De offeranden van Leviticus (Deel 7):
Het zond- en schuldoffer

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," september-october 2003

Reeds duizenden jaren heeft de mens tot op zekere hoogte erkend dat hij van God is afgesneden. Misschien hebben sommigen niet begrepen waarom, maar Jesaja 59:1-2 maakt de reden duidelijk: "Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; 2 maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort." Zonde scheidt ons van God en zonde moet op de een of andere manier worden overwonnen wil de toegang tot Hem beschikbaar worden gesteld.

In Efeziërs 2:11-13 maakt de apostel Paulus het ruimschoots voldoende duidelijk hoe het overwinnen van de dodelijke greep van de zonde kan worden uitgevoerd:

Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus.

Het bloed van Jezus Christus verzekert vergeving en verlossing voor ons als we geloven en de vrucht voortbrengen die aan bekering beantwoordt, omdat Zijn offerande voldoende waarde heeft om de zonden van de gehele wereld te bedekken. 1 Johannes 2:2 zegt: "En Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld."

In deze serie artikelen hebben we twee duidelijke verschillen gezien tussen de offeranden die een welriekende reuk zijn en het zond- en schuldoffer. De brand-, spijs- en vredeoffers waren een welriekende reuk omdat in hen geen zonde vertegenwoordigd was. God verheugde Zich erin vanwege de toewijding van de offeraar die erin tot uiting werd gebracht. Ook al vereisen het zond- en schuldoffer dat er gave dieren worden geofferd, die de zondeloze Christus vertegenwoordigen, desondanks waren ze beladen met niet vergeven zonde. Jezus was beladen met zonde nadat Hij onze zonden op Zich had genomen, en de wet eiste Zijn leven op. God beziet zonde nooit als iets aangenaams; die offeranden waren geen welriekende reuk.

Een tweede onderscheid is dat zowel het zond- als het schuldoffer buiten de legerplaats werd verbrand. Deze handeling benadrukte Gods afschuw en afkeer van zonde en tegelijkertijd gaf het de scheiding aan, die zonde teweegbrengt. De zondaar, afgescheiden van God, had geen toegang tot Hem totdat hij zich bekeerde, en op dezelfde manier werd hij van de gemeenschap afgescheiden totdat hij van zijn overtreding gereinigd was.

Een derde onderscheid

Leviticus 4 geeft instructies betreffende het zondoffer en Leviticus 5 voor het schuldoffer. Zijn ze niet hetzelfde? Zijn zonden en overtredingen niet hetzelfde? Kunnen we er een verschil tussen zien? God wel, daarom zijn er twee verschillende offeranden die ze bedekken.

Menselijk zijn we heel beperkt in het vellen van een oordeel, omdat we alleen duidelijk kunnen zien wat er aan de buitenkant van iemands gedrag plaatsvindt; we hebben slechts een klein beetje inzicht in het hart van iemand anders. Omgekeerd zegt God dat Hij naar het hart kijkt bij Zijn oordeel over mensen (1 Samuël 16:7). De vrucht van onze oppervlakkige waarneming is dat we gedwongen worden te oordelen wat iemand doet in plaats van wat hij is. Wij zijn bereid te erkennen dat we slechte dingen zouden kunnen doen, maar we zijn onwillig toe te geven dat het hart, de bron van wat we doen, inherent slecht zou kunnen zijn! Jeremia 17:9 zegt ronduit: "Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?"

Hoe kan zonde in het hart worden bedekt tenzij er een aparte offerande is voor wat erin is? Het onderscheid tussen de offeranden van Leviticus 4 en 5 is het volgende: Het zondoffer van Leviticus 4 bedekt onze slechte natuur, de zonde van het hart. Het schuldoffer van Leviticus 5 verzoent voor de vruchten van die slechte natuur, de Handelingen die in feite worden uitgevoerd.

