De vrucht van de Geest:
Goedertierenheid

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," juli 1998

De tweede van de drie vruchten rechtstreeks gekoppeld aan persoonlijke, menselijke relaties is goedertierenheid. In de NBG is dit Griekse woord vertaald met vriendelijkheid. Alhoewel vriendelijkheid deel uitmaakt van goedertierenheid, beschrijft dit woord de oorspronkelijke betekenis onvoldoende.

Toen Paulus illustreerde hoe liefde handelt, kwam geduld als eerste in zijn denken op.

1 Corinthiёrs 13:4a De liefde is lankmoedig [geduldig].

Onmiddellijk daarop schrijft hij: "de liefde is goedertieren". Daarmee de indruk wekkend dat liefde en goedertierenheid zo sterk bij elkaar behoren dat we kunnen concluderen dat geen enkele daad zonder goedertierenheid werkelijk in liefde wordt uitgevoerd!

Geduld is verdragende liefde. Geduld suggereert zelfbeheersing onder druk van uitlokking, in 't bijzonder onverdiende uitlokking. Goedertierenheid houdt echter een actievere uitdrukking van liefde jegens God en naaste in. Zowel geduld als goedertierenheid zijn gekoppeld aan die ene kwaliteit liefde. Onze uitdagers zullen waarschijnlijk geduldige liefde nooit opmerken, maar geduldige liefde kan zich openbaren in daden van goedertierenheid, zodat zelfs onze uitdagers positief onder de indruk komen. Goedertierenheid is dezer dagen zo'n zeldzame kwaliteit dat als iemand goedertieren is, er een grote kans is dat het in het nieuws komt!

De liefde die Paulus in 1 Corinthiёrs 13 beschrijft is de liefde van God, die in volmaakt evenwicht in Jezus Christus tot uitdrukking kwam. Zijn liefde was niet alleen bedachtzaam maar ook uitgaand. Wegens Zijn liefde trok Hij rond waarbij Hij daden van goedertierenheid deed, velen genas en boze geesten uitwierp (Handelingen 10:38). De waarheid die Hij verkondigde bracht ook Zijn liefde tot uiting. Zijn liefde was behalve aangenaam ook geduldig, verdraagzaam en gepast.

In de meeste gevallen gaat goedertierenheid niet boven ons vermogen, want gewoonlijk kost het geen geld. Het kan wel opoffering van tijd en energie kosten. Het kan de discipline vergen om te letten op andermans behoeften en de inspanning op te brengen te handelen. Hoeveel kost het om te glimlachen in plaats van te fronsen, een bezoek te brengen, een woord van bemoediging of vertroosting te spreken, vriendelijkheid tot uiting te laten komen door een warme en oprechte handdruk?

Paulus schrijft in Filippenzen 1:

Filippenzen 1:9-11 En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, 10 om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, 11 vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.

De gevolgen van goedertierenheid zijn onvoorspelbaar, want zo'n houding kan uitwaaieren en de levens beïnvloeden van mensen die ver verwijderd wonen van de oorspronkelijke handeling. Goedertierenheid zaait het zaad dat alleen maar goede vrucht kan dragen.

God is ons model van goedertierenheid

Jezus illustreert de goedertierenheid van God op levendige wijze in Zijn onderwijs in de bergrede.

Mattheüs 5:43-48 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. 44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, 45 opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde?
48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.

De bijbel bevat vele uitspraken die ons herinneren aan Gods nooit eindigende en overvloedige goedertierenheid voor Zijn schepping. Jezus zegt in Mattheüs 7:

Mattheüs 7:11 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.

Paulus en Barnabas vertellen de bewoners van Lystra:

Handelingen 14:16-17 Hij [God] heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, 17 en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken.

