De offeranden van Leviticus (Deel 5):
Het vredeoffer, opoffering en liefde

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," juli 2003

Deze serie over de offeranden heeft geprobeerd te benadrukken dat Jezus Christus het doel is van de wetten op de offeranden — Hij is Degene die erin beschreven wordt. Hij is het ideaal van het brandoffer, het spijsoffer en het vredeoffer, evenals van het zond- en schuldoffer. Zij geven ons een beknopt inzicht in Zijn karakter, dat op veel andere plaatsen in de Bijbel verder wordt uitgediept.

Als we eenmaal beginnen te begrijpen dat de offeranden in veel gevallen ook de manier beschrijven waarop de mens volgens God zou moeten leven, opent het mogelijkheden om een grote verscheidenheid aan christelijke levensprincipes en de diepgang ervan te begrijpen. Leviticus 1-5 zit propvol met essentiële informatie, in het bijzonder betreffende het niveau van toewijding aan heiligheid dat God wil dat Zijn kinderen zullen bereiken.

Daarom moeten we onszelf niet toestaan de instructie ervan te vermijden of te negeren. De wetten op de offeranden zijn alleen maar archaïsch in de zin van het moment waarop God ze oorspronkelijk gaf, en in het feit dat ze niet langer fysiek hoeven te worden uitgevoerd. Omdat zij Jezus Christus beschrijven, ons model en voorbeeld — omdat Hij het doel ervan is — zijn ze in onze tijd relevant. We moeten eraan denken dat ze geestelijk evenzeer van toepassing zijn als voor Christus in Zijn dagen, omdat wij in Zijn voetstappen moeten wandelen (1 Petrus 2:21).

Romeinen 15:1-2, 5 heeft rechtstreeks betrekking op dit belangrijke principe:

Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen. 2 Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing, ... 5 De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus.

De essentie van deze boodschap is dat wij op dezelfde manier moeten denken. De nadruk ligt op het niet behagen van onszelf. Dit is in het bijzonder duidelijk in de brand- en spijsoffers, waarin Christus wordt uitgebeeld op een manier waarin Hij Zich geheel geeft in dienst aan God en de mens. Wat Hij deed, werd voor anderen gedaan. Filippenzen 2:3-4 bevestigt onze verantwoordelijkheid: "... en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen."

Dit thema gaat verder in Romeinen 15:3-4: "Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder. 4 Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden." Hier hebben we vandoen met het Oude Verbond en de letter van de wet — of niet?

Nee, zeer zeker niet! Vers 4 zegt dat deze dingen geschreven zijn voor ons onder het Nieuwe Verbond. Het Oude Testament werd geschreven opdat wij ervan zouden leren, voor de geestelijke opbouw van christenen onder het Nieuwe Verbond. Bedenk dat Hebreeën 10:1 zegt dat de wet slechts een schaduw heeft van de toekomstige goederen. Schaduw leidt tot een werkelijkheid, er kan geen schaduw zijn zonder een werkelijkheid. De werkelijkheid is de Heer Jezus Christus. Hij vervulde de geestelijke bedoeling van deze wetten en wij moeten ernaar streven hetzelfde te doen.

We moeten elke mogelijke inspanning leveren om een patroon van houding, gehoorzaamheid en standaards te zien in deze "archaïsche wetten", die zoveel meer laten zien van waarnaar wij volgens God moeten streven te bereiken dan we misschien wel ooit eerder hebben begrepen. Het kan zijn dat we die hoogten nooit zullen bereiken, maar God wil desondanks dat we ernaar streven ons best te doen.

Een toegewijde, geestelijke dynastie

Misschien zal 1 Petrus 2:5 ons helpen te begrijpen waarom dit streven nodig is: "En laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus." Het helpt om in overweging te nemen dat het woord "huis" iets anders betekent dan gewoonlijk het geval is. Gewoonlijk denken we aan een gebouw waarin mensen wonen. Hier kan "huis" evenzogoed "dynastie" betekenen, zoals in het "huis van David".

