De offeranden van Leviticus (Deel 3):
Het spijsoffer

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," mei 2003

Leviticus 1 geeft instructie over het brandoffer dat in zijn geheel wordt gebracht, wat — zoals we in deel 1 zagen — Christus' totale toewijding aan God vertegenwoordigt. Dit laat dus in algemene lijnen het ideaal zien waarnaar we in onze relatie met God moeten streven. Het brandoffer heeft vier onderscheiden karakteristieken die het afwijkend maken van al de andere. Om er het meeste van op te steken is het essentieel dat we bedenken dat deze karakteristieken allemaal dezelfde persoon beschrijven, maar vanuit verschillende invalshoeken, net als de evangelieverslagen vier zienswijzen geven op Christus, of net als men een kunststuk of een stuk vakmanschap draait om het vanuit verschillende hoeken te bekijken. Met elke kleine draai ziet degene die het bekijkt een nieuw kenmerk dat behaagt of onderwijs geeft.

De vier onderscheiden karakteristieken zijn:

1. Het is een welriekende reuk voor God en het wordt niet vanwege zonde gebracht, maar vanuit een oprecht en diepgevoelde toewijding.

2. Het wordt ter acceptatie gebracht in plaats van de offeraar. Het dier vertegenwoordigt de offeraar.

3. Er wordt een leven gegeven, wat duidt op een totale toewijding op ieder gebied van het leven.

4. Het wordt volledig verbrand, wat ook duidt op totale toewijding, maar vanuit een andere gezichtshoek: namelijk dat het ook echt werd uitgevoerd.

Het dier werd in vier stukken gesneden. Elk daarvan duidt op een aspect van Christus' karakter en leven. Het hoofd vertegenwoordigt Zijn gedachten; de poten Zijn wijze van handelen; de ingewanden Zijn gevoelens; en het vet Zijn algemene energie en gezondheid. Elk deel werd op het altaar gelegd en volledig door het vuur verteerd.

De verscheidenheid aan dieren die als brandoffer konden worden gebracht, identificeren extra karakteristieken. De os typeert onvermoeide arbeid ten dienste van anderen; het lam onderwerping zonder klagen, zelfs aan lijden; de geitebok vastberaden leiderschap; en de tortelduif nederigheid, zachtmoedigheid en treurende onschuld.

Overeenkomsten en verschillen

Leviticus 2:1 zegt: "Wanneer iemand de HERE een offergave van spijsoffer brengen wil, dan zal zijn offergave bestaan uit fijn meel, en hij zal olie daarop gieten en wierook daarbij doen."

Het spijsoffer laat ons nog een ander aspect zien van het perfecte offer van Jezus Christus. Als we het spijsoffer verder gaan bekijken, zal het idee dat het grootste offer van alles het offeren van zichzelf is, worden versterkt. Het spijsoffer deelt het beeld van een maaltijd die voor God wordt geplaatst, met het brandoffer. Evenals een maaltijd die een mens wordt voorgezet, niet alleen uit vlees bestaat, worden er granen en olie toegevoegd om een vollediger maaltijd te bereiden. Vruchten van bomen en groenten waren uitgesloten daar ze niet geschikt waren voor een offer op het altaar.

Het offer was niet alleen een gave aan God, maar er is ook de betekenis aan verbonden dat het het persoonlijke eigendom is van degene die het offer brengt, de vrucht van zijn eigen arbeid (Exodus 23:16; Leviticus 22:25). Het spijsoffer kon in drie vormen worden gebracht:

1. In de vorm van haver, waarbij de groene aren met vuur geroosterd waren, of fijngestoten gedroogde graankorrels.

2. Als fijngemalen tarwe- of gerstemeel. Deze twee eerste vormen werden bedekt of gemengd met olie en wierook (vers 1).

3. In de vorm van broden of koeken, gemaakt van fijngemalen meel gemengd met olie. Deze konden in een oven worden bereid (vers 4) of op een vlakke ijzeren plaat (vers 5 en 6).