Let op hoe God het doel van het zondoffer openbaart: "Dan zal, indien de gezalfde priester zonde gedaan en daardoor het volk in schuld gebracht heeft, hij voor de zonde die hij begaan heeft, een jonge, gave stier de HERE tot een zondoffer brengen" (Leviticus 4:3). Let erop dat al noemt God de priester, Hij geen specifieke zonde noemt. Het wordt gegeneraliseerd, alsof het elke willekeurige zonde zou kunnen zijn.

Vers 13 is soortgelijk: "Indien de gehele vergadering Israëls zonder opzet zonde gedaan heeft, en dit voor de ogen der gemeente verborgen is gebleven, en zij tegen één van al de geboden des HEREN iets gedaan heeft, dat niet gedaan mocht worden, en dus schuldig geworden is, ..." Ook hier wordt in algemene termen gesproken over zonde; er wordt geen specifieke zonde genoemd. Hetzelfde principe geldt voor vers 22, waar een vorst wordt genoemd, maar geen specifieke zonde, en in vers 27, waar de gewone mensen worden geïdentificeerd maar geen specifieke handeling die zonde is.

De instructies voor het schuldoffer laten daarentegen de tegenovergestelde benadering zien: Er worden specifieke zonden genoemd, maar de overtreder wordt gegeneraliseerd. Leviticus 5:1 geeft een duidelijk voorbeeld: "Wanneer iemand zondigt, in geval hij een overluid gesproken vervloeking hoort en getuige is, hetzij hij het zelf gehoord heeft of het te weten gekomen is, dan draagt hij, indien hij het niet aanbrengt, zijn ongerechtigheid." Het patroon gaat verder: "Of als iemand iets onreins aanraakt" (vers 2); "Of wanneer hij de onreinheid van een mens aanraakt" (vers 3); "Of wanneer iemand onbezonnen een eed uitspreekt, om iets te doen, hetzij kwaad, hetzij goed" (vers 4). Vers 5 sluit de openingsgedachte af: "Wanneer hij nu aan een van deze dingen schuldig is, dan zal hij belijden, waarin hij gezondigd heeft."

Deze tegengestelde benaderingen laten zien dat het zondoffer de zonden van het slechte hart bedekken, en het schuldoffer de zonden van slecht gedrag verzoent.

Op drie plaatsen in Mattheüs onderscheidt Jezus zonde in twee delen voor hen die het Nieuwe Verbond met Hem hebben gesloten:

Mattheüs 12:34a Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. [De tong uit slechts datgene wat reeds in het hart aanwezig is.]

Mattheüs 15:17-20 Begrijpt gij niet, dat al wat de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt? 18 Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. 20 Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein. [Handelingen van zonde naast wat de tong begaat, komen vanuit hetzelfde slechte hart voort.]

Mattheüs 7:16-18 Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen.

Deze verzen bevestigen de onmogelijkheid om een slecht hart te veranderen, daar het nooit goede vruchten kan voortbrengen. God moet het volledig door een geheel andere natuur vervangen wil het goede vruchten voortbrengen! Voordat het veranderd wordt, kan het slechts slechte vruchten voortbrengen.

Dit onderwijs is van het hoogste belang om ons te helpen Gods genade naar waarde te schatten. God heeft zonde, de straf ervoor en de verzoening ervoor vanuit alle mogelijke hoeken bedekt, om er zeker van te zijn dat we in Zijn Koninkrijk zullen zijn. Hij bedekt niet alleen de zonde die we begaan, maar ook wat de oorzaak ervan is — de menselijke natuur. Dit heeft verreikende consequenties die van grote betekenis zijn, en die ons zouden moeten leiden tot een steeds toenemende dankbaarheid voor Zijn visie en barmhartigheid.

Is zonde overal aanwezig?

