Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. 16 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, 17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. (Johannes 14:15-17)

In vers 23 laat Jezus het woord "Trooster" weg om specifieker te laten zien Wie er in ons zou gaan leven: "Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen." "Bewaren" duidt erop dat de liefde waarover Jezus spreekt, niet slechts een affectie is, daar bewaren "onderhouden, voortgaan of doorgaan" betekent. Het is dus actief en dynamisch.

Heeft die wonderbaarlijke belofte feitelijk plaatsgevonden? Zijn we zo verenigd met God, in die mate één met Hem, dat Jezus Christus, onze Schepper, Verlosser, Zaligmaker en Hogepriester ons tot de plaats van Zijn woning heeft gemaakt? Als dat zo is, weerspiegelt ons leven dat Hij in ons is? Geven we blijk van Zijn aanwezigheid?

1 Johannes 4:17 bevat de verbazingwekkende uitspraak: "Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld."

Petrus kondigt in 1 Petrus 4:17 aan: "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?" Voor ons "in de kerk" begon ons oordeel met Gods roeping en onze bekering, en dit oordeel gaat door tot op de huidige dag. Voor hen die na Christus' wederkomst leven, zal het oordeel tijdens het Millennium aanbreken, en voor hen die in de tweede opstanding zijn, tijdens de periode van de grote witte troon.

Treden wij vrijmoedig of met vertrouwen op (het Griekse woord kan op beide manieren worden vertaald, zie Hebreeën 3:6, Vertaling Prof. Brouwer), of schamen wij ons voor Jezus Christus? Verbergen we wat we zijn? Johannes suggereert dat we vrijmoedig zouden moeten leven, omdat we de basis van zekerheid hebben dat we onder het bloed van Jezus Christus staan en begonnen zijn Zijn geboden te bewaren. Schamen we ons ervoor te spreken over onze doop in de kerk van God, Zijn Familie? Zijn we bang om over specifieke leerstellingen te spreken, niet om anderen tot bekering te brengen, maar gewoonweg om onze geloofsopvattingen onder woorden te brengen?

Het is interessant dat het Griekse woord dat met "vrijmoedigheid" is vertaald letterlijk "vrijheid van spreken" betekent. Het impliceert dat niets iemand weerhoudt. Liefde wordt volmaakt in ons, zodat niets ons weerhoudt in onze onderwerping aan God terwijl we onder Zijn oordeel staan. 1 Johannes 4:17 vervolgt dan met: "Want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld." "Hij" staat met een hoofdletter. De vertaler heeft dit gedaan om de aandacht te vestigen op het feit dat dit persoonlijke voornaamwoord naar Christus Zelf verwijst.

Gemeenschappelijkheid in eenheid

Het onderwerp hier is niet een ander menselijk wezen, maar de Godheid, en Johannes zegt dat we vrijmoedig kunnen zijn, omdat we iets met Hem gemeenschappelijk hebben. Wat bereikte Hij? Waar staat Hij in relatie met God en ons? Hoe leidde Hij Zijn leven? Jezus Christus trad in Zijn leven vrijmoedig en met vertrouwen op. De apostel zegt in essentie dat als God naar ons kijkt, Hij ons ziet alsof wij Jezus Christus zijn! Heeft ooit iemand zijn leven dichter bij God geleid dan Jezus?

De woorden "Want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld" verdienen het om nog eens bekeken te worden. Efeziërs 1:3 geeft een soortgelijke illustratie: "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus." Beide uitspraken zeggen dat Christus in onze plaats staat, wat een verbazingwekkend aspect van Gods genade is. Dit is in het bijzonder verbazingwekkend in de zin dat als we nuchter naar onszelf kijken, we zwakke, zondige, menselijke wezens zien die veel mislukkingen hebben meegemaakt. In tegenstelling daarmee was Christus in ieder aspect van Zijn leven volmaakt.

God is realistisch in Zijn voorstelling van ons. Als Hij de heer Smit of de heer Jansen observeert, fantaseert Hij niet door Zichzelf te misleiden dat Hij naar Christus kijkt. Nee, Hij ziet letterlijk de heer Smit of de heer Jansen, maar de bekeerde mens wordt alleen maar door Hem geaccepteerd vanwege Jezus Christus, omdat zij Zijn gerechtigheid dragen en omdat Hij in hen leeft. Niemand wordt door Hem geaccepteerd op basis van eigen werken van gerechtigheid. Paulus schrijft in Filippenzen 3:8-9 over de gerechtigheid waardoor wij door God worden geaccepteerd:

Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, 9 en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.