Gods genadegaven zijn precies wat het woord zegt — genade. Ze zijn onverdiend voor ons die moedwillig tegen Hem hebben gezondigd, Zijn prachtige schepping hebben ontwijd en òf Zijn geweldig doel zijn vergeten, òf dat hebben genegeerd. Desondanks zijn Zijn gaven van leven een niet afgedwongen, overweldigende uiting van Zijn goede karakter. Hij vergeldt kwaad niet met kwaad; Hij koestert geen wrok, voelt Zich niet diep beledigd en is er niet op uit quitte te spelen. Hij geeft juist vrijwillig, zelfs aan kwaaddoeners, terwijl Hij geduldig werkt aan het tot stand brengen van Zijn doel!

Het is altijd zo geweest. Ondanks de vele zonden der Israëlieten na hun verlossing uit Egypte, bleef Hij hen voorzien van voedsel, water en bescherming totdat zij in het Beloofde Land aankwamen. Eenmaal daar aangekomen gingen zij nog eens 700 jaar door met hun provocaties, voordat Hij hen uiteindelijk in gevangenschap deed gaan. Al die tijd voorzag Hij hen zo overvloedig van alles, dat Israël een erg welvarende, maar ondankbare, natie werd.

Psalm 78 legt het volgende vast over Israëls relatie met God:

Psalm 78:37-39 Hun hart was niet standvastig bij Hem, zij waren niet getrouw aan zijn verbond. 38 Maar Hij, de barmhartige, verzoende de ongerechtigheid en verdierf niet; Hij wendde menigmaal zijn toorn af en wekte zijn volle grimmigheid niet op; 39 Hij gedacht, dat zij vlees waren, een ademtocht, die vervliegt en niet wederkeert.

Zijn grootste uiting van 'de andere wang toekeren' — en in uiterste goedertierenheid te zegenen — vond pas plaats toen Hij Zijn Zoon in de wereld zond om voor onze zonden te betalen. In Johannes 3 staat dan ook:

Johannes 3:16-17 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. 17 Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde.

Geen van Gods weldaden betekent dat Hij het gedrag van de zondige mens op enigerlei wijze goedkeurt, maar het is een Openbaring van Zijn karakter, dat Hij ondanks de slechtheid van de mens, welwillend is jegens hen. Hij is oprecht uit op hun geluk en serieus toegewijd hen te helpen een succes van hun leven te maken.

De gehele wereld ligt in "het boze" (1 Johannes 5:19), en de mens is niet in staat zich daaraan te onttrekken. Een deel van Gods oplossing is een zegen te geven, een gave, waardoor alle zonden van de gehele mensheid kunnen worden betaald en afgedaan. Denk er eens aan hoeveel goede vrucht hierdoor zal worden voortgebracht! Is het mogelijk dat er een grotere goedertierenheid bestaat? Absoluut niet! Maar het zet een duidelijke standaard voor ons gedragspatroon, die we in ons leven zullen moeten toepassen, opdat ook wij gezien kunnen worden als kinderen van God.

Hesed en chrestotes

Chrestotes in 't Grieks en hesed in 't Hebreeuws worden meestal vertaald met het Nederlandse woord "goedertierenheid". Chrestotes betekent volgens The Complete Word Study Dictionary van Spiros Zodhiates, p. 1482:

welwillendheid, goedertierenheid, nuttigheid. Het wordt vaak toegepast voor filantropie en zelfbeheersing; het is het tegengestelde van strengheid of iets snel en afdoende beëindigen. ... Chrestotes wordt vertaald met "goed", "goedertierenheid" en "edelmoedigheid". Het is een gunstige eigenschap die het gehele karakter doortrekt, alles wat bars en onvriendelijk zou zijn verzachtend. ... Het woord beschrijft iemands inwendige houding en houdt niet noodzakelijkerwijs Handelingen van goedheid in.

