De offeranden van Leviticus (Deel 4):
Het vredeoffer

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," juni 2003

Van al de offeranden zijn het zondoffer en het schuldoffer het best bekend en begrepen vanwege hun duidelijke relatie met Christus' kruisiging voor de zonden der wereld. Aan de andere kant van het spectrum hebben we het vredeoffer dat het minst begrepen wordt, omdat de symboliek ervan, al is die eenvoudig te vatten, misschien de moeilijkste is om in de feitelijke praktijk te ervaren. Dit offer komt naar voren in Leviticus 3:1-5:

Indien zijn offergave een vredeoffer is: indien hij dat brengt van rundvee, dan zal hij een gaaf dier, hetzij van het mannelijk, hetzij van het vrouwelijk geslacht, voor het aangezicht des HEREN brengen. 2 Hij zal zijn hand op de kop van zijn offergave leggen en die slachten bij de ingang van de tent der samenkomst, en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen. 3 En als vuuroffer voor de HERE zal hij van het vredeoffer brengen het vet dat de ingewanden bedekt, en al het vet dat op de ingewanden ligt; 4 benevens de beide nieren en het vet dat daaraan zit, dat aan de lenden is, en het aanhangsel aan de lever, dat hij met de nieren moet wegnemen. 5 En de zonen van Aäron zullen het op het altaar in rook doen opgaan, op het brandoffer, dat op het hout op het vuur ligt, als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE.

Bijbelcommentatoren hebben deze offerande een verscheidenheid aan namen gegeven. "Vrede", "omgang", "lof" en "dank" zijn de meest voorkomende. Het commentaar van Keil-Delitzsch vermeldt echter dat de meest correcte benaming "verlossingsoffer" is (vol. 1, p. 298). Elke benaming laat een ietwat verschillend aspect zien van het onderwijs dat erin vervat ligt. Vers 5 informeert ons dat dit ook een offerande is met een liefelijke reuk, erop duidend dat er geen zonde bij betrokken is en dat het heel aangenaam is voor God. Het woord "aangenaam" is belangrijk om deze offerande te begrijpen.

Vers 5 laat ons ook een aspect zien van het ritueel dat ons over het doel van deze offerande onderwijst. Het wordt verbrand op, dat is bovenop, het brandoffer, waarop ook reeds het spijsoffer lag. Ze werden niet noodzakelijkerwijs laag op laag gelegd zoals bij een sandwich en dan allemaal gezamenlijk verbrand. Het dagelijkse brandoffer werd echter altijd als eerste gebracht en dit werd op hetzelfde vuur gevolgd door het spijsoffer en het vredeoffer (Keil-Delitzsch, vol. 1, p. 300).

Het vredeoffer moest dus gebracht worden nadat de andere twee reeds brandden. Hoe lang erna is in de geschiedenis verloren gegaan, maar dat kon niet echt lang zijn geweest omdat hetzelfde vuur werd gebruikt.

Vredige verbondenheid

Leviticus 7:11-18, 29-32 verschaft meer informatie betreffende de specifieke verdeling van de verschillende delen van dit dierlijke offer:

Dit is de wet op het vredeoffer, dat men de HERE brengen zal. 12 Indien men het zal brengen als een lofoffer, dan zal men met het lofoffer ongezuurde koeken brengen, met olie aangemaakt, en ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken, en doorgeroerd fijn meel, koeken met olie aangemaakt. 13 Met koeken van gezuurd brood zal hij zijn offergave brengen, nevens zijn vredeoffer als lofoffer. 14 En van elke offergave zal hij er een brengen als heffing aan de HERE; voor de priester die het bloed van het vredeoffer sprengt, zal die zijn. 15 En het vlees van zijn vredeoffer als lofoffer zal op de dag van zijn offergave gegeten worden; niets daarvan zal hij tot de morgen over laten. 16 Indien het slachtoffer dat hij als offergave brengt, een gelofteoffer of een vrijwillig offer is, dan zal het op de dag waarop hij zijn slachtoffer brengt, gegeten worden, en op de volgende dag zal ook hetgeen daarvan overbleef, gegeten worden. 17 Maar wat dan nog van het vlees van het slachtoffer overblijft, zal op de derde dag met vuur worden verbrand. 18 Indien toch op de derde dag gegeten wordt van het vlees van zijn vredeoffer, dan zal hij die dat gebracht heeft, niet welgevallig zijn; het zal hem niet ten goede gerekend worden, het zal iets verfoeilijks zijn, en wie daarvan eet, zal zijn ongerechtigheid dragen.