God bouwt ons op tot een dynastie, een geestelijk huis, een geestelijke Familie, die zoals we weten voor altijd zal bestaan. Vers 5 voegt toe dat God ons vormt tot een heilig priesterschap, waarvan het doel is om door Christus aanvaardbare geestelijke offeranden aan God te brengen. Vers 9 bevestigt dat we reeds een koninklijk priesterschap zijn. Dit is in het bijzonder belangrijk in het licht van de offeranden, omdat die offeranden onder het Oude Verbond de bezigheden van de priesters waren.

Die priesters doorliepen het gehele ritueel fysiek. God verlangt niet van ons die procedures te volgen, toch verlangt Hij van ons de geestelijke concepten ervan te begrijpen en ze naar beste vermogen toe te passen. Waarom? Omdat we opgebouwd worden tot een geestelijke Familie, waar de functie van is God te verheerlijken door het brengen van geestelijke offeranden die Hij zal accepteren.

We moeten onszelf niet de vrijheid toestaan ons hiervan los te maken door te zeggen: "Wel, dat is werkelijk interessante informatie en mooi om te hebben, maar wat voor waarde heeft het?" Het is van grote waarde, zoals de profeet Maleachi duidelijk laat zien. In Maleachi 1:6 kastijdt God de priesters voor de onverantwoordelijke manier waarop ze hun opdracht van God uitvoerden: "Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die mijn naam veracht. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij uw naam?" Dat zijn sterke bewoordingen voor het nalaten van het brengen van offeranden die God behagen.

Het kan zijn dat de priesters niet tot een opzettelijk beredeneerde conclusie waren gekomen dat de eredienst van God iets onbelangrijks was, maar hun innerlijk gebrek aan respect kwam naar buiten in hun onzorgvuldige en ongeïnteresseerde benadering. God zegt dat Hij naar het hart kijkt (1 Samuël 16:7), en Zijn evaluatie van de manier waarop zij dit uitvoerden is, dat zij hun verantwoordelijkheid van het brengen van de offeranden aan Hem beschamend vonden. Hun werkelijke probleem zat in hun hart. Afgeleid door belangen die zij belangrijker vonden, werd hun doel om een brandoffer gewijd aan God te zijn een tweederangs bezigheid voor hun aandacht en energie.

Het brandpunt van hun aandacht kan gemakkelijk aan functies en plichten zijn gegeven die als normale, alledaagse bezigheden werden beschouwd, niet persé als zonde. Desondanks zijn deze dingen van minder belang dan het vervullen van hun opdracht van God. Zij antwoorden God op een manier die als beledigde verrassing kan worden beschouwd, door te vragen: "Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld?" God antwoordt dat het voedsel dat zij op Zijn altaar offerden, minderwaardig was (Maleachi 1:7).

Bedenk dat een basiskenmerk van de offeranden is dat God een maaltijd nuttigt. Het altaar is Zijn tafel en de offerande is Zijn voedsel. Het vuur dat de offeranden verteert beeldt uit dat God het verslindt. Als gevolg van het "eten" van de maaltijd is Hij verzadigd, net zoals wij een gevoel van welzijn zouden voelen na een goede maaltijd. God is echter niet tevreden over de offer"maaltijden" die de priesters uit de tijd van Maleachi brachten. Hij klaagt over hun minderwaardige kwaliteit. Zij geven Hem geen voldoening en zijn niet acceptabel.

De kwaliteit van hun offeranden was zo armzalig geworden dat deze ronduit slecht was. De priesters zouden zulke minderwaardige beesten nooit aan een leider hebben opgediend die zij konden zien, maar ze gaven die wel aan een onzichtbare God. Hun geloof was zo zwak dat Hij niet alleen uit het zicht was, maar dat Hij bijna geheel uit hun denken was (Psalm 10:4)! Zij dachten niet na over de grootheid van Zijn macht; Zijn barmhartige, liefdevolle voorzienigheid; Zijn zorg en verlangen dat het hun goed ging; of Zijn nabijheid bij hen. Zij dachten er blijkbaar niet echt over na dat Hij Zich bewust was van alles wat zij deden!

