De offeranden van Leviticus (Deel 6):
Het zondoffer

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," augustus 2003

De vorige artikelen in deze serie gingen alleen over de offeranden met een welriekende reuk, die gewoonlijk het brandoffer, het spijsoffer en het vredeoffer worden genoemd. Met dit artikel zullen we een begin maken om de verschillen tussen de offeranden met een welriekende reuk en de zondoffers te onderzoeken. Er bestaan diverse opvallende verschillen tussen de twee categorieën. Eén van de meer opvallende is dat we moeten begrijpen dat bij de offeranden met een welriekende reuk zonde geen rol speelt. Zij werden gebracht ten behoeve van de aanvaarding van de aanbidder door God — maar niet omdat de aanbidder had gezondigd. God accepteerde hem vanwege zijn toewijding die in zijn offerande tot uiting kwam.

Dat was niet het geval bij het zond- en schuldoffer. Zonde maakt in sterke mate deel uit van deze offeranden. Daarom zijn ze geen welriekende reuk voor God. Hij is barmhartig en zal op basis van Christus' offer vergeven; dat wordt door deze offeranden uitgebeeld. Maar zelfs al aanvaardt Hij de offeranden, toch schept Hij geen genoegen in zonde. Zonde wordt door de gehele Bijbel heen beschreven als afschuwelijk, opmerkelijk weerzinwekkend en als iets dat God slecht vindt. Zelfs al wordt zonde beschreven door uitzonderlijk levendige bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, desondanks wordt er toch voor betaald en wordt het bedekt door het offer van Christus.

Wat kwam eerst?

Leviticus 9:1-10 luidt:

Op de achtste dag riep Mozes Aäron, diens zonen en de oudsten van Israël en zeide tot Aäron: 2 Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, beide gaaf, en breng ze voor het aangezicht des HEREN. 3 En tot de Israëlieten zult gij spreken: Neemt een geitebok ten zondoffer, en ten brandoffer een kalf en een schaap, elk één jaar oud, en gaaf. 4 Daarbij een rund en een ram ten vredeoffer om ze voor het aangezicht des HEREN te offeren, benevens een spijsoffer, met olie aangemaakt, want heden zal u de HERE verschijnen. 5 Toen brachten zij hetgeen Mozes geboden had naar de tent der samenkomst, en de gehele vergadering naderde en stond voor het aangezicht des HEREN. 6 En Mozes zeide: Dit is het, wat de HERE u geboden heeft te doen, opdat de heerlijkheid des HEREN u verschijne. 7 Toen zeide Mozes tot Aäron: Nader tot het altaar en bereid uw zondoffer en uw brandoffer en doe verzoening voor u en voor het volk; bereid daarna de offergave des volks en doe voor hen verzoening, zoals de HERE geboden heeft. 8 Toen naderde Aäron tot het altaar en slachtte het kalf dat voor hem ten zondoffer bestemd was. 9 En de zonen van Aäron brachten hem het bloed en hij doopte zijn vinger in het bloed en streek dat aan de horens van het altaar; het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. 10 Maar het vet, de nieren en het aanhangsel aan de lever van het zondoffer deed hij in rook opgaan op het altaar, zoals de HERE Mozes geboden had.

Deze serie verzen beschrijven iets dat onmiddellijk na het geven van de instructies voor de offeranden plaatsvond. De wijding van de priesters en hun aanstelling in hun functie om te dienen bij het altaar en in de tabernakel staan op het punt plaats te vinden. De verzen 2 tot 10 zijn uniek, omdat zij instructies bevatten voor datgene wat de eerste offeranden zullen zijn die door het Aäronitische priesterschap worden gebracht.

Is het niet aannemelijk dat zij de offeranden de eerste keer dat zij die brachten, in de juiste volgorde brachten? Er was toen nog maar weinig tijd voor de mensen verstreken om Gods opdrachten te vergeten of zelfs op bedrieglijke wijze hun reinheid te bederven. Mozes ontving de instructie van God, hij gaf die door aan Aäron en de priesters voerden die uit.

Zij deden dit in een interessante volgorde. Het is duidelijk dat de instructie van God in de eerste paar hoofdstukken van Leviticus begint met het brandoffer en verder gaat met het spijs-, vrede-, zond- en schuldoffer. Plaatsten de priesters de offeranden in precies die volgorde op het altaar? Maakt dat enig verschil? Ja, dat maakt wel degelijk een verschil voor ons, omdat het een verschil uitmaakte voor God.

