De offeranden van Leviticus (Deel 2):
Het brandoffer

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," march-april 2003

Hoe moeilijk we de Bijbel ook vinden om te bestuderen, we moeten het doen als we werkelijk God wensen te leren kennen, en door het te doen zal er een vollediger en persoonlijker visie ontstaan over dingen die we moeten bereiken. Studeren is een bezigheid die een grote mate van toewijding vergt. Toewijding lijkt sterk op een motor die iemand continu op koers houdt terwijl hij zijn doelen najaagt. Toewijding zal ervoor zorgen dat men een mogelijkheid vindt — of een mogelijkheid maakt — om zijn normale patroon te doorbreken en de gewoontes die zijn leven beheersen en van succes afhouden te veranderen. Om toewijding te hebben moet men echter minstens het zaad of de vonk van een visie hebben om op gang te komen.

Door toewijding zal de visie scherper worden en groeien — maar niet zonder opoffering. Het najagen van een doel vereist vaak dat enkele belemmerende activiteiten terzijde worden geschoven of zelfs totaal worden opgegeven, totdat men het doel bereikt. Het eerste artikel van deze serie introduceerde de offeranden van Leviticus en hun relatie met het proces van behoud. We zullen opoffering het hoofd moeten bieden als we proberen de normale patronen van de menselijke natuur in de geestelijke strijd te overwinnen.

De menselijke natuur is een formidabel obstakel, omdat ertegen vechten ingaat tegen ons ingewortelde verlangen van zelfbehagen. Alleen de gedachte al aan opoffering maakt dat onze menselijke natuur zich heel onbehaaglijk gaat voelen. Deze verstoort ons gevoel van zekerheid over wat we zijn geworden. We zijn "gewoontedieren", wat niet slecht is zolang als onze gewoonten met God en Zijn doel overeenstemmen. Opoffering confronteert ons echter met de werkelijkheid dat we het patroon waarin we vastzitten, zullen moeten doorbreken en tegen datgene waarvan we zijn gaan houden, in zullen moeten gaan. Paulus schrijft in Efeziërs 5:29: "Niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het." Om onze visie op Gods doel te verwerven, moeten we het vooruitzicht van opoffering het hoofd bieden en dit gaan doen.

Opoffering is een manier van leven

De offeranden van Leviticus zijn niet onbelangrijk, primitief of barbaars. God ontwierp ze zorgvuldig als middel tot onderwijs voor hen die onder het Oude Verbond stonden en uitkeken naar de volledige Openbaring van het doel van Zijn wet, maar ook voor ons die onder het Nieuwe Verbond staan, die erop terugkijken.

Vanaf het begin was het Gods bedoeling dat zij een onderwijsmiddel zouden zijn. Ze zijn schaduwen — en het werkwoord wordt doelbewust in de tegenwoordige tijd gebruikt. Ze zijn nog steeds een onderwijsmiddel. Als er een schaduw bestaat, moet er een werkelijkheid zijn. De werkelijkheid is het leven en de dood van Jezus Christus en wij moeten ernaar streven deze Werkelijkheid zo nauwgezet als ons mogelijk is na te volgen. Zoals Paulus in Efeziërs 5:1-2 zegt moeten wij als geliefde kinderen evenals Christus een welriekende reuk voor God worden. De offeranden van Leviticus weerspiegelen Zijn leven en dood. Zelfs al moeten we ze niet fysiek uitvoeren, toch kunnen we er een rijkdom aan waardevolle informatie uit vergaren over de manier waarop Hij leefde en waarom Hij moest sterven. Door dit te doen, leren we in Zijn voetstappen te wandelen.

Paulus zegt in Galaten 2:20: "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is,) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven." Hij geeft een soortgelijk commentaar in 1 Corinthiërs 15:31: "Zowaar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Here, ik sterf elke dag." De apostel beschrijft een parallel tussen Christus' manier van leven en die van ons. Christus' offer was plaatsvervangend. Hij werd gekruisigd en als wij dan Zijn dood aanvaarden voor de vergeving van onze zonden, is het alsof wij werden gekruisigd en er volledig voor onze zonden werd betaald.