Paulus geeft in Romeinen 3:21-22 opnieuw commentaar op deze gerechtigheid: "Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid." Dit geloof wordt ons toegeschreven, ons toegerekend, vanwege ons geloof in Jezus Christus, terwijl we geen enkele gerechtigheid bezitten waardoor we toegang tot God zouden kunnen krijgen of door Hem zouden worden aanvaard.

We kunnen dus Gods troonzaal binnengaan en met Hem spreken vanwege Jezus Christus, en Hij aanvaardt ons in Zijn tegenwoordigheid alsof we Jezus zijn. Als we dit principe tot andere aspecten van het christelijke leven uitbreiden, kunnen we zien dat het leven en het offer van Christus ons altijd voorgaat als we de weg naar het Koninkrijk van God bewandelen. Daarom kunnen we vrijmoedig zijn: God aanvaardt ons op basis van Christus' leven en offer.

We zijn allemaal erg bezorgd over zonde. De zorg om deze te vermijden is goed, maar om ervoor in grote angst te zitten is niet goed. Sommigen zouden verbaasd zijn om te vernemen dat God Zich minder zorgen maakt over individuele zonden dan over de algemene richting waarin ons leven gaat. Een consistente groei laten zien heeft een hogere prioriteit bij Hem dan welke individuele zonde ook die uit zwakheid wordt begaan.

Galaten 5:6 zegt: "Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende." Er zal een consistente groei zichtbaar worden in het leven van hen die leven uit liefde gemotiveerd door geloof. Het niet uitgesproken, maar desondanks overheersende doel van de offeranden van Leviticus is ons de kwaliteiten onderwijzen die nodig zijn om God en de medemens lief te hebben. Dat is totale toewijding and opoffering in het bewaren van Gods geboden.

Identificatie met Christus

We kunnen dit niet doen tenzij de hechtheid van onze identificatie en eenheid met Christus een werkelijkheid is van iedere dag en deze door ons diepgaand wordt begrepen. Onze eenheid met Hem — zoals door God gezien ? is ongelooflijk hecht. Als er iets is dat ons vertrouwen kan geven om ons leven voor het aangezicht van God en de wereld te leiden, dan zou het ons vermogen moeten zijn om te beseffen hoe onze positie bij Hem is. Paulus schrijft in Romeinen 6:4: "Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen."

We zullen onze aandacht richten op het woordje "met" terwijl we onze identificatie met Christus beter willen gaan begrijpen. De Schrift zegt dat we "met" Christus zijn begraven. Jezus werd letterlijk in een graf in het hart der aarde begraven, omdat Hij dood was. De apostel Paulus zegt in Romeinen 7:9: "Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven." Evenals Paulus zijn wij middels de doop "met" Hem begraven.

We hebben de neiging het woordje "met" als vanzelfsprekend aan te nemen, omdat we het zo vaak gebruiken; het is een onopvallend voorzetsel dat we voor een ander woord plaatsen en nauwelijks opmerken. Maar wat betekent het? Het betekent "in gezelschap van". Iedere keer dat we in een context die ook over ons gaat, het woordje "met" aan Christus zien voorafgaan, zijn we "in gezelschap van" Hem. Er zijn een aantal andere alternatieve vormen van gebruik, zoals "een lid of partner van", "gekarakteriseerd door", "bezeten van" en nog veel meer. In feite laat de American Heritage College Dictionary zevenentwintig nauw verwante, maar specifiek verschillende vormen van gebruik zien.

Romeinen 6:6 voegt aan "met Christus gedoopt zijn" toe: "Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn." We zijn niet alleen met Hem gedoopt, we zijn ook met Hem gekruisigd. Christus werd zonde om voor onze zonden te betalen, onderging een kruisiging en stierf. Wij sterven als God ons de kennis van zonde openbaart en wij ons bekeren, het bloed van Christus aanvaarden en ons beschikbaar stellen om Zijn discipelen te worden.

Onze relatie met Christus is zo hecht dat we gezien worden als Zijn ervaringen met Hem te delen. Zijn ervaringen waren letterlijk en fysiek, en die van ons zijn in elk opzicht even letterlijk en individueel zinvol voor ons in het vervullen van Gods wil, maar ze zijn geestelijk. Elke "met Hem" uitspraak laat zien dat we in Zijn gezelschap op hetzelfde pad zijn.

De relatie is zo hecht dat Paulus deze in Galaten 2:20 beschrijft als: "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven."

Paulus diept dit in Colossenzen 2:12-13 nog verder uit:

Daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook medeopgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. 13 Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold.

Dus met Hem opgewekt zijn wordt toegevoegd aan de ervaringen die we als leden van Christus delen.