Ongeacht hoe diepgaand ons dooponderhoud was of hoe levendig ons werd verteld dat het christelijke leven moeilijk kan blijken te zijn, er zijn er maar weinigen die zich van de doop laten weerhouden. Dit is natuurlijk goed. De meesten van ons echter zijn ook vervuld van een misplaatst zelfvertrouwen. Al is niemand van ons er ooit zeker van wat we moeten gaan meemaken om voorbereid te worden op wat God met ons in Zijn Koninkrijk voorheeft, we zijn er zeker van dat God er voor ons zal zijn in onze tijden van beproeving. Hij zal dat inderdaad zijn, maar zullen wij gereed zijn onze ontmoediging over wat we in onszelf zullen gaan zien, het hoofd te bieden?

Terwijl we opgevoed worden in Gods weg, terwijl we groeien en meer onderscheidingsvermogen ontwikkelen, wordt waar we ook kijken zonde steeds duidelijker. Het ontmoedigende aspect hiervan is dat de zonde niet noodzakelijkerwijs in anderen zit, maar dat we die in onszelf zien. We kunnen zelfs volkomen wanhopig worden, omdat overal waar we ons keren, elke hoek van waaruit we onszelf bekijken, we "kleine" oneerlijkheden zien. We worden ons bewust van opkomende afgunst, jaloezie, boosheid en soms zelfs woede en haat. We proberen ze op te kroppen om te voorkomen dat ze uitbreken.

Toch schijnen ze altijd maar net onder de oppervlakte te zitten en klaar te staan er in een dwaze handeling uit te springen. Zonde is als een kanker, meestal onzichtbaar maar stilletjes werkend ons te vernietigen. Zonde verlangt ernaar ons naar onze vorige toestand terug te brengen. We kunnen zelfs verondersteld hebben dat als we in de genade en kennis van Jezus Christus zouden gaan groeien, het leven voortdurend gemakkelijker zou gaan worden ? we zouden groeien in heiligheid en het leven zou een genot worden zonder einde. Al te vaak schijnt het echter naar de andere kant uit te werken.

Deze richting is echter goed. Ten eerste, hoe ouder en volwassener we in het geloof worden, hoe meer we van het smerige verderf van de zonde kunnen onderscheiden. Onze ontmoediging kan in dankbare bemoediging veranderen, omdat — zelfs al onderkennen we het smerige verderf in onszelf — ons vermogen het duidelijker te onderscheiden een bewijs is van groei. Ten tweede, het is bemoedigend te begrijpen dat, willen we zonde overwinnen en groeien, we ons eerst bewust moeten worden van het verderf.

Ten derde, het is fantastisch te begrijpen dat onze genadige God zelfs al deze opeengehoopte zonde waar we ons volledig onbewust van waren, heeft bedekt. Christus' bloed is voldoende om de zonden van de hele wereld te bedekken! Dat we meer kunnen zien van de slechte aspecten van de menselijke natuur, zou ons moeten helpen ook de implicaties van Christus' offer te onderscheiden. Ten vierde, deze dingen zouden ons moeten motiveren tot God te roepen: "Uw Koninkrijk kome! Uw wil geschiede!" en ons helpen te verlangen naar de tijd dat we vrij zullen zijn van de invloed van het vlees.

De verwijdering van onwetendheid is een fantastische gave die de moeite waard is. Desondanks zal wanhoop soms gemakkelijk opkomen, omdat we onszelf hebben toegestaan bedrogen te worden om op onze eigen werken te vertrouwen om door God gerespecteerd te blijven. Als we nalaten onszelf te gedragen naar onze eigen standaards, is het niet moeilijk om vervuld te worden van een groot gevoel van schuld en van wanhoop.

We zouden ons moeten inspannen op de manier die Paulus in 1 Corinthiërs 9:24-27 beschrijft:

Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt! 25 En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een vergankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke. 26 Ik loop dan ook niet maar in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat. 27 Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden.

We moeten niet slechts "schaduwboksen" zoals hij beschrijft, maar met ons gehele hart vechten om God te behagen en Hem te verheerlijken met een juist getuigenis voor de mensen.

