Het zesde gebod (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
Forerunner, "Persoonlijk," augustus 1997

Er ontploft een bom in een warenhuis, een luchthaven of een geparkeerde auto. Er worden vrouwen en kinderen gedood — voorbijgangers die toevallig op dat dodelijke tijdstip juist op die plaats waren. De telefoons rinkelen bij de politie en radio- en televisiestations; bellers beweren gretig achter het afslachten van onschuldigen te zitten.

Als deze militante terroristen uitsluitend nihilisten waren, dan zouden we misschien nog enig meegevoel met hen kunnen hebben. Maar deze willekeurige moordenaars zijn erger dan nihilisten — zij zijn ware gelovigen, ze zijn zo vurig overtuigd van hun gerechtigheid dat ze zichzelf boven en buiten de misdaad voelen staan, zelfs boven de zonde.

Bijna duizend jaar na de kruistochten is de "heilige oorlog" opnieuw uitgevonden, met staafbommen en automatische wapens in plaats van met zwaarden. In plaats van met open vizier gevechten te voeren, brengen terroristen autobommen in drukke straten tot ontploffing, laten vliegtuigen in de lucht ontploffen door middel van gesmokkelde explosieven, of kapen of gijzelen "vijanden" op een kille en onheilspellende manier zoals een tijger die op een tuinfeestje rondsluipt. Hoe lang zal het nog duren voordat een of andere onverzoenlijke, revolutionaire groep een kernwapen tot ontploffing brengt en daarmee op onvoorstelbare schaal dood en verderf zaait om een natie in de houdgreep te nemen om aan hun eisen te voldoen?

Heilige oorlog

Zijn er ooit meer doden gevallen in de naam van God dan in deze zogenaamde seculaire eeuw? De "jihad", de islamitische heilige oorlog, heeft zijn littekens van angst en bloedvergieten in heel het Midden-Oosten achtergelaten, en islamitische naties beginnen de naties van noordwest-Europa en de Verenigde Staten te bedreigen.

Een heilige oorlog beperkt zich echter niet tot de islam. Toen de Indiase premier Indira Gandhi werd vermoord, schreef de tiende goeroe van de Sikhs: "God is het zwaard en het zwaard is God." Het shintoïsme uit Japan kent zijn "kamikaze" (goddelijke wind) doctrine die de aanhangers ervan aanmoedigt eeuwig geluk te zoeken door zichzelf in oorlogstijd als levende bommen aan de dood te wijden. In de straten van Beiroet werden door Libanezen "christelijke" en "moslim"-kogels afgevuurd op hun mede-Libanezen. Religie en politiek zijn nooit in grotere tragische verwarring geweest!

Westerse geschiedkundigen, journalisten en politici geven toe dat er "heilige oorlogen" bestaan, maar dat die zich beperken tot de sterk gepassioneerde, temperamentvolle, onderontwikkelde Derde Wereldlanden. Ze zeggen dat in het Westen, al hebben we jammer genoeg oorlogen, de oorlogen zinnig, nodig en rechtvaardig zijn!

Moeten de mensen ook in een "rechtvaardige oorlog" niet eerst tot boosheid en haat worden opgewekt voordat ze zover te krijgen zijn om te gaan doden? Moeten de strijdkrachten niet gewoonlijk vreedzame burgers recruteren en hen dan aansporen en opleiden om te kunnen en willen doden? Brengt dat niet een soort razernij voort zoals die ook in de "heilige oorlogen" van de Derde Wereld tot uiting komt?

Technologie en bureaucratie creëren een geweldige vermomming voor "verstandige" strijders. Ministers van Defensie in zakenkostuum brengen computerprints naar het Congres met het verzoek om miljarden dollars, zodat het land gereed zal zijn om te doden. Ze maken koelbloedig schattingen van de risico's en benadrukken het wettige nationale zelfbelang. Maar als de zaken erger worden, worden er termen gebruikt zoals "rijk van het kwaad", "dolzinnig fundamentalisme" en "antichrist". Dit is de retoriek van de heilige oorlog in onze eigen natie.

Hier volgt een voorbeeld van "heilige oorlog" retoriek:

Al schijnt het dat doden en beroven geen werk van liefde is, en denkt de eenvoudige man daardoor dat het niet christelijk is om zoiets te doen, toch is dit in waarheid een liefdewerk. De hand die dit zwaard hanteert en ermee doodt, is dan niet meer de hand van een mens, maar de hand van God.