De Bijbel voorziet in twee verschillende volgordes. De onderwijsvolgorde wordt gegeven te beginnen in Leviticus 1. Het schijnt dat God ons eerst wil onderwijzen over toewijding aan Hem en de medemens, wat wordt uitgebeeld in het brand- en spijsoffer, en daarnaast ook de vrucht van onze toewijding — dankbaarheid, vrede en omgang met elkaar — uitgebeeld in het vredeoffer. Daarna gaat Zijn instructie verder met het zond- en schuldoffer. Toen de rituelen echter feitelijk op het altaar werden uitgevoerd, werd het zondoffer als eerste gebracht.

Leviticus 9:8 brengt duidelijk tot uitdrukking dat het kalf van het zondoffer als eerste werd gedood. Aäron bracht bloed van dat kalf aan op de hoornen van het altaar en goot wat er van het bloed overbleef uit aan de voet van het altaar. Daarna werden het vet, de nieren en het aanhangsel aan de lever ervan op het altaar verbrand (vers 10), maar het vlees en de huid ervan werden buiten het kamp verbrand (vers 11). Pas nadat die ceremoniën waren uitgevoerd werd de ram voor het brandoffer gedood, zijn bloed opgevangen en al zijn delen bovenop het altaar verbrand, samen met het spijsoffer (vers 12-14).

Een onderzoek naar waarom de instructie in de ene volgorde werd gegeven en de praktische uitvoering in een andere zal blijken zowel logisch als nuttig te zijn. Het helpt ons in gedachten te houden dat Christus het doel is van alle offeranden. Het brandoffer beeldt Zijn volmaakte toewijding en gehoorzaamheid aan God uit in het onderhouden van de eerste vier geboden. Het spijsoffer beeldt een even volmaakte toewijding en gehoorzaamheid uit in het onderhouden van de overige zes geboden, die van toepassing zijn op relaties met andere mensen. Het vredeoffer laat de volmaakte verbondenheid zien die hieruit voortkomt. Deze volgorde beeldt Zijn zondeloos gedrag uit in een leven van 33½ jaar, waardoor Hij het volmaakte offer voor de zonden der wereld kon worden.

Dit beschrijft wat Hem tot het volmaakte zondoffer maakte. Wij kunnen God niet benaderen als een brandoffer, omdat wij ons niet in volmaakte zondeloosheid aan God en de mens hebben toegewijd. Onze toewijding heeft zijn tekortkomingen. Wij kunnen niet kwalificeren om een zondoffer te zijn, omdat wij hebben gezondigd. Wij zijn, op zijn zachtst gezegd, onvolmaakt.

De enige manier waarop wij God kunnen benaderen is, dat de weg die voor ons ligt door een volmaakt zondoffer ten behoeve van ons is vrijgemaakt, wat op zijn beurt voor ons de weg vrijmaakt een aanvaardbaar brand- en spijsoffer te worden. Het volmaakte zondoffer moet ons voorgaan, zodat we voor God aanvaardbaar zijn. We kunnen niet door onze eigen werken tot God komen, omdat die in sterke mate bezoedeld zijn. We kunnen alleen maar tot Hem komen door het werk van het leven en het offer van Jezus Christus.

Als God ons eenmaal in Zijn nabijheid accepteert, wordt er door de Heilige Geest een begin gemaakt met het in onze harten uitstorten van de liefde Gods (Romeinen 5:5). Hierdoor gaat ons hart veranderen en worden we bereid ons naar Hem te voegen en Zijn geboden trouw te onderhouden, zowel naar de letter als de geest.

Een tweede en derde reden

Er is een bijkomende reden voor deze volgorde die niet onbelangrijk is om te onderkennen. Dit is ook de volgorde waarin onze kennis van Christus en in het bijzonder de niet te peilen diepgang van Zijn offer aan ons worden geopenbaard. Als we in Amerika zijn opgegroeid, ongeacht of dat nu is als protestant, katholiek, agnosticus, atheïst, moslim, boeddhist, hindoe of wat dan ook, het eerste punt dat we ooit over Jezus Christus vernamen, is dat Hij voor onze zonden stierf. We weten dat Hij voor onze zonden stierf lang voordat we de volmaaktheid van Zijn leven gaan begrijpen en waarderen. Eerst komt iets wat niet meer is dan de feitelijke kennis dat Hij Zijn leven offerde als betaling voor onze zonden. Gewoonlijk gaat er pas enig echt begrip van Zijn prestatie tot ontwikkeling komen, als we in Zijn voetstappen proberen te gaan wandelen en naar perfectie gaan streven.