Al deze dingen plaatsen ons echter onder bepaalde verplichtingen. Paulus gaat met dit onderwerp verder in Colossenzen 3:1:"Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods." Door in en door Christus nieuwe mensen te worden, krijgen we de opdracht om het Koninkrijk van God tot onze eerste prioriteit in het leven te maken. Zelfs hierin zoeken we het Koninkrijk echter in Zijn gezelschap.

Jezus heeft het over onze identificatie met Hem in Zijn gebed op de vooravond van Zijn kruisiging.

Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. 16 Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. (Johannes 17:14-16)

De wereld waar Jezus over spreekt is het tegen God gerichte systeem van Satan dat in en door mensen werkt. Daarin zijn begrepen de culturen van alle naties op aarde. Jezus behoort duidelijk niet tot dat tegen God gerichte systeem en Hij verklaart dat zij die Hem vergezellen, de apostelen, ook niet van de wereld waren. Zij behoorden tot hetzelfde systeem als Hij — het Koninkrijk van God. Hetzelfde geldt voor hen die in deze tijd in Christus zijn.

Paulus vermeldt dit op een aantal plaatsen. Het meest gedetailleerd is dit te vinden in 1 Corinthiërs 12:12-13, 27, waarin hij de kerk vergelijkt met het lichaam van Jezus Christus:

Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; 13 want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt. ... 27 Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.

Efeziërs 1:22-23 versterkt onze identificatie met Christus aanzienlijk: "En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23 die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt." Paulus' illustratie beeldt Christus duidelijk uit als het hoofd van een menselijk lichaam, waarin de kerk de overige lichaamsdelen invult en volledig maakt. Wij worden als deel van dat lichaam beschouwd één te zijn met Hem. Is het mogelijk nog nauwer met Hem geïdentificeerd te zijn?

God probeert ons door veel herhalingen duidelijk van dit punt te doordringen. Let op wat er staat in Efeziërs 5:23, 29-30, 32:

Want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt. ... 29 want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de gemeente, 30 omdat wij leden zijn van zijn lichaam. ... 32 Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en [op] de gemeente.

Paulus breidt de harmonie en eenheid uit tot wat deze tussen een man en vrouw zouden moeten zijn.

Deze verwijzingen die onze uitzonderlijk hechte identificatie met Christus openbaren, verlenen allemaal extra betekenis aan waarom we kunnen zeggen dat God naar ons kijkt en Christus ziet. Dit is een verbazingwekkend en nederig makend aspect van Zijn genade, omdat we zo'n erkenning zeer zeker niet hebben verdiend op basis van één of zelfs van het totaal van onze werken.

Johannes kon dus schrijven: "Gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld." Onze eenheid met Christus is zo hecht dat we in Hem zijn en Hij in ons is. Twee personen kunnen niet dichterbij elkaar zijn! Zoals eerder gezegd, legt dit ons verplichtingen op. Wordt dit in ons leven weerspiegeld? Betrekken we Christus bereidwillig en bewust bij al ons handelen, ons er volledig van bewust dat wij de grote God, de Schepper en Verlosser van de gehele mensheid erbij betrekken? Denken we in deze mate aan onze eenheid met Hem? Spreken wij de woorden die Hij spreekt? Staan we toe dat Zijn gedachten en onze gedachten dezelfde zijn? We komen aan bij een essentieel aspect van het dagelijks leven in het begrijpen van deze verantwoordelijkheid.

Onze positie bij God

In de offeranden van Leviticus wordt Christus uitgebeeld op een manier waarop Hij aan al Gods heilige vereisten voldoet. Hij voldeed volmaakt aan Gods claim op de mens. God is Bestuurder van Zijn schepping en de Wetgever ervan. Als wij Zijn wet overtreden, heeft Hij een claim op ons die volgens Romeinen 6:23 de volgende is: "Het loon, dat de zonde geeft, is de dood." Die claim is ons leven.

Daar Hij echter het volmaakte brand-, spijs-, vrede-, zond- en schuldoffer was, is door Christus volledig aan die claim voldaan voor iedereen die oprecht gelooft dat Hij door God wordt aanvaard als het offer dat betaalt voor Gods claim op zondaars. Zij die geloven worden dus met God verzoend en hun positie bij God verandert en wordt dezelfde als die van Christus. Zijn plaats voor het aangezicht van God wordt vanwege Christus' gerechtigheid onze plaats.

