De zaligsprekingen (Deel 5):
Zalig de barmhartigen

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," mei 1999

Barmhartigheid is een kwaliteit die we in deze tijd niet vaak verwachten tegen te komen. In plaats daarvan worden onze ogen, oren en gevoelens dagelijks — in het geval van radio- en TV-nieuws zelfs ieder uur — aangevallen door geweld, onrecht, opzettelijke stijfkoppigheid, onverzoenlijkheid, dweepzucht, bedrog, vooroordeel en onverdraagzaamheid. Handelingen van barmhartigheid zijn zo zeldzaam dat als ze gebeuren, ze in kranten en tijdschiften de voorpagina's halen met veel foto's en op TV hoofdnieuws zijn.

Dit betekent niet dat barmhartigheid niet wordt bewonderd. Dat wordt het wel, daarom is het hoofdnieuws als de media er lucht van krijgen. Al bewonderen de mensen de barmhartigen en wensten ze dat er meer van zulke mensen waren, ze nemen zelden de gelegenheid — als deze zich voordoet — te baat om barmhartigheid tot uitdrukking te brengen.

Misschien bewondert onze cultuur barmhartigheid, omdat de bijbel in de westerse wereld zo ruimschoots voorhanden is. Het oude Rome had er niet zo'n bewondering voor als wij. De Romeinen kenden vier hoofddeugden: wijsheid, recht, matigheid en moed — maar geen barmhartigheid. De Interpreter's Bible vermeldt dat de Romeinen medelijden verachtten! De Grieken dachten er op soorgelijke manier over, ze dachten dat barmhartigheid op zwakte duidde in plaats van op kracht. Aristoteles schreef dat medelijden een vervelende emotie was.

De Farizeeёn waren hard in hun zelfgerichte oordeel over anderen en toonden weinig barmhartigheid. Jezus zegt van hen:

Mattheüs 23:23-24a Wee u, schriftgeleerden en Farizeeёn, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. 24 Dit moest men doen en het andere niet nalaten.

Dit verschil maakt duidelijk hoever God en de mens uit elkaar staan voor wat betreft de waarde die we zouden moeten hechten aan specifieke karakterkwaliteiten.

We moeten onszelf er van tijd tot tijd aan herinneren dat de zaligsprekingen een beeld geven van hen die werkelijk Christus' discipelen zijn. Ze helpen hen te identificeren op wie Gods zegen rust om hen te helpen hun leven met vreugde te leiden. Vanuit een andere hoek bekeken beschrijven ze de aard van waar geluk.

Hoe verschillend zijn ze van wat het wereldse denken, aangestuurd door wat het ziet, probeert te gebruiken om geluk te bewerkstelligen! Het wereldse denken verlangt ernaar dingen, macht en sociaal aanzien te hebben, omdat het denkt dat het geluk daarin schuilt. God openbaart dat het uiteindelijke gevoel van menselijk welzijn ligt in het bezit van en het werken aan geestelijke kwaliteiten die voortkomen uit een relatie met Hem. Dit zijn de onvindbare eigenschappen waar de wereldse mens naar op zoek is en niet kan vinden.

We moeten ook niet worden misleid te geloven dat, omdat Jezus zei dat de barmhartigen barmhartigheid zullen ontvangen, dit op een of andere manier het bewijs is van een behoud door werken. Er is beslist niets in de bijbel te vinden dat deze conclusie rechtvaardigt. Jezus beschrijft niet het fundament van de hoop van een zondaar op het ontvangen van Gods barmhartigheid, maar bakent de geestelijke karakteristieken van Zijn volk af.

Barmhartigheid tegenover oordeel

Barmhartigheid is een heel opvallende geestelijke eigenschap; het is een onmisbare trek in het heilige, goddelijke karakter dat het onze wordt als gevolg van een warme en hechte relatie met God. Het is een kwaliteit die ons gegeven wordt door Zijn Geest die in ons woont, naarmate we ons in gehoorzaamheid overgeven en deze beoefenen.

In de context van wat de bestemming is van ons leven moeten we het belang van barmhartigheid niet onderschatten. Jezus verzekert ons op stellige wijze dat de barmhartigen zalig zijn, maar er is nog veel meer bij barmhartigheid betrokken. Misschien is er geen vers dat het belang ervan duidelijker onder woorden brengt dan Jacobus 2:13:

Jacobus 2:13 Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft; barmhartigheid (echter) roemt tegen het oordeel.