Onze werken geven ons echter geen toegang tot de tegenwoordigheid van de Vader, evenmin zorgen zij ervoor dat de communicatie gaande kan blijven. Het offer van Jezus Christus doet dat alles wel; het zond- en schuldoffer gaan ons voor. Als wij door onze werken in Zijn tegenwoordigheid zouden kunnen komen, wie zou dan Christus nodig hebben? Wij zouden zelf in staat zijn ons te verlossen en te behouden. Wij moeten God nederig danken voor Zijn genadige voorzienigheid die ons hiertoe ons gehele leven in staat blijft stellen.

De menselijke natuur is altijd in ons

We zagen eerder dat het menselijke hart niet volledig veranderd kan worden. Dit wordt ondersteund door wat God in Ezechiël 36:26 zegt: "Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven." Het spijsoffer ondersteunt dit ook. De instructie laat zien dat als er eenmaal zuurdesem aan was toegevoegd, het niet langer op het altaar mocht worden verbrand (Leviticus 2:11; 6:17).

Zuurdesem is een symbool van zonde. Ongeacht hoeveel olie, een symbool van Gods Heilige Geest, er op de offerande werd uitgegoten, er mocht geen gezuurd offer op het altaar worden verbrand. Dit leert ons dat geen enkele hoeveelheid van Gods Heilige Geest de menselijke natuur kan herstellen. Gods Geest zal ons in staat stellen deze te onderdrukken, maar deze zal er niet door worden veranderd. Op deze manier begrijpen we ook dat zolang we vleselijk zijn, de menselijke natuur in ons zal zijn. We moeten ermee omgaan; dat is een feit van ons geestelijk leven.

De apostel Paulus illustreert dit voor ons in Romeinen 7:14-25 op levendige wijze:

Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. 16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. 17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. 19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; 22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, 23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. 24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Paulus belijdt niet dat hij in zijn dagelijkse leven voortdurend zondigde, maar dat de dreiging ervan altijd bij hem aanwezig was. Hij moest altijd op zijn hoede zijn om het ervan te weerhouden uit te breken. En bij tijden brak het inderdaad uit, waardoor hij niet alleen aan de aanwezigheid ervan werd herinnerd, maar ook aan de kracht ervan. Er bestaat geen twijfel aan dat Paulus een volwassen christen was. Daarom dient dit ertoe om ons ervan bewust te houden dat ongeacht hoe geestelijk volwassen we worden, de menselijke natuur nog altijd in ons is.

Paulus stierf geestelijk en werd in het water van de doop begraven. Daarom wordt door de doop en het ontvangen van een nieuwe natuur op basis waarvan we ons leven gaan leiden, de menselijke natuur niet weggenomen. Wij verlangen, evenals Paulus, oprecht het juiste te doen. We geloven Gods woord. We hebben God lief en streven ernaar Hem te verheerlijken. Desondanks lukt ons dit niet altijd, omdat de menselijke natuur nog steeds aanwezig is. In plaats daarvan overmant de menselijke natuur ons; we worden als het ware gevangen genomen, en vallen terug in het volgen van datgene waartoe het ons aanzet. Dit kan heel verontrustend zijn, waardoor we schuld na schuld op ons stapelen en we bang worden van God afgescheiden te worden.

Dus, omdat we vergelijkbaar zijn met Paulus, en ondanks dat we ons ellendig voelen, hebben we zekerheid, weten we dat we uit deze specifieke situatie bevrijd zullen worden, een situatie die er wel op lijkt alsof we een gespleten persoonlijkheid hebben. Onze bevrijding vindt plaats door Jezus Christus; er komt inderdaad een eind aan. Anders dan veel protestantse groepen die beweren dat we de wet niet hoeven te houden, omdat alles voor ons is gedaan, weten we echter dat we ernaar moeten streven te wandelen zoals Christus wandelde — en Hij zondigde nooit. 1 Johannes 2:3-6 zegt nadrukkelijk:

En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. 4 Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; 5 maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. 6 Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft.

