De zaligsprekingen (Deel 4):
Hongeren en dorsten naar gerechtigheid

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," april 1999

Het is in deze dagen helemaal niet ongewoon om te horen dat een ambitieus iemand "hongerig" is om belangrijke dingen te bewerkstelligen. Schrijvers passen dit woord toe op atleten die zich op professioneel niveau willen profileren, op acteurs die het niveau van een ster willen bereiken, en op zakenmensen die eropuit zijn om president van een belangrijke onderneming te worden. Deze mensen zetten zich ertoe aan om harder te werken dan hun mededingers. Ze dwingen zich ertoe elk facet van hun vakgebied te bestuderen en ze werken daar langer en harder aan dan anderen. Hun ambitie kent geen grenzen. Ze schijnen elke invalshoek te benutten om de aandacht van hun superieuren te trekken. Ze grijpen iedere gelegenheid aan om zichzelf te "verkopen" aan hen die nuttig kunnen zijn om hen promotie te doen maken.

Sommige maar niet al deze nuances zijn aanwezig in Jezus' gebruik van de woorden "honger" en "dorst" in Mattheüs 5:6. Hij beschrijft iemand die vanuit het diepst van zijn wezen een vurige behoefte heeft om aan een verlangen te voldoen. William Barclay geeft in zijn Daily Study Bible commentaar op Mattheüs een kleurige beschrijving:

Woorden bestaan niet op zichzelf; ze bestaan tegen de achtergrond van ervaring en denken; en de betekenis van elk woord hangt af van de achtergrond van de persoon die het gebruikt. Dat is in het bijzonder waar voor deze zaligspreking. Deze zou op hen die hem voor de eerste keer hoorden, een heel andere indruk maken dan de indruk die hij op ons maakt.

Het feit is, dat heel weinigen van ons in onze moderne levensomstandigheden weten wat het is om echt hongerig of echt dorstig te zijn. In vroeger tijden was dat geheel anders. Het loon van een arbeider kwam overeen met drie stuivers per dag en zelfs al passen we het in alle mogelijke opzichten aan voor wat betreft de koopkracht van geld, dan kon nog niemand rijk worden van dat loon. Een arbeider in Palestina at eens per week vlees, en in Palestina waren de arbeider en de dagloner nooit ver verwijderd van de grens van echte honger en feitelijk verhongeren.

In het geval van dorst was dat allemaal nog sterker. Het was voor de overgrote meerderheid van mensen niet mogelijk een kraan open te draaien om schoon, koud water hun huizen te laten binnenstromen. Iemand zou op reis kunnen zijn en halverwege die reis zou de hete wind die een zandstorm aankondigde, kunnen gaan waaien. Er restte hem niets anders te doen dan zijn hoofd in zijn boernoes te wikkelen, zijn rug naar de wind te keren en te wachten, terwijl het striemende zand zijn neusgaten en keel binnendrong totdat hij dreigde te stikken en totdat hij een geweldige dorst kreeg. In de omstandigheden van het moderne westerse leven is daar helemaal geen parallel mee te vinden. (deel 1, p. 99)

We zien dan dat Jezus "honger" of "dorst" niet gebruikte zoals wij de leegheid of droogte zouden beschrijven die wij tussen maaltijden voelen, maar een honger of dorst die schijnbaar nooit verzadigd zou kunnen worden. Met fysieke trek vergeleken zou dit een honger en dorst zijn waarbij we zelfs na een volledige maaltijd met volop te drinken ons nog steeds zouden voelen alsof we nog veel meer zouden kunnen eten en drinken! Nogmaals zoals Barclay het beschrijft:

Het is de honger van iemand die verhongert en de dorst van iemand die zal sterven tenzij hij te drinken krijgt. (p.99-100)

Niets kan beter het soort verlangen uitdrukken dat we zouden moeten hebben naar het verkrijgen van gerechtigheid. De schrijvers van de bijbel gebruiken vaak het beeld van honger en in het bijzonder dorst om een vurig verlangen uit te beelden, vooral naar de dingen van God:

Psalm 42:2-3 Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?

