De zaligsprekingen (Deel 1):
De bergrede

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," januari 1999

Bepaalde delen van de Schrift schijnen dieper in het geheugen van de mens te zijn gegrift dan andere. Psalm 23 is er duidelijk één van, evenals 1 Corinthiërs 13 en Hebreeën 11. De bergrede, zoals Mattheüs 5-7 gewoonlijk wordt genoemd, is ook zo'n schriftgedeelte. De populariteit van de bergrede kan er misschien op worden teruggevoerd dat deze bijna aan het begin van het Nieuwe Testament staat, waardoor hij vaker wordt gelezen dan andere delen. Veel aannemelijker is echter dat de mensen hem goed kennen vanwege zijn bondig, treffend en duidelijk onderwijs dat veel van de fundamentele punten van de christelijke manier van leven bevat. Hij bevat Jezus' beschrijving van wat Zijn volgelingen behoren te zijn en te doen en daarmee lijkt hij sterker op het manifest van het christendom dan enig ander deel van de bijbel.

Geleerden debatteren erover of Jezus de bergrede wel als één rede gaf, maar Mattheüs geeft hem weer alsof dat het geval was. In werkelijkheid is dat niet van belang, gelet op het krachtige onderwijs dat hij bevat. Onder andere bevat hij de zaligsprekingen, korte illustraties van de geest der wet en advies over de persoonlijke en vertrouwelijke aard van een relatie met God, inclusief het zogenaamde Onze Vader. Hij onderwijst ons hoe we de aantrekkingskracht van de wereld kunnen vermijden door op God te vertrouwen, en Zijn Koninkrijk en gerechtigheid te zoeken als hoogste prioriteit in het leven. Hoofdstuk 7 bevat de welbekende "gouden regel", een waarschuwing tegen oordelen, een waarschuwing om bedacht te zijn op valse profeten en tot slot een waarschuwing om ons op stevige grond te begeven door niet alleen te horen, maar ook te doen.

De bergrede in het evangelie naar Mattheüs

Mattheüs verbreekt een schriftuurlijk stilzwijgen van 400 jaar tussen Maleachi en de geboorte van Jezus Christus. We hebben geen verslagen dat God in die periode andere profeten zond, al bleef ongetwijfeld een overblijfsel van gelovige mensen de vervulling van de beloften verwachten, die God zo lang tevoren aan Abraham gegeven had. Maar toen God weer begon te spreken, sprak Hij middels Zijn Zoon, de voornaamste Apostel, de grootste Profeet, de Messias en de Koning die spoedig komen zal. Jezus kwam een Nieuwe Verbond aankondigen en een nieuwe weg om met God te communiceren, een manier die los stond van de tempel, Jeruzalem, het Aäronitische priesterschap of bloedige, dierlijke offeranden. Zolang het op een behoorlijke en ordelijke manier gebeurde, kon God op elk moment, op elke plaats worden vereerd door hen die Zijn Geest hebben, want het was Gods bedoeling dat Zijn kinderen Hem in ieder aspect van hun leven zouden vereren.

Mattheüs begint zijn evangelie met de woorden: "Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham." Hij verwijst in zijn evangelie zeven maal naar Jezus als "de zoon van David", waarmee hij Jezus van Nazaret dus verbindt aan de troon. In zijn benadering van Jezus ziet hij Hem als de beloofde Messias, die ons zal redden van onze zonden en in het Koninkrijk van God over deze aarde heersen zal.

Op de wereld komt dit evangelie over als het meest "joodse" van alle nieuwtestamentische boeken, maar dit is slechts gedeeltelijk juist. Mattheüs voorziet in een overgang van het Oude Verbond naar het Nieuwe, toch gelden de beloften aan Abraham gedaan — waarvan Mattheüs laat zien dat Jezus deze kwam vervullen — voor Abraham en zijn zaad, waarin ook fysiek Israël begrepen is. Daarom zou het juister zijn om te zeggen dat Mattheüs het meest "Israëlitisch" is van de nieuwtestamentische boeken, waarbij Israëlitisch zowel Israël als Juda omvat. In de tijd van Christus waren de joden het enig zichtbare deel van die veel grotere groep van Abrahams nakomelingen.