Wil niet iedereen een barmhartig oordeel van God voor Wie we allemaal komen te staan?

Spreuken 21:13 citeert een praktisch voorbeeld van dit principe in actie:

Spreuken 21:13 Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen.

Jezus vat op levendige wijze de essentie van dit waardevolle principe samen in het slot van de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht:

Mattheüs 18:35 Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft.

Zou dit een belangrijke oorzaak kunnen zijn dat we niet zo gezegend worden als we wel zouden willen?

Al is deze zaligspreking het begin van de tweede groep, toch staat hij niet los van de eerste vier; hij is onlosmakelijk met de andere verbonden. Hij is echter het begin van de vier zaligsprekingen die zich meer naar buiten richten, op de medemens, in plaats van naar binnen, op God. Het is duidelijk een vrucht, een duidelijk zichtbare actie die voortkomt uit de eerste vier zaligsprekingen.

Wat betekent deze zaligspreking?

Nederlandstalige woordenboeken bieden weinig hulp om het bijbelse gebruik van barmhartigheid te begrijpen. In het Nederlands wordt "barmhartigheid" normaal gebruikt in de betekenis van medeleven tonen, verdraagzaamheid, vriendelijkheid, zacht van gemoed, vrijgevigheid of het zich weerhouden van het schaden of bestraffen van overtreders of vijanden. Deze synoniemen geven ons enig inzicht in dit woord; ze brengen alle tot uitdrukking hoe een barmhartig iemand zou kunnen handelen. Echter geen van hen beeldt specifiek uit wat bijbelse barmhartigheid is, omdat het bijbelse begrip praktisch niet te vertalen valt met één enkel Nederlands woord.

Het Griekse woord eleemon dat in Mattheüs 5:7 wordt gebruikt, betekent in wezen hetzelfde als zijn Nederlandse tegenhanger: "barmhartig". Maar naar alle waarschijnlijkheid sprak Jezus in het Aramees en het idee achter Zijn uitspraak over barmhartigheid is ontleend aan het oudtestamentische gebruik en onderwijs — dat is dus het Hebreeuws. Het woord dat Hij gebruikt zou kunnen hebben is het Hebreeuwse en Aramese chesed.

William Barclay's Daily Study Bible commentaar op Mattheüs merkt met betrekking tot dit woord op:

Het betekent niet alleen meeleven met iemand in de gebruikelijke betekenis van het woord; het betekent niet eenvoudig medelijden hebben met iemand in problemen. Chesed [sic], barmhartigheid, betekent het vermogen om in de huid van iemand anders te kruipen totdat we de dingen met zijn ogen kunnen zien, de dingen met zijn denken kunnen ervaren en de dingen met zijn gevoelens kunnen voelen.

Dit is duidelijk veel meer dan een emotionele golf van medelijden; dit vraagt duidelijk een heel bewuste inspanning van het denken en de wil. Het duidt op een sympathie die als het ware niet van buitenaf komt, maar die komt van een bewuste vereenzelviging met de ander totdat we de dingen zien zoals hij ze ziet en de dingen voelen zoals hij ze voelt. Dit is sympathie in de letterlijke betekenis van het woord. Sympathie is ontleend aan twee Griekse woorden, syn dat duidt op een samengaan met, en paschein dat ervaren of lijden betekent. Sympathie betekent dingen samen ervaren met de ander, letterlijk daar doorheengaan waar hij doorheengaat. (p. 103)

Dat is veel gemakkelijker gezegd dan gedaan! Het in deze mate hebben van een besef van andermans gevoelens is heel moeilijk, omdat we normaal zo zelfgericht zijn, ons zo bewust zijn van onze eigen gevoelens, dat zo'n intens gevoel voor anderen vaak een grote inspanning van de wil vereist. Normaal, als we medelijden met iemand hebben, is dat exclusief iets aan de buitenkant, omdat we ons er niet toe inspannen ons in het denken en voelen van de ander te verplaatsen totdat we de dingen kunnen zien en voelen zoals hij dat doet. Het is niet gemakkelijk in andermans schoenen te staan.