Leviticus 2:9 bevat een extra kenmerk dat belangrijk is voor het begrijpen van deze offerande. "En de priester zal het gedenkoffer van het spijsoffer opheffen en het op het altaar in rook doen opgaan, als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE." Evenals het brandoffer is het een welriekende reuk voor God. Een andere overeenkomst met het brandoffer is zijn contrast met het zondoffer: De intentie van het offer bevat geen gedachte aan zonde. Het vertegenwoordigt een mens die God in volmaakte gehoorzaamheid een offer brengt, dat Hij aanvaardt als welbehaaglijk voor Hem.

Leviticus 2:1 voorziet ons van een cruciaal verschil met het brandoffer: Naast fijngemalen meel bevat het spijsoffer ook olie en wierook. Deze ingrediënten laten zien dat er geen leven werd gegeven zoals bij het brandoffer. In het brandoffer biedt een mens zijn leven aan God aan, terwijl hij in het spijsoffer de vrucht van de aarde offert.

God zegt in Genesis 1:29 tot Adam: "Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen." Dit vers definieert welk gedeelte van de aarde God aan de mens toewees — de opbrengst ervan. Als we dus onze kennis van het brandoffer, het spijsoffer en dit vers combineren, kunnen we vaststellen wat ze symboliseren. Leven is het onderdeel van de schepping dat God voor Zichzelf opeist. Bijvoorbeeld God geeft ons opdracht geen bloed te eten (Genesis 9:3-6), omdat de ziel [het leven] in het bloed is (Leviticus 17:10-14). Dit impliceert dat het leven Hem toebehoort omdat Hij het gaf, en wij moeten Zijn eigenaarschap respecteren. Wij moeten ook het feit respecteren dat het dier zijn leven gaf, zodat wij kunnen leven.

Binnen de context van de offeranden symboliseert leven datgene wat we God verschuldigd zijn. In tegenstelling daarmee symboliseren graan, olie en wierook — de opbrengst van de aarde — datgene wat we aan de mens verschuldigd zijn. Beide karakteristieken zijn onze plicht. De ene is ons leven aan God over te geven in de manier waarop het wordt geleid; de andere is het nakomen van onze plichten jegens onze naaste.

Mattheüs 22:36-40 geeft deze verantwoordelijkheden beknopt weer:

Meester, wat is het grote gebod in de wet? 37 Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. 38 Dit is het grote en eerste gebod. 39 Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

Het brandoffer vertegenwoordigt de volmaakte vervulling van het eerste grote gebod, en het spijsoffer komt overeen met het tweede.

Binnen de context van het spijsoffer is het dus de mens, vertegenwoordigd door het meel, de olie en de wierook, die zich aan God overgeeft zodat hij in liefde aan zijn naaste kan geven wat hem toekomt. "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden" (Johannes 15:13).

Numeri 29:6 voegt essentieel begrip toe: "... behalve het maandelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer, en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers naar het desbetreffend voorschrift, tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de HERE." Let erop dat het woord "bijbehorende" twee keer voorkomt, daarmee duidelijk makend dat het spijsoffer bij het brandoffer behoorde. Dit laat zien dat de twee offeranden samen gebracht werden. Al kan het brandoffer als de "belangrijkste" van de twee overkomen, de een is onvolledig zonder de ander, net als de twee grote geboden samengaan. In elk geval, de een beeldt de mens uit in het uitvoeren van zijn plichten jegens God, de andere van zijn plichten jegens zijn medemens.

1 Johannes 4:20-21 bevestigt dit:

Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. 21 En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.

De twee moeten samengaan. De ene zonder de ander is niet acceptabel voor God.

De materialen

Jesaja 28:28 legt een praktisch feit vast over graan dat ook invloed heeft op het geestelijke begrip van het spijsoffer: "Wordt broodkoren verbrijzeld? Men dorst het toch niet altijd door? Al drijft men er zijn wagenrad en zijn paarden overheen, men verbrijzelt het niet." Graan moet gemalen worden of fijngestoten voordat het als brood of als voedsel kan dienen. Johannes 6:48, 50-51 helpt ons de belangrijkste geestelijke toepassing te begrijpen:

Ik ben het brood des levens. ... 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.

Brood is de fysieke bron van leven en Jezus Christus is onze geestelijke bron van leven. Graan wordt normaal gemalen om brood te maken, gewoonlijk één keer. Het graan van het spijsoffer moest echter vele keren worden gemaald, totdat het zo fijn was als talkpoeder in samenstelling.