Koning David was uit geheel ander hout gesneden. De boeken Samuël, Koningen en Kronieken laten de uiterlijke zwakheden in zijn gedrag duidelijk zien. We zien zijn begeerte en overspel, zijn beramen van bedrog in een samenzwering om Uria in de strijd te laten sneuvelen, zijn fouten in het opvoeden van zijn kinderen, en zijn fouten in de intriges van bestuur.

Evenals wij was David doortrokken van de menselijke natuur. In principe doen wij veel van dezelfde dingen die hij deed, en net als bij hem is het een altijd aanwezige werkelijkheid. Het kan uitbreken op elk moment dat we ver van God afraken en minder op onze hoede zijn. In de Psalmen krijgen we echter inzicht in wat er zich in zijn hart afspeelde. In de Psalmen zien we de echte man, de man naar Gods hart, en dit vormt de basis van Gods oordeel over hem.

Maleachi leert ons dat we ernaar moeten streven God het beste te offeren wat we kunnen. Niet iedereen is hetzelfde. Elk van ons heeft zijn eigen pakket aan bekwaamheden, intelligentieniveau en vaardigheden. We hebben verschillende houdingen ten opzichte van dingen en omstandigheden. We zijn in verschillende soorten omgevingen opgegroeid en daarom zijn onze houdingen ten opzichte van dingen niet altijd hetzelfde. We hebben verschillende zonden en zwakheden te overwinnen.

Aan de ene kant zien we de idealen van de offeranden in het leven van Jezus Christus, maar aan de andere kant staat de werkelijkheid van wat we zijn. We komen bij lange na niet in de buurt van de idealen; we zijn vaak onstabiel en inconsequent. God wil desondanks dat het algemene traject van ons leven er consequent op is gericht die idealen te bereiken.

We hebben allemaal onze pieken en dalen. God maakt Zich geen zorgen over de incidentele dalen waar we doorheen gaan zolang we maar consequent terugkomen en energieke inspanningen leveren om de allerbeste offerande te brengen die ons in dienst van God maar mogelijk is. Deze benadering zal eraan bijdragen de volwassenheid voort te brengen die God in ons verlangt te zien: het beeld van Jezus Christus zal worden gevormd. Deze houding zal in God en ons de voldoening voortbrengen die de vrucht is van het vredeoffer.

Wat zal het brengen van offeranden voortbrengen?

Jesaja 53 is een hoofdstuk dat geheel is gewijd aan de Knecht des Heren die Zichzelf opoffert. Let op vers 10: "Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand voortgang hebben."

Het woord "behaagde" betekent niet dat Gods denken alleen maar in die richting uitging. Er zit veeleer een sterke onderstroom in van een gevoel van voldoening, zelfs plezier en genoegen. Waarom zou iemand zo'n gevoel hebben in relatie met een verschrikkelijke en pijnlijke ervaring zoals Christus in Zijn kruisiging moest ondergaan? Omdat God vooruitkeek naar het overweldigende goed dat eruit zou voortkomen.

Bedenk dat het vredeoffer ons laat zien dat God voldaan is, omdat de mens met Hem verbonden is. Een mens is daarin voldaan, omdat hij weet dat hij door God wordt geaccepteerd, dat hij omgang met Hem heeft en dingen met Hem deelt. De Priester, Christus, is voldaan, omdat Hij, als de gemeenschappelijke vriend van partijen die voorheen van elkaar vervreemd waren, gelukkig is om te zien dat ze dingen met elkaar delen door het werk dat Hij heeft gedaan. Elke partij betrokken bij het vredeoffer is in harmonie met de anderen.

Aan de vooravond van Zijn kruisiging, tijdens de instelling en uitvoering van de nieuwtestamentische Paschadienst, zegt Jezus Zijn discipelen: "Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd" (Lucas 22:15). Hij keek zeker niet uit naar de pijn van het offeren van Zijn leven, maar naar wat er als gevolg van Zijn offerande tot stand zou worden gebracht. Het zou het voornaamste middel zijn om vrede tot stand te brengen tussen God en mens. Hij weet dat Zijn offerande het mogelijk zou maken dat er een Familie uit God geboren zou worden.