Zelfs toen we geleid door persoonlijke bijbelstudie, boekjes, artikelen en preken in de kerk kwamen, we bewust werden van de noodzaak tot bekering, en bedekt en gereinigd werden door het bloed van Jezus Christus, was dit feit het belangrijkste in onze gedachten. We gaan pas waarde hechten aan de volmaaktheid van Zijn onderwerping aan de Vader als brand- en spijsoffer als we zelf gaan proberen volmaakt te leven. Dan begint het ons te dagen wat voor fantastisch iets Hij presteerde — volmaaktheid in leven.

Het kan zijn dat dit voorbeeld niet helemaal passend is, maar misschien zal het desondanks helpen: Stelt u zich voor dat iemand op de golfbaan iedere keer met één slag de bal in de hole sloeg, of een basketbalspeler bij iedere worp naar de basket scoorde, of een baseballspeler bij iedere slag een homerun kon maken! Alle sportactiviteiten zijn in principe zonder enige betekenis en deze fantastische, maar onmogelijke prestaties zijn slechts ijdelheid in vergelijking met het belang en de moeilijkheidsgraad van wat Jezus presteerde.

Dus de volgorde van toepassing laat ons zien hoe we het belang van Christus voor ons moeten zien en begrijpen. Eerst geloven we en vragen we dat het zondoffer op ons wordt toegepast; daarna gaan we verder naar de vervolmaking van het brand- en spijsoffer. De Bijbel geeft de instructie andersom weer, omdat God ons heel goed bewust wil doen worden, als we dit alles gaan begrijpen, dat Christus om een zondoffer te kunnen worden eerst volmaakt moest worden. Dit maakt het ons mogelijk datgene wat Hij deed in veel sterkere mate te waarderen.

De apostel Paulus waarschuwt ons in 1 Corinthiërs 11:29 niet aan het brood en de wijn van het Pascha deel te nemen zonder het lichaam van Christus te onderscheiden. Een diep waarderend en fijngevoelig begrip van Christus' offer is alleen mogelijk bij hen die ernaar hebben gestreefd Hem te imiteren door zelf ook levende offers te zijn, zich niet te voegen naar de wereld en door Zijn Geest hun denken vernieuwd te hebben terwijl zij zich inspannen op weg naar volmaaktheid (zie Romeinen 12:1-2; Hebreeën 6:1).

Een derde reden dat de volgorde van toepassen begint met het zondoffer, is dat het ons eraan herinnert hoe onze verbondenheid, onze omgang, met God tot stand werd gebracht. We gaan niet op eigen kracht naar God, maar met een zondoffer dat voor ons uitgaat. We worden in het hemelse heilige der heiligen toegelaten omdat het gordijn door het offer van Christus in tweeën scheurde. Wij scheurden het gordijn niet door onze werken. De voortdurende toepassing van het zondoffer brengt onze verbondenheid met God tot stand en houdt deze in stand. Ons gebruik van deze kennis is zeer zeker niet beperkt tot het beginnen met de omgang met God, omdat we zondigen na onze eerste reiniging en Zijn vergeving herhaaldelijk nodig hebben.

Leviticus 4:3, 13, 22, 27 bevatten extra, nuttige informatie:

Dan zal, indien de gezalfde priester zonde gedaan en daardoor het volk in schuld gebracht heeft, hij voor de zonde die hij begaan heeft, een jonge, gave stier de HERE tot een zondoffer brengen. ... 13 Indien de gehele vergadering Israëls zonder opzet zonde gedaan heeft, en dit voor de ogen der gemeente verborgen is gebleven, en zij tegen één van al de geboden des HEREN iets gedaan heeft, dat niet gedaan mocht worden, en dus schuldig geworden is, ... 22 Als een vorst gezondigd heeft en zonder opzet tegen één van al de geboden van de HERE, zijn God, iets gedaan heeft dat niet gedaan mocht worden, en dus schuldig geworden is, ... 27 Indien iemand uit het volk des lands zonder opzet gezondigd heeft door een van de dingen te doen, die de HERE verboden heeft, en dus schuldig geworden is, ...