Al heel vroeg kondigt Mattheüs de verwerping aan van de Koning door Zijn eigen volk, door te laten zien dat Jezus buiten Jeruzalem werd geboren en aanbeden werd door de wijzen die blijkbaar een lange reis vanuit het oosten hadden gemaakt. Normaal zou de Koning in de stad waar Zijn troon stond worden geboren en door de burgers ervan worden aanbeden. In het vierde hoofdstuk — nadat Hij Satan in een titanische strijd verslaat, Hij zijn geboorteplaats Nazaret verlaat, Hij naar Kafarnaüm verhuist en Zijn werk begint — ontdekt de lezer dat zij die Hem in Nazaret kenden, Hem op heftige wijze verwierpen toen Hij tot hen predikte (Lucas 4:16-30). Mattheüs vermeldt dan dat Jezus over de Jordaan trok naar het Galilea der heidenen en daar tot de heidenen predikte (Mattheüs 4:12-16).

Geen veelbelovend begin voor de grootste Leraar die deze wereld ooit heeft gekend! Hij bleef echter volharden in de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk van God en het oproepen van de mensen tot bekering. Zijn roep begon zich door Galilea te verspreiden; dit werd in grote mate ondersteund door Zijn wonderen in lichamelijke, verstandelijke en geestelijke genezingen, zodat Hij uiteindelijk door grote menigten werd gevolgd.

De omstandigheden van de bergrede

De introductie is heel kort, maar een aantal overeenkomsten en verschillen met andere plaatsen, mensen en gebeurtenissen zijn van belang. De eerste is de plaats. Anders dan de schriftgeleerden en de Farizeeёn, die op de stoel van Mozes zaten en in mooie aula's onderwezen, gaf Jezus deze belangrijke toespraak op een onbekende berg. Het was niet één van de "heilige" bergen zoals de berg Sinaï, de berg Sion, de berg Moria of de Olijfberg, maar een gewone, niet met name bekende berg, buiten Jeruzalem, zonder enige heiligheid of geschiedenis die hem van andere bergen onderscheidde.

Er zijn meer tegenstellingen dan overeenkomsten als we deze gebeurtenis vergelijken met Mozes en Israël bij de berg Sinaï. Hier gaat Christus de berg op en geeft een preek die werkelijk een uiteenzetting is van de wet. Toen de wet werd gegeven, daalde de Heer af naar de berg. Toen God de wet uitsprak, ging dat gepaard met donderslagen, bliksemen en aardbevingen, terwijl het volk — dat de opdracht had op afstand te blijven — ineenkromp van angst. Deze keer spreekt Hij met een zwakke, rustige stem en wordt het volk uitgenodigd naderbij te komen. Kleine dingen? Misschien, maar belangrijk genoeg om te worden vastgelegd.

Toch kan Zijn beklimmen van de berg een diepere betekenis hebben door de aandacht te vestigen op het onderwerp van Mattheüs. Bij andere gelegenheden geeft hij ook veel aandacht aan de plaats vanwaar Jezus onderwees. In Mattheüs 13:36 spreekt Jezus "vanuit Zijn huis". In hoofdstuk 17:1 wordt Hij voor de ogen van Petrus, Jacobus en Johannes "op een hoge berg" verheerlijkt. In hoofdstuk 24:3 geeft Hij Zijn rede over de laatste dingen op de Olijfberg. Tenslotte in hoofdstuk 28:16 geeft de opgestane Christus, de Overwinnaar van de dood, Zijn apostelen hun opdracht vanaf een berg. In elk geval trekt God door Hem op een verhoogde plaats te laten zien, op subtiele wijze de aandacht naar de koninklijke autoriteit van Christus.