William Barclay voegt in The Daily Bible Study Series over Galaten 5:22, p. 51, toe dat de Rheims Vertaling chrestotes in 2 Corinthiёrs 6:6 vertaald met "aangenaamheid"; dat Christus Zijn juk in Mattheüs11:30 als chrestos beschrijft, erop doelend dat het niet schuurt en dat de Grieken wijn beschrijven als chrestos, dat is zacht. Met deze voorbeelden wordt het duidelijk dat dit woord de geest benadrukt waarin een handeling wordt uitgevoerd.

Hesed is een ingewikkelder woord, rijk aan betekenis, dat wordt vertaald met "goedertierenheid", "medelijden", "liefde", "genade" en in sommige moderne vertalingen zelfs met "loyaliteit" en "toewijding". Sommige moderne critici beweren dat het woord loyaliteit suggereert, iets gegeven als verplichting, omdat de schrijvers het soms gebruiken in verband met een verbondsrelatie, zoals Gods verbond met Israël of een huwelijk.

Andere geleerden bestuderen hetzelfde materiaal en stemmen ermee in dat er relaties aanwezig zijn (liefde noodzaakt bijna altijd een relatie van de een tot iets of iemand anders), maar zij beweren dat hesed (liefde, genade, goedertierenheid, enzovoort) vrijwillig wordt gegeven. Vrijheid van keuze om te geven is essentieel. De hulp van de persoon die genade of goedertierenheid toont, wordt vrijwillig gegeven. Dit schijnt het juiste gebruik te zijn, omdat het andere (verplichte) gebruik liefde, genade en goedertierenheid kan terugbrengen tot hoogstens een verplichte, mechanische, legale handeling in plaats van een handeling uit vrije keuze vanuit het hart.

Een Farizeeër kan de legale verplichtingen van een verbond nakomen, maar het Nieuwe Verbond eist veel meer (Mattheüs 5:20). Het Theological Wordbook of the Old Testament, deel 1, p. 306, haalt de Hebreeuwse geleerde Dom Rembert Sorg aan; deze schrijft dat hesed "werkelijk de oudtestamentische weergave [weerspiegeld beeld, evenbeeld of reproductie] is van 'God is liefde'".

Gods liefde is echt niet verplicht, gelet op alle uitingen van gevoel voor Israël en de kerk die in de Schrift aan Hem worden toegeschreven. Dus deze twee woorden, rijk aan betekenis en manieren van toepassing, openbaren duidelijk dat goedertierenheid een actieve eigenschap is die God heel graag terugziet in Zijn kinderen.

David toont Gods goedertierenheid

Na de dood van Saul en zijn zonen in de strijd, vulde David het leiderschapsvacuüm in Israël en Juda door zijn koninkrijk te consolideren en recht en gerechtigheid te beoefenen jegens het volk. In deze periode vond een interessant voorval plaats:

2 Samuёl 9:1-13 David zeide: Is er soms nog iemand over van het huis van Saul? Dan zal ik hem trouw bewijzen ter wille van Jonatan. 2 Nu behoorde tot het huis van Saul een knecht, die Siba heette. Men riep hem bij David en de koning vroeg hem: Zijt gij Siba? Hij antwoordde: Uw dienaar. 3 Daarop zeide de koning: Is er soms nog iemand over van het huis van Saul? Dan wil ik hem de goedgunstigheid Gods bewijzen. Toen sprak Siba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonatan, die verlamd is aan beide voeten. 4 De koning vroeg: Waar is hij? En Siba antwoordde de koning: Zie, hij is in het huis van Makir, de zoon van Ammiёl, te Lo-Debar.
5 Daarop liet koning David hem halen uit het huis van Makir, de zoon van Ammiёl, uit Lo-Debar. 6 En Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, kwam bij David, wierp zich op zijn aangezicht en boog zich neer. David zeide: Mefiboset! En hij antwoordde: Hier is uw dienaar. 7 Daarop sprak David tot hem: Vrees niet, want ik zal u voorzeker trouw bewijzen ter wille van uw vader Jonatan; ik zal u alle landerijen van uw vader Saul teruggeven, en gij zult geregeld aan mijn tafel eten. 8 Toen boog hij zich neer en zeide: Wat is uw knecht, dat gij u bekommert om een dode hond, als ik ben? 9 Daarna riep de koning Siba, de knecht van Saul, en zeide tot hem: Al wat aan Saul en aan diens gehele huis toebehoorde, geef ik aan de zoon van uw heer. 10 Gij moet voor hem het land bewerken, gij, uw zonen en uw knechten, en de oogst binnenhalen, opdat de zoon van uw heer te eten hebbe. Mefiboset, de zoon van uw heer, zal geregeld aan mijn tafel eten. Siba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 11 Siba zeide tot de koning: Geheel zoals mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, zal uw knecht doen. Dus at Mefiboset aan de tafel van David als een der zonen van de koning. 12 En Mefiboset had een jonge zoon, die Micha heette. Allen die in het huis van Siba woonden, waren knechten van Mefiboset. 13 Mefiboset woonde te Jeruzalem, want hij at geregeld aan de tafel des konings. Hij nu was verlamd aan beide voeten.