Dit werd door niemand minder dan Maarten Luther gezegd!

Worden we hierdoor in verlegenheid gebracht? Ja, maar is het om gehele steden met kernwapens te vernietigen niet nodig om van ganser harte te geloven dat we machten van het kwaad uitroeien en dus daartoe gerechtvaardigd zijn? Zulke ideeën "maken" oorlog "goed". Het is geen sentimenteel voorwendsel, maar een idee, dat we op de een of andere manier deelnemen aan het vernietigen van de machten van het kwaad. Een onzelfzuchtig geloof in dit idee zal er de oorzaak van zijn dat iemand dit idee verheft, zich ervoor neerbuigt en zichzelf ervoor ten offer brengt.

Een tijd van oorlog

De vroegere president en vijfsterren-generaal Dwight D. Eisenhower schreef tijdens de oorlog in een brief aan zijn vrouw: "Oorlog is zo afschuwelijk, zo afschrikwekkend, dat ik me voortdurend afvraag waarom de beschaving zo'n middel accepteert." Toch hebben we nog steeds oorlog.

Er zijn gedurende de geschiedenis van de mens meer dan14.600 oorlogen geregistreerd, gemiddeld zo'n 2,6 oorlogen per jaar. Een statisticus heeft vastgesteld dat de mens in heel zijn geschiedenis slechts 245 jaar vrede heeft gekend. Van de 180 menselijke generaties hebben er slechts tien een ongestoorde vrede gekend. Het staat vast dat wat Jezus in Mattheüs 24:6 profeteerde: "gij zult horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen", bezig is in vervulling te gaan!

Onze generaties zijn gedeeltelijk getroffen. Zij hebben het volgende meegemaakt: de eerste en tweede wereldoorlog, Korea, Vietnam, El Salvador, de Arabisch-Israëlische conflicten, Afghanistan, Irak en Iran, de Golfoorlog, de Falkland eilanden; een groot aantal burgeroorlogen in het Midden-Oosten, Afrika, Midden-Amerika, Zuidoost-Azië, de Balkanlanden, de voormalige Sovjet-republieken, India en Sri Lanka. Sinds de tweede wereldoorlog hebben er meer dan honderd oorlogen gewoed waarbij miljoenen mensen werden gedood!

Tegenstrijdige loyaliteiten

Op 8 mei is het 52 jaar geleden dat er in Europa een eind aan de tweede wereldoorlog kwam en 15 augustus markeert het einde van de oorlog met Japan. Misschien past het om in de periode tussen deze gedenkdagen aandacht te schenken aan enkele factoren die van doen hebben met dit punt van door de staat goedgekeurde, "wettige" moord.

Een christen bevindt zich in een bijzonder moeilijke positie betreffende oorlog vanwege zijn tegenstrijdige loyaliteiten. Hij kent Gods gebod dat duidelijk zegt: "Gij zult niet doden", en hij wil dat gehoorzamen. Daartegenover ziet hij in de Schriften dat Gods volk oorlog voerde en dat God hun dat schijnbaar beval, waarbij Hij de overwinning in het vooruitzicht stelde aan Zijn kant. Daarnaast ervaren we de drang om het "eigen ik" te beschermen, de neiging tot patriottisme, de angst voor het mogelijke verlies van lijf en leden van geliefden en eigendom. Als de dingen die we liefhebben, bedreigd worden, dan hebben we het gevoel dat we in actie moeten komen om ze te verdedigen!

Toch is oorlog tussen mensen en volken totaal onnodig! God laat zien dat geen enkel individu of volk daarop behoeft terug te vallen. Het komt neer op relaties en verantwoordelijkheden: ten eerste, de relatie van het individu tot God en vaderland, en ten tweede, de verantwoordelijkheid jegens God en vaderland.

Oorlog brengt zonde met zich mee. Als dat dus zo is, dan is oorlog volledig onwettig! Zoals er in 1 Johannes 3:4 staat:

1 Johannes 3:4 Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.

Oorlog sluit ook de vrije wil in. God heeft de mens niet het recht gegeven om te bepalen wat gerechtigheid is; Hij heeft hem alleen de keus gegeven die te beoefenen of niet. God heeft reeds vastgesteld wat gerechtigheid is. Als iemand — zelfs al is het Mozes of David — of een volk de verkeerde keus maakt, dan wordt die keus daarmee niet rechtvaardig of God onrechtvaardig. Tot slot sluit oorlog ook Gods doel in. Hij zal Zijn wil en plan uitvoeren, ongeacht wat de mens doet, inclusief zijn besluit oorlog te voeren.