Deze opdrachten slaan op elke laag uit de maatschappij. God heeft het hier dus over alle zonden die zonder opzet en opstandigheid wordt begaan.

Verzoening en de offeranden

Het woord verzoening komt in Leviticus 4:20, 26, 31 en 35 voor in relatie met deze zondoffers, evenals het in relatie met het brandoffer voorkomt in Leviticus 1:4: "Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen." Dit is de laatste keer dat het woord "verzoening" in Leviticus 1-3 voorkomt in samenhang met de offeranden die als een welriekende reuk worden beschouwd.

"Verzoening" kan sommigen op het verkeerde been zetten, omdat we bijna automatisch denken aan een bedekken van zonde. Door verzoening van zonde wordt men gewoonlijk aanvaardbaar voor God, maar in de offeranden die als een welriekende reuk worden beschouwd, is geen zonde aanwezig. Desondanks draagt het woord de betekenis in zich van aanvaarding, maar op een andere basis dan in het zond- en schuldoffer. De basis voor aanvaarding in de offeranden die als een welriekende reuk worden beschouwd is de volmaakte toewijding van de offeraar, waarin de toegewijde, zondeloze Christus wordt uitgebeeld in Zijn dienen van God.

Voor wat betreft het zond- en schuldoffer wordt "verzoening" gebruikt op de manier waarop we het normaal opvatten: als een bedekking, betaling, vergoeding of genoegdoening voor zonde. Het is alsof de offeraar van zonde beschuldigd wordt, net als de politie iemand van een misdaad beschuldigt. In dit geval wordt echter de offeraar van zonde beschuldigd en moet iets deze zonde vergoeden. Het zond- en schuldoffer duiden dus op het betalen van een wettelijke verplichting jegens een autoriteit, iemand die voldoet aan een wettelijk vereiste van die autoriteit. Om zonde te vergoeden moet de betaling in bloed plaatsvinden; er moet een leven worden gegeven. De Autoriteit is God, daar Zijn wet is overtreden.

Het loon van de zonde is de dood (Romeinen 6:23). Als iemand zondigt, heeft de wet de macht het leven van die persoon te nemen. De wet heeft zo'n macht over ons dat om onze schuld te betalen een leven moet worden gegeven. Niets minder is geschikt om zonde te vergoeden. In de symboliek van het zond- en schuldoffer wordt het leven van een dier gegeven, waardoor de schuld wordt bedekt en de macht die de wet over ons had, wordt gebroken.

In de feitelijke praktijk voltrok het ritueel zich als volgt: De offeraar bracht zijn dier voor de priester en legde dan zijn hand op de kop van zijn offerdier. Symbolisch vond er een overdracht plaats zodat het dier daarna de offeraar uitbeeldt die het offer brengt. Daarna stierf het dier en de straf werd beschouwd te zijn betaald.

In Romeinen 6:2 schrijft Paulus dat we "dood voor de zonde" zijn, en in Romeinen 7:4 dat we "dood zijn voor de wet". Het ritueel beeldt deze waarheden uit. Het zond- en schuldoffer beelden uit dat een veroordeelde zondaar voor God verschijnt om het oordeel van de dood te ontvangen. De dood van het dier beeldt echter Christus' plaatsvervangend offer in onze plaats uit, want in werkelijkheid zijn onze zonden, daar Hij de offerande is, op Hem overgedragen. Op deze manier wordt er verzoening voor ons gedaan en worden we verlost.

Verlossing slechts door volmaaktheid

Al zijn deze offeranden geen offeranden die als een welriekende reuk worden beschouwd, toch moesten ze even volmaakt zijn als het brand- en spijsoffer. Het dier moest volkomen gaaf zijn om gunstig met Christus' zondeloosheid vergeleken te kunnen worden. Daarnaast kunnen dieren niet zondigen; indien de offeraar dus een juist gaaf dier uitzocht, werd dit gezien als een goede vervanger om Christus symbolisch te vertegenwoordigen.