Al wacht er momenteel geen vonnis op uitvoering, desondanks moeten we ons uiterste best doen om ons naar het beste van ons vermogen te voegen naar de Geest van God. We moeten "ons richten op het volkomene" (Hebreeën 6:1), ernaar strevend te groeien tot "de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Efeziërs 4:13). Paulus zegt: "Ik jaag naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus" (Filippenzen 3:14). Ondanks de ermee gepaard gaande moeilijkheden, mislukkingen die zich voordoen, gevoelens van schuld die ontstaan, wordt er van ons verlangd ernaar te streven Gods wetten te onderhouden zoals Jezus dat deed.

Is iedereen inbegrepen?

Is het mogelijk dat sommigen vrijgesteld zijn van de vereiste offeranden of dat sommigen aan de infecties van de menselijke natuur zijn ontkomen? Nogmaals, Gods onderwijs in de instructies voor het schuldoffer zegt ons: "Nee." In Leviticus 4 worden de hogepriester, de gehele gemeente, de vorst en de gewone mensen allemaal rechtstreeks genoemd. De menselijke natuur is overal; ze infecteert iedere laag van de maatschappij. Van de top tot onderaan of van onderaan tot de top, ongeacht iemands perspectief, is zonde overal aanwezig. Niemand kan eraan ontsnappen.

Of men nu individueel zondigt of als groep door met de groep mee te gaan, in beide gevallen is men schuldig. De mate van schuld en de gevolgen ervan kunnen variëren, maar toch is er zonde aanwezig. De richtlijnen voor de offerande maken een leerzaam onderscheid tussen de offeranden gebracht voor de zonde van de hogepriester en de zonde van de gehele vergadering in tegenstelling tot wat er verlangd wordt voor de zonde van de vorst of iemand uit het gewone volk. Leviticus 4:5-7 zegt:

De gezalfde priester zal een deel van het bloed van de stier nemen en dat brengen naar de tent der samenkomst. 6 De priester zal zijn vinger in het bloed dopen en van het bloed zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht des HEREN, vóór het voorhangsel van het heiligdom. 7 En de priester zal van het bloed strijken aan de horens van het reukaltaar, dat voor het aangezicht des HEREN staat in de tent der samenkomst; al het (overige) bloed van de stier zal hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent der samenkomst staat.

De verzen 16 tot 18 bevatten dezelfde instructies voor zonde van de gehele vergadering.

Het offerdier werd buiten de tabernakel gedood. Nadat het bloed ervan in een schaal was opgevangen, nam de hogepriester het mee naar binnen in de tabernakel en streek een kleine hoeveelheid aan de horens van het reukofferaltaar. Dit altaar stond aan de achterkant van de eerste ruimte, die het heilige werd genoemd, tegen het gordijn dat het heilige afscheidde van de tweede ruimte, het heilige der heiligen. Het heilige der heiligen vertegenwoordigde Gods troonzaal.

Let nu op Leviticus 4:25 betreffende het offeren van het zondoffer voor een vorst: "En de priester zal met zijn vinger een deel van het bloed van het zondoffer nemen en dat strijken aan de horens van het brandofferaltaar; het overige bloed zal hij aan de voet van het brandofferaltaar uitgieten." Vers 30 herhaalt deze opdracht met betrekking tot het zondoffer voor iemand uit het gewone volk.