Psalm 63:2 O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land, zonder water.

Zelfs een beperking van honger en dorst tot onze normale, dagelijkse behoeften aan voedsel geeft het beeld van een voortdurende cyclus van het nuttigen van een noodzakelijke behoefte aan geestelijk leven en kracht.

Het beёindigen van een serie schakelingen

In de inleiding op deze serie vermeldde ik dat de zaligsprekingen in twee algemene groepen schijnen te zijn gekoppeld, waarbij de eerste vier rechtstreeks zijn gericht op iemands relatie met God. Elke schakel leidt tot de volgende waarbij de voorgaande wordt ingesloten. Als we arm van geest zijn, zullen we nederig ons volledige bankroet voor God erkennen. Op die manier worden we geleid en in staat gesteld te treuren over de oorzaak van ons bankroet, onze zonden, evenals de altijd aanwezige corruptie van de menselijke natuur en de heerschappij van zonde en dood in deze wereld. Daar we — als we tegen de standaard van Gods heiligheid worden gemeten — zondaars zijn, en niets hebben te bieden dat ons de voorkeur boven anderen geeft, moeten we deze twee deugden toestaan ons gedrag zowel jegens God als de medemens te bepalen. We laten dan armoede van geest, treuren en zachtmoedigheid deel uitmaken van de motivatie om de tekortkomingen in ons karakter goed te maken, die God zo genadig tentoonstelt door aan ons te openbaren wat we werkelijk zijn. Als we ooit naar Zijn beeld zullen worden gevormd, moet hongeren en dorsten naar gerechtigheid volgen op het belijden van de zonden die God openbaart.

Hongeren en dorsten naar gerechtigheid is diepgaand betrokken bij het zetten van belangrijke stappen tot behoud. Deze stappen worden in Gods woord met diverse woorden aangeduid, inclusief rechtvaardiging, heiliging, groeien, overwinnen, volmaakt worden, voortgaan naar volmaaktheid, het bereiken van de maat van de wasdom der volheid van Christus, heiliging zoeken en naar Gods beeld geschapen worden. God stelt ons in staat dit verlangen te hebben en er gebruik van te maken, maar we moeten ervoor kiezen onszelf op te offeren in het tot stand brengen van Zijn wil voor ons. Gods wil voor ons nu is dat we ons voorbereiden om met Hem te leven zoals Hij in Zijn Koninkrijk leeft.

Wat is gerechtigheid?

Op het eerste gehoor kan de vraag "Wat is gerechtigheid?" als een domme vraag overkomen, omdat we weten dat het "rechtschapenheid" betekent, of eenvoudiger "recht doen". Door het aanhalen van Psalm 119:172b: "want al uw geboden zijn gerechtigheid", voelen we ons toegerust met een directe bijbelse definitie van dit belangrijke bijbelse begrip. Geen van deze interpretaties is onjuist, maar het bijbelse gebruik van "gerechtigheid" is aan de ene kant specifiek en aan de andere kant algemeen — zo algemeen dat het op sommige plaatsen behandeld wordt als een synoniem van behoud [heil]:

Jesaja 45:8 Druppelt, hemelen, van boven en laten de wolken gerechtigheid doen neerstromen; de aarde opene zich, opdat het heil [behoud] ontluike en zij daarbij gerechtigheid doe uitspruiten; Ik, de HERE, heb dit geschapen.

Dit is een voorbeeld van een typisch Hebreeuwse grammaticale techniek waarin de twee begrippen als synoniemen worden gebruikt om elkaar te versterken en uit te leggen. De schrijver maakt op deze manier zijn bedoeling duidelijker. Let op deze andere voorbeelden uit Jesaja:

Jesaja 46:12-13 Hoort naar Mij, gij trotsen van hart, die ver van gerechtigheid zijt. 13 Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israël mijn luister.