Een ander feit, al schijnt het onbelangrijk, is als we deze dingen in beschouwing nemen niet helemaal onbelangrijk: Hij zat toen Hij de wetten van Zijn Koninkrijk verkondigde. Dit was de algemene gewoonte van joodse leraars. Jezus zegt in Mattheüs 23:2: "De schriftgeleerden en de Farizeeёn hebben zich gezet op de stoel van Mozes." Zijn zitten laat echter iets meer blijken dan alleen maar een zich aanpassen aan de in die tijd heersende gebruiken van onderwijs. Marcus 1:22, slaande op een heel vroeg moment in Christus' werk, zegt:

Marcus 1:22 En zij stonden versteld over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende, en niet als de schriftgeleerden.

In Mattheüs staat dit commentaar als afsluitende opmerking bij de bergrede (7:28-29). Terwijl Jezus de wetten van Zijn Koninkrijk verkondigt, spreekt Hij met een autoriteit die ver uitgaat boven die van de joodse leiders. Daarom is het beter Zijn houding te zien als symbolisch voor de Koning die op Zijn troon zit en "de wetten bekendmaakt".

Tot wie sprak Hij?

Bijna elk beeld van de bergrede, of dat nu in een film is of op een schilderij, beeldt Jezus uit als sprekend tot een grote menigte. Er bestaat enige aanleiding toe om dit te veronderstellen, daar Mattheüs 4 ermee eindigt dat grote scharen Hem volgden; hoofdstuk 5, het begin van de bergrede, opent ermee dat Hij de scharen ziet en als hoofdstuk 8 begint wordt Hij opnieuw door grote scharen gevolgd. In Marcus en Lucas — als Hij andere boodschappen verkondigt — wordt de grootte van de menigten die naar Hem luisteren, beschreven als "grote scharen" en "duizenden mensen". Ongetwijfeld trok Jezus grote aantallen mensen die naar Hem luisterden.

In dit geval is er echter een sterker bewijs voor het begrip dat de bergrede voor Zijn discipelen was bedoeld. Al kunnen er naast de twaalf anderen hebben meegeluisterd, toch sprak Jezus niet tot een grote menigte. Mattheüs 5:1 begint met "Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op ...", dat geeft duidelijk de indruk dat Hij de berg op ging om Zich van de menigten terug te trekken. Daarna zegt het vers: "... en nadat Hij Zich had nedergezet, kwamen Zijn discipelen tot Hem." De menigten bestonden niet uit de discipelen. De discipelen waren zij die zich reeds aan Hem en Zijn weg hadden gebonden. Zij verzamelden zich voor Hem en in deze periode van Zijn werk op aarde was dit een klein aantal. Vers 1 geeft de duidelijke indruk dat Jezus Zijn geconcentreerde onderwijs aan een kleine groep mensen gaf. Toen Hij van de berg afdaalde, begonnen de menigten Hem weer te volgen.

Er is echter geen enkele twijfel voor wie deze boodschap is bestemd. Sommige stukken van dit onderwijs kunnen worden beschouwd van algemene aard te zijn, toch is het overgrote deel alleen bestemd voor hen die zich hebben bekeerd, die de Geest van God hebben. De strekking hiervan is niet evangeliserend — bedoeld om mensen tot de kerk te roepen — maar voor hen die zich reeds hebben bekeerd, daar het de standaards definieert om zich voor te bereiden op het Koninkrijk van God als dat in zijn volle omvang aanbreekt. Het onderwijs is sterk praktisch; het gaat niet zozeer over dingen die moeten worden geloofd, maar over dingen die moeten worden gedaan.