We zouden dit verhaal gemakkelijk kunnen afdoen als apart of aantrekkelijk, maar het is veel meer dan dat. God bedoelt het als een duidelijke les voor ons over onze verantwoordelijkheid om daden van goedertierenheid uit te voeren. Het laat ons ook heel wat zien over Davids hart en waarom God hem liefhad.

Saul en drie van zijn vier zonen waren gedood in de strijd op de berg Gilboa. Een vierde zoon overleefde, maar werd vermoord en zodoende kwam er een eind aan zijn poging een rivaliserend koninkrijk op te richten. Alles wat overbleef van het eens belangrijke en trotse huis van Saul waren enige dochters en enige zonen van een bijvrouw. Ondertussen ging het met David voorspoedig terwijl hij zijn koninkrijk consolideerde door overal waar hij ging overwinningen te behalen.

Ondanks Davids aanzien en welvaart vergat hij niet de eed tussen hem en Jonatan en hun onderlinge liefde toen hij nog maar een eenvoudige schaapherder was en Jonatan erfgenaam van de troon. Het verhaal duidt er niet op dat iemand David aanzette tot het doen van navraag. Het verzoek kwam uit zijn eigen hart, gemotiveerd door zijn trouw aan zijn vriend en zijn zorgzame natuur.

Dit is des te opmerkelijker als we zijn niet verdiende verdrukking door Saul in beschouwing nemen in de tijd dat de koning ouder werd en in toenemende mate werd beheerst door jaloezie op Davids populariteit. David zou gemakkelijk bitter hebben kunnen worden door het gedwongen leven van een zwerver die in grotten moest leven en afhangen van de edelmoedigheid van anderen, terwijl hij het goede voor Israël deed. Hij zou een wrok kunnen koesteren en zich gerechtvaardigd kunnen voelen om op dezelfde wijze te handelen, of vervloekingen te uiten tegen iedere erfgenaam van Saul. Bovendien was het de manier van oosterse koningen om allen te doden die mogelijk aanspraak konden maken op de troon.

Wat uit Davids hart opwelde was echter een spontaan verlangen uit zichzelf om goed te doen aan wie dan ook over was gebleven van Sauls huis. Maar Davids taalgebruik als hij Siba ondervraagt laat nog veel meer van zijn motieven zien. Hij spreekt over het tonen van de "goedertierenheid van God" aan Sauls huis, daarmee zijn motieven tot een hoger niveau verheffend als voorloper op Jezus' uitspraak in Lucas 6:

Lucas 6:35-36 Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen.
36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is.