De symboliek hierin komt overeen met die van de stier van het brandoffer — van drukkende, vermoeiende, verpletterende beproevingen. Maar het verschil in deze offerande is dat het het effect van zo'n opofferend dienen vertegenwoordigt jegens de mens. Jezus zegt in Marcus 9:19: "O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij." Hij is bijna geërgerd, wat erop duidt dat Hij meer van Zijn discipelen verwachtte dan zij deden.

Mattheüs 9:18-38 geeft ons een voorbeeld van een typische periode uit Zijn leven, dat laat zien dat het dienen van de mens samengaat met een aanzienlijke opoffering. De Schriften zeggen ons specifiek dat Hij moe was (Johannes 4:6). Bij andere gelegenheden begaf Jezus Zich naar afgelegen plaatsen, maar desondanks ontdekten de mensen Hem en dromden op Hem heen, waarmee ze Zijn gebed afsneden en de rust die Hij misschien verlangde, tot een einde kwam. Toch zette Hij waar Hij zin in had, opzij en schonk aandacht aan hen (Marcus 6:32-36). Hij werd af en toe echt tot op het bot vermoeid en er was altijd de mogelijkheid van emotionele en psychologische pijn. Waarschijnlijk zouden juist de mensen die Hij diende, Hem pijn berokkenen. De Schrift vermeldt: "Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Johannes 1:11).

Psalm 69:2-3, 20-21 geeft ons een beperkte blik in Zijn gevoelens in zulke momenten:

Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; 3 ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. ... 20 Gij, Gij kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande; allen die mij benauwen, staan vóór U. 21 De smaad heeft mij het hart gebroken, en ik ben verzwakt. Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tevergeefs, op troosters, maar ik vond hen niet.

De psalmist geeft een levendig beeld van iemand die met zoveel druk teweegbrengende zaken tegelijkertijd moet omgaan, dat hij meent te verdrinken. Ongetwijfeld droeg Hij Zijn opofferingen, verwerping en smaad zonder enige klacht tegen hen die Hij diende (1 Petrus 2:23). Maar dit betekent niet dat zij geen invloed hadden op Zijn gevoelens en dat Hij ze niet voor God bracht om troost te verkrijgen en te worden opgebeurd.

Psalm 55:13-15 voegt Zijn gedachten toe tijdens een bijzonder diepgevoelde omstandigheid:

Want het is geen vijand, die mij smaadt; dat zou ik dragen; het is niet mijn hater, die zich over mij verheft; voor hem zou ik mij verbergen. 14 Maar gij zijt het, een mens — mijns gelijke, mijn vriend en vertrouwde: 15 wij, die samen vertrouwelijke omgang genoten, die in het feestgewoel gingen naar Gods huis.

Dit kortstondige inzicht laat zien dat de bitterste en moeilijkste smaad vaak komt van hen van wie we de hoogste verwachtingen hebben.

Psalm 22:15-16 beschrijft een klein deel van de meest verschrikkelijke "molen" waar Christus in Zijn dienst aan de mens doorheen moest gaan: "Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste; 16 verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer." Christus ging zowel lichamelijk als geestelijk door de molen. In dit geval werd Hij zo erg misvormd dat Hij nog maar amper als mens herkenbaar was (Jesaja 52:14) en Hij had zoveel van Zijn kracht verloren dat Hij het kruis waaraan Hij gekruisigd zou worden, niet alleen kon dragen. Iemand anders werd gedwongen het voor Hem te dragen, omdat Jezus figuurlijk gesproken reeds volledig vermalen was en gereed om op het altaar te worden gelegd.

De les voor ons is dat dienen van onze medemens uit zelfovergave en zelfopoffering bestaat. Hoe dichter ons dienen in de buurt komt van Zijn mate van zelfopofferend dienen, hoe meer datgene wat ons overkomt zal gaan lijken op wat Hem overkwam. Ook wij zullen ervaren dat we door de molen worden gehaald.