Jesaja 51:5a (Statenvertaling) Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten.

Jesaja 56:1b Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want mijn heil staat gereed om te komen en mijn gerechtigheid om zich te openbaren.

Jesaja 61:10a Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, ...

Al gebruikt de bijbel "gerechtigheid" zo algemeen, de vergelijking met "behoud" [heil] helpt ons niet veel om het beter te begrijpen, omdat "behoud" één van de meest veelomvattende woorden uit de bijbel is. Daar niemand van ons behoud volledig heeft ervaren, kijken we door een donker glas om het te proberen te begrijpen.

Gerechtigheid wordt op soortgelijke wijze gebruikt in de heel bekende tekst uit Mattheüs 6:33, waar Jezus gebiedt:

Mattheüs 6:33 Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

Hier heeft het de betekenis van het zoeken naar al Gods geestelijke zegeningen, gunst, beeld en beloningen. We zien in dit vers niet alleen een algemene nieuwtestamentische toepassing van het begrip, maar ook — wat nog belangrijker is — de prioriteit ervan voor het leven. Dit sluit perfect aan bij de metafoor van honger en dorst. Het is niet voldoende om op ambitieuze manier ernaar te smachten iets voor elkaar te krijgen. Volgens Jezus staan Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid aan de top van alles in het leven. Zo belangrijk is het zoeken naar Gods gerechtigheid.

Het is duidelijk dat de wereld gerechtigheid niet aan de top van zijn prioriteitenlijstje heeft staan. Ik hoop dat dat bij ons wel het geval is, en wat wij hebben, hebben wij volledig ongevraagd gekregen als een handeling van Gods genade. Jezus zegt dat het onze verantwoordelijkheid is om te zoeken naar datgene wat God ons ter beschikking heeft gesteld. Waar moeten we nu precies naar hongeren en dorsten? Als God iemand een verantwoordelijkheid oplegt, dan voorziet Hij door Zijn genade ook in de middelen waarmee hij daaraan kan voldoen. Gebruiken wij de middelen die Hij heeft gegeven?

Drie vormen van gerechtigheid

Sommigen hebben beweerd dat de gerechtigheid waar Jezus in Mattheüs 5:6 naar verwijst, datgene is wat we allemaal door Christus krijgen bij onze bekering. De bijbel laat echter drie soorten van gerechtigheid zien en elk van hen is belangrijk op zijn eigen terrein. Alle drie zijn inbegrepen in de manier waarop Jezus deze woorden gebruikte, omdat alle drie belangrijk zijn voor een christelijk leven en een christelijke ontwikkeling. Alle drie moeten gezocht worden binnen de relatie van iedere christen met God en met zijn naaste. Twee van hen zijn uitzonderlijk belangrijk en de derde iets minder, en dat alleen maar doordat God de autoriteit van de christen in relatie met de wereld heeft beperkt.

De eerste is de gerechtigheid van het geloof die komt als God een zondaar door genade rechtvaardigt op basis van de verlossing die in Christus Jezus is. Deze ontstaat als Christus' gehoorzaamheid aan hem wordt toegeschreven, waardoor hij voor God een juridische gerechtigheid verkrijgt. David schrijft in Psalm 14:1: "Niemand is er, die goed doet." Paulus verandert de bewoording in Romeinen 3:10 in: "Niemand is rechtvaardig, ook niet één."

God uit deze sterke aanklachten tegen een wereld waarin de meeste mensen zichzelf ongetwijfeld als "goed" beschouwen. Maar het is een goedheid die waargenomen wordt in het licht van hun eigen standaards — in een denken dat niet open staat voor Gods gerechtigheid, gevuld met de trots van de zelfgerechtigheid, misleid en verblind door de god van deze wereld (Openbaring 12:9; 2 Corinthiërs 4:3-4). Zo'n denken kan, evenals de onbekeerde Paulus, een medeplichtige zijn in het doden en vervolgen van Gods ware kinderen en ondertussen denken dat ze op waarachtige wijze God een dienst bewijzen (Johannes 16:2). Zij zijn als de mensen die in Titus 1:16 worden beschreven:

Titus 1:16 Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.