Davids uitspraak openbaart dat hij God gebruikt als voorbeeld voor wat hij wilde doen voor Sauls huis. Hij erkende dat hij, een zondaar evenals wij, niet verdiende genade en goedertierenheid had ontvangen uit de hand van God. Het lijkt erop dat God zegt, dat voordat we Zijn goedertierenheid kunnen doorgeven, we eerst moeten erkennen dat we deze van Hem hebben ontvangen. Jezus laat Zijn uitspraak volgen door een andere die dit punt aanroert:

Lucas 7:47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.

Davids aangrijpende voorbeeld van goedertierenheid laat zien dat hij zich verantwoordelijk voelde om genadig en goedertieren te zijn, omdat onze grote God bovenmatig genadig en goedertieren voor hem was geweest door veel te vergeven en veel te geven. Hij is een waardig voorbeeld van iemand die veel liefhad omdat hij erkende dat God hem liefhad.

De beste basis voor het dienen van de naaste in goedertierenheid is het ervaren van Gods genade. We kunnen inderdaad zeggen dat lang voordat iemand werkelijk genadig kan zijn, God hem genadig is geweest. Geloof is niet puur en onbezoedeld tenzij het zichzelf uit in de kwaliteit van dienen in goedertierenheid (Jacobus 1:27). Misschien kunnen we uit dit voorbeeld de conclusie trekken, dat we onze broeder nog niet alle goedertierenheid hebben betoond die we hem schuldig zijn, tenzij we hem de "goedertierenheid van God" hebben betoond.

Goedertierenheid en genade

Als we letten op de definities en het gebruik van hesed en chrestotes, kunnen we zien dat genade en goedertierenheid dicht bij elkaar liggen, waarbij chrestotes in 't bijzonder de houding of geest openbaart waarin een daad van genade of goedertierenheid wordt uitgevoerd. We weten dat het soms al moeilijk is een daad van goedertierenheid te volbrengen, laat staan dit te doen vanuit een bezorgde, warme en edelmoedige geest. We moeten er echter altijd aan denken dat onze Heer en Zaligmaker het deed, dat onze Vader het van ons verlangt als we op Hem willen gelijken en dat Hij ons Zijn Geest heeft gegeven om ons in staat te stellen het te doen. De keus ligt bij ons.

In Galaten 6 is Paulus eropuit een broeder die gezondigd heeft terug te brengen in de gemeenschap van het lichaam, alsmede het herstellen van de vrede en eenheid binnen de gemeente. Hij schrijft daar:

Galaten 6:9-10 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

Een Amerikaans gezegde luidt: "Liefde begint thuis." Helaas is de gemeenschap van de lokale gemeente vaak de moeilijkste plaats om goed te doen vanuit de juiste houding. Dit kan gedeeltelijk komen door zulke verkeerde verwachtingen als: christenen "moeten zulke problemen niet hebben", "moeten niet zulke problemen veroorzaken", of "moeten beter weten", of vele andere beschuldigingen over karakter- en persoonlijkheidsgebreken die we kunnen hebben.

We trekken ons terug en worden moe om vele redenen die gerechtvaardigd lijken. Er is zoveel tegenstand tegen plannen om de zaken beter aan te pakken. Er is zoveel te doen en het schijnt dat er zo weinigen zijn om het te doen. Er wordt zo vaak een beroep gedaan op onze tijd door andere gerechtvaardigde zaken. Er is te vaak zoveel ondankbaarheid onder hen die we proberen te helpen, dat we ontmoedigd geraken.

God heeft de zwakke uit deze wereld geroepen en we hebben onze zwakheden en eigenaardige trekjes mee de kerk in genomen. We zien mensen in de kerk die zo depressief zijn dat het erop lijkt dat ze nooit eens een goede dag hebben. Anderen zitten onder de problemen en ze willen die delen met wie ook maar wil luisteren. In elke gemeente zijn er zieke, arme, dwaze, zwakke, cynische, koppige, kritische, bijtende, arrogante, agressieve, ijdele, ontmoedigde, wantrouwende, hoogmoedige, schijnheilige en sarcastische mensen. Zoals een stripfiguur Pogo zegt: "We hebben de vijand ontmoet, we zijn het zelf!"