De bergrede zegt ons wat onze houding moet worden en spoort ons aan een licht voor de wereld te zijn. We moeten niet begeren, of toestaan dat onze boosheid ongecontroleerd is, of lichtzinnig zijn. We moeten de andere wang toekeren, snel met onze tegenstander tot overeenstemming komen, de extra mijl gaan en onze vijanden liefhebben. Hij zegt ons hoe te bidden, te vasten, liefdadigheid te uiten, schatten in de hemel op te leggen, op één doel gericht te zijn in ons denken, ons geloof toe te passen in ons vertrouwen op God, Hem voor alle andere dingen in het leven te zoeken en nog veel meer. Het punt is duidelijk. Dit zijn allemaal dingen die de bekeerden actief moeten doen om een getuigenis van God te geven, Hem te verheerlijken en in Zijn Koninkrijk te komen. Ze zijn niet bedoeld om onze grenzen vast te leggen, maar als samenvatting van de houding, het denken en het werken van iemand die ernaar streeft het Koninkrijk van God deelachtig te worden.

Een toepassing voor vandaag

Momenteel zijn de leden van Gods kerk in alle windrichtingen verstrooid. Eenheid schijnt slechts een verre hoop of een droefgeestige herinnering aan betere tijden in het verleden. De kerk verkeert in een onzekerheid die verwarring voortbrengt, terwijl de leden proberen de zin in te zien van alles wat er is gebeurd en op zoek zijn naar richting in hun leven. De bijbel bevat een model hiervan in het voorbeeld van de kerk uit de eerste eeuw. Haar kracht en eenheid verdwenen ook toen de apostelen stierven en valse doctrines binnenslopen. De kerk uit dat tijdperk verloor haar eerste liefde.

Jezus profeteerde dat Hij de Laodiceeїsche kerk uit Zijn mond zou uitspuwen als ze zich niet van hun onchristelijke houding zouden bekeren. Dat zal eens gebeuren. Laodiceanisme is niets meer dan lusteloze wereldlijkheid inzake onze relatie met God en de toepassing van Zijn weg in ons leven. Wereldlijkheid is eenvoudig net zo zijn als de wereld. Het definieert een houding jegens onze relatie met God en ons tekortschieten om Zijn manier van leven in ons leven te weerspiegelen.

We moeten niet alleen dringend de omvang van onze scheiding van God en van elkaar in deze verstrooiing zien, maar deze ook voelen. Als de kerk zich aan de wereld aanpast en kerk en wereld voor de buitenstaander slechts twee versies van hetzelfde zijn, dan verliest de kerk duidelijk haar door God bedoelde identiteit of heeft deze reeds verloren.

Een belangrijke les uit 1 Corinthiërs 12 is dat de kerk niet meer is dan de som van haar individuele leden, zoals God ons in haar heeft geplaatst. Omwille hiervan hebben we verantwoordelijkheden jegens elkaar. De kerk wordt daarom versterkt of verzwakt, verhoogd of vernederd, verenigd of verstrooid, door de houdingen en het gedrag van haar individuele leden. Als ieder lid Jezus Christus in zijn leven weerspiegelt, wordt de kerk versterkt, verhoogd en verenigd. Als wij de wereld weerspiegelen gebeurt het tegenovergestelde. Paulus zegt in 1 Corinthiërs 12:26:

1 Corinthiërs 12:26 Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde.

Kan van ons worden gezegd dat wij niet anders zijn dan elk zich redelijk goed gedragende persoon uit de wereld? Hebben wij de gelegenheid te baat genomen om in deze periode van pijn in de kerk onszelf zo zorgvuldig te onderzoeken dat we echt kunnen zeggen dat we elke gedachte onder gehoorzaamheid aan Christus hebben gebracht (2 Corinthiërs 10:5)? Hoe brengen wij het ervan af om naar ieder woord van de bergrede te leven? Als de kerk zich ooit wil bekeren, zal ieder van ons zich zijn verantwoordelijkheid voor de toestand van de kerk moeten aantrekken en ophouden met een minachtende vinger naar anderen te wijzen en niet langer op iemand anders wachten om iets te doen. Wij kunnen allemaal iets positiefs doen voor eenheid door onszelf te veranderen.

Nu is het een uitstekende tijd om ons denken over een belangrijke stukje onderwijs in Romeinen 14 te verfrissen.

Romeinen 14:7-13 Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; 8 want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren. 9 Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over doden èn over levenden heerschappij voeren zou. 10 Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods. 11 Want er staat geschreven: (Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. 12 Zo zal (dan) een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven (aan God). 13 Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven.