Deze positie bij God heeft niets vandoen met rang of aanzien, maar is beperkt tot het hebben van de vrijheid om in de tegenwoordigheid van de Vader te verkeren, met Hem om te gaan en evenals Christus een zoon te zijn. Romeinen 5:1-2 zegt: "Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods." Onze positie bij God is dus dat we daar op gelijke voet staan met Christus. Deze verbazingwekkende handeling van genade van Gods kant heeft een veel groter doel dan alleen maar de weg te zijn tot Zijn tegenwoordigheid.

Positie, wandelen en gelijkvormig worden

De heel bekende verzen in Romeinen 8:28-29 vormen een heel algemene uitspraak die verfijnd moet worden om het doel ervan duidelijk te maken:

Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen;

Het doel van onze toelating tot Gods tegenwoordigheid is dat "we gelijkvormig worden aan het beeld van Zijn Zoon". Als we eenmaal door Christus' bloed gerechtvaardigd zijn en toegelaten zijn in Gods tegenwoordigheid, staan we voor Hem, maar we zijn nog niet naar het beeld van Zijn Zoon gevormd. Op dat punt is het werk nog maar net begonnen; Christus' gerechtigheid is slechts op juridische wijze aan ons toegerekend. Die gerechtigheid is inderdaad echt, maar deze is nog niet in ons karakter gegraveerd om deel te gaan uitmaken van ons diepste wezen. We staan daar vrij, gezuiverd en aanvaard, maar we hebben niet dezelfde natuur, hetzelfde denken of hetzelfde karakter als de Zoon.

Romeinen 6:4 brengt de reden dat wij in Gods tegenwoordigheid worden toegelaten nog eens onder woorden: "Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen." Onze veranderde positie voor God stelt ons in staat in nieuwheid van leven te wandelen zodat we gelijkvormig kunnen worden aan het beeld van Zijn Zoon.

Wandelen vereist inspanning, het besteden van energie, om op een verlangde bestemming te komen. Gaan er werken samen met het proces van behoud? "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Efeziërs 2:10). Het staat buiten kijf dat door deze werken geen behoud wordt verdiend, maar tegelijkertijd vereist God ze. In feite zegt dit vers dat we speciaal voor het doel om deze te doen zijn geschapen! Zulke werken worden begrepen onder de algemene term "wandelen".

Behalve dat er inspanning vereist wordt, impliceert wandelen een bestemming, een doel. Als iemand wandelt, beweegt hij met een vooropgezet doel om iets te bereiken, ongeacht of dit is om een lichtschakelaar om te zetten, in een winkel te winkelen, enige beweging te krijgen, of naar het werk of naar school te gaan. God vereist dat we "in nieuwheid van leven wandelen". Dit is ons door God gegeven doel in het leven en de reden dat Hij ons in Zijn tegenwoordigheid uitnodigt. Ons leven kan niet bestaan uit doelloos rondzwerven; we gaan op iets af, evenals Israëls doel het Beloofde Land was.

1 Petrus 1:13-19 doet duidelijker uitkomen wat we moeten doen:

Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de Openbaring van Jezus Christus. 14 Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, 15 maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; 16 er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap, 18 wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam.

Het christen-zijn is een weg waar veel meer wandelen dan praten bij betrokken is. Het vereist inspanning en de meeste schriftgedeelten impliceren dat het wandelen vrijwillig is. Dit moet zo zijn omdat meestal als we wandelen, dit is omdat we een vrijwillige beslissing hebben genomen om van het ene punt naar het andere punt te gaan. Binnen Gods doel is het de enige manier om het denken, de natuur en het karakter van Christus ons werkelijk eigen te maken.

De laatste woorden van Romeinen 6:4 bevatten heel wat informatie over het allesoverheersende doel van het leven! In algemene zin is dít waar het in het bekeerde leven allemaal om draait. Dit is een door Gods roeping wakker worden voor de werkelijkheid van onze geestelijke slavernij en verantwoordelijkheden, gevolgd door een verandering van denken dat zich dan op Hem richt, en een geestelijke dood, begrafenis en opstanding opdat we in het Koninkrijk van God in overeenstemming met Christus zouden kunnen wandelen.

God staat toe dat het offer van Christus de plaats inneemt van de claim die Hij op ons heeft, zodat de omgang met Hem kan worden hersteld, wat absoluut noodzakelijk is om ons de kracht, de motivatie en de gaven — wat er ook maar nodig is — te geven die we nodig hebben om de wandeling met succes te kunnen lopen. De mensheid heeft dit nooit ondervonden; ze heeft geen contact meer gehad met God sinds Hij de mensheid van Hem afsloot door Adam en Eva uit de hof van Eden te zetten.