Maar God doet op ons allen een beroep om "de slappe handen op te heffen en de knikkende knieёn te strekken" (Hebreeёn 12:12). We moeten ons hart wijd openen tot luisteren en overvloedig geven van ons voordeel aan kennis, begrip, gemak, aansporing, inspiratie, hoop en bemoediging uit onze ervaringen, in het bijzonder die in de kerk. Op de juiste tijd kunnen we dan ook corrigeren in zachtmoedigheid, daarbij onze zwakheden niet uit het oog verliezend. Hij beveelt ons gul te zijn voor de arme en Hij zegt dat dat neer komt op geld lenen aan Hem. We moeten "er zijn" voor hen, niet als "alwetenden", maar als "misschien kan dit helpen".

Kunnen we niet vriendelijker zijn in onze evaluatie van andermans karakter? Als we een negatief verhaal horen over een broeder of zuster, moeten we ons dan niet afvragen: "Als iemand zo'n verhaal over mij hoorde, zou ik dan niet wensen dat die ander het niet zou geloven, totdat hij het had onderzocht en er echt zeker van was dat het waar was?" Is het niet even zondig een leugen te geloven als er één te vertellen? Als we altijd klaar staan om negatieve verhalen over anderen te geloven, wat zegt dat over ons denken? Dat is geen goedertieren houding zoals chrestotes beschrijft. Zal zo'n houding eenheid, vrede en warme, liefdevolle omgang voortbrengen?

Er zouden onder ons geen roddelaars bestaan als niemand naar roddel wilde luisteren of niemand roddel wilde geloven, want als er ergens geen vraag naar is, zal niemand het produceren. Als we geen slechte verhalen geloven, zal de ontmoedigde roddelaar ermee stoppen of zijn verhalen elders gaan vertellen.

Wat als we door de feiten worden gedwongen zo'n verhaal te geloven? Een goedertieren persoon toont zijn goedertierenheid door het niet verder te vertellen. Hij zal als volgt redeneren: "Alhoewel dit verhaal waar is en de feiten mij niet aanstaan, waarom zou ik het verder vertellen?" Het is de verantwoordelijkheid van de christen zijn broeder niet onnodig aan schande bloot te stellen, tenzij dit absoluut noodzakelijk is — zoals soms het geval is — maar hij dient zijn broeder altijd op de meest edelmoedige en goedertieren manier te behandelen die mogelijk is. De Gouden Regel wordt algemeen als volgt onder woorden gebracht: "Behandel anderen zoals jezelf behandelt wilt worden."

Gods instructie is "Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen." Ongeacht hun positie in het leven, of ze wel of niet in de kerk zijn, deze zware eis is onwrikbaar. De enige uitzondering is dat onze broeders in de kerk meer aanspraak op ons kunnen maken. Een les die we uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan kunnen trekken is dat de Samaritaan niet naging of de gewonde man er "één van hen" was. De enige maatstaf was, dat het nodig was dat er voor hem — in zijn uitzonderlijk verzwakte conditie — een daad van goedertierenheid werd verricht.

Terug ontvangen goedertierenheid

Het is bemoedigend Jezus' duidelijke belofte in Mattheüs 5 te lezen:

Mattheüs 5:7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

Zoiets schrijft David ook in Psalm 41:

Psalm 41:2-4 Welzalig hij die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de Here hem uitkomst geven; 3 de Here zal hem behoeden en hem in het leven behouden; hij zal geprezen worden op aarde; aan de lust van zijn vijanden geeft Gij hem niet prijs. 4 De Here steunt hem op het ziekbed, in zijn ziekte verandert Gij geheel zijn legerstede.