Petrus schrijft:

En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap, 18 wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. (1 Petrus 1:17-19)

Verlossing heeft betrekking op iets terugkopen dat was weggenomen. Herbert Armstrong zei metaforisch dat wij door Satan waren gekidnapt. Omdat hij ons met geweld van de vrijheid heeft weggehouden die God ons wil doen ervaren, moeten we worden verlost. We verkeren in deze kritieke toestand waaruit we menselijk niet kunnen ontsnappen, omdat we hebben gezondigd door dezelfde manier van leven te volgen als iedereen. We worden hiervan bevrijd door middel van de betaling van het zondeloze leven van Jezus Christus in Zijn plaatsvervangende dood en doordat wij ons bekeren. Omdat Hij zonder zonde was kunnen onze zondige onvolkomenheden worden overwonnen en kan er voor worden betaald.

Zou een onvolkomenheid in een dier het dier diskwalificeren om op het altaar te worden geofferd? Zeer zeker ja, zelfs al zou de onvolkomenheid inwendig en onzichtbaar voor het oog zijn. Als het een kreupele poot zou hebben, of zijn huid zou ontsierd worden door littekens, of er rafelig of schurftig uitzien, dan was het niet aanvaardbaar. Als een van zijn ogen uitgestoken of geïnfecteerd zou zijn, of als zijn oor door een wild dier zou zijn gescheurd, dan werd het gediskwalificeerd. Als het een aandoening zou hebben, zelfs een inwendige kanker of tumor, dan was het niet geschikt, zelfs al zou het er bij oppervlakkige, uitwendige observatie redelijk gezond hebben uitgezien, zodat alleen de eigenaar van zijn onvolkomenheid zou hebben geweten.

Elk van deze fysieke tekortkomingen vertegenwoordigt geestelijke onvolkomenheden die in Christus aanwezig hadden kunnen zijn, behalve dan dat Hij volmaakt was in al Zijn doen en laten. Drieëndertig en een half jaar lang had Hij zelfs nooit enige kleine, verborgen morele of geestelijke onvolkomenheid. Hij deed nooit iets dat onethisch, immoreel of ongeestelijk was. Geen enkele vorm van vleselijkheid ontsierde Zijn leven. Zelfs al kwam de gedachte aan zonde in Zijn denken op, dan verwijderde Hij die snel uit Zijn denken. Hij gebruikte altijd, bij iedere gelegenheid, het denken van God.

Zonde ontheiligde of besmette Hem nooit, op geen enkele manier, noch inwendig noch uitwendig. Hij droeg geen enkele jaloezie, bitterheid of rancune met Zich mee — er was niets in Hem dat Hem op enigerlei manier zou diskwalificeren om een geschikt offer te zijn om voor onze zonden te betalen. Het is verbazingwekkend dat iemand zelfs maar voor één of twee dagen op deze manier zou kunnen leven, laat staan drieëndertig en een half jaar lang!

Christus kwalificeerde op elke manier om het offer voor onze zonden te zijn. Neem echter in overweging dat het letterlijke zondoffer dat Hij bij Zijn kruisiging bracht slechts enkele uren duurde om zich te voltrekken. In vergelijking daarmee vereisten Zijn inspanningen om te kwalificeren het zondoffer te worden door een volmaakt brand-, spijs- en vredeoffer te zijn, een periode van drieëndertig en een half jaar leven zonder zonde!

Terugkijken naar wat Christus presteerde is ontnuchterend voor iedereen met een volwassen denken, die zelfs maar een klein deel van wat Hij deed, heeft geprobeerd na te volgen. Dit zou ons zeker tot de diepste dankbaarheid moeten brengen die we kunnen bieden. Jesaja 53:9-10 geeft ons inzicht in Gods houding jegens het offer van Zijn Zoon:

En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. 10 Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand voortgang hebben.

Zelfs niet één enkele keer kwam het in Christus op om te proberen iemand te bedriegen of in heftige woede iemand te slaan. Hij was in Zijn houding als een kind en toch volwassen in Zijn wijsheid, maar het behaagde God Hem te verbrijzelen en Hem ziek te maken om hem tot een offer voor onze zonden te stellen.

Een geweldige betaling schept verplichtingen

Dit staat in scherp contrast met wat 1 Johannes 1:8-2:1 over ons zegt:

Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. 10 Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. 2:1 Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige.