De parallel eindigt hier echter niet. Offers brengen was een manier van leven voor Christus en dat moet ook onze manier van leven worden. Iedere keer dat we Gods instructies als onderdeel van Zijn doel gehoorzamen in plaats van zonder enige tegenstand geven de ingevingen van de menselijke natuur te volgen, brengen we onszelf als een levend offer aan God en Zijn doel. Iedere keer dat we onze tijd en energie geven [offeren] om te dienen in plaats van enkel en alleen onze eigen belangen na te streven, volgen we de patronen die in de offeranden van Leviticus en in het leven van Jezus Christus tot uiting komen. We moeten ernaar streven op de manier van Hem te leven, waardoor de dagelijkse offerande dus doorgaat.

De reden hiervoor is om ons te helpen in Hem op te groeien:

..., totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. (Efeziërs 4:13-15)

Vanaf dit punt zullen we ons voornamelijk in het brandoffer, het spijsoffer en het vredeoffer verdiepen. In die offeranden zien we niet dat Christus ons verlost van zonde door het offer van Zijn leven als betaling voor onze zonden, maar zien we Hem aan het werk ten behoeve van ons die reeds verlost zijn. Zij stellen niet Zijn hulp voor in de vorm van een offer door ons uit geestelijk Egypte te brengen, maar veeleer laten ze ons zien hoe Hij leeft en hoe wij dus moeten leven, opdat we voorkomen opnieuw verworpen te worden en daardoor een gelukkige omgang met God te behouden. De houdingen en het gedrag die in deze drie offeranden tot uiting komen, bereidden Hem voor om onze Verlosser te zijn, en als we die in ons leven navolgen, zullen ze ons helpen in onze voorbereiding op Gods Koninkrijk.

Zelfs al is Christus de totale som van de offeranden, toch kunnen we onszelf niet toestaan er geen aandacht aan te schenken, omdat zij instructie voor ons bevatten. In de offeranden zullen we op systematische wijze Christus zien als het offer, degene die het offer brengt en de priester. We kunnen ons niet voegen naar elk type, gewoonweg omdat ze niet alle op ons van toepassing zijn, maar we moeten ons voegen naar die offeranden die wel op ons van toepassing zijn. De meeste die op ons van toepassing zijn, vallen in de categorieën van het offer en het zijn van de brenger van het offer en in mindere mate die van het zijn van de priester.

Elk van de vijf offeranden heeft overeenkomsten en verschillen. De meest algemene overeenkomsten zijn dat er in elke offerande een offer is, iemand die het offer brengt en een priester. We zien Christus als Iemand die het offer brengt in Zijn rol als menselijk Wezen, Degene die mens werd. We zien Hem als offerande in Zijn karakter en werk als slachtoffer. We zien Hem als priester in Zijn relatie met ons in deze tijd; Hij is onze Hogepriester.

Elk verschil heeft ook betekenis. Bijvoorbeeld elk van de vier evangelieverslagen heeft veel overeenkomsten, terwijl ze in essentie hetzelfde verhaal vertellen, maar ze zijn ook onmiskenbaar verschillend. Mattheüs benadrukt Christus als de lang verwachte Messias, Koning van het Koninkrijk van God en Bevrijder. Marcus richt zich op Jezus als mens, de onvermoeide Werker die altijd bezig is anderen te dienen. Lucas doet Jezus uitkomen als de Zoon des mensen die lijdt (zoals in Getsemane) en hulp nodig heeft. Johannes ziet Hem als God, een machtig Iemand die tekenen verricht en geen behoefte aan sympathie of hulp laat zien.

Het plaatje zou duidelijk moeten zijn. De evangeliën geven ons één verhaal met een variëteit aan onderwerpen, een verhaal over één Persoon en boodschap dat vanuit verschillende perspectieven en hoeken wordt verteld. Het cumulatieve effect geeft ons een veel completer plaatje. In de offeranden zien we een soortgelijk iets, waardoor er vele toepassingsmogelijkheden zijn.

Volledige toewijding aan God

Leviticus 1:1-4 zegt:

De HERE nu riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomst: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil, dan zult gij uw offergave brengen van het vee, zowel van het rundvee als van het kleinvee. 3 Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is, dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. Naar de ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen, opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN. 4 Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen.

Dit wordt gewoonlijk het brandoffer genoemd, maar soms "brandoffer in zijn geheel gebracht". De reden dat die woorden "in zijn geheel gebracht" worden toegevoegd, is dat andere offeranden wel op het altaar worden verbrand, maar niet het gehele dier. Deze offerande vertegenwoordigt Christus, of in parallel, ons als volledig en hartgrondig toegewijd aan God.