Volgens God hebben we allemaal ergens in dit plaatje vertoefd. Als zondaren overtraden we vaak Gods wet in woord, gedachte en daad, en in veel gevallen waren we daar onwetend van vanwege de misleiding en de verblindheid die Satan heeft bewerkstelligd. Maar God verwijderde in Zijn roeping de sluier die over ons denken lag en openbaarde Zichzelf, Zijn doel en Zijn standaards. We overtuigden onszelf van ons geestelijk bankroet. Terwijl we vroeger van onszelf dachten dat we misschien wel bij wat "kleine" zonden betrokken konden zijn — maar afgemeten tegen onze naaste en de slechte mensen in de maatschappij was het in principe goed met ons — beginnen we onszelf nu in een heel ander licht te zien. We hebben voor God geen been om op te staan.

Romeinen 2:4 maakt het duidelijk dat we alleen door Gods genade geleid worden onszelf in een bepaalde mate te zien zoals Hij ons ziet:

Romeinen 2:4 Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?

God stelt ons in staat onze goedheid, onze gerechtigheid — die Hij in Jesaja 64:6 als "een bezoedeld kleed" beschrijft — tegen Hem af te meten in plaats van tegen onze naaste. We beseffen dat het zeker is dat we zullen sterven omwille van onze zonden, maar dat Hij op genadige wijze ons in Christus van een volmaakte gerechtigheid heeft voorzien. Dit aanbod is echter niet gratis, omdat we ons leven geheel aan Zijn heerschappij moeten overgeven. Net zoals het Jezus Zijn leven kostte om in deze bevrijding te voorzien, zo kost deze ook ons leven, als levende offeranden (Romeinen 12:1), om ons voordeel met Gods aanbod te kunnen doen. Toch is het verbazingwekkend hoe hongerig en dorstig we worden naar Gods aanbod van rechtvaardiging die leidt tot behoud.

We kunnen daar echter niet stoppen. Honger en dorst hebben ons zover gebracht, maar het is slechts een begin. Als het een echte, goddelijke honger en dorst is, blijven ze bestaan, zelfs al zijn we gerechtvaardigd, omdat de gerechtvaardigde persoon beseft dat God pas aan een goed werk in ons begonnen is (Filippenzen 1:6). Een hongerig persoon zal zich Romeinen 5:1-2 herinneren:

Romeinen 5:1-2 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

Rechtvaardiging brengt verzoening tot stand en daarom vrede met God en toegang tot Hem. Maar het brengt ook een hongeren en dorsten met zich mee naar de heerlijkheid van God! Wat een ontzagwekkend iets om te overwegen dat als ons eenmaal gerechtigheid toegerekend is, dat dan het doel van het proces waaraan we bij Gods roeping begonnen, is Gods beeld in ons te scheppen, doordat Hij Zijn Geest in ons heeft uitgestort. Dat kunnen wij bereiken!

Het is een diepgaand, maar toch echt doel, dat iedereen die deze visie wordt toegedaan, met heel zijn wezen moet verlangen! Is ons ooit iets aangeboden dat groter was? Kan enig ander doel in het leven ermee wedijveren? We moeten "zo'n grote zaligheid niet veronachtzamen" (Hebreeën 2:3, Statenvertaling)! We moeten dit grote potentieel niet uit ons bevattingsvermogen laten wegglippen! Geen wonder dat Jezus zulke sterke bewoordingen gebruikte om het vurige verlangen naar Gods gerechtigheid die Hem behaagt, te beschrijven. En als Hij dat in ons waarneemt, zal Hij het ook vervullen.