Johannes instrueert ons over de verplichting die we hebben wegens het door het offer van Jezus Christus ontvangen van verzoening. Vergeving ontheft ons niet van de verplichting om de geboden van God te onderhouden. De wet van God heeft niet afgedaan als we eenmaal onder het bloed van Jezus Christus staan. Zijn dood betaalde voor onze zonden uit het verleden. Ook al zal Zijn dood betalen voor zonden die we na onze oorspronkelijke vergeving begaan, worden we aangespoord Gods wetten niet te overtreden. Zondigen zonder oprecht respect en diepe waardering voor Christus' dood brengt ons in gevaar om de onvergeeflijke zonde te begaan (Hebreeën 10:26, 28-29). Een gedisciplineerde en krachtige inspanning om aan Gods geboden te gehoorzamen geeft Hem getuigenis van de diepte van onze waardering voor de genade die Hij ons door Christus geeft.

Hebreeën 10:1 weerspiegelt de plaats die de oudtestamentische offeranden hebben in het begrip geven over Jezus Christus: "Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken." De wetten op de offeranden beeldden slechts werkelijkheid uit; zij werden uitgevoerd om de komst van iets dat veel groter is, af te schilderen. Leviticus 1-5 beschrijft de schaduw van de goede dingen die komen gaan; Christus is de werkelijkheid.

Waarom konden ze iemand die in deze offeranden geloofde en ze bracht, niet volmaakt maken? Waarom moest Iemand die zo groot was, sterven opdat wij zouden kunnen leven? Een illustratie op basis van euro's en centen kan ons helpen dit te begrijpen. Kan iets van minder waarde, een dier, de kosten voldoen van iets van grotere waarde, een mens? Is een stier, lam, geit, of tortelduif evenveel waard als een menselijk wezen?

Wat zou er gebeuren als iemand een winkel binnenging om iets te kopen ? verlossen, compenseren, verzoenen, goedmaken — dat honderd euro kostte, maar hij bood slechts aan vijftig euro te betalen? Wat zou de eigenaar zeggen? Zou hij niet zeggen: "Dat is niet genoeg, u mag het dus niet meenemen." Hij gaat dus weg en komt terug met een biljet van twintig euro. De eigenaar zegt: "Dat is nog steeds niet genoeg." Hij gaat alweer weg om terug te komen met een biljet van tien euro. Dat is nog steeds niet genoeg. In de analogie moet hij dit proces voortdurend herhalen, almaar proberend iets van minder waarde te gebruiken om iets van groter waarde te ontvangen.

Let er echter eens op wat God deed. Wij zijn het voorwerp dat wordt gekocht en de prijs voor onze verlossing — de kosten die Hij moet betalen — is de verzoening voor onze zonden. God legde een bankbiljet van vele miljarden euro's op tafel om ons vrij te kopen: Christus. God gaf het leven van de Schepper om de straf op de zonde te betalen. Hij bood niet een wezen van minder waarde voor ons aan — een dier is niet voldoende om zelfs ook maar één mens vrij te kopen. God kwam over de brug met een betaling die niet alleen maar toereikend is om aan de kosten van iemands vrijkopen te voldoen, maar deze is zo groot dat hij de kosten voldoet van alle zonden van de gehele mensheid in alle tijden! God kwam met één betaling tegemoet aan de schuld van de gehele mensheid.

De laatste woorden van Hebreeën 10:1 zeggen dat de dierlijke offeranden hen die ze brachten niet volmaakt maakten. In vers 2 stelt de schrijver dan de vraag: "Zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn?" Hij voorziet in bewijs dat geen dier, ongeacht hoe volmaakt, de prijs kan betalen voor de zonden van een mens, omdat een mens teveel waard is. In vers 3 verklaart hij dat de offeranden de mensen er alleen maar aan herinnerden hoe zondig ze waren en dat er voor hun zonden betaald moest worden. In vers 4 sluit hij ermee af dat geen enkel dier voor de zonden van iemand kan betalen.

God wil gewoon het bloed van een dier niet aanvaarden voor het leven van een mens. De wet op de offeranden was een tuchtmeester (Galaten 3:24), door God tot onderwijzing bedoeld door het volk door de ervaring van het brengen van offeranden te doen gaan. Hoeveel zij die de offeranden brachten, leerden is niet bekend, maar de offeranden zijn effectieve leermiddelen voor ons onder het Nieuwe Verbond, als we ons denken aanzetten er aandacht aan te besteden en Gods hulp zoeken om ze te begrijpen. Boven alles onderwijzen ze ons de waarde van Christus' offer.