Denk eraan dat het meel zo fijn gemalen moest worden als talkpoeder. Dit symboliseert dat noch Zijn karakter noch het karakter van Zijn dienen enige afwijking in samenstelling had. Hebreeën 13:8 verkondigt: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." In Hem zien we een perfecte balans. Hij is resoluut maar niet halsstarrig, zacht maar niet zwak, kalm maar niet onverschillig, vriendelijk en barmhartig, maar in staat tot corrigeren. Ter vergelijking, Petrus kon in geloof over water lopen, maar op een ander moment verloochende hij Hem.

Een andere discipel die met Christus wandelde, Johannes, schijnt een warm karakter te hebben gehad, maar ook hij wilde in het Koninkrijk aan Christus' rechterhand zitten en vuur van de hemel doen neerdalen. Paulus' grote energie voert hem naar Macedonië, maar God had de deur naar Troas geopend. Paulus bekeert zich ervan een harde brief naar Corinthe te hebben geschreven en hij werd ertoe bewogen daar spijt van te hebben.

Zo ongelijkmatig zijn wij. We kunnen op het ene gebied een sterk geloof laten zien en vrij zwak zijn op een ander gebied. Het kan zijn dat we met regelmaat tienden geven en gul financiële offers brengen en toch de sabbat zonder respect behandelen. Of het kan zijn dat we de sabbat nauwgezet onderhouden, maar liegen als het zo uitkomt om ons gezicht te redden. Het kan zijn dat we uitzonderlijk voorzichtig zijn om niets onreins over onze lippen en in onze maag te laten komen, terwijl we toch anderen onverbiddelijk beoordelen, God lasteren door Zijn naam te misbruiken en over een broeder roddelen. Het kan zijn dat we de eerste zijn om de behoeftigen te helpen, maar met een ziekmakende regelmaat doen aan aanzien des persoons. We hebben een lange weg te gaan voordat we Christus' rechtvaardige consequentheid en evenwichtigheid van karakter tentoonstellen.

De olie en kracht

Het volgende ingrediënt is olie. Leviticus 2:1-2 zegt:

Wanneer iemand de HERE een offergave van spijsoffer brengen wil, dan zal zijn offergave bestaan uit fijn meel, en hij zal olie daarop gieten en wierook daarbij doen. 2 En hij zal het tot de zonen van Aäron, de priesters, brengen; hij zal een handvol fijn meel en olie daarvan nemen met al de daarbij behorende wierook, en de priester zal dat als gedenkoffer op het altaar in rook doen opgaan, als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE.

Olie wordt algemeen opgevat als symbool van de Heilige Geest en heeft dus geen gedetailleerde uitleg nodig. Eén schriftgedeelte zal voldoende zijn om het verband tussen de Heilige Geest en olie rechtstreeks te leggen:

De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, ... (Lucas 4:18-19a)

"De Geest des Heren" en de zalfolie worden rechtstreeks aan elkaar gekoppeld. De zalfolie dient als fysieke uitbeelding dat Jezus de Heilige Geest was gegeven om deze functie voor God in Zijn dienen van de mens uit te voeren.

Handelingen 10:38 laat een ander aspect van deze symboliek zien: "... hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem." Ook hier wordt een verwijzing gedaan naar zalving — een handeling die normaal met olie werd uitgevoerd — met de Heilige Geest, en Petrus voegt toe "met kracht", een karakteristiek die in Lucas 4:18 niet is opgenomen.

Al werd Jezus in Zijn dienen gekneusd, het ontbrak Hem nooit aan kracht. In tegenstelling daarmee worden wij in ons dienen zelden gekneusd, gebroken of door de molen gehaald, maar gewoonlijk zijn we krachteloos. De waarheid is dat de grootste ijver en kennis nutteloos zijn zonder Gods Heilige Geest die voorziet in het juiste perspectief, de juiste houding en bedoeling voor elk dienst die we verrichten.

Enkele weken voordat Jezus naar de Vader opvoer, onderrichtte Jezus in Lucas 24:44-49 Zijn discipelen over dit onderwerp:

Hij zeide tot hen: Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de Psalmen moet vervuld worden. 45 Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen. 46 En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, 47 en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. 48 Gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie, Ik doe de belofte mijns Vaders op u komen. Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge.

Johannes 17:8, 17 bevestigt dat Jezus de discipelen de waarheid verkondigde:

Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. ... 17 Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid.