Deze verzen geven het juiste perspectief op onze relatie en verantwoordelijkheden jegens Christus en onze broeders en zusters in de kerk. Paulus schreef dit om een probleem (oordelen en minachting) dat de kerk verdeelde, aan te pakken. De raad die hij geeft past in onze omstandigheden, en als we die gebruiken kan daardoor een groot deel van onze problemen worden opgelost. Hij herinnert ons er eerst aan te bedenken Wie we toebehoren, waarom we Hem toebehoren en welke verantwoordelijkheden dit met zich meebrengt. Wij behoren Christus toe omdat Hij voor ons stierf, uit het graf opstond en nu aan de rechterhand van God is gezeten om hen die de Vader tot Zijn kerk heeft geroepen, te oordelen.

Wij zouden ons daarvan dringend bewust moeten zijn, wetende dat we geoordeeld worden naar wat we doen. We moeten met geheel ons wezen ernaar streven Hem te behagen door te leven zoals Hij leefde, niet om onszelf te dienen, maar Hem en de kerk te dienen. Elkaar oordelen ligt niet op ons terrein van verantwoordelijkheden. Leven in overeenstemming met de bergrede wel. Als we dat doen, zullen we geen enkele broeder ten val brengen. Het blijkt dat we er niet sterk genoeg naar streven om Christus te behagen, dat is de reden dat we voortdurend verder uit elkaar vallen.

Wees heilig omdat Ik heilig ben

Het onderwerp van de gehele bijbel is dat het doel van God is een heilig volk voor Zichzelf te roepen, apart van de wereld te zetten om Hem toe te behoren en Hem te gehoorzamen. Het werk van dat volk is in overeenstemming met zijn identiteit te leven — heilig te zijn of verschillend van de wereld te zijn in levensopvatting, houding, spreken en gedrag. Dit is het doel waartoe Hij ons "in Christus" heeft geroepen en te groeien naar de maat van de wasdom van Zijn volheid. Jezus leefde Zijn leven ongetwijfeld zoals Hij Zijn discipelen instrueerde te leven toen Hij dat bijna tweeduizend jaar geleden op die berg zei. De principes die Hij verkondigde zijn eeuwig. Ze zijn evenzeer van toepassing op ons in deze tijd als toen voor Zijn oorspronkelijke gehoor.

Let eens op wat God tegen Israël zei nadat Hij hen uit Egypte had gevoerd:

Leviticus 18:1-4 De HERE sprak tot Mozes: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Ik ben de HERE, uw God. 3 Gij zult niet doen, zoals men doet in het land Egypte, waar gij gewoond hebt; gij zult niet doen, zoals men doet in het land Kanaän, waarheen Ik u breng; naar hun inzettingen zult gij niet wandelen. 4 Mijn verordeningen zult gij volbrengen en mijn inzettingen in acht nemen en daarnaar wandelen: Ik ben de HERE uw God.

Omdat Hij hun God was, de Verbondsgod, en zij Zijn bijzonder volk waren, moesten ze verschillend zijn van ieder ander. Ze moesten Zijn geboden onderhouden en geen voorbeeld nemen aan de volken die rondom hen waren.

Toen Israël door de woestijn trok, kwamen ze in aanraking met Bileam, die door Balak was ingehuurd om tegen hen te profeteren. God kwam echter tussenbeide:

Numeri 23:5 En de HERE legde een woord in de mond van Bileam en zeide: Keer tot Balak terug en spreek aldus.

Vers 9 bevat een deel van wat Bileam over Israël profeteerde.

Numeri 23:9 Want van der rotsen top zie ik hem [Israël], van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, een volk, dat alleen woont en onder de natiёn zich niet rekent.