Psalm 40:7-9 profeteert hoe Christus Zijn leven zou leiden in volledige toewijding en heiligheid:

In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, — Gij hebt mij geopende oren gegeven — , brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. 8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; 9 ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste.

Johannes 8:29 bevestigt uit Christus' eigen mond dat Hij leefde in overeenstemming met deze profetie: "En die Mij gezonden heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt." Zijn volslagen toewijding aan God bracht een leven van volledige heiligheid voort. Daarnaast bracht het ook iets voort dat wij hogelijk zouden moeten waarderen: een opperst vertrouwen, een goed onderbouwde, altijd aanwezige verzekering van de voortdurende nabijheid en instemming van de Vader terwijl we door het leven gaan. Hoe waardevol is dat in deze onzekere en onveilige wereld?

Het brandoffer heeft vier verschillende aspecten:

1. Het is een welriekende reuk voor God. Hij stelt deze offerande op prijs. Het wordt niet vanwege zonde gebracht, maar vanwege toewijding.

2. Het wordt ter acceptatie gebracht in plaats van degene die het offer brengt.

3. Er wordt een leven gegeven.

4. Het wordt volledig verbrand.

Een welriekende reuk

Efeziërs 5:1-2 geeft ons de gelegenheid de vermelding van een "welriekende reuk" in nieuwtestamentisch verband enigszins nader te bekijken: "Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk." Een leven leiden dat wordt beheerst door goedertierenheid in het houden van Gods geboden, het navolgen van het voorbeeld van Jezus Christus en volledig bereid te zijn om te vergeven is een welriekend offer voor God.

Drie van de offeranden waren welriekend en twee niet. De welriekende offeranden werden op het koperen altaar verbrand, terwijl de andere buiten de legerplaats werden verbrand. In de welriekende offeranden is geen zonde zichtbaar; de individuele Israëliet gaf ze volledig vrijwillig en niet vanwege schuld. Het zijn eenvoudigweg welriekende offeranden. Christus komt daarin niet tot uiting als Degene die onze schuld draagt, maar veeleer komt Hij erin tot uiting als iets zo aangenaams — zo tevreden stemmend — te offeren dat het welriekend is voor God. Het symboliseert de manier waarop Hij Zijn leven leidde. Jezus Christus was een levend offer lang voordat Hij door de kruisiging het offer voor de zonde werd. "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden" door hen te dienen door het leiden van een leven zonder zonde (Johannes 15:13).

Maleachi 1:7, 12 legt de symboliek van het offer en het altaar uit: "Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des HEREN tafel, zij is verachtelijk. ... Maar gij ontheiligt hem door te zeggen: De tafel des HEREN, zij is minderwaardig, en wat zij oplevert, haar spijs, is verachtelijk." Het beeld van het welriekende offer concentreert zich op voedsel. Het altaar vertegenwoordigt Gods tafel. Wat er als offerande op het altaar wordt gelegd om te worden verbrand, wordt als Gods voedsel beschouwd. Voedsel ruikt heerlijk als het wordt bereid! En het is heel aangenaam om te eten als het goed voedsel is! In die zin symboliseert het iets dat aangenaam is voor Gods smaakzintuigen. Als het voedsel minderwaardig is of verontreinigd, zoals in deze verzen wordt beschreven, is God in sterke mate geërgerd, daar zulke offeranden een minachting voor Hem tot uiting brengen.

Vergelijk dit met Romeinen 12:1-2, een nieuwtestamentisch verslag van het type offerande waar God behagen in schept:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.

God stelt behagen in een leven dat zichzelf in onderwerping aan Zijn wil ten offer brengt. In dit geval is God niet geïnteresseerd in Christus' dood, noch in de onze, maar in hoe we ons leven leiden. Aanbidding is onze reactie op God en echte aanbidding is het aan Hem offeren van ons leven van alledag. Loyale toewijding, gegeven om God te behagen in elke bezigheid van het leven, is de meest tevreden stellende en aanvaardbare reactie die we God kunnen geven. Petrus stemt overeen met Paulus en hij schrijft in 1 Petrus 2:4-5: "En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus."

In onze plaats

Leviticus 1:3-4 vermeldt:

Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is, dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. Naar de ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen, opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN. 4 Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen.