Ten tijde van Zijn onderricht in Lucas 24 kregen zij de waarheid, maar er moest nog een extra kwaliteit worden gegeven. Zij moesten in Jeruzalem wachten totdat ze met kracht zouden worden gezalfd, "de liefde Gods in onze harten uitgestort ... door de Heilige Geest" (Romeinen 5:5b). Hierdoor zouden ze in staat worden gesteld de waarheid op de juiste manier te gebruiken. 2 Timotheüs 1:6-7 openbaart dat we die kracht hebben, als we die dienend willen gebruiken zoals Christus dat deed: "Om die reden herinner ik u eraan, de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in u is. 7 Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid."

Bij het brandoffer is water het symbool van de Heilige Geest, duidend op reiniging. In het spijsoffer symboliseert olie de Heilige Geest, de kracht om vanuit de juiste motivatie goed te doen ten dienste van de mens.

Wierook en volharding zonder klagen

Het volgende ingrediënt van de offerande is wierook. Dit moet samen met honing, zuurdesem en zout in beschouwing genomen worden. Let op wat er in Leviticus 2:2, 11, 13 staat:

En hij zal het tot de zonen van Aäron, de priesters, brengen; hij zal een handvol fijn meel en olie daarvan nemen met al de daarbij behorende wierook, en de priester zal dat als gedenkoffer op het altaar in rook doen opgaan, als een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE. ... 11 Geen spijsoffer, dat gij de HERE brengt, zal gezuurd bereid worden, want van zuurdeeg noch honig zult gij iets als een vuuroffer voor de HERE in rook doen opgaan. ... 13 En elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten, gij zult het zout van het verbond uws Gods aan uw spijsoffer niet laten ontbreken; bij al uw offergaven zult gij zout voegen.

Slechts voor één van deze vier ingrediënten, zuurdesem, bestaat er een duidelijke schriftuurlijke verwijzing naar zijn kwaliteiten. Voor twee van hen, wierook en zout, zijn er versluierde verwijzingen. De Bijbel verwijst naar honing slechts als iets wenselijks en zoets en dat er teveel van eten iemand ziek zal maken. Daar al deze fysieke karakteristieken en toepassingen echter goed bekend zijn, is er geen probleem om hun geestelijke symboliek vast te stellen.

Bijna veertig keer zegt God in het Oude Testament hoe welbehaaglijk het aroma van een brandoffer is. Deze positieve beeldspraak van geur vertegenwoordigt Gods tevredenheid in het ervaren van de juiste manier van Hem aanbidden. In het spijsoffer draagt wierook bij aan Zijn tevredenheid, omdat het altijd samengaat met het brandoffer.

Wierook heeft een zoete geur en honing een zoete smaak, maar de invloed van hitte — die de druk van beproevingen vertegenwoordigt — op hen is enorm verschillend. Hitte bederft honing, laat het uit elkaar vallen en vernietigt het tenslotte. Het is waarschijnlijk deze karakteristiek waarom God niet toestond dat het in de offeranden werd gebruikt. Wierook geeft echter zijn sterkste geur niet af totdat het wordt verhit.

Wierook heeft een lange historie in het gebruik bij offeranden aan God. De priesters gebruikten het dagelijks op het wierookaltaar, dat pal voor het gordijn stond dat het heilige van het heilige der heiligen, waar Gods troon, de ark van het verbond, stond, afscheidde. De wierook steeg omhoog in een rokerige wolk en vulde de ruimtes met een welriekende geur. Op de Verzoendag brandde de hogepriester wierook in het heilige der heiligen zelf, voor de ark.

Jesaja 6:1, 4 beschrijft het visioen dat Jesaja zag over Gods hemelse woonplaats:

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. ... 4 En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook.

De beeldspraak van de rook van wierook en zijn geur, die de gebeden van de heiligen vertegenwoordigt, is welbekend. Bijvoorbeeld Psalm 141:2 zegt: "Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan, het opheffen van mijn handen als avondoffer." Openbaring 5:8 bevestigt dit: "En toen het de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk een citer en gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen."

In de context van het spijsoffer heeft wierook echter een extra betekenis vanwege de algemene betekenis van het offer van toewijding ten dienste van de mens. Let op Jezus' woorden in Mattheüs 13:20-21:

De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt; 21 maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val.