God laat herhaaldelijk zien dat vrede — of dat nu in een familie, bedrijf, natie of enig ander aspect van Gods schepping is — één van de belangrijkste vruchten is van opoffering. Voor ons betekent dit in het bijzonder onszelf opofferen in het onderhouden van Gods geboden en het bevechten van de menselijke natuur, deze in toom houden. Het betekent een levende offerande zijn door zich niet te voegen naar de wereld of toe te geven aan de lagere verlangens van de menselijke natuur. Het vredeoffer laat de consequenties zien van het elkaar werkelijk liefhebben: Opoffering is de diepste essentie van liefde!

Psalm 119:165 bevestigt dit principe: "Zij, die uw wet liefhebben, hebben grote vrede, er is voor hen geen struikelblok." De menselijke natuur staat vijandig jegens God en verwerpt Gods wet (Romeinen 8:7). Het resultaat is voortdurende oorlog met God en tussen de mensen onderling. Niemand die als manier van leven Gods wet overtreedt, kan vrede hebben, tenminste niet het soort vrede dat God geeft. Jezus zegt in Johannes 14:27: "Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd."

De wereld kan van tijd tot tijd een niveau van rust teweegbrengen, maar dat is niet de vrede van God. Als iemand zondigt, lijkt het erop dat er een gevoel, een natuurlijke angst, naar boven welt. Zelfs voordat de zonde plaatsvindt, probeert men er onveranderlijk zeker van te zijn dat niemand anders die ziet plaatsvinden. Dit brengt geen vredig denken tot uiting. Onmiddellijk na een zonde ontstaat er vrees dat het bekend wordt, en de zondaar begint zich minstens ten opzichte van zichzelf te rechtvaardigen waarom hij zoiets heeft gedaan. Als hij gesnapt wordt, rechtvaardigt hij zichzelf evenals Adam en Eva dat bij God deden.

In eenvoudige bewoordingen laat God ons de consequenties zien van het overtreden van Zijn wetten. Als iemand vrede met God zou hebben, zou hij geen behoefte hebben zich te verbergen. Met een zuiver geweten hoeft hij niet te liegen, zich niet te rechtvaardigen en de schuld niet op anderen te schuiven. Niemand die Gods wetten overtreedt kan vrede hebben. Iemand die Gods wet echter liefheeft, zal niet alleen de vrede die hij al heeft in stand houden, maar hij zal als vrucht en beloning daarvan er nog aan toevoegen.

Een oplossing om niet te struikelen

Psalm 119:165 belooft nog een geweldig voordeel: Er is voor hen geen struikelblok. "Struikelblok" duidt op haperingen in de voortgang op weg naar het Koninkrijk van God of zelfs op het volledig van de weg naar God afraken. Dit geeft een grote bemoediging en zeker zijn betreffende het veiligheidsgevoel met God, erop duidend dat we door de moeilijkheden onderweg niet van de weg zullen afraken.

In plaats van vrees dat het bekend wordt en een schuldig geweten, zullen we ons zeker voelen omdat Gods woord het zegt, zoals in 1 Johannes 3:18-19 bevestigt wordt: "Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid. 19 Hieraan zullen wij onderkennen, dat wij uit de waarheid zijn en voor Hem ons hart overtuigen." We kunnen een leven vol vertrouwen hebben door Gods weg te volgen!

Een andere nieuwtestamentische passage, 1 Johannes 2:8-11, loopt parallel aan de gedachte van de psalmist:

Toch schrijf ik u een nieuw gebod, want — wat waarheid is in Hem en in u — de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds. 9 Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe. 10 Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en in hem is niets aanstotelijks; 11 maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis en hij weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

Neem deze verzen in overweging in relatie met het spijsoffer, dat het toegewijd onderhouden van de laatste zes geboden vertegenwoordigt. Een broeder haten is een overtreden van die geboden met betrekking tot hem. Daar kan moord bij betrokken zijn, het verbreken van de huwelijksband door overspel, van hem stelen, tegen of over hem liegen, of hem of zijn bezittingen begeren.