Het begin van echte barmhartigheid

De wereld waar we allemaal uit voortkomen, is trouw aan zijn aard, is onbarmhartig. De wereld geeft er de voorkeur aan zich af te schermen van pijn en rampspoed van anderen. De wereld vindt wraak heerlijk en vergevensgezindheid tam en onbevredigend.

Daar beginnen we allemaal. Maar al te vaak is een wereldse manier van denken duidelijk en actief werkzaam binnen de kerk; deze openbaart zichzelf in Handelingen die een zekere mate van wreedheid laten zien. Gewoonlijk worden de wreedheden mondeling tot uitdrukking gebracht, maar al te vaak echter besteden broeders geen aandacht aan de werkelijke noden van anderen.

De barmhartigheid die Jezus onderwijst, wordt niet aan mensen ontleend. Hij zegt in Mattheüs 6:14:

Mattheüs 6:14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven.

Dit gebeurt niet omdat we barmhartigheid kunnen verdienen door barmhartig en vergevensgezind te zijn, maar omdat we geen barmhartigheid en vergeving van God kunnen ontvangen tenzij we ons bekeren. We kunnen niet beweren ons van onze zonden te hebben bekeerd als we onbarmhartig zijn jegens de zonden van anderen.

De werkelijk barmhartigen zijn zich te goed bewust van hun eigen zonden om die van anderen scherp te veroordelen; zij beperken zich er dus toe om nederig en vriendelijk om te gaan met hen die in nood verkeren. Niets zet ons er meer toe aan anderen te vergeven dan het verbazingwekkende besef dat God onze zonden vergeven heeft. Barmhartigheid begint in Gods kinderen door de ervaring dat Hij hun zonden vergeven heeft, en misschien bewijst niets op overtuigender wijze dat die ons vergeven zijn dan onze bereidheid te vergeven.

Gods barmhartigheid erkennen is een sleutelelement om ons aan te zetten tot het tonen van barmhartigheid. In deze tijd hebben teveel mensen, zelfs in de kerk, een "verzorgingsmentaliteit". Ze gaan met weinig of geen dankbaarheid door het leven, denkend dat ze recht hebben op de bijdragen van de overheid of van medeburgers. Ondankbaarheid speelt hier een belangrijke rol in, omdat zo lang iemand ondankbaar is, zijn gedachten zich met zichzelf zullen bezighouden. Een dankbaar iemand staat open voor de noden van anderen en neemt stappen om daarin te voorzien. Een ondankbaar iemand schermt zich echter af van de pijn van anderen, omdat hij te zeer gericht is op zijn eigen veronderstelde ellende.

God is ons voorbeeld

God schermt Zich niet af van de ellende van de wereld, zoals Johannes 3:16 zegt:

Johannes 3:16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

In Jezus Christus kroop God letterlijk in de huid van de mens. Op basis van dit principe schrijft Paulus:

Hebreeën 2:16-18 Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.

Hebreeën 4:15 geeft dezelfde gedachte weer:

Hebreeën 4:15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.

Barclay geeft als commentaar:

Hij werd mens; hij begon de dingen door de ogen van een mens te zien, de dingen met menselijke gevoelens te ervaren, dingen te bedenken met het menselijk denkvermogen. God weet wat het leven voorstelt, omdat God zich geheel in het leven verplaatste. (p.104)

Jezus Christus is niet afstandelijk, emotieloos en ongeїnteresseerd, en ook niet afgeschermd en geїsoleerd van ons leven. Hij weet hoe we in elkaar zitten; Hij weet dat we maar stof zijn. Hij kan in ons een weerspiegeling zien van wat Hij als mens meemaakte. Hij kan ons dus met barmhartigheid benaderen in het volledige begrip van waar wij doorheen moeten.

Psalm 103:1-14 geeft een sterk bewijs dat Gods barmhartigheid [goedertierenheid] geen einde kent:

Psalm 103:1-14 Loof de HERE, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam; 2 loof de HERE, mijn ziel, en vergeet niet een van zijn weldaden; 3 die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest, 4 die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, 5 die uw ziel verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend. 6 De HERE doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten. 7 Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden. 8 Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid; 9 niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen; 10 Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden; 11 maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen. 12 Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons; 13 gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen. 14 Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig, dat wij stof zijn.