Het streven naar de tweede vorm van gerechtigheid

De tweede vorm van gerechtigheid waarnaar we moeten hongeren en dorsten is de vorm van gerechtigheid waarmee we het grootste deel van ons leven na onze bekering te maken hebben. Let erop hoe Jezus deze zaligspreking onder woorden brengt. Hij zegt niet: "Zalig die gehongerd hebben ...", maar juist: "Zalig die hongeren ..." Dit hongeren en dorsten is een toestand die bij voortduring bestaat en die manier moet ook gelden voor de tweede vorm van gerechtigheid, die elders wordt aangeduid met het najagen van heiligheid, het voortgaan naar volmaaktheid, of groeien in de genade en kennis van Jezus Christus. Vaak noemt de bijbel het heiliging. Geen van deze termen duidt specifiek op gerechtigheid, maar ze liggen allemaal binnen de ruimere betekenis ervan. Deze gerechtigheid wordt in ons geschapen, wordt ons gegeven door Gods Heilige Geest na onze rechtvaardiging tijdens het ervaren van onze relatie met God. Het is het zoeken naar goddelijk karakter om te worden voorbereid om in Zijn Koninkrijk te leven.

God kan Zijn heilig en rechtvaardig karakter niet scheppen door een simpel besluit. Het vereist de vrijwillige en bereidwillige medewerking van de geroepenen; door het uitoefenen van hun vrije wil onderwerpen ze zich aan Hem terwijl ze het leven ervaren. Onderwerping is moeilijk en daarom is het christen-zijn geen zondagswandeling. Jezus waarschuwt vaak dat het zo'n mate van toewijding aan Hem zal vergen dat alles daaraan ondergeschikt gemaakt moet worden. We moeten ons kruis dragen en de kosten berekenen (Lucas 14:26-28). Hij waarschuwt ook:

Mattheüs 7:14a Want eng is de poort, en smal de weg, ...

en:

Mattheüs 24:13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

De tocht van de Israëlieten uit de oudheid door de woestijn is een type van de pelgrimstocht van de christen op weg naar het Koninkrijk van God. Hun wildernis laat een aantal valkuilen zien die het geloof en het enthousiasme van een christen om tot het einde door te gaan, kunnen vernietigen.

In deze zaligspreking presenteert God ons een ernstige uitdaging. Omdat het voortdurend nodig is, stelt het een veeleisende voorwaarde vast. Hoe sterk verlangen we naar goedheid, de gerechtigheid van God? Verlangen we er zo sterk naar als iemand die aan het verhongeren is naar voedsel verlangt, of een uitgedroogd iemand naar water verlangt? Hebben we zo'n gebrek aan visie dat we net als de Israëlieten in de woestijn, behalve Jozua en Kaleb, ons geloof zullen opgeven? Volgens Hebreeën 4:1 hoorden ze wel het goede nieuws, maar geloofden ze er onvoldoende in. Daarom stierven ze in de woestijn, hun pelgrimstocht kwam ten einde voordat ze hun doel bereikten. In plaats van zich aan God te onderwerpen, verzetten ze zich tot aan hun dood tegen Hem. Blijkbaar hongerden ze er niet naar.

De meesten van ons hebben een verlangen naar Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid, maar onze visie erop is tot onze schade vaak vaag in plaats van scherp. Als de tijd komt dat we keuzes moeten maken, zijn we er niet op voorbereid de vereiste inspanning te leveren of ons de opoffering te getroosten die de gerechtigheid van God verlangt. Zulk soort situaties laten zien dat we niet sterker naar gerechtigheid verlangen dan naar iets anders.

Waarom doen we zulke dingen, zelfs als we naar gerechtigheid verlangen? Het is gemakkelijk te zeggen dat het probleem in de menselijke natuur ligt, en dat is niet verkeerd, alleen heel algemeen. Jezus geeft in Mattheüs 15:18-20 een antwoord dat deze richting uit gaat:

Mattheüs 15:18-20 Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. 20 Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein.