God waarschuwt Israël in Deuteronomium 12:29-30:

Deuteronomium 12:29-30 Wanneer de HERE, uw God, de volken, naar wier gebied gij trekt om hen te verdrijven, uitgeroeid heeft, en gij hun gebied in bezit genomen hebt en in hun land woont, 30 neem u er dan voor in acht, dat gij u niet laat verleiden na hun verdelging hun voorbeeld te volgen, en dat gij hun goden niet zoekt, zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen.

Maar de eeuwen geschiedenis die God in het Oude Testament liet vastleggen, getuigen ervan dat Israël hun door God bedoelde uniek-zijn bleef vergeten. Ze bleven zich almaar aanpassen aan de volken rondom hen. Psalm 106:34-38 zegt het volgende van hen:

Psalm 106:34-38 Zij verdelgden de volken niet, van welke de HERE tot hen gesproken had; 35 maar zij lieten zich in met de heidenen en leerden hun werken, 36 zij dienden hun afgoden, die hun tot een valstrik werden, 37 zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten; 38 ook vergoten zij onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Kanaän, zodat het land door bloedschuld werd ontwijd.

Israël dreef niet alleen op achteloze wijze af naar wereldlijkheid. Sommige personen deden dat zeer zeker, maar Ezechiël en Samuël maken het duidelijk dat Israël als geheel er sterk naar verlangde als de volken rondom hen te zijn. Ezechiël 20:32 zegt:

Ezechiël 20:32 En wat u in de zin gekomen is, zal geenszins geschieden, namelijk dat gij zegt: wij willen aan de volken gelijk worden, gelijk aan de geslachten der landen, door hout en steen te dienen.

Let op Samuëls ervaringen met dit verlangen:

1 Samuël 8:4-5, 19-20 Daarom kwamen alle oudsten van Israël bijeen; zij gingen naar Samuël in Rama 5 en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. ... 19 Het volk weigerde echter naar Samuël te luisteren en zij zeiden: Neen, toch moet er een koning over ons zijn; 20 dan zullen ook wij zijn als alle andere volken; onze koning zal ons richten, vóór ons uitrukken en onze oorlogen voeren.

Middels Jeremia pleitte God bij hen:

Jeremia 10:1-2 Hoort het woord, dat de HERE tot u spreekt, huis van Israël! 2 Zó zegt de HERE: Gewent u niet aan de weg der volken en schrikt niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken.

En middels Ezechiël richtte Hij Zich tot dezelfde generatie:

Ezechiël 20:7 En Ik zeide tot hen: Ieder werpe de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd zijn; verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte. Ik ben de HERE, uw God.

Het deed er niet toe welk gebied van het gemeenschapsleven het betrof: religie, bestuur, economie, nationale verdediging, vermaak, mode of onderwijs, Israël volhardde erin stijfkoppig te zijn en niet naar God te luisteren, terwijl ze openlijk zochten de wegen van de naties rondom hen te bewandelen. Het is geen geheim waarom God Zijn oordeel over Israël en Juda uitvoerde.

2 Koningen 17:7-8, 19-20 Dit nu is geschied, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HERE, hun God, die hen uit het land Egypte geleid had, uit de macht van Farao, de koning van Egypte, en omdat zij andere goden hadden vereerd 8 en gewandeld hadden naar de inzettingen der volken die de HERE voor het aangezicht van Israël verdreven had en naar die, welke de koningen van Israël hadden ingesteld. ... 19 Ook Juda heeft de geboden van de HERE, zijn God, niet onderhouden, maar gewandeld naar de inzettingen die Israël had ingesteld. 20 Daarom verwierp de HERE het gehele geslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen over in de macht van plunderaars, totdat Hij hen van zijn aangezicht had weggeworpen.

In plaats dat Israël en Juda verschillend waren van de wereld door naar Gods weg te leven, hadden ze zich geconformeerd aan de wereld rondom hen heen. Ze werden werelds. Eerst viel Israël en ongeveer 120 jaar later viel Juda door militaire aanvallen en het volk werd in ballingschap gevoerd. Israël bleef verstrooid en feitelijk onbekend onder de volkeren. Het is niet teruggekeerd naar zijn geboorteland. Van Juda zijn er enkele mensen naar het vaderland teruggekeerd, dus het is minstens bekend, maar het grootste deel is op dezelfde manier verstrooid onder de volkeren. Het is een duidelijk plaatje, maar geen plezierig gezicht.