... Hij die de HERE zijn vredeoffer offert, moet de HERE een deel van zijn vredeoffer als offergave brengen. 30 Eigenhandig zal hij de vuuroffers des HEREN brengen; het vet met de borst zal hij brengen, de borst, om die als beweegoffer te bewegen voor het aangezicht des HEREN. 31 En de priester zal het vet in rook doen opgaan op het altaar, maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. 32 De rechterschenkel zult gij als een heffing van uw vredeoffers aan de priester geven.

We moeten de volgorde begrijpen die hier wordt aangehouden: de offeraar bracht zijn offerande naar het altaar, legde zijn hand erop en doodde het. De priester sprenkelde het bloed op het altaar en eromheen. Het dier werd daarna in stukken gesneden en Gods deel — bijna geheel vet, tussen de twee nieren — werd bovenop de reeds brandende brand- en spijsoffers gelegd.

De priester ontving daarna de borst en rechterschouder voor hemzelf en zijn kinderen, en de offeraar ontving wat overbleef van het dier om te eten. Het moest echter binnen één dag worden gegeten als het een dankoffer [lofoffer] was, of binnen twee dagen als het een gelofte- of een vrijwillig offer was. Als er op de derde dag nog iets over was, moest het worden verbrand. In dit proces wordt het hoofdonderwijs van het vredeoffer geopenbaard.

Bedenk dat het branden op het altaar van de offeranden met een welriekende reuk uitbeeldt dat God een maaltijd gebruikt en verzadigd wordt. Dat de priester zijn deel ontvangt laat eveneens zien dat hij verzadigd wordt, en de offeraar met zijn deel is ook verzadigd. "Gevuld", "voldaan", "tevreden gesteld", "aanvaard", "overtuigd", "voorzien in", "behaagd" en "verzekerd" leggen allemaal de bedoeling van de symboliek vast.

Daarnaast laat het zien, daar alle partijen — God, priester en mens — deelhebben aan dezelfde maaltijd en verzadiging, dat allen vredig met elkaar verbonden zijn of omgang met elkaar hebben. Omdat het in volgorde bovenop de andere twee offeranden werd geplaatst, is het vredeoffer er rechtstreeks mee verbonden, en daarom beeldt het het effect uit van volmaakte toewijding aan God en mens: vredige verzadiging en omgang met elkaar, de vrucht van het toegewijd naleven van de twee grote geboden van de wet.

In deze offerande speelt Christus symbolisch alle drie de rollen: Hij is het offer, Hij geeft al dienend Zijn leven; Hij is de priester die de mens bij het altaar als Middelaar dient; en Hij is de offeraar, Hij brengt Zijn offerande naar het altaar. Het altaar, de plaats waar alle drie elkaar ontmoeten, vertegenwoordigt opofferend dienen en een toewijding aan God die Hem voldoening geeft en die erin resulteert dat wij worden aanvaard.

Het vredeoffer laat de mens zien als Christus, aanvaard, gevoed, gesterkt en tevredengesteld door het offer. Hierdoor wordt onderwezen dat opoffering inderdaad de essentie, het hart en de kern, het essentiële element is van liefde, of dat nu jegens God is of jegens de mens. Specifieker laat het ons zien dat opoffering een hoofdrol speelt om door God te worden aanvaard, in geestelijk gevoed worden en daardoor in geestelijke kracht, en geestelijke voldoening. Toegewijde mensen brengen offers voor hen die ze liefhebben. Opoffering duidt dus op toewijding aan God (brandoffer) en toewijding in het dienen van de mens (spijsoffer).

Een gevoel van voldoening

Iedereen verlangt ernaar een gevoel van voldoening te hebben, een gevoel dat alles goed is. Dit is grotendeels iets waar we allemaal in het leven naar streven. Maar hoe proberen we dat te bereiken? Als we het algemene onderwijs bevat in de offeranden vatten, zouden we in staat moeten zijn te begrijpen hoe zelfgerichtheid en streven naar de verkeerde doelen in het leven geestelijke beschadigingen teweegbrengen. Zelfgerichtheid brengt de tegengestelde vrucht voort van zelfopoffering.