Het hart symboliseert ons diepste innerlijk, de bron van onze woorden en handelingen. In deze tijd noemen we het het denken. Als God ons de ogen opent voor enkele van Zijn waarheden, als we tenslotte het uitzonderlijk belang gaan beseffen van gerechtigheid, is er een gloed van de eerste liefde en gaan we ernaar hongeren deze in ons leven toe te passen. Maar wat reeds in ons hart aanwezig is vecht bijna wanhopig om niet door die nieuwe natuur te worden vervangen, waarbij het hoopt dat het ons enthousiasme voor de waarheid kan afmatten. Paulus illustreert deze weerstand in Galaten 5:17:

Galaten 5:17 Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij maar wenst.

Waarom doen we niet de dingen die we verlangen te doen? Het antwoord ligt in de buitengewone macht van ingesleten gewoonten. Die zijn uiterst moeilijk te doorbreken, omdat ze hun gang hebben kunnen gaan zolang we onbewust doen waartoe ze ons aanzetten. Paulus spreekt hierover in Romeinen 7:23 met een andere metafoor:

Romeinen 7:23 Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.

De bijna constante volharding van deze gewoonten kan ons depressief maken. Als het erop lijkt dat we geen vooruitgang boeken, kan het leven bepaald ontmoedigend worden. Maar we moeten niet aan ontmoediging toegeven. We hebben alles te winnen en niets te verliezen, behalve dan wat toch al geen waarde heeft voor het Koninkrijk van God. Ontmoediging die frustratie in de hand werkt, maakt Satans werk alleen maar gemakkelijker voor hem.

Er zijn dingen die we kunnen doen om de initiёle honger die God ons geeft te versterken. Als we fysiek hongerig of dorstig zouden zijn, zouden we het laatste restje kracht dat we hadden gebruiken om voedsel en water te zoeken, of we zouden tijdens die inspanningen sterven. We moeten bereid zijn te doen wat er maar nodig is om vooruitgang te boeken in ons zoeken naar Gods gerechtigheid.

Als pubers waren we ons niet bewust dat we groeiden, totdat iemand die ons enige tijd niet had gezien, dit onder onze aandacht bracht. Zelfs al waren we ons er niet van bewust dat we groeiden, toch leverden we inspanningen om te groeien door de dingen die groei veroorzaken, te eten en te drinken. Op dezelfde manier kan geestelijke groei ook zo langzaam lijken dat we denken dat er geen groei plaatsvindt. Maar dat moet ons niet tegenhouden! We moeten doorgaan de geestelijke inspanningen te leveren, evenals we dat fysiek deden, dan zal er groei plaatsvinden. Ga door met bidden voor anderen, met God te danken voor Zijn goedheid en barmhartigheid, Hem te vragen om wijsheid, liefde en geloof. Ga door met het bestuderen van Gods woord; vul uw denken met:

Filippenzen 4:8 Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat.

Paulus schrijft in 2 Timotheüs 3:1:

2 Timotheüs 3:1 Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen.

Voor ons bestaat een groot deel van die zware tijden uit de veelheid van zichtbare, emotionele en hoorbare afleidingen die een denken dat door de televisie, films en radio wordt gevoed, bezighouden. Door deze media nodigen we de wereld en veel van zijn aantrekkingskracht rechtstreeks in onze woningen uit. We zijn zover gekomen dat we de inbreuk van de televisie op ons leven verdragen. Middels internet zijn sommigen van ons verslaafd aan informatie geworden, en anderen kunnen nauwelijks ergens heen zonder een spelende radio bij zich te hebben. We moeten onszelf eerlijk onderzoeken of we God laten zien dat datgene waarmee de wereld ons denken door deze media bombardeert, werkelijk is waar we naar hongeren en dorsten. Hoe bereiden die dingen ons voor op het Koninkrijk van God?