Door dit wandelen in nieuwheid van leven gaan we af op volkomenheid (Hebreeën 6:1). God verandert juridisch onze positie voor Hem en Hij doet dat op genadige wijze en met edelmoedigheid en vriendelijkheid, zodat wij door gebed, bijbelstudie, vasten, meditatie en gehoorzaamheid omgang met Hem kunnen hebben. Gods geestelijke schepping vereist onze medewerking. Deze kan ons niet worden opgelegd; we moeten bewust beslissingen nemen om die weg te gaan.

Moeilijk maar het is het waard

Die wandeling is bij tijden echt moeilijk, maar Paulus geeft in Romeinen 6:5-6 bemoediging en hoop:

Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn.

Hoe moeilijk onze tocht uit de slavernij bij tijden ook mag zijn, de heerlijkheid van de opstanding en het volledig afleggen van het vlees ligt voor ons.

Het woord "samengegroeid" in vers 5 trekt onze aandacht, omdat het op andere plaatsen wordt vertaald met "geënt". In Johannes 15 beschrijft Christus Zichzelf als een wijnstok en wij zijn de ranken. In Romeinen 11 vergelijkt Paulus bekeerde Israëlieten met natuurlijke ranken en heidenen als wilde ranken die op dezelfde wijnstok zijn geënt. Er wordt eenheid bereikt doordat iedereen een deel gemeenschappelijk heeft. Allen ontvangen vanuit dezelfde bron en allen streven ernaar dezelfde vrucht voort te brengen.

Maar hoe weten we dat we met die Wijnstok verbonden zijn?

En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. 4 Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; 5 maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. (1 Johannes 2:3-5)

Er moet iets zijn dat bewijst dat we samengegroeid zijn met de Vader en de Zoon, tot deel van Hen zijn geënt en met Hen zijn samengegroeid. Dat iets is de manier waarop we ons leven leiden.

Taal identificeert mensen en ook de kleding die ze dragen doet dit. Iemands naam is waarschijnlijk de meest algemene identificatie. Maar de zonen van God, zij die samengegroeid zijn met de Vader en de Zoon, worden geïdentificeerd door het bewaren van de geboden. Dat bevestigt dat we samengegroeid zijn met Christus. Het bewaren van de geboden is liefde. Bijbelse liefde is een handeling, niet alleen maar een gevoel. Het kan samengaan met een positief gevoel, zelfs een onvoorwaardelijke affectie en voorliefde voor degene of degenen die de ontvangers zijn van de Handelingen van liefde, maar de basis ervan ligt in de handeling en niet in de emotie.

Handelingen van liefde zonder emotie kunnen volledig steriel zijn. Dit uiterste is geen bijbelse liefde. Het andere uiterste wordt gevormd door hen die emotioneel zeggen dat ze Christus liefhebben. Wat ze zeggen is waarschijnlijk waar — voor zover het hun begrip van liefde betreft. Hun verklaring van liefde voor Hem kan gemotiveerd zijn doordat ze ontzag en dankbaarheid voelen, die voortkomt uit een erkenning dat Hij inderdaad Schepper, Verlosser en Hogepriester is, en dat dit ontzagwekkende Wezen feitelijk op nederige wijze Zijn leven gaf voor hen persoonlijk. Vaak zullen zulke mensen daarna Zijn geboden overtreden, waarmee ze bewijzen dat ze niet weten wat liefde is.

In dat soort relaties drogen de gevoelens uiteindelijk op en de relatie, en daarmee ook de eenheid, komt tot een eind. De liefde van de Bijbel is ten eerste altijd moreel, deze moraliteit bevestigt dat we ons naar Hem voegen. Johannes beveelt ons in 1 Johannes 2:6 te wandelen zoals Jezus wandelde, en Jezus wandelde volgens morele principes. De enige manier waarop we gelijkvormig kunnen worden aan het beeld van Jezus Christus is te wandelen zoals Hij wandelde.

Dit is de reden voor onze positie bij God. We staan voor Hem als Jezus Christus voor het specifieke doel om ons leven zo nauwgezet mogelijk te leiden op de manier waarop Hij dat deed. We kunnen niet zeggen dat we dit volmaakt doen, omdat onze acties en reacties, ons temperament en onze gevoelens, onze zonden van nalatigheid en onze zonden bestaande uit verkeerde Handelingen ons verraden. Hierdoor wordt geopenbaard dat we voortdurend behoefte hebben aan de toepassing van het bloed van Christus om onze positie te herstellen tot de ongerepte standaard van onze Verlosser, zelfs al is dat maar voor korte tijd. Onze dankbaarheid jegens God voor Zijn goeddoordachte vooruitziendheid en barmhartige geduld wordt op deze manier vernieuwd in de erkenning van onze zonde.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)