Eens voor altijd

De instructie gaat verder in Hebreeën 10:5-7, een monoloog waarin God de Zoon, de Verlosser en de Schepper van de mensheid, Zich richt tot de Vader:

Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; 6 in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. 7 Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik — in de boekrol staat van Mij geschreven — om uw wil, o God, te doen.

Hij legt uit dat toen Hij in de wereld kwam, God Hem voorzag van een menselijk lichaam, waardoor Hij in staat werd gesteld een offerande te worden. Hij gaat verder met deze gedachte door te zeggen dat God niet wenste dat de Levitische offeranden zouden dienen als middel tot vergeving en aanvaarding door Hem. Veeleer zond God Hem naar de wereld om Zijn wil te vervullen — om de offerande voor de zonden van de mensheid te zijn.

Hebreeën 10:9-10 bevestigt dit en voert de gedachte nog een stap verder: "(Doch) daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. 10 Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus." Het was Gods doel de Levitische offeranden ("het eerste") op te heffen en ze te vervangen door de offerande van Jezus Christus ("het tweede"). In termen van macht en waarde is dit offer van zulk belang dat als het eenmaal is gebracht, het voldoende is om alle zonde te bedekken. Het hoeft niet herhaaldelijk te worden gebracht.

De schrijver voegt in de verzen 11 en 12 toe: "Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; 12 deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God." Dit deel van Gods scheppend werk in ons is voltooid! Er zullen geen extra offeranden voor de zonden van de mens worden gebracht. Christus zat neer; dit aspect van Zijn werk is klaar.

De verzen 14 tot 18 geven dogmatisch aan:

Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden. 15 En ook de Heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis, 16 want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, 17 en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. 18 Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer (nodig).

2 Corinthiërs 5:18-19 voegt belangrijke overwegingen toe over dit onderwerp:

En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, 19 welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.

Een deel van de verantwoordelijkheid van de kerk van God in het overal ter wereld prediken van het evangelie is het informeren van de mensheid hoe ze met God verzoend kunnen worden. In veel gevallen weten de mensen niet eens dat ze afgescheiden zijn van God. Iedereen is echter afgescheiden van Hem en iedereen moet met God verzoend worden door de verlossing die in Christus' betaling voor de zonde wordt aangeboden. Om dit te doen moeten we ook verkondigen wat zonde is, daar velen even onwetend zijn over wat zonde is. Op deze manier wordt de mens in staat gesteld zijn behoefte aan verzoening door Jezus Christus te beoordelen.

Hij werd zonde voor ons

De verkondiging van het evangelie gaat niet alleen maar over het Koninkrijk van God, maar bevat veel begeleidende karakteristieken die meer inhoud geven aan het begrip dat nodig is om verbondenheid met God tot stand te brengen. Paulus zegt daarna: "Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. 21 Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (vers 20-21).

Als de Offeraar bracht Jezus Zichzelf als het ware naar Gods altaar en daarna bracht Hij Zichzelf voor God als zondoffer ten offer. Toen Hij dat deed vielen onze zonden op Zijn hoofd als Zijn verantwoordelijkheid en werd Hij de verpersoonlijkte zonde. Onze zonden waren er dus de oorzaak van dat Hij ? voor de eerste keer in Zijn leven — van God werd afgesneden. Onze zonden, nu Zijn zonden, waren er de oorzaak van dat Hij werd geoordeeld, verworpen en gedood, want het loon der zonde is de dood.

Nu Hij niet langer een welriekende reuk voor God was, werd Hij buiten de legerplaats geworpen, dat wil zeggen uit Gods tegenwoordigheid geworpen. Met Zijn oordeel werd aan het recht voldaan. Omdat Hij onze zonden op Zich nam en aan het recht was voldaan, heeft God ons in Hem geoordeeld en kan Hij ons nu vergeven. Op deze manier kan God op legale wijze voldoen aan de vereisten van Zijn wet: zonde kan alleen maar goedgemaakt worden door de dood. Omdat wij in Christus zijn geoordeeld en Hij reeds is geoordeeld, zijn ook wij reeds geoordeeld en vrij en van zonde gereinigd.