God is ons model voor barmhartigheid, wij moeten Zijn barmhartigheid weerspiegelen in ons handelen jegens onze medemens. Omdat ons vermogen zo beperkt is in vergelijking met het Zijne, kunnen we het niet op veel manieren weerspiegelen, maar van het begin tot het einde laten de schrijvers van de bijbel God zien als Iemand die Zijn barmhartigheid in een bijna eindeloze variatie van manieren tot uiting laat komen.

Het verzoendeksel

Het tweede gebod brengt de reikwijdte van Zijn barmhartigheid tot uiting, een aanduiding van Zijn selectiviteit in het geven en het voortdurende karakter ervan.

Exodus 20:4-6 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en 6 die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Een welbekend gebruik van "barmhartigheid" is dat God het deksel op de verbondsark het "verzoendeksel" noemt. [Verzoening is een uiting van barmhartigheid.] De Israëlieten transporteerden de ark, een met goud overtrokken kist die de stenen tafelen met de tien geboden bevatte, waar zij ook maar heen trokken. Normaal bleef hij in het heilige der heiligen staan, waar God symbolisch woonde, eerst in de tabernakel en later in Salomo's tempel.

Het verzoendeksel symboliseert Gods troon, waar Hij het gedrag van de mens beoordeelt, en de naam ervan geeft het principe weer van Zijn oordelen, die altijd op barmhartigheid zijn gebaseerd. Dit betekent niet dat God onnozel is in Zijn oordeel, dat Hij nonchalant de zonden van de mens door de vingers ziet. Zelfs daarbij is het Gods karakter om barmhartig te zijn in plaats van streng, bitter, onverzoenlijk en wraakzuchtig. Anders dan de mens weet God manieren te bedenken om de mens te veranderen, zodat Hij barmhartig kan zijn.

Gods oordelen bestaan altijd uit een perfecte balans tussen recht en barmhartigheid. Al vergeeft hij de berouwvolle zondaar op barmhartige wijze, toch kan de zondaar niet aan een bepaalde mate van pijnlijk oordeel ontkomen. Onder alle omstandigheden die een oordeel vergen tussen recht en barmhartigheid, is het mogelijk dat het oordeel van de mens "overal tussen die twee uitersten kan liggen", maar Gods oordeel, geneigd naar barmhartigheid, zal altijd volkomen zijn.

David begreep dit, zoals een oordeel van God tegen hem en Israël in 2 Samuël 24 laat zien. David had gezondigd in het tellen van Israël, een onderneming die God had verboden. Toen God zijn zonde blootstelde en hem ermee confronteerde, gaf Hij hem drie keuzes betreffende de straffen die over Israël zouden komen.

2 Samuël 24:14-16a Toen zeide David tot Gad: Het is mij zeer bang te moede; laat ons toch vallen in de hand des HEREN, want zijn barmhartigheid is groot; maar laat mij niet vallen in de hand der mensen. 15 Dus bracht de HERE de pest over Israël van de morgen af tot aan de vastgestelde tijd, en er stierven van het volk, van Dan tot Berseba, zeventigduizend man. 16 Toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om het te verdelgen, berouwde het onheil de HERE, en Hij zeide tot de engel die verderf bracht onder het volk: Genoeg! Laat nu uw hand zinken.

God legt Davids wijze keus vast, omdat deze het waard is door ons te worden nagevolgd. In moderne taal, hij "verliet zich op de genade van het gerechtshof" van de grote God der hemelen. De grotere "David", Jezus Christus volgde dezelfde redenering tijdens Zijn leven, zelfs al was het oordeel van het hemelse gerechtshof tegen Hem er niet één dat met zonde te maken had:

1 Petrus 2:20b-21, 23 ... Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; ... 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.