Kunnen we overeenkomsten zien tussen het voorbeeld van Israël en wat er in onze tijd met de kerk is gebeurd?

De profeten voorzien ons van instructies over wat we in zulke tijden zouden moeten doen:

Ezechiël 14:6 Daarom zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here HERE: bekeert u, keert u af van uw afgoden en wendt u af van al uw gruwelen.

Jesaja 55:7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen — en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.

Maar Jeremia 3:6-10 laat duidelijk de reactie van Israël en Juda zien.

Jeremia 3:6-10 De HERE zeide tot mij ten tijde van koning Josia: Hebt gij gezien, wat Afkerigheid, Israël, gedaan heeft? Zij placht heen te gaan op elke hoge berg en onder elke groene boom om daar ontucht te plegen. 7 En Ik zeide, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij; maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, Trouweloze, Juda. 8 Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; 9 en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout. 10 En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des HEREN.

In de context van onze tijd

Het is nu een beslissende tijd voor ons allemaal en de keuzes zijn duidelijk. We hebben toegelaten dat de wereld ons zich in haar vorm perste door de begeerte van het vlees, de begeerte der ogen en een hovaardig leven (1 Johannes 2:15-17). We hebben onze verheven roeping veronachtzaamd en we zijn naar zo'n onzekere geestelijke conditie afgegleden dat God ons moest verstrooien om onze aandacht te trekken! We moeten kiezen om of enthousiast blijk te geven van onze loyaliteit aan God door ons van harte te bekeren en ons in gehoorzaamheid aan Hem te onderwerpen, of we zullen onachtzaam of verward verder blijven afglijden in onze relatie met Hem, zoals we dat in de laatste tien jaar of meer hebben gedaan. We kunnen niet wachten op iemand om de kerk tot eenheid te brengen. We moeten het in ons denken vaststellen dat eenheid begint met elk van ons individueel — en voornamelijk in onze toewijding aan onze relatie met Hem.

We moeten de bergrede in dit type context bekijken. Hij staat aan het begin van het eerste evangelie pal nadat Jezus aan Zijn werk op aarde begon. Het is het eerste onderwerp waar ons oog op valt nadat de introductie heeft plaats gevonden. Mattheüs 4:17 zegt:

Mattheüs 4:17 Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

De preciese reden dat Jezus kwam was om het Koninkrijk aan te kondigen. Als het toen al, tweeduizend jaar geleden, net achter de horizon lag, hoe dichtbij moet de volheid ervan dan nu wel niet zijn! Kunnen we het ons veroorloven deze fundamentele, geconcentreerde instructie voor ons, Zijn discipelen, te laten voor wat het is?

De bergrede beeldt de bekering, de totale verandering van denken en de gerechtigheid uit die samenhangen met het Koninkrijk. Hij beschrijft hoe menselijk leven en menselijke gemeenschap (zoals in een kerk) eruit ziet als ze onder de weldadige heerschappij van God komen. Onze verstrooide, kibbelende, bemoeizieke en uiteengevallen toestand is er zeker geen bewijs van dat we onder Zijn weldadige heerschappij leven.

Lijken we niet meer op wat we gewoonlijk van de wereld verwachten? We moeten heilig zijn, verschillend, apart gezet van de wereld! We moeten niet het voorbeeld volgen van de mensen om ons heen maar dat van Hem, om zodoende te bewijzen dat we echte kinderen van onze hemelse Vader zijn. Een heel belangrijke uitspraak hierover staat in Mattheüs 6:8: "Wordt hun dan niet gelijk, ..."; deze uitspraak doet sterk denken aan Leviticus 18:3 dat we hiervoor hebben aangehaald.