Zonde beïnvloedt de relatie van de mens met zijn Maker. Volgens Jesaja 59:2 beschadigt zonde die relatie en kan hem zelfs verbreken:

Jesaja 59:2 maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort.

Misdaad is een overtreding van de wetten van de mens, die door menselijke, wetgevende lichamen zijn vastgesteld. Welke wet gaat volgens Gods woord voor? In de bijbel stelt God duidelijk Zijn allerhoogste positie vast, evenals de relaties van mensen en menselijke regeringen met Hem.

In Jesaja 40:9-18 beveelt God Sion (een type van de kerk) haar stem met kracht te verheffen om Hem aan Zijn volk bekend te maken. In de daarop volgende beschrijving van Zichzelf maakt God Zichzelf bekend als de almachtige, alwijze Schepper. Hij heeft de beschikking over een dusdanig onvergelijkbare macht en wijsheid, dat de gecombineerde macht en intelligentie van alle volken niets is in vergelijking met Hem. In onze kinderlijke ijdelheid denken we van onszelf dat er rekening met ons moet worden gehouden, maar we zijn zo onbelangrijk dat, in vergelijking met Hem, de gehele mensheid minder is dan niets, waardeloos! Als we dit getuigenis in beschouwing nemen, wiens wet gaat dan voor?

Colossenzen 1:13-17 beschrijft onze relatie met Zijn Koninkrijk en doet ons iets meer begrijpen van de ontzagwekkende positie van onze God en Meester Jezus Christus.

Colossenzen 1:13-17 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, 14 in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden. 15 Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, 16 want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; 17 en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem;

Jezus Christus is niet alleen onze Zaligmaker, maar ook onze Schepper. Hij is het onderwerp van Jesaja 40:9-18 en we zijn in Zijn Koninkrijk overgebracht. Paulus moet bedoelen dat dit overbrengen geestelijk is, omdat Gods Koninkrijk nog niet letterlijk op aarde is opgericht. God "roept [noemt] de dingen, die niet zijn, alsof ze waren" (Romeinen 4:17, Statenvertaling). We moeten voor de wereld ons leven leiden en God vertegenwoordigen alsof we zelfs nu er reeds letterlijk deel van uitmaken.

Filippenzen 3:20 versterkt dit:

Filippenzen 3:20 Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten,

Het Koninkrijk van God is nog steeds in de hemel en zal bij Christus' wederkomst op aarde worden opgericht. Wij worden echter reeds als burgers ervan beschouwd. Onze loyaliteit en onderwerping daaraan moeten dus boven al het andere uitgaan.

Gods oppermacht over de volken

Deze verzen leggen duidelijk onze relatie met en onze verantwoordelijkheid jegens God vast, maar er zijn veel meer verzen die Gods oppermacht over de volken laten zien. Let eens op de Openbaring die voortkomt uit Nebukadnessars eerste droom:

Daniël 2:19, 27a-28, 36-38 Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels; ... 27 Daniël gaf de koning ten antwoord: ... 28 Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart; Hij heeft de koning Nebukadnessar bekendgemaakt wat in de toekomende dagen geschieden zal. Uw droom en de gezichten die u op uw legerstede voor ogen kwamen, waren deze: ... 36 Dit is de droom, en de uitlegging daarvan zullen wij de koning zeggen: 37 Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, 38 ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt — gij zijt dat gouden hoofd.

God zegt tweemaal via Daniël dat Hij, de oppermachtige Schepper en Heerser, Nebukadnessar zijn heerschappij over de mensen gaf. De Babylonische koning moet wel erg op ons hebben geleken daar hij blijkbaar nog een soortgelijke ervaring met God nodig had om de les te benadrukken:

Daniël 4:17, 25 Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op het woord der heiligen, opdat de levenden mogen weten, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt. ... 25 men zal u verstoten uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf zal wezen bij het gedierte des velds; men zal u gras te eten geven als de runderen en u door de dauw des hemels laten bevochtigen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil.