Als we de twee offeranden vergelijken, zien we een duidelijk onderscheid. Elke offerande duidt op de relatieve ernst van de zonden die aanleiding waren tot de offerande. Wat de hogepriester doet heeft invloed op iedereen van het volk. Als hij zondigt wordt de communicatie met God volledig afgesneden. Daarom maakt het reukofferaltaar deel uit van de ceremonie, daar het de communicatie met God door gebed vertegenwoordigt. Het bloed van de offerande moet dus het reukofferaltaar ceremonieel reinigen. Hetzelfde principe is van toepassing als de gehele natie zondigt. Omdat iedereen zondigt en zonde iemand van God afscheidt, moet het bloed van het zondoffer op dezelfde manier de breuk herstellen als het geval was bij de hogepriester.

Als een individueel iemand zondigde, of dat nu een civiel leider was of een gewoon iemand, zijn zonde had alleen invloed op hemzelf en degenen die er onmiddellijk bij betrokken waren. Het stond hun dus vrij op andere gebieden hun diensten aan God voort te zetten. Ook al was de hogepriester een individueel iemand, hij was toch crucialer voor Gods communicatiekanalen met Zijn volk. Als hij zondigde waren de consequenties veel ernstiger.

Onder het ceremoniële systeem vertegenwoordigt het koperen altaar de aarde en het reukofferaltaar de hemel. Het bloed vertegenwoordigt het middel om de hereniging van God en mens te bewerkstelligen.

Ceremonie en genade

Leviticus 5:15-16 voegt nog een verdere uitwerking toe om de offeranden te begrijpen:

Wanneer iemand ontrouw wordt en zonder opzet zonde doet tegen iets van wat de HERE geheiligd is, dan zal hij, als zijn boete, de HERE een gave ram van het kleinvee brengen ten schuldoffer, de waarde geschat in zilveren sikkels naar de heilige sikkel. 16 En het heilige waartegen hij gezondigd heeft, zal hij vergoeden en daaraan een vijfde toevoegen: hij zal het aan de priester geven, en de priester zal over hem verzoening doen met de ram van het schuldoffer, en het zal hem vergeven worden.

Als een zonde de oorzaak was dat degene tegen wie gezondigd werd, een verlies leed, moest hem genoegdoening gegeven worden voor zijn verlies naar een waardebepaling door de priester. De bepaalde waarde werd met éénvijfde verhoogd om de eiser te compenseren voor mogelijke kosten die hij gemaakt had om zijn verlies vergoed te krijgen. Dit proces bevat een waardevolle geestelijke les.

Veronderstel dat iemand iets van een ander steelt dat honderd euro waard is. Hij zou dan voor de priester verschijnen met zijn offerande (een ram zonder enige onvolkomenheid) en daarnaast honderd euro. Bovenop die honderd euro zou het slachtoffer nog twintig euro krijgen ter compensatie van mogelijke mentale smart of kosten van een advocaat of privé-detective. Dit is wat er fysiek zou hebben plaatsgevonden. We moeten dit echter geestelijk in beschouwing nemen, omdat dit principe voor ons in deze tijd van toepassing is. Wij staan op dezelfde manier onder Zijn regering.

Als we Zijn wet overtreden, staan we bij Hem in de schuld. De straf van het overtreden van Zijn wet is de dood. Als we die straf betalen, sterven we, waardoor onze schuld wordt voldaan, maar hiermee komt ook een einde aan ons potentieel, aan onze groei, en misschien is het — God verhoede dat — de oorzaak dat we niet Gods Koninkrijk kunnen binnengaan. Dat zou het totale einde zijn van alles! Echter bij berouw staat God ons toe voor de vergeving van onze zonde een beroep te doen op het offer van Jezus Christus. Hij staat toe dat het offer van Jezus Christus de plaats inneemt voor ons.

Door dat te doen heeft Hij daarna een aanspraak op ons, een aanspraak die Hij niet had voordat we gebruik maakten van Christus' offer (symbolisch de ram zonder enige onvolkomenheid). Voordien kon Hij alleen maar aanspraak maken op onze gehoorzaamheid, maar daarna kan Hij ook aanspraak maken op ons leven, omdat Hij ons de doodstraf heeft bespaard. God vergeeft niet alleen onze zonde, maar Hij zuivert ons ook van schuld en daarna geeft Hij ons het vermogen om in de toekomst Zijn wet te onderhouden. God voegt genade toe, dat wil zeggen gaven; in het algemeen betekent "genade" gaven.