Ons karakter zoals beschreven in de bergrede moet totaal anders zijn dan een karakter dat door de wereld wordt bewonderd. We moeten als lichten schijnen in de duisternis van deze wereld. Hoe kunnen we schijnen als we zijn zoals zij? Dan zou er geen onderscheid en verschil bestaan. Onze gerechtigheid in ethisch gedrag en ware toewijding aan God moet uitstijgen boven dat van de religeuze mensen om ons heen. We moeten zelfs liefde hebben voor onze vijanden, mensen die de wereld totaal zou verwerpen of waartegen ze zou vechten als ze in een soortgelijke conditie zou komen.

Er is nauwelijks een vers in de gehele bergrede te vinden waarin Jezus geen tegenstelling maakt tussen wat Hij wil dat wij zijn, en hoe de wereld in Zijn dagen was en nog steeds is. Dat is het onderwerp dat aan de gehele bergrede ten grondslag ligt. De menselijke natuur verandert nooit, daarom worden wij met dezelfde uitdagingen geconfronteerd als die welke Hij hun voorhield. Soms zijn de tegenstellingen met de religieuze joden en soms met de heidenen, maar ze worden altijd geschilderd om ons geen verontschuldiging te geven om te weten wat er van ons wordt verwacht.

De heidenen hebben elkaar lief en groeten elkaar, maar christenen moeten hun vijanden liefhebben. Zij bidden naar de gewoonte van "het vele lege woorden op elkaar stapelen", maar wij behoren te bidden in het nederige bewustzijn van kinderen die tot hun Vader in de hemel bidden. Zij maken zich druk over materiёle noodzakelijkheden, maar wij moeten op God vertrouwen en eerst Zijn Koninkrijk en gerechtigheid zoeken. De joden hielden ervan hun liefdadigheid en hun vroomheid in het vasten bekend te maken, maar wij moeten "in het geheim" geven, bidden en vasten, in geloof, wetende dat God Zich daarvan bewust is, en van Hem een reactie verwachten, niet het gejuich van anderen. De bergrede leert ons dus dat we anders moeten zijn — verschillend van zowel de religieuze als de niet-religieuze seculiere wereld.

De bergrede is de meest volledige, afzonderlijke verhandeling in het Nieuwe Testament van wat we een echte christelijke tegencultuur zouden kunnen noemen. In de zestiger jaren onttrok de hippie-generatie zich aan de samenleving om een cultuur te zoeken die inging tegen de gewelddadige, koude en liefdeloze cultuur, waarin ze ontdekten te leven. Hun inspanningen liepen op een volkomen mislukking uit. Ze hadden noch een juist begrip noch de juiste geest. Maar de bergrede van Christus geeft ons een echt christelijk waardensysteem, christelijke ethische standaards, christelijke religieuze toewijding, een christelijke houding jegens materiёle dingen en een netwerk van relaties, die allemaal totaal afwijkend zijn van die van de wereld.

Wat er met de kerk is gebeurd, is een duidelijk bewijs dat God ons uit Zijn mond heeft gespuwd, omdat Hij ons onsmakelijk vond, maar Openbaring 3:19-20 laat ons niet in een hopeloze toestand achter. Zoals Hij heel vaak met het oude Israël deed, strekt God ook nu Zijn handen naar ons uit en moedigt Hij ons aan te veranderen.

Openbaring 3:19-20 Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.

De bergrede is een betrouwbare gids voor ons. Het is dringend nodig dat elk van ons zich op basis daarvan onderzoekt en met Gods hulp een sterke en liefhebbende relatie met Hem herstelt door zich nederig aan Hem te onderwerpen in gehoorzaamheid aan het onderwijs van de bergrede. We kunnen er dan verzekerd van zijn dat we niet werelds zullen zijn, en God zal ons een eenheid teruggeven die veel groter is dan die we ooit tevoren hebben gekend.

Berouw en bekering is de sleutel, en de bergrede geeft de richting aan. God verwacht dat Zijn kinderen zich eraan onderwerpen. Ernaar leven kan alleen maar goede vruchten voortbrengen.

© 1999 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)