Dit thema komt tijdens de regering van Belsassar nogmaals aan de orde:

Daniël 5:21-22 ja, uit de gemeenschap der mensen werd hij verstoten en zijn hart werd aan dat van de dieren gelijk, en bij de wilde ezels was zijn verblijfplaats; men gaf hem gras te eten als aan de runderen en door de dauw des hemels werd zijn lichaam bevochtigd, totdat hij erkende, dat God, de Allerhoogste, macht heeft over het koningschap der mensen en daarin aanstelt wie Hij wil. 22 Gij echter, zijn zoon Belsassar, hebt uw hart niet verootmoedigd, hoewel gij dit alles wist,

Met dit stevige fundament kunnen we gemakkelijk begrijpen wat Paulus in Romeinen 13:1-2 schrijft over de verantwoordelijkheid van de christen ten opzichte van menselijke regeringen:

Romeinen 13:1-2 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. 2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.

Onder normale omstandigheden begrijpen we dit volledig. Maar wat als gehoorzaamheid aan een menselijke regering ons tot zonde zou brengen? Handelingen 5:29 brengt onze verantwoordelijkheid duidelijk tot uiting:

Handelingen 5:29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.

Als we de principes die hierbij betrokken zijn vergelijken, leidt dat ons tot de conclusie dat we God zonder enig voorbehoud moeten gehoorzamen. Als onze gehoorzaamheid aan God er de oorzaak van is dat we een misdaad tegen de staat begaan, dan is onze onderwerping aan de straf op die misdaad ook een ons onderwerpen aan menselijk bestuur.

God heerst oppermachtig over menselijk bestuur op ieder niveau, maar net zoals aan personen, geeft Hij ook aan regeringen een vrije wil. Het is hun dus gegeven te oogsten wat ze zaaien. Het staat hun vrij wetten op te stellen die tegen God ingaan. In zo'n situatie kan een christen zich in een netelige positie bevinden. Begrijpen we dit en hebben we God voldoende lief om de keuzes te maken die nodig zijn om onze relatie met Hem in stand te houden, ondanks dat we daardoor in een minder gunstige positie komen te verkeren?

"Ik zal hen vernietigen"

Gods weg is de weg van liefde, van godgerichtheid en het hebben van een actieve uitgaande bezorgdheid voor de medemens, inclusief onze vijanden. Het is de weg die niet alleen in Jezus gelooft, maar ook gelooft zoals Jezus zegt:

Handelingen 20:35b Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Zonde is echter de weg van ijdelheid, eigenliefde, zelfgerichtheid, begeerte, wedijver, vasthouden, nemen, krijgen, jaloezie, naijver, kwaadwilligheid, wrok, haat, rivaliteit, vooroordeel, onbuigzame intolerantie en oorlog. Op de weg der zonde wordt eigenliefde in balans gehouden door vijandigheid tegen anderen, behalve voor de eigen omgeving: het gezin, het team, de club, het ras en het vaderland, enzovoort. Op Gods manier van leven wordt eigenliefde in balans gehouden door liefde voor anderen.

Voor wat betreft oorlog zegt God: "Gij zult niet doden." De mens zegt dat dat geheel onpraktisch is — volken moeten ten oorlog trekken. Let echter op wat God erover openbaart binnen Zijn relatie met Israël. Exodus 23:20-30 legt een uitstekende basis voor begrip. God maakte deze voorwaarden als onderdeel van het Oude Verbond bekend, voordat het werd geratificeerd, Israël accepteerde deze voorwaarden dus welbewust.

Exodus 23:20-30 Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. 21 Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem. 22 Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat Ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en benauwen die u benauwen. 23 Want mijn engel zal voor uw aangezicht gaan en u brengen naar de Amoriet, de Hethiet, de Perizziet, de Kanaäniet, de Chiwwiet en de Jebusiet, en Ik zal hen vernietigen. 24 Gij zult u niet nederbuigen voor hun goden noch hen dienen en gij zult niet doen naar hun werken, maar gij zult ze volkomen vernielen en hun gewijde stenen zult gij geheel verbrijzelen. 25 Maar gij zult de HERE, uw God, dienen; dan zal Hij uw brood en uw water zegenen en Ik zal ziekte uit uw midden verwijderen. 26 Geen vrouw in uw land zal een misgeboorte hebben of onvruchtbaar zijn. Het getal uwer dagen zal Ik vol maken. 27 De schrik voor Mij zal Ik voor u uit zenden; Ik zal in verwarring brengen elk volk, waarmee gij in aanraking komt, en Ik zal al uw vijanden voor u doen vluchten. 28 Ook zal Ik hoornaars voor u uit zenden, opdat zij de Chiwwiet, de Kanaäniet en de Hethiet voor u uit verdrijven. 29 Ik zal hen niet in één jaar voor u uit verdrijven, opdat het land geen woestenij worde en het wild gedierte u niet te veel worde. 30 Langzamerhand zal Ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zo vruchtbaar wordt, dat gij het land in bezit kunt nemen.