God aanvaardt het dier in plaats van degene die het offer brengt. Degene die het offer brengt, blijft in leven en het dier vertegenwoordigt hem in zijn geven of zijn opoffering. In dit opzicht wordt Christus zelfs nog prominenter en verdwijnen wij — alhoewel niet geheel — in de achtergrond.

De aanvaarding van ieder mens door God is afhankelijk van volmaakte gerechtigheid. Een dier kan niet zondigen, op die manier is het beeld van zondeloosheid symbolisch aanwezig. De zondeloosheid die voor onze aanvaarding vereist wordt, gaat echter veel verder. Paulus schrijft in Romeinen 3:10, 23: "Niemand is rechtvaardig, ook niet één, ... Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods." Jezus, al werd Hij uit een vrouw geboren (Galaten 4:4), verscheen als het zaad van Abraham in vlees en bloed (Johannes 1:14; Hebreeën 2:14) en leidde een volmaakt leven (1 Petrus 2:22). Zijn leven zonder zonde was aanvaardbaar voor God en door Gods genade worden wij vanwege Christus aanvaard. De offerande moet dus zonder enige smet zijn; deze moet de zondeloosheid van Christus evenaren.

Dit helpt ook om het woord "verzoening" in Leviticus 1:4 uit te leggen. Normaal denken we eraan in de betekenis van "bedekken van zonde". Daar zonde echter niet met deze offerande in verband wordt gebracht, is deze betekenis hier niet juist. In dit geval duidt verzoening op "tevreden stellen". God wordt tevreden gesteld omdat er aan een vereiste wordt voldaan, niet omdat Zijn geschonden rechten tevreden worden gesteld.

Dit feit is belangrijk om deze offerande goed te begrijpen. Let op Leviticus 4:20, 26, 31:

En met de stier zal hij doen, zoals hij met de stier van het zondoffer gedaan heeft, zó zal hij daarmee doen. Zo zal de priester over hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. ... Maar al het vet zal hij op het altaar in rook doen opgaan, zoals het vet van het vredeoffer. Zo zal de priester over hem verzoening doen voor zijn zonde, en het zal hem vergeven worden. ... Maar al het vet ervan zal hij wegnemen, zoals het vet bij het vredeoffer weggenomen wordt, en de priester zal het op het altaar in rook doen opgaan, tot een liefelijke reuk voor de HERE. Zo zal de priester over hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.

Het is duidelijk dat in het zondoffer dat hier wordt beschreven, verzoening wordt gebruikt in de betekenis van "bedekking" en daarom als middel tot het vergeven van zonde. In tegenstelling daarmee zien we in het brandoffer nergens zonde, omdat het geen deel uitmaakt van wat het brandoffer onderwijst. In het brandoffer wordt God tevreden gesteld, omdat degene die het offer brengt door zijn leven voldaan heeft aan wat Hij verlangde, door de rechtvaardige manier waarop hij zijn leven leidt. De offerande laat dus zien dat degene die het offer brengt, wordt aanvaard.

Niet elke betekenis van bedekking gaat echter verloren in het gebruik van "verzoening" in Leviticus 1. Hier komt de essentie van bedekking naar voren in het feit dat de offerande bedekt — passend is — in de betekenis van voldoen aan alle voorwaarden. De voorwaarden betreffen een leven van oprechte, hartgrondige en loyale toewijding aan God.

De Laodiceeërs in Openbaring 3:15-19 laten hiermee een levendige tegenstelling zien:

Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! 16 Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. 17 Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte, 18 raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. 19 Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.

Het is duidelijk dat deze mensen niet voldoen aan de voorwaarden van hun relatie met God, zelfs al zijn ze Zijn kinderen. Hun lusteloze, krachteloze houding vol eigendunk en hun in zichzelf verdiepte, zelfvoldane leven zijn volledig onaanvaardbaar voor Hem. Hij werpt hen vanuit Zijn tegenwoordigheid en beveelt hen hun wegen te veranderen. Er is hier geen bedekking voor het gedrag van hun leven.