Zelfgerichtheid voedt en sterkt niet een gevoel van voldaanheid en tevredenheid. Het vernietigt door geestelijke ondervoeding, waardoor een honger of een smachten naar meer ontstaat van wat nooit tevredenstelt. Johannes legt dit principe eenvoudig en praktisch vast in 1 Johannes 3:16-24:

Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. 17 Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? 18 Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid. 19 Hieraan zullen wij onderkennen, dat wij uit de waarheid zijn en voor Hem ons hart overtuigen, 20 dat, indien ons hart (ons) veroordeelt, God meerder is dan ons hart en kennis heeft van alle dingen. 21 Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, 22 en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht. 23 En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft. 24 En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft.

In vers 16 onderwijst Johannes dat we liefde kunnen leren kennen door de manier te observeren waarop Jezus Zijn leven leidde. Hij offerde Zijn leven voor ons op door het iedere dag opnieuw op te geven, evenals Hij dat deed in de dood, waarmee Hij ons een voorbeeld gaf om in onze relaties met de medebroeders te volgen. In vers 17 geeft hij een praktische illustratie van een manier waarop we ons leven in liefde kunnen opgeven. In vers 18 moedigt hij ons daarna aan om niet slechts met de waarheid in te stemmen, maar tot actie over te gaan om te voldoen aan de behoefte van een broeder.

Vers 19 begint het effect te laten zien van een zich toegewijd opofferen in deze manier van leven. De overtuigende kracht van te weten dat we de juiste dingen doen inspireert verzekerdheid, vertrouwen en tevredenheid; we hebben een positief gevoel dat we voor God het juiste doen. Hij legt daarna uit dat als deze gevoelens niet worden voortgebracht — maar als we in plaats daarvan schuld en veroordeling voelen, omdat we weten dat we niet het juiste doen en onze zorg dat we niet volmaakt zijn ons overweldigt — we om vergeving naar God moeten gaan, omdat Hij zal vergeven.

Vers 21 is een subtiele aansporing tot bekering, om ons af te wenden van onze zelfgerichtheid, zodat we vrede kunnen hebben met God en met onszelf. Vers 22 onthult het positieve effect van het opgeven van ons leven ten dienste van onze medebroeders door het toegewijd onderhouden van de geboden: beantwoorde gebeden. Het onderwerp van vers 23 is leven uit geloof en dat laten zien in een leven van opofferende liefde. Tenslotte laat hij in vers 24 nog een ander positief effect zien: absoluut zeker weten dat Hij in ons leeft en wij in Hem. Ons leven draait om geloof met deze kennis.

De vraag op dit punt is nog: "Hoe proberen wij voldoening in het leven te vinden?" We zouden het ook als volgt kunnen zeggen: "Hoe proberen we liefde, vreugde en vrede te vinden?" De gelijkenis van de verloren zoon raakt, met name in Lucas 15:13-17, aan dit onderwerp:

En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad. 14 Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. 15 En hij trok er op uit en drong zich op aan een der burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden. 16 En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger.

Evenals de jongeman verlangen wij naar een gevoel van welzijn, vrede, zekerheid, plezier en geluk. Net als hij jagen wij die dingen na en proberen ze op praktisch elke manier voort te brengen, behalve op de manier van de Vader. Evenals hij ervaren we hetzelfde lege gevoel alsof er iets ontbreekt.

Sommigen herinneren zich misschien nog wel een populair liedje van enkele tientallen jaren geleden dat door Peggy Lee gezongen werd en als titel had "Is dat alles wat er is?" De tekst ging precies over dit onderwerp. De zangeres vertelde dat ze zoveel zogenaamde opwindende en vervulling gevende dingen in haar leven had gedaan en toch in geen van die dingen blijvende voldoening had gevonden. Ze sloot elk experiment af met de vraag: "Is dat alles wat er is?" Het liedje brengt duidelijk tot uitdrukking dat zo'n leven geen echte voldoening geeft.

Zo'n leven ontbreekt het aan het ware doel van het leven gecombineerd met de inspanning om dat te bereiken door op de vereiste manier te leven. Deze drie offeranden in Leviticus 1-3 definiëren in grote lijnen Gods manier van leven: alle dingen doen in liefde binnen de context van Zijn doel. Zoals we hebben gezien definieert 1 Johannes 5:3 liefde als het onderhouden van de geboden, en de essentie van liefde is een opofferend geven.