Dit is een heel bemoedigende waarheid om te begrijpen: Er hangt ons geen doodstraf meer boven het hoofd! Omdat onze zonden op Hem werden overgebracht, was Christus Degene die werd verworpen en uit de legerplaats werd gezet. Dit feit werd uitgebeeld in het verloop van het ritueel van het zondoffer: "En de huid van de stier en al zijn vlees, benevens zijn kop en zijn onderschenkels en zijn ingewanden en zijn mest, 12 alles van de stier zal hij buiten de legerplaats brengen, op een reine plek, waar men de as stort, en hij zal hem op een houtvuur verbranden; op de plaats waar de as wordt uitgestort, zal hij verbrand worden" (Leviticus 4:11-12).

Op dit punt aangekomen is het goed een belangrijk aspect van Christus' leven in overweging te nemen, om te begrijpen wat dit voor ons betekent. Vanaf de tijd vastgelegd in Marcus 1, toen Jezus in Galilea kwam om het evangelie te verkondigen, was Zijn leven een 3½-jarige periode van beproevingen met een steeds toenemende intensiteit. Al waren er ongetwijfeld perioden waarin Hij relatief vrij was van vervolging, voerden ze desondanks toch naar een climax. Dit was in het bijzonder zo in de omgeving van Jeruzalem, waar zij die de macht hadden bang voor Hem waren, daar zij zeiden: "De gehele wereld loopt Hem na" (Johannes 12:19). Johannes 7 laat zien dat Zijn eigen familie niet in Hem geloofde. Zelfs van hen die Hem het naast stonden, de apostelen, was er één die Hem verraadde, en de anderen lieten Hem uit vrees voor hun eigen leven in de steek.

In dit alles zien we in Hem een geschiedenis van onverschrokken moed. Hij gaf in alle opzichten de indruk zonder vrees te zijn en getrouw te zijn tot in het uiterste. Hij bleef op verstandige, onopvallende wijze doorgaan, waarbij Hij alles verdroeg wat Hem bij de uitvoering van Zijn taak overkwam. Aan het eind moest Hij het volgende verdragen: het Hem ontnemen van Zijn vrijheid; een onrechtvaardige, onwettige rechtszaak; veroordeling; geseling; en de dood.

Toen Hij gekruisigd was, deed Hij een veelzeggende uitspraak door uit te roepen: "Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Mattheüs 27:46). Zou het kunnen zijn dat dit inzicht geeft in het enige dat Hij vreesde — het verlies van contact en communicatie met Zijn Vader — en dat Hij niet wist wat Hij dan zou doen?

We moeten dit diepgaand en met veel waardering in overweging nemen, omdat dit de grote gave is die ons door Christus' offer ter beschikking is gesteld. Omgang hebben met God, vrede met Hem hebben en toegang tot Hem hebben, bieden toegang tot de enige echte bron van levend water. We kunnen veilig zeggen dat als onze zonden eenmaal zijn bedekt door Christus' bloed, toegang tot God de bron is van alle geestelijke kracht en groei, omdat de liefde van God door de Heilige Geest die ons gegeven is, in onze harten is uitgestort (Romeinen 5:1-5).

Hebreeën 13:10 zegt ons: "Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten." Dit altaar is Gods tafel, wij worden met geestelijk voedsel van dit geestelijke altaar gevoed. Jezus zei in Johannes 6:63: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven." Het was de priesters toegestaan te eten van het vrede-, zond- en schuldoffer. Zo worden zij die dienst doen bij het altaar, bij het altaar gevoed. Wij maken nu deel uit van een geestelijk priesterschap. Het is onze verantwoordelijkheid geestelijke offeranden te brengen die door Jezus Christus acceptabel zijn voor God (1 Petrus 2:5).

Hebreeën 13:11-12 concludeert: "Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. 12 Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden." God zal geen duimbreed toegeven voor wat betreft Zijn wet, zelfs al is de zondaar Zijn eigen Zoon, de Schepper. Nemen wij zonde serieus? Waarderen wij het offer van Christus?

Lang voor Zijn feitelijke offer legde God de basis hiervoor als instructie in Leviticus zodat wij grondig zouden begrijpen en werkelijk waarderen wat gedaan werd om ons, die zo beklagenswaardig zwak zijn en het totaal niet verdienen, toegang tot Hem te geven om Zijn vergeving en kracht te ontvangen.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)