Vers 10 is precies een parallel van Psalm 119:165 als het zegt: "Maar wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en in hem is niets aanstotelijks [Luthervertaling: en hij struikelt niet]." 1 Johannes 5:3 definieert liefde: "Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar." Het Nieuwe Testament bevestigt op krachtige wijze dat iemands broeder liefhebben hetzelfde is als het onderhouden van Gods geboden met betrekking tot hem, en dit voorziet ons onderweg van een krachtige verzekerdheid en stabiliteit.

1 Johannes 2:11 laat daarna zien dat de duisternis de ogen verblindt van degene die zijn broeder haat, dat wil zeggen Gods geboden met betrekking tot hem overtreedt. Deze blindheid brengt struikelen en vechten voort, en zodoende heeft hij geen vrede.

Het is in het bijzonder verontrustend als de broeder waarover in deze verzen gesproken wordt, toevallig ook iemands huwelijkspartner, vader of moeder is. In deze tijd lopen oude mensen een grote kans naar een verpleeghuis of bejaardenhuis afgevoerd te worden, al was het alleen maar voor het gemak van de volwassen kinderen. Is dat het eren van een ouder, of is dit op een bepaalde manier verachtend? Zijn de kinderen niet bereid tot het brengen van offers, zelfs voor hen die hen ter wereld brachten? Zal deze gedragslijn vrede voortbrengen? Zal dit een gevoel van welzijn in beide partijen voortbrengen?

Johannes zegt: "Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht" (vers 10), wat impliceert dat liefde zijn eigen licht voortbrengt. Door licht kan iemand in het donker zien. Licht staat tegenover de duisternis, blindheid en onwetendheid van vers 11, die in struikelen resulteert. Licht duidt op begrip en het vermogen oplossingen voor de problemen in de relatie voort te brengen. Het moeilijke deel is onszelf in opoffering te geven om liefde uit te drukken. Als we er niet in slagen dit te doen, kan het zijn dat we nooit oplossingen zullen zien voor onze problemen in relaties.

Delen in de offerande

Leviticus 7:31 zegt: "En de priester zal het vet in rook doen opgaan op het altaar, maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn." De borst die hier wordt genoemd, is wat wij het braadstuk van de naborst noemen. In het ritueel werd dit voor God bewogen doordat de offeraar dit braadstuk vasthield en de priester dan zijn handen op die van de offeraar legde. De offeraar liep daarna zelf in de richting van het altaar alsof hij zijn gave aan God presenteerde. Bij het bereiken van het altaar keerde hij zich om naar de priester en overhandigde het aan hem, erop duidend dat God dit deel van de offerande aan de priester en zijn zonen gaf.

Jezus Christus is onze Hogepriester en 1 Petrus 2:9 legt duidelijk vast dat de kerk een koninklijk priesterschap is. Numeri 18:8, 10-11 voegt hieraan toe:

En de HERE sprak tot Aäron: Zie, Ik zelf geef u de verzorging van mijn heffingen; wat al de heilige gaven der Israëlieten betreft, die geef Ik u en uw zonen tot een gewijd deel, tot een altoosdurende inzetting. ... 10 Als iets, dat allerheiligst is, zult gij het eten; al wat van het mannelijk geslacht is, zal het eten, het zal u iets heiligs zijn. 11 Dit komt u toe als heffing van al de beweegoffers die de Israëlieten geven; die geef ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting; al wie in uw gezin rein is, zal het eten.

Zonen en dochters duiden op de familie van de priester. Het is zeker dat daaronder ook zijn vrouw werd begrepen, maar dit was alles wat God hoefde te zeggen om Zijn bedoeling duidelijk te maken. Geestelijk vertegenwoordigt het altaar Gods tafel, en de zonen en dochters zijn de medebroeders in de kerk, de Familie van onze Hogepriester. Daar we eten van Gods tafel, laat dit ons in verbondenheid met God zien. Het laat ook zien dat we deel hebben aan het werk van de priester en daardoor ook recht hebben op een deel van de offerande.