Ook al hebben ze niet Gods Geest, toch hebben sommige mensen (bijvoorbeeld psychologen) hier veel van ontdekt. Het deel wat zij door het observeren van de mens niet hebben ontdekt, is het ware doel van het leven, omdat God hun dat niet heeft geopenbaard. Zij hebben echter ontdekt dat de essentie van liefde opoffering is en dat het doen van de juiste dingen een gevoel van welzijn teweegbrengt.

Van het beste geven

Hoe reageert God op hen die beter zouden moeten weten, maar toch een voor Hem kwalitatief laagstaand leven leiden? Maleachi 1:6-10 beeldt Gods reactie uit — Hij heeft daar geen behagen in:

Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die mijn naam veracht. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij uw naam? 7 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des HEREN tafel, zij is verachtelijk. 8 Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 9 Welnu, tracht maar God te vermurwen, dat Hij ons genadig zij! Uwerzijds is zo gehandeld; zal Hij dan iemand van u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 10 Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken! Ik heb geen welgevallen aan u, zegt de HERE der heerscharen, en in een offer van uw hand schep Ik geen behagen.

Hier klaagt God de mensen uit Maleachi's tijd aan voor het op Zijn altaar offeren van inferieure, soms zelfs misvormde dieren! De geestelijke parallel betreft het offeren van ons leven in dienst van Hem en de medemens. Geven wij, uit liefde voor God en Zijn volk, het beste wat we te bieden hebben binnen de omstandigheden van het leven? Salomo spoort in Prediker 9:10 aan: "Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat." En protestants gezang met de titel "Geef uw Meester van het beste" brengt dit vereiste goed tot uitdrukking. Al accepteert God ons vanwege Jezus, toch verwacht Hij van ons dat we als tegenprestatie het beste geven van wat we kunnen.

Lucas 22:15-16 gaat specifiek over Jezus' Pascha-offer, maar we moeten het effect daarvan in het licht van het vredeoffer in overweging nemen en niet in het licht van het zondoffer. "En Hij zeide tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd. 16 Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk Gods." Ten eerste, God is tevredengesteld omdat de mens door Christus, het offer, met Hem verbonden is. Ten tweede, de mens is tevredengesteld omdat hij weet dat hij door God wordt geaccepteerd en omgang met Hem heeft. Ten derde, de priester is tevredengesteld omdat hij, als de gemeenschappelijke vriend van voorheen van elkaar vervreemde partijen, gelukkig is te zien dat ze omgang met elkaar hebben. Geen wonder dat Christus naar dit specifieke Pascha uitzag! Het bracht precies het doel tot stand waarvoor Hij gekomen was.

Het middel dat dit allemaal tot stand brengt is opoffering. Het is niet alleen Christus' offer aan het kruis, want dat was slechts het hoogtepunt van een hele serie opofferingen die al in de hemel begon toen Hij Zijn heerlijkheid als God opgaf, een mens werd en Zichzelf volkomen aan de wil van de Vader onderwierp. Christus' hier uitgesproken verlangen kijkt er naar uit dat God en de mens in Zijn Koninkrijk met elkaar omgang zullen hebben — het uiteindelijke effect van het allerbeste van onszelf aan God te geven door het volgen van Jezus' voorbeeld.

Denk nog eens aan de gedachte die in 1 Johannes 3:20 tot uitdrukking wordt gebracht: "Indien ons hart (ons) veroordeelt, God meerder is dan ons hart en kennis heeft van alle dingen." Dit is van vitaal belang voor ons, omdat wij in het bijzonder vatbaar zijn voor intense gevoelens van zelfveroordeling en schuld door te weten dat we niet voldoen aan Gods standaard. We geven echt om wat God van ons denkt, omdat we meer dan de meesten over Hem weten.

Ons geloof moet niet blind en onnadenkend zijn, maar gebaseerd op waarheid. Onze toepassing van geloof in het licht van dit vers vereist dat we een bewonderenswaardige balans hebben tussen twee uitersten die voortkomen uit onze nauwkeuriger kennis van Gods weg. Beide uitersten zijn verkeerd. Het eerste uiterste, we hebben dit al opgemerkt, is dat we in voortdurende schuld en angst leven dat Gods hamer ten gevolge van onze onvolkomenheden elk moment kan neerkomen om ons aan diggelen te slaan.