God is de Bron van wat ons geestelijk doet groeien, dus moeten we ernaar streven de relatie met Hem trillend van leven te houden door een voortdurende communicatie en een streven tot gehoorzamen. We moeten ons denken vullen met Zijn karakter en Zijn schitterend doel, en dit laten opwegen tegen het weten wat deze wereld werkelijk is en in wat voor afschuwelijke situatie zij die geen kennis hebben van Hem of Zijn doel, verkeren. Deze dingen zullen erbij helpen om onze honger te versterken, in stand te houden en ons er bewust van te doen blijven.

We moeten God vragen ons denken te vullen met inzicht in de heerlijke manier waarop Hij Zijn leven leidt — vrij van angst en pijn, onbezorgd over moord of letsel, altijd scheppend en betrokken bij schitterende projecten die iets goeds voor anderen teweegbrengen, diepgaand tevreden in het bewerken van het goede. Verlangen wij er niet naar ons leven ook altijd op zo'n manier te leiden?

Sociale gerechtigheid

Wegens het karakter van de christenheid in deze tijd heeft het derde soort bijbelse gerechtigheid niet veel aanrakingspunten met ons leven. Tezelfdertijd moeten we onszelf niet toestaan het als iets onbelangrijks te beschouwen. Bijbelse gerechtigheid is meer dan een privézaak, een persoonlijke zaak, iets dat alleen maar van doen heeft met onze rechtstreekse, persoonlijke relatie met God. Dit soort gerechtigheid kan sociale gerechtigheid worden genoemd. Het is hongeren en dorsten naar gerechtigheid zowel voor de maatschappij als voor onszelf. De volgende zaken kunnen erbij betrokken zijn: burgerlijke rechten, recht binnen het rechtssysteem, eerlijkheid in de zakenwereld en betrouwbaarheid binnen gezin en familie. Dit kwam veel duidelijker aan de orde in het Oude Testament, toen het verbondsvolk, Israël, als een afzonderlijke gemeenschap, als een koninkrijk van deze wereld bestond. Deze gerechtigheid neemt minstens het volgende ter harte:

Mattheüs 5:16 Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Vandaag de dag "zijn wij burgers van een rijk in de hemelen" (Filippenzen 3:20). Petrus beschrijft ons als "bijwoners en vreemdelingen", waarbij hij laat zien dat christenen als buitenlanders zijn in een land dat niet van hen is, ze trekken er als het ware doorheen, op weg naar een andere bestemming (1 Petrus 2:11). Paulus noemt ons "gezanten van Christus" (2 Corinthiërs 5:20). Daarom ligt in veel aspecten van het uitoefenen van het burgerschap dat normaal verlangd wordt in een land waar men woont, onze prioriteit bij het Koninkrijk van God.

Jezus is een duidelijk voorbeeld van wat we moeten proberen te doen. Ondanks al Zijn wonderlijke macht, probeerde Hij nooit de maatschappij van buitenaf te veranderen. Al was Hij veel wijzer dan het gevestigde bestuur, Hij probeerde het op geen enkele manier omver te werpen of een menigte achter Zich te krijgen die het weg zou stemmen. Hij nam geen deel aan de politiek, ook zat Hij niet in raden of commissies om mede te oordelen over zaken waarmee zulk soort lichamen zich normaal bezighouden. De apostel Paulus volgde Zijn voorbeeld. Er is niets vastgelegd dat de apostelen zich met zulke dingen bezighielden, zelfs al hadden ze ongetwijfeld een grote afkeer van de ergerlijke onrechtvaardigheden die werden begaan, en stonden ze sympathiek tegenover de slachtoffers. Het kan zijn dat ze inderdaad allemaal, evenals Jezus, slachtoffer zijn geweest van het menselijk bestuur. Zij verlangden ongetwijfeld, net als wij, met een groot verlangen naar de tijd die komen zou, waarin zij de dingen konden veranderen in overeenstemming met Gods weg.