Allen die verbonden zijn met of omgang hebben met God moeten die verbondenheid delen met Zijn priesters en Zijn kinderen, de rest van de kerk, onze broeders en zusters. Als iemand een offer brengt, deelt hij daar in. Hiervan is een interessant voorbeeld te vinden in Handelingen 2:41-42; dit begint op de Pinksterdag en gaat voor een onbekende tijd hierna verder: "Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. 42 En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden." Het delen met de broeders en zusters wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht in de woorden "gemeenschap", "breken van het brood" en "gebeden".

De verzen 43 tot 45 voegen toe: "En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. 44 En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden." Het lijkt er bijna op dat de goddelijke vrees, de wonderen en de tekenen rechtstreeks ontsprongen aan de tot delen bereid zijnde geestesgesteldheid en de opoffering die degenen die gaven, zich getroostten.

Kunnen wij feesten met God en geen aandacht schenken aan Zijn andere gasten? Iemand in verbondenheid met God moet in verbondenheid zijn met allen die in verbondenheid zijn met Hem. Zien we de eenheid die dit impliceert? We eten allemaal van dezelfde offerande, dezelfde maaltijd. We worden allemaal gevoed en gesterkt door dezelfde Geest, en God verwacht dat we datgene wat we hebben, delen met onze broeders en zusters.

Dit tijdperk van de kerk heeft nooit iets meegemaakt dat in sterke mate leek op het eerste tijdperk, maar het is mogelijk dat dit wel het geval zal zijn voordat de eindtijd voorbij is. Ondertussen zullen we onze huizen in gastvrijheid moeten openstellen, onze ervaringen in het leven met elkaar delen. We zouden met en voor elkaar moeten bidden om elkaar bij te staan ons in eenheid bij elkaar te brengen.

Christus is in alle dingen die met het leven te maken hebben, ons belangrijkste voorbeeld. Wat deed Christus om ons tot eenheid met de Vader te brengen? Wat Hij ook maar deed, moeten ook wij in principe doen als brand- en spijsoffer, het met ons gehele hart in volledige toewijding onderhouden van de geboden van God. In Zijn laatste onderwijs voor Zijn kruisiging zette Hij een heel hoge standaard: "Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad" (Johannes 15:12). Gelijk betekent "in dezelfde mate als".

Hij zegt in vers 13 ook: "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet [aflegt] voor zijn vrienden." Jezus legde Zijn leven stap voor stap af en sloot het daarna af door Zich voor ons welzijn aan de kruisiging te onderwerpen. Die offeranden brengen vrede en eenheid met God voort voor hen die Zijn offer aanvaarden en zich onderwerpen aan de last van het dragen van hun verantwoordelijkheden voor God.

De conclusie is onontkoombaar: De vrede die God geeft is rechtstreeks gekoppeld aan opoffering en liefde. Onze Vader begon het proces door de wereld zo lief te hebben dat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor de zonden ervan opofferde. De Zoon volgde de Vader door grootmoedig Zijn leven te geven in een ongehoorde onderwerping aan de wil van de Vader, nadat Hij dag aan dag Zijn leven voor hen en ons had afgelegd.

Dit alles begint het proces voor ons, zodat wij vrede kunnen hebben met God en Zijn Geest Zijn liefde in onze harten kan uitstorten. Het proces van het voortbrengen van vrede, harmonie en eenheid wordt dus ook rechtstreeks hieraan gekoppeld als gevolg van onze opofferingen in toegewijde gehoorzaamheid aan Zijn geboden.

De brand-, spijs- en vredeoffers zijn illustraties van grote betekenis van wat nodig is binnen onze relaties om vredige en opbouwende omgang met elkaar voort te brengen die God werkelijk eert en verheerlijkt.