De tweede is een houding van laat maar waaien, God is heel barmhartig en verdraagzaam, Hij begrijpt mijn zwakheden. In dit uiterste worden zonden geaccepteerd als deel van de normale gang van het leven, en wordt er geen vastberaden inspanning geleverd om ze te overwinnen. Sommigen hebben zich gewonnen gegeven aan een specifieke zonde onder het uitroepen van: "God begrijpt mijn behoeften." God begrijpt ook rebellie.

Maar wat gebeurde er met Jezus' krachtige aansporing: "Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit" of "indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af" (Mattheüs 5:29-30)? Het is waar dat Hij dit niet letterlijk bedoelt, maar het illustreert de oprechte vastbeslotenheid, kracht en sterkte die we moeten aanwenden in het overwinnen van zonde. Zij die zonde bagatelliseren, komen heel dichtbij het met voeten treden van de Zoon van God en het openlijk bespotten van Zijn offer (zie Hebreeën 6:6; 10:29).

Hoe goed is het offer van zo iemands leven? Hij is schuldig aan het beoefenen van zonde. Johannes schrijft: "Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren" (1 Johannes 3:9). Later, in Openbaring 22:15, voegt hij toe: "Buiten [het nieuwe Jeruzalem] zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet." Zulke mensen zullen niet in Gods Koninkrijk zijn.

Hun geweten heeft zich op een soortgelijke manier als in Maleachi 1 aangepast. Zonde, een bezoedeld leven, is aanvaardbaar en hun houding schijnt te zijn dat God maar genoegen moet nemen met kinderen die zich niet willen inspannen om te overwinnen. Dit is inderdaad een gevaarlijke aangelegenheid, omdat God zegt dat slechts zij die overwinnen alle dingen zullen beërven (Openbaring 21:7). Neemt God genoegen met zo'n situatie? Verlangt Hij van Zijn kinderen geen betere offerande voor hun eigen welzijn en Zijn heerlijkheid? Als Hij niet tevreden is, is de omgang reeds tot een einde gekomen of minstens reeds verstoord.

Aanvaardbaar voor God

Onze zorg gaat echter uit naar hen die zich wel inspannen om te overwinnen, maar van tijd tot tijd tekortschieten — zij die weten dat ze niet voldoen aan de standaard en worstelen met een schuldig geweten en het gevoel hebben dat hun omgang met God geblokkeerd is vanwege een nu en dan voorkomende zonde. De meerderheid van ons behoort waarschijnlijk tot deze categorie.

Als we zo af en toe een bepaalde zonde plegen, zijn we dan voor God niet langer aanvaardbaar? Is onze omgang werkelijk geblokkeerd? Al is het waar dat zonde ons van Hem scheidt, blijven we ons dan toch onvoldaan voelen omdat we het gevoel hebben dat er geen verbondenheid is? Nogmaals Gods genade redt ons van wat anders een onmogelijke situatie zou zijn.

Temidden van de hartstochtelijke discussies van de kerk uit de eerste eeuw over de toepasselijkheid van bepaalde delen van de wet, zegt Petrus in Handelingen 15:10-11: "Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij." Petrus bevestigt precies deze situatie, alleen is zijn verwijzing naar het Oude Verbond. Hij erkent dat als wij proberen in dit leven net zo heilig te zijn als God door alleen maar gehoorzaamheid, we onszelf in een onmogelijke situatie brengen. Israëls ervaringen onder het Oude Verbond waren deels ontworpen om dit feit te openbaren.

De meeste Farizeeën waren ongetwijfeld oprecht in hun misleide toewijding aan God. Paulus schrijft in Romeinen 10:2 dat Israël "een ijver voor God bezit, maar zonder verstand", dat is zonder ware kennis. In hun inspanningen om zuiver te zijn, voegden ze wet op wet toe om hen van zondigen te weerhouden — en misschien voegden ze zelfs een mate van kwijtschelding toe — maar ze maakten met elke nieuwe wet de zaken alleen maar moeilijker.

Het antwoord op deze verwarrende situatie ligt in een verandering van onze natuur die uit bekering voortkomt, ontvangst van Gods Heilige Geest, en — misschien bovenal — toegang tot God door Jezus Christus. Hierdoor krijgen we voor de rest van ons leven omgang en ervaring met Hen en toegang tot Gods barmhartige genade als we tekortschieten. Er kan geen twijfel aan bestaan dat we behouden worden door genade uit geloof. Onze neerslachtigheid en uiterste zelfveroordeling openbaren een gebrek aan geloof in Gods bereidheid na berouw en bekering te vergeven. Al worden er werken van ons verlangd, toch kunnen we daardoor niet de toegang tot het Koninkrijk verdienen, omdat ze altijd tekortschieten in het betalen voor de zonde.