Wierook beeldt iemands houding uit tijdens zijn beproevingen die hij doorstaat in zijn dienen van de medemens. Het kan zijn dat iemand een en al beminnelijkheid en licht is, totdat de moeilijkheden van dienen hem treffen, waardoor hij bitter wordt en zich afkeert.

Meestal zijn er bij de beproevingen van een christen mensen betrokken, vaak zij die hem na staan: verwanten, collega's of kennissen. Er is niets dat continu zo gepaard gaat met moeilijkheden als interpersoonlijke relaties. Paulus schrijft in Filippenzen 2:14-15: "Doet alles zonder morren of bedenkingen, 15 opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld." Hij zegt de Corinthiërs: "En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel" (1 Corinthiërs 10:10). Tenslotte adviseert Petrus: "Weest gastvrij jegens elkander, zonder morren" (1 Petrus 4:9). Wierook vertegenwoordigt het aangename genoegen dat God ervaart als Zijn kinderen zonder mopperen de moeilijkheden van onbeperkt dienen, in het bijzonder aan hun medebroeders, verdragen.

Zout en trouw

Evenals wierook en honing reageren zout en zuurdesem ook verschillend als ze worden gebruikt. Zout beschermt tegen bederf, terwijl zuurdesem datgene waaraan het wordt toegevoegd, bederft en achteruit doet gaan. In tegenstelling tot wierook en honing bevatten de Schriften heel wat informatie over deze twee in hun toepassing bij het spijsoffer.

2 Kronieken 13:5 Is het u niet bekend, dat de HERE, de God van Israël, het koningschap over Israël voor altijd aan David gegeven heeft, aan hem en aan zijn zonen, een zoutverbond?

Psalm 89:35-38 mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. 36 Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen! 37 Zijn nakroost zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon vóór mij zijn; 38 als de maan zal hij voor altoos vaststaan, en de getuige aan de hemel is getrouw. sela

Hier suggereert een zoutverbond een overeenkomst met blijvende kwaliteiten, zelfs voor altijd. Een zoutverbond is dus een verbond dat heel sterk is, zelfs al behoeft het niet altijd eeuwigdurend te zijn. Zout wordt opgevat als het conserveringsmiddel, duidend op duurzaamheid. Als God van deze metafoor gebruik maakt, spoort Hij ons aan trouw te zijn ongeacht hoe de omstandigheden er aan de oppervlakte schijnen uit te zien, omdat Zijn woord absoluut vaststaat. Evenals Hij Zelf blijft Zijn woord voor eeuwig bestaan.

Zout was nodig bij elke offerande die op het altaar werd verbrand. Behalve zijn conserverende werking heeft het ook een zuiverende invloed op datgene waarmee het in contact komt. Ezechiël 16:4 legt vast dat pasgeboren baby's met zout werden ingewreven. Elisa behandelde een watervoorraad in Jericho die niet deugde, met zout. Behalve zuivering duidt het dus ook op een nieuw begin.

Zuurdesem, verderf en innerlijke zonde

In tegenstelling daarmee waarschuwt Jezus ons in Lucas 12:1 voor zuurdesem: "Wacht u voor de zuurdesem, dat is de huichelarij, der Farizeeën." In Mattheüs 23 somt Jezus een veelvoud van Farizeïsche zonden op die gegroepeerd zouden kunnen worden als wettelijke uiterlijkheden.

In Mattheüs 16:6 waarschuwt Jezus voor de zuurdesem der Sadduceeën. De zonden van de Sadduceeën worden niet opgesomd, maar we vinden ergens anders dat ze op zijn minst het bovennatuurlijke en de opstanding uit de doden ontkenden (Handelingen 23:8). Jezus waarschuwt ook voor de zuurdesem van Herodus (Marcus 8:15). Herodus was in zijn politiek gemarchandeer, in het misbruik van de macht van zijn functie, in zijn overspel en in zijn algemene, totale wereldlijkheid bij heel wat leugens betrokken.

Paulus draagt in 1 Corinthiërs 5:7-8 op:

Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons [Pascha]lam is geslacht: Christus. 8 Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.

In het Nieuwe Testament duidt zuurdesem dus op verdorvenheid en boosaardigheid in tegenstelling tot reinheid en waarheid.