Wij zouden dit verlangen om dingen te veranderen ook moeten hebben, en daarom bidden we praktisch iedere dag "Uw Koninkrijk kome." Maar dit zou ons er niet van moeten weerhouden om goed te doen als we daar de gelegenheid toe hebben. Jezus handelde om de maatschappij van binnenuit te veranderen door het leggen van het fundament daartoe middels de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk van God en door te sterven voor de zonden der mensheid. Hij benutte Zijn taak als Gods apostel door in het land rond te trekken en goed te doen door te genezen, raad te geven en te onderwijzen. Meer deed Hij niet omdat het Gods tijd daarvoor nog niet was. Al hebben we niet de functie van Gods apostel, toch hebben we op soortgelijke wijze Zijn autoriteit om goede werken te doen binnen het kader van ons deel uitmaken van Zijn lichaam.

Paulus schrijft dus in Galaten 6:9-10:

Galaten 6:9-10 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. 10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

Het is opmerkenswaardig dat Paulus hier enige aansporing geeft om bereidwilliger deel te nemen aan het zoeken naar deze gerechtigheid. We moeten niet toegeven aan vermoeidheid, maar beseffen dat we een beloning zullen oogsten. Dat is Gods belofte. Als wij, net als een boer, een oogst willen hebben, zullen we ook moeten zaaien.

Cotton Mather, een Puriteinse predikant, zei eens: "De gelegenheid om goed te doen legt de verplichting op het te doen." Hij impliceert daarmee dat we bevoordeeld zijn als zich een gelegenheid voordoet om op deze manier te dienen. We moeten het niet alleen doen als het uitkomt, of als het aan onze roep zal bijdragen, maar we moeten het doen als we de gelegenheid hebben, ongeacht hoe vaak het gebeurt of hoeveel zelfverloochening het mag kosten. Spreuken 3:27-28 geeft aan dat de bijbel met deze stelregel instemt:

Spreuken 3:27-28 Onthoud het goed niet aan wie het toekomt, terwijl het in uw macht is het te doen. 28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen en kom terug, morgen zal ik geven — terwijl gij het hebt.

We moeten dankbaar zijn voor het voorrecht om onze Zaligmaker op deze manier te vertegenwoordigen. Als we dat niet zijn, zouden we onszelf de vraag moeten stellen: "Hoe hongerig ben ik eigenlijk om deze zoektocht naar gerechtigheid uit te voeren?"

Voorzien

Evenals alle andere zaligsprekingen bevat ook deze een belofte. Bedenk dat dit een door God geschapen honger is, die begint op het moment dat Hij ons tot Zijn gezin roept. Als God een honger en een dorst in ons schept, is het zo dat Hij er ook in zal voorzien. Als God een behoefte in ons schept om Hem te kennen, Zijn wil te begrijpen en te zijn zoals Hij is, is dat voor het specifieke doel om ons tot Hem te trekken om al deze dingen als deel van onszelf te omarmen.

Evenals bij hongeren en dorsten is er eerst een initiёle voorziening en daarna wordt er voortdurend in voorzien. Hij voorziet ons van alles wat Hij is en wat wij nodig hebben om onze pelgrimstocht naar Zijn Koninkrijk veilig en zeker te volbrengen. Hij voorziet ons van begrip, zodat wij Zijn vooruitzicht op de zaken van dit leven kunnen hebben en een heldere visie op ons toekomstig leven in Zijn Koninkrijk. Hij voorziet ons van wijsheid, zodat wij het begrip dat Hij ons ter beschikking stelt, kunnen toepassen. Hij voorziet ons van een vrede die — temidden van een krankzinnige wereld — alle verstand te boven gaat. Hij vervult ons met dankbaarheid en kennis van Hem, zodat we Hem kunnen prijzen. Hij vervult ons met geloof, hoop en liefde, zodat we kunnen worden als Hij (1 Johannes 3:2).

Hij doet dit allemaal en veel meer zodat wij eens en voor al met zonde kunnen afrekenen. Daarna geldt, zoals Openbaring 7:16-17 zegt:

Openbaring 7:16-17 Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, 17 want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

© 1999 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)