Barmhartigheid en oordeel

Het is duidelijk dat er voor het toepassen van barmhartigheid een precies en juist oordeel nodig is, iets waarin wij helaas vaak te kort schieten. Niet elke omstandigheid waarin barmhartigheid nodig kan zijn, is uiterst moeilijk te beoordelen, maar sommige zijn dat wel, omdat wij niet echt voldoende weten van het "binnenste" van de ander om een gebalanceerde benadering van zijn behoeften te hebben. De menselijke natuur heeft de neiging in uitersten te vervallen door aan de ene kant te zelfbewust, onbuigzaam en hard te zijn, of aan de andere kant te onzeker, toegevend en teerhartig. Het is heel gewoon dat menselijke gevoelens het uitbrengen van een juist oordeel in de weg zitten. Dit is begrijpelijk, maar het voorkomt niet dat de oordelen verkeerd zijn, of hard en onverdraagzaam of ziekelijk verdraagzaam.

Eén vrouw verplaatste zich niet in Jezus' denken om Zijn noden of die van haarzelf te kennen:

Lucas 10:38-42 Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. 39 En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. 40 Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. 41 Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, 42 maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.

Al was Marta's dienen ongetwijfeld goed, in dit geval zette haar oordeel haar ertoe op een onjuiste manier te dienen en Jezus corrigeerde haar. Zij dacht dat zij goed voor Hem was, maar er bouwde zich binnenin haar wrevel op, en haar goedheid was misplaatst. In werkelijkheid was al haar druk bezig zijn ongevoelig voor de situatie en had tot gevolg dat zij op milde wijze werd gekastijd. Marta hield van Jezus en had de bedoeling goed te zijn, maar ze gaf haar "goedheid" op haar manier, deze min of meer opleggend aan de situatie of iemand er nu van gediend was of niet. Ze handelde daarmee onopzettelijk juist niet goed ten opzichte van de situatie en Jezus.

Het Nieuwe Testament instrueert ons op een aantal plaatsen onze broeder niet te oordelen. Dit betekent niet dat we in het geheel niet moeten oordelen; als we dit onderwerp ruimer bekijken zien we dat we voorzichtig moeten zijn en niet veroordelen. We moeten oordelen, omdat keuzes maken en ernaar handelen een oordeel vereisen. Als we een broeder moeten oordelen, moeten we bedenken dat we in feite heel weinig over zijn omstandigheden weten. Dit speelt een hele grote rol in het vervormen van ons oordeel.

Hier komt barmhartigheid in beeld. We moeten mensen om zo te zeggen van binnenuit beoordelen. Er is een reden voor dat zij — en wij — handelen zoals we doen. Als we hun reden(en) kennen, zouden we hen veel gemakkelijker kunnen begrijpen, vergeven, met hen sympathiseren, geduldig en verdraagzaam zijn jegens hen — of om dezelfde reden zouden we als dat nodig mocht zijn harder voor hen kunnen zijn. Als we deze benadering nemen, worden zowel recht als barmhartigheid in toom gehouden door een beter begrip van andermans woorden, houdingen en gedrag.

Er is een spreekwoord dat luidt: "Veel weten is veel vergeven." Dit gezegde lijkt enigszins op het [in Amerika] bekendere: "Ware het niet omwille van Gods genade, dan was ik er geweest." Dat spreekwoord is gebaseerd op de algemene waarheid dat, als we werkelijk een voldoende diepgaand en duidelijk inzicht in anderen zouden hebben, we onszelf in hen weerspiegeld zien. De omstandigheden, chronologie en specifieke situaties kunnen wat verschillen, maar de menselijke natuur die in hen tot uiting komt zal dezelfde zijn. Als we dit eenmaal inzien dan houdt dat ons oordeel over anderen in sterke mate in toom en wordt daardoor bijna automatisch de "gouden regel" toegepast: "Behandel anderen zoals u door hen behandeld zou willen worden." Daarop volgt dan vergeving of barmhartigheid.

Barmhartigheid jegens de ellendige

Iemand peinsde eens dat barmhartigheid liefde is die tot uiting komt jegens de ellendige, en dat barmhartigheid ook zowel uit het vriendelijke gevoel als de vriendelijke handeling bestaat. Hij definieerde het woord "ellendige" niet nader, dus die persoon is of ellendig vanwege de manier waarop het leven hem had behandeld, vanwege zijn lijden, of ellendig vanwege de manier waarop hij de barmhartige persoon behandelt. Op beide manieren is de uitspraak van toepassing. 1 Corinthiërs 13 illustreert vele manieren waarop liefde op barmhartige wijze jegens anderen tot uiting komt.