Korban

Leviticus 1:5 voegt nog een onderscheid toe: "Vervolgens zal hij het rund voor het aangezicht des HEREN slachten." Er wordt een leven geofferd. Dit onderscheid is heel belangrijk als we eenmaal begrijpen dat deze offerande het type is van toewijding en dat deze offerande geen zonde of de dood van degene die het offer brengt, uitbeeldt. In de offeranden van Leviticus wordt een offer voornamelijk opgevat als een gave aan God. Jezus gebruikt in Marcus 7:11 het woord "korban". Korban zelf betekent "gave" of "gewijd aan God", en de wortel van dit woord betekent "dichterbij brengen". Bedenk dat degene die het offer brengt zijn hand op het dier moet leggen voordat het wordt gedood, om te kennen te geven dat het dier uitbeeldt dat degene die het offer brengt, zichzelf geeft. Daarom beeldt het doden van het dier uit dat degene die het offer brengt, zichzelf dichterbij brengt, zichzelf tot gave maakt, zijn gehele leven aan God wijdt. Het duidt erop dat hij niets achter houdt.

Regelmatig hebben we bedenkingen. Om allerlei redenen geven we ons niet helemaal, maar gewoonlijk komt dat door iets dat we te kostbaar vinden om op te geven. In tegenstelling daarmee geeft Filippenzen 2:5-8 ons inzicht in wat Christus opofferde om Zijn leven geheel aan Gods doel te wijden:

Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Nu Hij het voorbeeld van volledige toewijding aan Gods doel heeft gegeven, wil Hij dat wij dat volgen.

Leviticus 1:6-9 geeft nog een stap in de totale toewijding die God behaagt:

Daarna zal hij het brandoffer de huid aftrekken en het in stukken verdelen. 7 Dan zullen de zonen van de priester Aäron vuur op het altaar leggen en stukken hout op het vuur schikken. 8 En de zonen van Aäron, de priesters, zullen de delen, de kop en het vet, schikken op het hout dat op het vuur op het altaar ligt. 9 En de ingewanden en de onderschenkels ervan zal men met water wassen, en de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan als een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE.

De beeldspraak van elk deel van het dier leert ons het volgende: De kop duidt op iemands gedachten en de manier waarop hij oordeelt; het vet duidt op iemands algehele gezondheid, energie en kracht; de ingewanden duiden op iemands emoties; en de poten duiden op de manier waarop iemand handelt, het feitelijke gedrag in iemands leven. Nogmaals het brandoffer duidt op totale overgave aan God, er wordt niets achter gehouden, niets voor zichzelf gereserveerd.

Jezus' leven voorziet ons ruimschoots van voorbeelden van Zijn toewijding. Zijn eerste vastgelegde woorden — op de leeftijd van twaalf — komen in Lucas 2:49 voor: "Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?" In Lucas 4:18-19 openbaart Jezus wat Hij met dit werk moet bereiken, en in Johannes 4:34 laat Hij Zijn houding zien door te zeggen: "Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen." In Johannes 19:30 staan Zijn laatste woorden als mens: "Het is volbracht!" Door Zijn opofferen van Zijn gehele leven, Zijn gave van totale toewijding, bracht Hij datgene tot stand waartoe God Hem gezonden had. Psalm 149 geeft in de verzen 10-20 een levendig contrast tussen hoe degenen die op de wereld zijn gericht hun energie besteden en wat zij voortbrengen, en hoe degenen die zich hartgrondig aan God wijden, werken en wat zij voortbrengen.

Variaties in het brandoffer

Leviticus 1:2-3, 10, 14 karakteriseert de dieren die voldoen aan Gods vereisten voor een brandoffer:

Wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil, dan zult gij uw offergave brengen van het vee, zowel van het rundvee als van het kleinvee. 3 Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is, dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. Naar de ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen, opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN. ... Indien zijn offergave een brandoffer van kleinvee is, van schapen of van geiten, dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. ... Indien zijn offergave voor de HERE een brandoffer van gevogelte is, dan zal hij zijn offergave brengen van tortelduiven of van jonge duiven.

De beeldspraak van het rund is die van geduldig, onvermoeibaar en succesvol werken in dienst van anderen. Spreuken 14:4 bevestigt dit: "Als er geen runderen zijn, blijft de kribbe leeg, maar door de kracht van de ploegos is er een rijke opbrengst." De geschiedenis laat zien dat ossen zich letterlijk dood werken. Op dezelfde manier hebben we Jezus' toewijding tot in de dood gezien om Gods wil voor Hem uit te voeren, en 2 Corinthiërs 11 geeft een lange lijst van Paulus' werk onder veelvuldige druk in het vervullen van zijn roeping.