Wees rein

We moeten nog een belangrijke factor in beschouwing nemen in relatie met ons dienen van God en de mens en het deelhebben aan de zegeningen van het altaar. Let op Leviticus 22:1-7:

De HERE sprak tot Mozes: 2 Spreek tot Aäron en zijn zonen, dat zij, om mijn heilige naam niet te ontheiligen, zich in acht nemen ten aanzien van de heilige gaven die de Israëlieten Mij heiligen: Ik ben de HERE. 3 Zeg tot hen: Ieder in uw geslachten, die uit al uw nakomelingen nadert tot de heilige gaven die de Israëlieten de HERE heiligen, terwijl zijn onreinheid nog aan hem is, die zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden: Ik ben de HERE. 4 Geen van Aärons nakomelingen, die melaats is of een vloeiing heeft, zal eten van de heilige gaven, totdat hij gereinigd is; evenmin hij die iets aanraakt, dat onrein geworden is door een dode, of iemand die een zaaduitstorting heeft, 5 of iemand die enig kruipend gedierte aanraakt, waardoor hij onrein wordt, of een mens, door wie hij onrein wordt, doordat deze een of andere onreinheid aan zich heeft; 6 hij, die zoiets aanraakt, blijft onrein tot de avond en zal niet eten van de heilige gaven, tenzij hij zijn lichaam in water gebaad heeft. 7 En als de zon ondergegaan is, zal hij rein zijn en daarna zal hij van de heilige gaven eten, want het is zijn spijs.

1 Petrus 1:16 zegt: "... er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig", wat precies de les is die bevat is in Leviticus 22:1-7. Onze God zegt duidelijk: "Zij die Mij dienen moeten ook heilig zijn." Heilig betekent in essentie "apart gezet", maar het heeft ook de betekenis van "anders", wat helpt uit te leggen waarom iemand of iets apart wordt gezet. Bepaalde factoren of karakteristieken onderscheiden de persoon of het ding dat apart is gezet, waardoor het anders is dan andere personen of dingen van dezelfde soort.

Heilig heeft ook de betekenis van reinheid of onbesmet zijn. God kan evengoed tot de priesters en Zijn kinderen zeggen: "Ik ben een reine God en Ik wil dat zij die Mij dienen rein zijn." In dit geval zet Zijn transcendente reinheid van bedoeling en karakter Hem apart van anderen of dingen die mensen als god zouden kunnen beschouwen. Hij is daarom in totaal niet verontreinigd.

De passage uit Leviticus vermeldt melaatsheid, een lijk en zaad. We moeten niet vergeten dat toen dit geschreven werd God Zich richtte tot een vleselijk volk. De instructie is daarom vervat in fysieke bewoordingen, maar wij moeten kijken naar de geestelijke bedoeling binnen de fysieke instructie.

De tabernakel, het altaar, de priesters, het meubilair, de vaten en alle rituelen hebben een geestelijke betekenis, en Paulus schrijft dat zij "schaduwen zijn van toekomstige goederen" (Hebreeën 10:1). Melaatsheid is een afschuwelijke, ontzettende aandoening en is dus een type van een geestelijke aandoening. Het is uitwendig zichtbaar in de misvorming van het lichaam van het slachtoffer. Bij tijden kunnen er open wonden zijn. Het komt waarschijnlijk met geen enkele geestelijke aandoening overeen, maar het symboliseert veeleer allerlei zonden die iemands karakter en/of houding misvormen.

Zowel een lijk als zaad vertegenwoordigt mogelijk dragers van ziekten. Iets veroorzaakt dat iemand sterft en al te vaak is het een onzichtbare, innerlijke aandoening, waarvan infecties en kanker voorbeelden zijn. Het wijdverspreide Aids virus is een goed voorbeeld. Het kan door het zaad van een man in het lichaam van een vrouw worden gebracht. De drager kan er aan de buitenkant gezond uitzien, maar er is een dodelijke aandoening aanwezig. Slechts de drager zou van het bestaan ervan in hem kunnen weten. Een lijk en zaad vertegenwoordigen zonden die niet gemakkelijk waargenomen worden. Onttrekken van deelname aan de gezamenlijke omgang vereist dat de zondaar discipline toepast, daar het kan zijn dat hij de enige is die zich bewust is van zijn probleem. Kruipend gedierte stelt ook besmettingen door zonde voor die minder opvallend zijn. Misschien kunnen het in dit geval problemen zijn met iemands houding, zoals wrok, bitterheid, naijver, jaloezie en begeerte.