Velen zijn ellendig vanwege hun omstandigheden. Jezus' meest bekende onderwijs hierover is de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Let er eens op hoe Hij zowel het gevoel als de daden die met barmhartigheid samengaan naar voren brengt.

Lucas 10:33-37 Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn [de gewonde] nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. 34 En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. 35 En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis. 36 Wie van deze drie [de priester, de Leviet of de Samaritaan] dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen? 37 Hij [de wetgeleerde] zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo.

Een gelijkenis is geen verslag voor het nieuws. In het werkelijke leven zouden een priester of een Leviet gevoelens kunnen hebben die heel ver uit elkaar kunnen liggen als ze voor zo'n situatie zouden komen te staan. Ze zouden kunnen uiteenlopen van afkeer of angst dat een soortgelijke ramp hem zou kunnen overkomen als hij in dat gebied bleef om zijn medeleven daadwerkelijk tot uiting te brengen. Jezus gaat hier niet dieper op in, maar we kunnen de mogelijkheid begrijpen, omdat wij ook begaan zouden zijn met het lot van een ander. We zijn geen koude marmeren standbeelden zonder gevoelens.

Jezus noemt niet specifiek wat de priester en de Leviet voelden, maar Hij laat duidelijk zien dat barmhartigheid begon met de Samaritaan die medelijden voelde met de gewonde man. De Samaritaan getroostte zich daarna een aantal zelfopofferingen om tegemoet te komen aan de behoeften van de ellendige man. Hoe vaak worden wij ertoe bewogen ons een kleine zelfopoffering te getroosten om de ellende van iemand anders te verlichten, maar geven we daar nooit op barmhartige manier gevolg aan?

Nu een illustratie van de tweede definitie van "ellendig": Velen behandelden Jezus op een miserabele manier, uiteindelijk vermoordden ze Hem, al was Hij onschuldig aan alles wat Hem ten laste werd gelegd. Hij beantwoordde echter hun miserabele behandeling van Hem met barmhartigheid. Hij keek in hen, nam de reden dat zij handelden zoals ze deden in acht, en stierf voor hen zodat zij voor God mochten leven. Eén van Zijn laatste uitspraken was: "Vader, vergeef het hun [wees hun barmhartig], want zij weten niet wat zij doen." (Lucas 23:34)

Barmhartigheid jegens elkaar

Er is een aantal passages in het Nieuwe Testament dat ons aanspoort barmhartigheid te gebruiken in onze relaties met elkaar. Paulus adviseert ons:

Efeziërs 4:2-3, 31-32 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, 3 en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: ... 31 Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. 32 Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft.

Hij voegt daar in Colossenzen 3:12-14 aan toe:

Colossenzen 3:12-14 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. 14 En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid.

Met zulke aansporingen gaan we de intieme persoonlijke relaties aan binnen een gemeente of een familie. Ze laten zien dat eenheid meer afhangt van de toepassing van de morele kwaliteiten van de leden dan van de structuur van het instituut. Paulus laat in Efeziërs zien dat het leven waartoe we geroepen zijn, wordt gekarakteriseerd door vijf kwaliteiten: nederigheid, zachtmoedigheid, geduld, verdraagzaamheid en liefde; de laatste omvat de voorgaande vier en is de kroon van alle deugden. Elk van deze kwaliteiten stelt ons in staat in barmhartigheid te handelen en in vrede te leven. Gods Geest stelt ons in staat deze kwaliteiten te gebruiken om de tegenzin en de bittere, hartstochtelijke woede die leidt tot luidruchtige laster, die reputaties vernietigt, te overwinnen.

Zulke tegenzin en woede bevorderen vriendelijkheid, medeleven en het barmhartig handelen jegens elkaar nauwelijks. "Barmhartig handelen" is een aanvaardbare vertaling van het Griekse woord charizomai dat in Efeziërs 4:32 met "vergevend" is vertaald. Barmhartig handelen vat de essentie samen van hoe God jegens ons en onze zonde tegen Hem heeft gehandeld. En omdat Hij ons heeft vergeven, wordt ons bevolen ook elkaar te vergeven (Colossenzen 3:13).