God zegt: "Ik zal hen vernietigen." Hij zegt op dit moment zelfs niet dat Hij hun vijanden zou doden! God belooft op bovennatuurlijke wijze voor hen te vechten, zodat zij niet zouden behoeven te vechten en het bloed van de vijand te vergieten. Maar er was een voorwaarde: Ze moesten Hem gehoorzamen.

Veertig jaar en een groot aantal negatieve ervaringen later beschrijft Numeri 33 een totaal ander plaatje van Israëls verovering van het land.

Numeri 33:50-53, 55 En de HERE sprak tot Mozes in de velden van Moab bij de Jordaan van Jericho: 51 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij de Jordaan overtrekt naar het land Kanaän, 52 dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij al hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten. 53 Gij zult het land in bezit nemen en daarin wonen, want aan u heb Ik het land gegeven om het in bezit te nemen. ... 55 Maar indien gij de bewoners van het land voor uw aangezicht niet verdrijft, dan zullen degenen die gij van hen over laat, tot dorens in uw ogen en tot prikkels in uw zijden zijn, en zij zullen u benauwen in het land waarin gij woonachtig zijt.

Nu moest Israël het verdrijven uitvoeren!

De manier van God en die van Israël

Let in de volgende schriftgedeelten op hoe God zowel Zijn manier als die van Israël laat zien:

Exodus 13:17-18a Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. 18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee.

Lijkt het er niet op dat God niet wilde dat ze in oorlog betrokken zouden raken?

In het volgende hoofdstuk heeft Farao's leger Israël schijnbaar ingesloten tussen hen, de bergen en de zee. Menselijk gezien is dat zeer zeker een situatie waarin uit zelfverdediging gevochten moet worden! Het is vechten of sterven!

Exodus 14:13-14 Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. 14 De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.

Exodus 16 geeft op veel gebieden inzicht in Israëls relatie met God:

Exodus 16:28 Daarom zeide de HERE tot Mozes: Hoelang weigert gij mijn geboden en wetten te onderhouden?

De manier van Israël laat zien dat ze God niet vertrouwden en ook niet gehoorzaamden. Ze schenen voortdurend op de rand van ontevredenheid te verkeren. Deze combinatie is een gerede aanleiding tot oorlog.

Er vindt een cruciaal voorval plaats in Exodus 17:1-7 dat helpt om duidelijk te maken waarom Israël ten oorlog trok. Israël is alweer ontevreden. Vers 7 is het schriftgedeelte waar het om gaat:

Exodus 17:7 Hij noemde die plaats Massa en Meriba, wegens de twist der Israëlieten en omdat zij de HERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HERE in ons midden of niet?

Hun geloof was zo zwak dat ze — na alle tekenen die God had gegeven: de verwoesting van Egypte, Zijn vechten voor hen, het scheiden van de Rode Zee en het hen voorzien van water en voedsel — er nog steeds aan twijfelden of Hij met hen was en in overeenstemming daarmee jammerden ze.

Is het dan geen wonder dat Mozes, aan het einde van zijn geduld, Israëls chronisch gebrek aan geloof kennend en wetend dat ze bang waren afgeslacht te worden, hun gaf wat ze zelf reeds besloten hadden (verzen 8 tot 16)? God stond hun toe te zondigen door ten strijde te trekken. Dit was het keerpunt — al hadden ze de berg Sinaï nog niet bereikt. Desondanks herhaalt God, nadat de Israëlieten de smaak van oorlog hadden geproefd — Zijn belofte voor hen te vechten en in Exodus 24:1-8 aanvaardt Israël Zijn aanbod.

Deuteronomium 1:19-33 vat het incident kort samen dat plaatsvond toen Israël op het punt stond aan het einde van het tweede jaar van hun tocht het land binnen te trekken. De twaalf spionnen hadden Kanaän verkend en tien van hen brachten een negatief verslag uit.