Paulus bevestigt echter dat liefde werken vereist: "En wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk" (Efeziërs 5:2). Let erop dat Paulus zegt dat Christus Zichzelf voor ons gegeven heeft en dat de offerande waar hij naar verwijst een welriekende reuk is. Paulus' verwijzing duidt er dus niet op dat Christus Zich voor ons als zondoffer gaf, maar als een offerande waar geen zonde bij betrokken is: Hij was een brand-, spijs- en vredeoffer. Hij gaf Zichzelf voor ons in de manier waarop Hij Zijn leven leidde.

Net als Christus' zondoffer voor ons is en we — als we begrijpen en geloven dat onze zonden zijn vergeven — aanvaarding vinden bij God, voldoening en vrede, zo is ook Zijn leven, zoals Hij het leidde, voor ons. Het is alsof als God naar ons kijkt, Hij Christus ziet! Dit is een ongelooflijk wonderbaarlijk aspect van Zijn genade en maakt deel uit van de leerstelling van ons zijn "in Christus", dat betekent dat we deel uitmaken van het geestelijke lichaam waarvan Hij het Hoofd is.

1 Corinthiërs 12:12 zegt: "Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus." Efeziërs 1:21-23 herhaalt dit concept:

[De Vader heeft Christus verheven] boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. 22 En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23 die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.

Zelfs al bestaat het menselijke lichaam uit vele delen, het is ook een geïntegreerd geheel. Zo ook Christus, en God "ziet" Christus dus als een geïntegreerd geheel.

Paulus gebruikt ditzelfde idee in een enigszins andere context in Galaten 3:16, 28-29:

Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. ... 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Het is duidelijk, in het bijzonder in vers 29, dat de gehele kerk met al haar geïntegreerde delen voor wat betreft de beloften wordt beschouwd Christus te zijn. Dit is de bron van veel van onze geestelijke kracht. Dit laat ons zien als "cellen" van Christus' lichaam, die geestelijk gevoed worden door het voedsel op het altaar terwijl we in verbondenheid zijn met onze geestelijke Vader en Zijn Zoon, onze Verlosser. Dit is het voedsel dat vanuit de hemel neerdaalt (Johannes 6:33, 41, 50-51, 58).

Door deze geestelijke waarheden zeker te weten, komen we in actie om ons voordeel te doen met onze toelating tot Hun aanwezigheid. De vrucht hiervan is ons vertrouwen en onze vrijmoedigheid zodat we ons niet onnodig veroordelen. Zoals eerder gezegd bestaat er een spanning tussen de twee uitersten van buitensporig schuldgevoel en gevoelens van waardeloosheid in tegenstelling tot het nonchalante, onzorgvuldige, onverantwoordelijke "God moet me maar nemen zoals ik ben", waarin we onze verantwoordelijkheid om God te verheerlijken in alles wat we denken en doen, veronachtzamen.

Daarom zegt Johannes: "God is meerder dan ons hart." Hij is altijd bereid ons als Christus te aanvaarden — zelfs al brengen we Hem in de ervaringen van ons leven bevlekte offeranden — zolang als onze houding niet is veranderd tot een vertrappen van de offerande van Zijn Zoon en dit als een ordinair iets te behandelen.

We zullen nooit door God worden aanvaard en toegelaten worden tot omgang met Hem op basis van een of ander opofferend werk dat wij Hem brengen. Het enige dat Hij zal aanvaarden is het smetteloze offer van Christus' leven, en omdat dit ons in Zijn tegenwoordigheid vergezelt of daaraan voorafgaat, worden wij aanvaard, raken we met Hem verbonden en worden we gevoed.

De kinderen van de priester

Het is belangrijk voor ons nog een ander aspect van deze offerande diepgaand in overweging te nemen. De kinderen van de priester worden ook specifiek genoemd om het vredeoffer te ontvangen. Let op wat er staat in Leviticus 7:31-32: "En de priester zal het vet in rook doen opgaan op het altaar, maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. 32 De rechterschenkel zult gij als een heffing van uw vredeoffers aan de priester geven."