Het lam vertegenwoordigt passieve onderwerping zonder klagen — zelfs in lijden — volgen zonder voorbehoud. Jesaja 53:7 zegt van Christus: "Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open."

Jeremia doet een soortgelijke uitspraak over een episode in zijn leven: "Ik zelf was als een argeloos lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat zij zulke plannen tegen mij smeedden: 'Laat ons de boom met zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan zijn naam niet meer gedacht worde!'" (Jeremia 11:19). Dit betekent niet dat hij niets deed, maar dat hij geen schuld had aan de oorzaak van de vervolging die hij moest ondergaan en die hij zonder klagen aanvaardde als zijn lot als Gods dienstknecht.

In Romeinen 8:36 wordt deze symboliek rechtstreeks op ons toegepast: "Om Uwentwil [Gods wil] worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen." God verwacht dat wij het voorbeeld volgen van onze Leider en van anderen die ons zijn voorgegaan. Het hebben van deze onderworpen houding is niet bedoeld ter vernietiging — zelfs al kan het oppervlakkig gezien daar op lijken — maar deze houding navolgen is nodig ter voorbereiding. Hebreeën 5:7-10 herinnert ons eraan dat ook Christus Zich moest onderwerpen om Zich voor te bereiden op Zijn verantwoordelijkheden als onze Hogepriester. We moeten het zonder klagen volgen beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van het zijn van een brandoffer dat in zijn geheel wordt verbrand. Dit is "niet mijn wil, maar de Uwe geschiede" praktisch toegepast.

De tortelduif en de duif vertegenwoordigen treurende onschuld, machteloosheid, zachtmoedigheid en nederigheid. Hier wordt geen werk gesymboliseerd, ook geen onderwerping zonder klagen, maar veeleer argeloosheid, een neiging tot het maken van vrede, en zelfs droefheid. In Mattheüs 10:16 instrueert Christus de apostelen, als Hij op het punt staat hen uit te zenden om Hem te vertegenwoordigen: "Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven." Later instrueert de apostel Paulus de innig geliefde gemeente te Filippi:

Doet alles zonder morren of bedenkingen, 15 opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, 16 het woord des levens vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus, dat ik niet vruchteloos (mijn wedloop) gelopen, noch vruchteloos mij ingespannen heb. (Filippenzen 2:14-16)

Jesaja benut de karaktertrekken van een (tortel)duif om de sociale situatie van Israël te beschrijven:

Wij grommen allen als beren en kirren droevig als duiven; wij wachten op recht, maar het is er niet; op verlossing, maar zij blijft verre van ons. 12 Want onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons; van onze overtredingen zijn wij ons bewust en onze ongerechtigheden kennen wij: 13 overtreden, verloochenen van de HERE, afvallen van onze God, spreken van onderdrukking en afwijking, zwanger gaan van leugentaal en die uit het binnenste voortbrengen. 14 Het recht wordt teruggedrongen en de gerechtigheid blijft verre staan, want de waarheid struikelt op het plein en oprechtheid vindt geen ingang. 15 Zo ontbreekt de waarheid en wie wijkt van het kwade, wordt het slachtoffer van uitbuiting. (Jesaja 59:11-15a)

In het algemeen is de beeldspraak van de (tortel)duif er een van nederigheid vermengd met droefheid veroorzaakt door de overweldigende opeenhoping van de gevolgen van zonde en van een berouwvol verdriet, omdat wij zo'n groot probleem voor God zijn geweest. Deze kwaliteit is lonend zoals Psalm 147:3 ter bemoediging zegt: "Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden." Psalm 34:18-20 voegt toe: "Roepen zij, dan hoort de HERE, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19 De HERE is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. 20 Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de HERE."

De geitebok vertegenwoordigt het hebben van een krachtige geest, een doelgerichte toewijding en leiderschap in plaats van volgen. Het is interessant dat de Schrift de geitebok niet in hetzelfde goede daglicht ziet als een schaap. Misschien is dit zo omdat mensen die deze karaktertrekken hebben, regelmatig aanstootgevend zijn voor hun medebroeders en in hun voortvarendheid om hun doelen te bereiken de neiging hebben hun eigen gang te gaan. Jammer genoeg gaat leiderschap en initiatief vaak samen met een groot ego.