Deuteronomium 1:26-32 Maar gij wildet niet optrekken en waart weerspannig tegen het bevel van de HERE, uw God; 27 gij mordet in uw tenten en zeidet: omdat de HERE ons haat, heeft Hij ons uit het land Egypte geleid om ons te brengen in de macht van de Amorieten en ons te verdelgen. 28 Waarheen trekken wij op? Onze broeders hebben ons het hart doen smelten met de tijding: de mensen zijn groter en langer dan wij, de steden zijn groot en hemelhoog versterkt, en ook hebben wij daar Enakieten gezien. 29 Ik zeide wel tot u: Beeft niet, vreest niet voor hen. 30 De HERE, uw God, die voor u uit gaat, Hij zal voor u strijden in overeenstemming met alles wat Hij voor uw ogen met u gedaan heeft in Egypte 31 en in de woestijn, waar gij hebt gezien, hoe de HERE, uw God, u droeg, zoals een man zijn kind draagt, op heel de weg die gij gegaan zijt, totdat gij op deze plaats gekomen zijt. 32 Doch ondanks dit woord geloofdet gij niet in de HERE, uw God,

Israël vertrouwde nooit echt op God. Het overtreden van het zesde gebod was gewoon de volgende stap in het proces van zonde. Nadat ze de zonde van twijfelen hadden begaan, gingen ze verder met het begaan van de zonde van oorlog.

God was vastbesloten om aan Zijn doel verder te werken om het land aan Abraham en zijn nakomelingen te geven. Israël koos ervoor een oorlogvoerende natie te zijn, maar omdat Gods doel vaststaat ongeacht wat de mens doet, bleef Hij achter Israël staan in hun verovering van het land en beval hun oorlogen te voeren.

Drie koningen van Juda en oorlog

In 2 Kronieken staan drie geschiedenissen waarin Gods wil betreffende oorlog tot uiting komt. De eerste gaat over Juda tijdens de regering van Asa (2 Kronieken 14). In die tijd was Asa een godvrezende koning. Nadat hij reeds had besloten de vijand van Juda op het slagveld tegemoet te gaan, deed hij desalniettemin een vurig beroep op God om hulp. Op basis van Asa's en Juda's gehoorzaamheid en daar het paste binnen de verdere uitwerking van Zijn eigen doel, reageerde God gunstig. Het leger van Juda versloeg — met Gods hulp — de vijand op beslissende wijze.

2 Kronieken 20:1-30 gaat over Juda onder Josafat, een andere goede koning (17:3). Juda werd toen door een alliantie van minstens drie naburige naties bedreigd:

2 Kronieken 20:3 Toen werd Josafat bevreesd en besloot de HERE te raadplegen; hij riep voor geheel Juda een vasten uit,

Toen bad hij voor de bij elkaar gekomen joden waarbij hij een aantal redenen opsomde waarom God tussenbeide zou moeten komen (verzen 6 tot 13). God reageerde door de profeet Jachaziël te inspireren de volgende boodschap aan de koning over te brengen:

2 Kronieken 20:17 Niet gij zult hierbij behoeven te strijden: stelt u op, blijft staan, dan zult gij zien, dat de HERE u de overwinning geeft. Juda en Jeruzalem, weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt; morgen moet gij tegen hen uittrekken, de HERE is met u.

Verbazingwekkend genoeg trok Juda ten strijde met zangers aan het hoofd (vers 21 en 22)! Toen ze op het slagveld aankwamen waren alle vijandelijke soldaten dood, omdat ze door onderlinge strijd gesneuveld waren. Niet één ervan ontsnapte (vers 24)!

Tenslotte moest Jechizkia, een andere trouwe koning van Juda, het hoofd bieden aan een geweldig leger van de Assyrische koning Sanherib. 2 Kronieken 32:1-6 beschrijft de voorbereidingen die ter verdediging van Jeruzalem werden uitgevoerd. Jechizkia vergaderde daarna het volk en bemoedigde hen door hen aan Gods grootheid te herinneren:

2 Kronieken 32:7-8 Weest sterk en moedig, vreest niet en wordt niet verschrikt voor de koning van Assur en de gehele menigte die met hem is, want met ons is meer dan met hem. 8 Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HERE, onze God, die ons helpt en onze oorlogen voert. En het volk steunde op de woorden van Jechizkia, de koning van Juda.

In een poging de bevolking van de stad te ontmoedigen kwamen vertegenwoordigers van Sanherib naar de muren van Jeruzalem en kleineerden God als zwak en niet in staat hen te verdedigen (verzen 9 tot 19). De verzen 21 en 22 beschrijven Gods indrukwekkende reactie op Zijn belofte en de gebeden van Jechizkia en Jesaja.