Vergelijk dit met Numeri 18:9-11:

Van de allerheiligste gaven, voorzover zij niet verbrand worden, zal dit voor u zijn: al hun offergaven, zowel met betrekking tot al hun spijsoffers als al hun zondoffers en al hun schuldoffers, die zij Mij vergelden; de allerheiligste gaven, die zullen voor u en uw zonen zijn. 10 Als iets, dat allerheiligst is, zult gij het eten; al wat van het mannelijk geslacht is, zal het eten, het zal u iets heiligs zijn. 11 Dit komt u toe als heffing van al de beweegoffers die de Israëlieten geven; die geef ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting; al wie in uw gezin rein is, zal het eten.

Wie worden symbolisch voorgesteld door de kinderen van de priester? Dit is belangrijk, omdat zij ook rechtstreeks van deze offerande moesten eten om voldaan te worden. We hebben reeds gezien dat Christus symbolisch in diverse gedaantes wordt uitgebeeld, als offeraar, offerande en priester. Bedenk ook dat Christus één is met de kerk. Wij maken deel uit van Zijn lichaam; wij zijn "in Hem".

Het Oude Testament karakteriseert de kerk ook in diverse symbolische gedaantes. Bijvoorbeeld geheel Israël vertegenwoordigt de kerk als de kinderen van God op hun pelgrimsreis naar hun erfenis. Op andere tijden wordt ze specifiek weergegeven als zij die een verbond met God hebben gesloten. Hier symboliseren de kinderen van de priester — of bij andere gelegenheden de gehele stam Levi — de kerk in een andere specifieke gedaante: in dienst van God. Doordat het hun veroorloofd wordt te delen in de offeranden, staan de kinderen van de priester voor de kerk in verbondenheid met God. God laat hierdoor zien dat degene die een dier offerde om een feest met God te hebben, dit niet kon doen zonder Gods priesters en hun kinderen bij dit feest te betrekken.

Hierin krijgen we enigszins een inzicht door 1 Johannes 4:20: "Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben." Dit hangt ook samen met 1 Johannes 3:17: "Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?"

De twee grote geboden zijn absoluut, onlosmakelijk met elkaar verbonden, en willen zij de vreedzame vrucht van gerechtigheid voortbrengen die door het vredeoffer wordt gesymboliseerd, dan moeten wij ze in de werkelijkheid van ons leven allebei tegelijkertijd onderhouden. In deze tijd moeten allen die werkelijk met God verbonden zijn die verbondenheid delen met Zijn priester, Christus, en Zijn "kinderen", de rest van de kerk, de medebroeders van de offeraar.

Let op een praktische toepassing hiervan die in Handelingen 2:41-46 is vastgelegd:

Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. 42 En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. 43 En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. 44 En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; 46 en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten,

Het is gemakkelijk om de eenheid van de kerk in deze praktische omstandigheid in te zien. Wat wij doen om te delen in en bij te dragen aan deze eenheid is iets dat elk van ons moet onderzoeken. De mogelijkheden zijn bijna onbeperkt als we onze ogen en oren open houden en denken aan praktische toepassingen onder degenen met wie we omgang hebben. Dit is een manier om vrede voort te brengen en is het niet onze verantwoordelijkheid om zowel vredestichters als hoeders van onze broeder te zijn?

De algemene les die we uit het vredeoffer zouden moeten leren is dat het het effect, de consequentie, vertegenwoordigt van toewijding die rechtstreeks aan God wordt gegeven en toewijding aan God in dienst van de mens. Dit effect wordt gewoonlijk "vrede" genoemd en in algemene zin beeldt het uit dat iedereen in harmonie leeft.

We moeten echter bedenken dat "vrede", zoals gebruikt in het kader van deze offerande, niet slechts het idee van kalmte en rust uitdrukt. Daarom kunnen commentatoren niet tot een eensluidende naam voor dit offer komen. Het woord roept associaties op aan heel wat meer. Evenals sjalom impliceert het een overvloed op elk gebied van het leven, zelfs welvaart en goede gezondheid. Het suggereert ook dankbaarheid voor ontvangen zegeningen en bevrijding uit moeilijkheden. Is het dan verwonderlijk dat de meeste onderzoekers het idee hebben dat het de meest gebrachte offerande was? We zouden deze offerande elke dag moeten brengen — op onze knieën in het danken, loven en prijzen van God voor Zijn overvloedige barmhartigheid en voorzienigheid.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)