Al onze offeranden aan God zijn gemengd met een mate van zonde. Heeft Hij hiervoor in Zijn instructies voor de offeranden voorzien? Ja, te beginnen in Leviticus 2:11-12.

Geen spijsoffer, dat gij de HERE brengt, zal gezuurd bereid worden, want van zuurdeeg noch honig zult gij iets als een vuuroffer voor de HERE in rook doen opgaan. 12 Als offergave der eerstelingen zult gij ze de HERE brengen, maar zij zullen niet tot een liefelijke reuk op het altaar komen.

Leviticus 23:17, 20 verduidelijkt dit:

Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden, gezuurd zullen zij gebakken worden, eerstelingen voor de HERE. ... 20 En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als beweegoffer voor het aangezicht des HEREN bij de twee schapen: zij zullen de HERE heilig zijn, zij zijn voor de priester.

Deze Pinksterofferande is een spijsoffer. De broden vertegenwoordigen christenen die wegens Jezus Christus door God worden aanvaard. De broden bevatten echter zuurdesem, hetgeen de werkelijkheid van zonde in ons leven symboliseert. De broden worden voor God heen en weer bewogen en aanvaard, maar niet op het altaar verbrand, waarmee de aanwezigheid van zonde wordt erkend.

Romeinen 7:14-20 doet hierover een krachtige uitspraak:

Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. 16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. 17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. 19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dàt doe ik. 20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

Ongeacht hoeveel olie — de Heilige Geest — er op ons wordt uitgegoten, deze kan niet volledig de verdervende invloed van de zuurdesem tenietdoen. We kunnen het vlees in voldoende mate in bedwang houden zodat zonde niet over ons heerst, maar zonde is altijd bij ons en zolang als we de menselijke natuur hebben, kan dat niet worden veranderd.

De enige oplossing is dat we veranderd moeten worden — totaal — en dat ligt volgens 1 Corinthiërs 15:50-52 in de toekomst:

Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet. 51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.

Het spijsoffer werd niet volledig op het altaar verbrand, maar het werd volledig geconsumeerd, deels door het altaar en deels door de priesters, die de rest die niet op het altaar werd gelegd, opaten. Dit beeldt uit dat het spijsoffer voornamelijk voor de mens was bestemd. In feite was de hoeveelheid die werd geofferd, slechts een handvol van een grotere hoeveelheid. Maar zelfs op deze manier zegt Leviticus 2:1 dat het spijsoffer "aan de Heer" werd gebracht.

Met dit in gedachten zouden we dat wat Adam deed, moeten vergelijken met wat Jezus Christus, de tweede Adam, deed. In de hof van Eden reserveerde God één boom voor Zichzelf, maar Adam nam niet alleen datgene wat voor hem was bestemd, maar eigende zich ook dat wat van God was, toe. In tegenstelling daarmee gaf Jezus God niet alleen Gods deel, maar zelfs ook het eerste deel van het deel van de mens.

Let op de houding van de apostel Paulus in 1 Thessalonicenzen 2:6: "Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden." Het spijsoffer heeft het grotendeels over onze houding ten dienste van de mens. Zoals Paulus zegt, moet er niet worden gediend met de gedachte van winst voor zichzelf. Zoeken wij Gods gaven om — als onze goede werken eenmaal worden erkend — een positie in de kerk te verwerven? Als wij werken voor aanvaarding door de mens, dan zal — als de mens niet reageert zoals hij volgens ons zou moeten — de vrucht uiteindelijk ontmoediging en bitterheid zijn. We zullen ons gekrenkt voelen en opstappen.

Door Christus kunnen we de juiste benadering leren. Zijn dienen van de mens was altijd een offerande aan de Heer. Hoe de mens zou reageren was niet Zijn belangrijkste zorg. Als de mens ons verwerpt en we bitter, kritisch en beschuldigend worden, kunnen we weten dat we met de verkeerde houding dienden — omdat "een goede boom geen slechte vruchten kan dragen" (Mattheüs 7:18).

Christus is ons voorbeeld. Hij hield nooit op met geven, omdat Zijn offeranden van dienen altijd op de Heer waren gericht. Ze waren er nooit op uit Zichzelf te verheerlijken. En op deze manier vervulde Hij het tweede van de twee grote geboden.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)