2 Kronieken 32:21-22 Toen zond de HERE een engel, die alle krijgshelden, vorsten en oversten in de legerplaats van de koning van Assur verdelgde, zodat hij met beschaamd gelaat naar zijn land terugkeerde. Eens, toen hij het huis van zijn god was binnengegaan, hebben zijn eigen zonen hem daar met het zwaard geveld. 22 Aldus verloste de HERE Jechizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de macht van Sanherib, de koning van Assur, en uit de macht van alle anderen, en Hij gaf hun rust aan alle zijden.

2 Koningen 19:35 zegt dat er 185.000 Assyriërs door de engel des HEREN werden gedood!

Alleen omdat Israël, Gods verbondsvolk, ten oorlog trok, rechtvaardigt dat niet dat wij hetzelfde doen. Handelingen 7:38 zegt:

Handelingen 7:38 Deze is het, die in de vergadering in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de Sinaï, en met onze vaderen; en hij ontving levende woorden om die u te geven.

De bijbel beschrijft Israël zowel als gemeente (kerk) als staat. Al verkoos God hen, toch waren ze een natie van deze wereld en deden vele niet-goddelijke dingen.

Noch wat algemeen wordt aanvaard, noch de goedkeuring door een specifieke groep, noch een nationale uitspraak bepaalt wat juist is. Oorlog is absoluut verkeerd, het is zonde. Het is een verwoestende ramp waarvoor de mensheid heeft gekozen. Daarnaast is hij niet nodig, daar God Zijn bereidheid heeft laten zien tussenbeide te komen voor hen die hun vertrouwen op Hem stellen en Hem gehoorzamen.

"Mijn Koninkrijk is niet van hier"

Jezus kwam niet om een fysiek, wereldlijk koninkrijk aan te kondigen, maar veeleer het uit de geest geboren Koninkrijk van God. Op onze bekering, geloof en doop belooft God ons te vervullen met Zijn goddelijke natuur en leven, door ons door Zijn Geest in Zijn Koninkrijk te verwekken (Colossenzen 1:13; 2 Petrus 1:4).

Jezus, "de eerstgeborene onder vele broederen" (Romeinen 8:29), werd geboren om koning te zijn van een goddelijke regering.

Lucas 1:30-33 En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. 31 En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. 32 Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, 33 en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.

Er zijn veel verzen die laten zien dat wij zullen deelnemen aan datzelfde bestuur (zie onder andere Openbaring 5:10), maar we hebben onze beloning nog niet beërfd.

Tijdens Zijn verhoor door Pilatus deed Jezus een belangrijke uitspraak over onze status nu en het onderwerp oorlog:

Johannes 18:36-37 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.

Haal Filippenzen 3:20 in gedachten, dat "wij burgers zijn van een rijk in de hemelen". Wij behoren niet tot dit systeem; wij voeren niet de oorlogen van de koninkrijken van deze wereld. Wij moeten uit deze wereld komen en ons niet voegen naar haar wegen, zodat God ons niet tegelijk met haar zal vernietigen. Openbaring 19:11-19 laat echter zien dat als het Koninkrijk van God op aarde is opgericht, we zullen vechten.

2 Corinthiërs 5:20 definieert onze positie door te laten zien dat we niet alleen burgers zijn, maar ook ambassadeurs van dat hemelse Koninkrijk. Het kan zijn dat we houden van het land waarin we wonen en ons onderwerpen aan zijn wetten en autoriteit, maar we moeten onze grootste trouw reserveren voor God in de hemel en Zijn Koninkrijk. Als ambassadeurs en mensen die hier tijdelijk verblijven, hebben we niet de wettige bevoegdheid onszelf in te laten met de zaken van de menselijke natie waarin we onze standplaats hebben.

Het punt van oorlog is niet zo gecompliceerd als het in eerste instantie lijkt. Het feit waarom het draait is, dat God heeft gezegd dat we niet moeten doden. We zullen of daaraan gehoorzaam zijn of niet. Wat onze keus bepaalt is de mate van ons geloof in de duidelijke uitspraken en voorbeelden uit de bijbel. Als we Gods geboden zullen gehoorzamen en ons geloof in Zijn belofte laten werken, dan zal Hij tussenbeide komen om onze veldslagen voor ons te voeren. We behoeven nooit onze toevlucht te nemen tot doden.

© 1997 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)