In Romeinen 5:20 zegt Paulus het op de volgende manier: "Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden." Als God ons aan het begin van onze bekering onze zonden vergeeft, veegt Hij niet eenvoudigweg onze zonden weg. Hij nodigt ons ook uit tot verbondenheid met Hem, geeft ons Zijn Geest om ons tot gehoorzaamheid in staat te stellen, belooft in al onze behoeften te voorzien, en daarbovenop voegt Hij nog eeuwig leven toe! Met andere woorden God geeft het voorbeeld om veel meer te doen dan wat er slechts van Hem verlangd wordt.

God verwacht dat wij in onze relaties met elkaar Zijn voorbeeld volgen. De twintig procent bovenop wat er letterlijk schuldig was, vertegenwoordigt de manier waarop wij in het algemeen jegens andere mensen moeten handelen. In antwoord op het verzoek van de discipelen hun geloof te vermeerderen, instrueert Jezus hun duidelijk veel meer te doen dan er verlangd wordt:

En de apostelen zeiden tot de Here: Geef ons meer geloof. ... 9 [Jezus antwoordde:] Zal hij [een meester] de slaaf soms danken, omdat hij deed wat hem bevolen was? 10 Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen. (Lucas 17:5, 9-10)

In de bergrede begint Jezus Zijn openbaar optreden door juist dit principe aan te halen:

Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; 40 en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; 41 en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem. 42 Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil. (Mattheüs 5:38-42)

Hij voltooit Zijn onderwijs over dit principe in de verzen 43 en 44: "Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen." Hij zegt dat we snel moeten zijn om te vergeven. Dat is precies wat Hij deed toen Hij aan het kruis hing ten behoeve van juist die mensen die Hem doodden! Dat is veel meer doen dan verlangd wordt, zelfs onder grote persoonlijke pijn en spanning, een toestand waarin men hoogst waarschijnlijk zijn denken op zichzelf gericht zou hebben. We zouden op zijn minst een geestesgesteldheid moeten hebben om genade te verlenen, zelfs voordat onze vijanden daarom vragen.

Als Jezus Zijn instructies over het liefhebben van onze vijanden afrondt, doet Hij een frappante uitspraak over de houding en het gedrag dat Zijn discipelen in hun leven dienen te hebben:

En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen. 35 Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen. 36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden. (Lucas 6:34-38)

Evenals God bij genade leeft, moeten ook wij leren op die manier te leven. Als we superovervloedig willen zijn, moeten we leren genadig te zijn. We zullen ver boven het vereiste moeten uitgaan, omdat dat de ontwikkeling van het denken van God zal ondersteunen.

In Corinthe daagden de leden elkaar voor het gerecht over onderlinge geschillen. Paulus spoort hen aan:

Zoekt nu de ene broeder recht tegen de andere, en dat bij de ongelovigen? 7 Maar dan is de zaak voor u reeds geheel verloren, dat gij tegen elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen? 8 Maar zelf doet gij onrecht en doet gij te kort, en dat aan broeders. (1 Corinthiërs 6:6-8)

Zij lieten na zich als God te gedragen. Zij hadden hun trots moeten inslikken en het verlies moeten nemen. Christus gaf Zijn heerlijkheid op en leed het grootste verlies in de geschiedenis van de schepping!

God is niet alleen bereid te vergeven, maar ook daar ver bovenuit te gaan en daarnaast extra gaven aan de zondaar te geven. God laat dit geven van genade tot uiting komen in het schuldoffer. Het is inderdaad een hoge standaard, maar het is het in hoge mate waard te proberen dit ook te doen, omdat het eraan meewerkt ons te vormen naar Degene die de standaards zet.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)