Barmhartigheid begint met de manier waarop we ons over en jegens elkaar voelen, en gaat dan over in de uitvoering van barmhartige handelingen. God heeft ons lief en heeft een uitgaande bezorgdheid voor ons. Als God ons zo liefheeft, dan behoren ook wij elkaar lief te hebben (1 Johannes 4:11). We zijn er dus toe verplicht elkaar te verdragen en in barmhartigheid vriendelijk te behandelen. Iedereen die op zichzelf is gericht als het centrum van het universum zal er moeite mee hebben vriendelijk over anderen te denken, en eenheid zal moeilijk zijn, zo niet onmogelijk. Het is dus geen wonder dat er zoveel echtscheidingen plaatsvinden, evenals scheidingen of splitsingen op andere gebieden van het leven. De aandacht richten op jezelf laat weinig ruimte voor nederige, vriendelijke en meelevende gedachten om anderen te dienen.

Barmhartigheid jegens onszelf

We vinden misschien wel het duidelijkste voorbeeld van het belang van barmhartigheid in de gelijkenis van de schapen en de bokken:

Mattheüs 25:33-46 en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. 34 Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beёrft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. 35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, 36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. 37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? 38 Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? 39 Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? 40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. 41 Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. 42 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; 43 Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend? 45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. 46 En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.

Jezus belooft in deze zaligspreking dat zij die in barmhartigheid handelen het zullen verkrijgen. Deze gelijkenis brengt twee soortgelijke en heel belangrijke principes betreffende het leven tot uitdrukking. Galaten 6:7 brengt de eerste als volgt onder woorden:

Galaten 6:7 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.

Dit is een principe dat iedereen kent die zaad zaait. We zouden het als absoluut dwaas beschouwen dat we mais zouden kunnen zaaien om aardbeien te kunnen oogsten! Maar hoevelen passen ditzelfde principe toe in hun handelen jegens de medemens? God ontdoet dit van alle geheimzinnigheid: Als we in barmhartigheid, in vriendelijkheid en medeleven handelen, dan zullen we hetzelfde ontvangen.

Het tweede principe lijkt daar veel op. Dit wordt niet gegeven binnen het beeld van zaaien en oogsten, maar van wederkerigheid, waarin beloning en de betrokkenheid van God duidelijker tot uiting komt. Onze Zaligmaker legt dit uit binnen de context van het tonen van barmhartigheid:

Mattheüs 10:40-42 Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. 42 En wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.

David voegt daar in 2 Samuël 22:26 aan toe:

2 Samuël 22:26 (Statenvertaling) Bij den goedertierene houdt Gij u goedertieren; ...

In dit opzicht maakt Jezus onze verantwoordelijkheid heel duidelijk in Lucas 6:37-38:

Lucas 6:37-38 En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.

Barmhartigheid groeit in ons als gevolg van onze persoonlijke ervaring met de barmhartige God. Het is een belangrijk element in het maken van een effectief getuigenis dat we een relatie met Hem delen. Let op deze waarheden uit de Psalmen:

De rechtvaardige ontfermt zich en schenkt. (37:21)

Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren. (25:10)

Want Gij, o Here, zijt goed en gaarne vergevend, rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen. ... Maar Gij, Here, zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid en trouw. (86:5, 15)

Als we Zijn woord met begrip bestuderen, worden we geconfronteerd met het feit dat iedere handeling van God, vanaf de allereerste kiem van Zijn plan in het verre verleden van de eeuwigheid tot nu toe, ook samengaat met Zijn barmhartigheid. Daarom zegt Psalm 103:17:

Psalm 103:17a Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid ...

Hij is het patroon dat we moeten nadoen en Hij heeft elk van ons een overvloedig bewijs van Zijn barmhartigheid gegeven. We behoeven nooit bang te zijn voor wat Hij doet, wat Hij voor ons heeft gepland of waar Hij ons naar toe leidt, omdat zoals Psalm 136:1 zo duidelijk zegt:

Psalm 136:1 Looft de HERE, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Hij zal niet, Hij kan niet anders worden dan Hij is, maar wij kunnen en moeten veranderen om aan Hem gelijk te worden. Laten we leren, laten we ons ertoe zetten en ernaar streven barmhartig te zijn zoals Hij barmhartig is!

© 1999 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)