Laten we eerst naar de goede kant kijken. Jeremia 50:8 bevat deze merkwaardige opdracht aan hen die leven in Babel: "Vlucht uit Babel weg en trekt uit het land der Chaldeeën en weest als [geite]bokken [Prof. Dr. Obbink: als aanvoerders] voor de kudde uit!" Spreuken 30:29-31 helpt dit uit te leggen: "Deze drie hebben een statige tred, ja, vier een statige gang: 30 de leeuw, de held onder de dieren, die voor niets of niemand terugdeinst; 31 de windhond, of de geitebok en een koning wiens krijgsvolk met hem is." De beeldspraak van de geitebok in positieve zin is die van leiderschap. Normaal gebeurt het niet, maar als hij zich in een kudde schapen zou bevinden, neemt hij de leiding op zich. Hiermee gaat samen een betekenis van waardigheid, een statige houding en onverschrokken moed — maar ook een sterke neiging tot hooghartigheid. We zien de keerzijde van de beeldspraak van de bok in Mattheüs 25:33, 41 waar Christus de bokken, die mensen vertegenwoordigen, verwerpt.

Een Middelaar in den hoge

Een verdere vergelijking van de Handelingen van degene die het offer brengt en de priester samengaand met de offerande laten nog meer verschillen zien. In Leviticus 1:5-17 zien we dat de stier, het schaap en de geit in stukken werden gesneden en met water werden gewassen, maar de tortelduif niet. Deze werd bij de vleugels ingescheurd, maar niet in stukken gesneden. Dit richt de aandacht grotendeels op het werk van de priester die helpt in het brengen van de offerande, omdat — zelfs voor hen die echt wel in staat zouden zijn deze taak uit te voeren — het toch vereist was dat de priester dit voor hen zou doen.

Als we lezen over de priester die de delen met water wast, komt onmiddellijk Efeziërs 5:26 in onze gedachten op. Paulus onderwijst dat wij — de offerande, evenals degene die het offer brengt — met water van Gods woord zijn gewassen. De nadruk in Leviticus 1:5-17 ligt voornamelijk op de Handelingen van de priester. In deze beeldspraak gaan we Christus middelaarswerk zien, dat erop duidt dat iedereen, ongeacht zijn schijnbare capaciteiten de hulp van onze Hogepriester nodig heeft.

Let ook op het bijzonder grote prijsverschil tussen een tortelduif en de andere dieren. Dit suggereert dat van sommigen meer verlangd wordt dan van anderen, wat in Lucas 12:48 bevestigd wordt: "Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd."

Dit onderscheid wordt zelfs nog verfijnd als we begrijpen dat bij de stier, het schaap en de geit degene die het offer brengt, het dier doodt. De priester doodt echter de duif. In feite doet de priester bij de duif alles, behalve het dier ter plaatse brengen om geofferd te worden. Johannes 10:11, 15, 17-18 legt dit vollediger uit:

Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; ... gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. ... Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.

De priester brengt Zichzelf vrijwillig ten offer. We kunnen uit het offer van de tortelduif begrijpen dat de dood ervan wordt gezien als het werk van de Hogepriester en Middelaar. Dit offer benadrukt dus het bemiddelende werk dat Christus doet voor hen die zwak zijn. De zwakken hebben meer hulp nodig en er wordt niet veel van hen verlangd. God verlangt niet meer van ons dan we kunnen opbrengen.

Dit wordt verder uitgelegd in Hebreeën 2:16-18:

Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.

In het brandoffer zien we Christus als vertegenwoordiger en als voorbeeld. Hij is vertegenwoordiger in de echte betekenis dat Zijn offer voor ons was. Zoals er in 1 Johannes 4:17 staat: "Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels [dat is op dit moment; zie 1 Petrus 4:17], want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld." We worden aanvaard wegens Zijn vertegenwoordigend handelen ten behoeve van ons — in dit geval niet Zijn dood ter vergeving van zonden, maar Zijn leven dat zonder zonde werd geleid.

Dat volledig toegewijde leven zonder zonde plaveide de weg voor Zijn kruisiging en gaf God voldoening. Wij worden dus door God geaccepteerd met dezelfde mate van aanvaarding alsof we Christus zijn. Tegelijkertijd is Hij echter ons voorbeeld, zoals 1 Johannes 2:4-6 duidelijk laat zien, met de bedoeling dat we ernaar zouden streven met dezelfde volledige toewijding aan onze Vader en Zijn weg te leven als Jezus deed.

© 2003 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)