Dit moet niet de hoofdreden tot goedertierenheid zijn. Toch heeft God, die altijd klaar staat te geven en te zegenen, deze woorden tot ons voordeel geïnspireerd, zodat we begrijpen dat onze inspanningen om Hem en Zijn weg te verheerlijken niet onopgemerkt blijven. Het is een belofte waar we ons op kunnen beroepen als we ervoor komen te staan. Hij die ons in staat stelde goedertieren en edelmoedig te zijn jegens anderen in hun nood, zal reageren door in onze nood een helper op onze weg te plaatsen. Jezus zegt in Lucas 6:

Lucas 6:38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.

Dit is een geweldige motivering voor hen die Gods Woord geloven, maar misschien is er een nog grotere. Genadig en goedertieren zijn is een bewijs dat God ons Zijn Geest heeft gegeven en dat de liefde van God in onze harten is uitgestort en vrucht voortbrengt. Luister naar Jezus' woorden in Mattheüs 25 als bewijs voor het belang om Gods goedertierenheid door te geven, die tot uiting komt in Zijn roeping, vergeving, het geven van Zijn Geest en de belofte nog meer genade te ontvangen door genadig te zijn:

Mattheüs 25:34-36, 40 Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beёrft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. 35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, 36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. ... 40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.

De liefhebbende genadegaven van God

Alvorens af te sluiten moeten we nog naar Gods goedertierenheid kijken in zoverre deze betrekking heeft op Zijn geestelijk doel. De geïnspireerde woorden van Zacharias, nadat zijn tong weer los was, hebben een rijke en diepe betekenis voor ons:

Lucas 1:77-79 [God zond Johannes] Om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, 79 om hen te beschijnen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.

Behoud is niet mogelijk zonder vergeving. Onze Vader kan onze zonden niet vergeven op basis van gerechtigheid, daarom doet Hij het op basis van Zijn liefhebbende genadegaven. Hij heeft Zichzelf tot onze God gemaakt door ons genadig te zijn — een niet verdiende gunst. Hij ziet aan de overtredingen van Zijn volk voorbij omdat Hij behagen schept in genade. Hij heeft zoveel medelijden dat Hij het uitstelt om ons in onze schuld te veroordelen, en in plaats daarvan ons in liefdevolle bezorgdheid gadeslaat om te bezien hoe Hij Zijn wraak kan afwenden en ons weer in gunst kan aannemen.

Micha voegt hieraan toe:

Micha 7:18 Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid!

God is liefde en liefde is goedertieren, maar misschien is onze benadering van Zijn vergeving wel erg legalistisch. De Schriften openbaren dat Gods goedertierenheid uit het diepst van Zijn hart voortkomt. Hij vergeeft van harte omdat Hij behagen schept in genade! Hij zegt: "Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze." Gods karakter is eropuit genade te schenken, niet te straffen; schoonheid te scheppen, niet te verwoesten; te behouden, niet te verliezen.

Kunnen we hieruit een les leren? Lijken we in dit opzicht al erg op God? Hoe velen van ons, omgang hebbend met Gods volk, verbergen boosheid en dragen het zaad van bitterheid bij zich tegen een broeder wegens een of andere belediging — of koesteren een wrok, of zijn jaloers, of verspreiden geruchten? Zijn dit daden van goedertierenheid? Kan een vergevende geest die behagen schept in genade, deelhebben aan Handelingen die de reputatie van een broeder vernietigen en bestaande verdeeldheid vergroten?

Er is nog een andere zin in Lucas 1:78 die de goedertierenheid en liefhebbende natuur van onze God laat zien: "Hij zag naar ons om." God had niet slechts medelijden op afstand; ook beperkte Hij Zijn medeleven met ons niet tot een niet uitgewerkt, inactief gevoel. David schrijft in Psalm 8:5:

Psalm 8:5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

En dat is precies wat God doet!

Hebreeёn 2:14-18 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, 15 en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. 16 Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.