Ongeacht waardoor iemand onrein werd, het werd hem niet toegestaan deel te nemen totdat hij zichzelf reinigde door zich in water, een type van de Heilige Geest, te wassen. Zelfs daarna werd hij nog tot de avond van dezelfde dag als onrein beschouwd. Dit proces was een vorm van excommunicatie. De onreine persoon werd symbolisch buitengesloten van de verbondenheid met God en ongeschikt geacht om van het heilige voedsel van het altaar, dat het woord van God symboliseert, te eten totdat hij gereinigd was. Vers 7 zegt onmiskenbaar dat het hem pas nadat de zon was ondergegaan vrij stond van de heilige dingen te eten. Zelfs met deze toestemming at hij nog steeds in het donker! Al werd hij terug geaccepteerd in de gemeenschap, toch was hij tot de volgende dag nog enigszins verwijderd van een volledige blootstelling aan het licht van Gods troon; pas dan werd de volledige verbondenheid met God hersteld.

Stappen nemen om onszelf van onreinheid te ontdoen heeft ontzagwekkende consequenties als we begrijpen hoe beladen we zijn met het potentieel tot zonde. De apostel Paulus bestempelt zichzelf als een ellendig mens, die een grote behoefte aan verlossing had (Romeinen 7:24-25). Ondanks wat we in eigen kracht kunnen doen — en God verlangt van ons dat we ernaar streven dat te doen — kan volledige verlossing slechts komen door het werk van Jezus Christus. Het is essentieel dat we dit weten, toch gaat het feit dat God zo barmhartig en vol van genade is om te voorzien in een zondoffer dat ons voorging, misschien ons volledige begrip en onze waardering ver te boven! Als deze elementen er niet zouden zijn — omdat we zo doortrokken zijn van geestelijk kruipend gedierte en geestelijke melaatsheid — zou het ons nooit worden toegestaan van de tafel des Heren te eten.

1 en 2 Corinthiërs geven ons sterke bemoediging door te laten zien dat al kan iemand van het lichaam worden afgesneden, hij terug kan keren als hij zich eenmaal door bekering gereinigd heeft. We zien dat zelfs al wordt hem een nauwe verbondenheid met God ontzegd vanwege de een of andere geestelijke onreinheid, hij nog steeds door het nieuwtestamentische priesterschap met God verbonden blijft. Het buitensluiten van de persoon uit de gemeente is bedoeld als een tijdelijke corrigerende maatregel.

1 Corinthiërs 5:4-5 zegt: "Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus, 5 leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren." Het doel van excommunicatie is de persoon te verlossen van zijn onreinheid die zijn verbondenheid met God en anderen in de gemeenschap vernietigt. Daarom is hij, zolang hij nog behouden kan worden, niet volledig afgesneden van God.

2 Corinthiërs 6:14-17 voegt nog wat meer informatie over dit onderwerp toe:

Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? 16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine en Ik zal u aannemen.

Paulus stelt vier vragen die vergelijkingen geven die ons duidelijk aansporen datgene wat onrein is te vermijden of ervan weg te gaan, zodat we vrede kunnen hebben met God en verbonden met Hem kunnen zijn. Omgang met God en toestemming hebben om geestelijk voedsel van Zijn tafel te eten zijn duidelijk afhankelijk van dat we niet in onreinheid vervallen, maar in plaats daarvan ernaar streven de reinheid waarin door Christus' offer werd voorzien, te behouden.

Ons deel in het streven om de reinheid te bewaren is het volgen van Christus' voorbeeld van volmaakte toewijding in het vervullen van de vereisten van de brand- en spijsoffers. Door dat te doen verdienen we op geen enkele manier de privileges van de omgang die in het vredeoffer tot uiting komen, maar het laat God ons begrip van geloof, liefde, opoffering en dankbaarheid zien. En het laat eveneens het verband zien tussen totale toewijding aan Hem, Jezus Christus, onze medemens en Zijn fantastisch doel. God heeft heel wat geïnvesteerd om hierin voor ons te voorzien. Het minste wat wij kunnen doen is Hem een volledige toewijding teruggeven in ons leven als een levend offer.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)