God had niet slechts medelijden op afstand, maar Hij kwam in ons leven op ons niveau. De Schepper deed afstand van Zijn hoge en zuivere woonplaats als glorieuze God en legde Zijn goddelijkheid af voor een woonplaats van tot leven gebrachte klei. Hij nam onze natuur aan, werd in alle dingen verzocht zoals wij, droeg onze ziekten en krankheden met het specifieke doel een genadig en getrouw Hogepriester te worden. Hij kwam niet in onze wereld om een superieure status boven ons in stand te houden. Hij liep echt in onze schoenen en ging toch al goed doende door het leven.

Paulus voegt hier in Galaten 1 nog aan toe:

Galaten 1:4 Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader.

Wie weet hoeveel afzonderlijke Handelingen van goedertierenheid — van het tot stand komen van het plan tot zijn volledige uitvoering — met deze ene uitspraak samenhangen?

Dit is de kern van Gods natuur. Hij geeft overvloedig en genadig, opdat anderen daar voordeel van kunnen hebben. Deze natuur is zich nu in ons aan het ontwikkelen door wat Hij heeft gedaan. Door Zijn Geest heeft Hij woning in ons gemaakt om ons in staat te stellen aan ons behoud te werken, en naarmate we ons overgeven, verandert ons leven om stapje voor stapje op Zijn beeld te gaan gelijken. Hij woont in ons ondanks al onze provocaties, koppigheid, nalatigheid en opstandigheid. Hoe vaak stellen we Hem niet teleur, en toch staat Hij als onze Hogepriester en Middelaar voortdurend klaar om ons met nog meer goedertierenheid te dienen.

Paulus moedigt ons in Colossenzen 3 aan:

Colossenzen 3:12-13 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid [Statenvertaling: goedertierenheid], nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.

Doe goedertierenheid aan

Juist dat hij ons aanmoedigt ons met deze deugd te bekleden, duidt erop dat niemand van ons het geestelijk "al heeft gemaakt". Wij allemaal hebben fouten, schieten tekort en zijn in bepaalde opzichten zwak. Naarmate we ons overgeven en deze deugden ontwikkelen, moeten we verdraagzaam en vergevend zijn jegens onze broeders wegens Christus' voorbeeld van verdraagzaamheid en genade jegens ons. De kracht van Gods Geest die ons hiertoe in staat stelt, is al in ons, anders zou deze aanmoediging te vergeefs zijn.

Het kan gedaan worden als we ervoor willen kiezen ons te vernederen en te handelen, als we de nood van een broeder of van de kerk zelf opmerken. God doet hier een beroep op ons niet alleen maar te handelen, maar dit met genegenheid te doen. In alle gevallen moeten we ons hart onze hand laten sturen om onze meest liefhebbende gevoelens de ellende van hen die in nood zijn tegemoet te laten treden, evenals Christus deed door af te dalen in een lichaam van klei. We moeten ervoor zorgen dat ons gevoel bij de hand is en gemakkelijk kan worden geraakt, zodat we onze hand wijd openen tot hulp.

De wereld heeft ons hard gemaakt. We hebben zoveel arrogantie en wreedheid gezien, dat God ons waarschuwt dat in de eindtijd de mensen "zonder natuurlijke liefde" (2 Timotheüs 3:3, Statenvertaling) zullen zijn. Wij zijn deze eindtijd-generatie en we hebben een lange weg te gaan om in goedertierenheid ook maar een beetje op Christus te gaan gelijken. Maar we kunnen het! Misschien kunnen we dit vergelijken met leren zwemmen door "gewoon in het water te springen". Goedertierenheid is iets dat we moeten ontwikkelen, en we kunnen dit omdat God ons door Zijn Geest hiertoe reeds in staat heeft gesteld. Deze vrucht smaakt bijzonder zoet en is een hoofdfactor in het voortbrengen van eenheid.

Vergeet nooit Gods karakter, Zijn voorbeeld en de belofte die Hij ons in Jesaja 54 heeft gegeven:

Jesaja 54:10 Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Here.

© 1998 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)