Heidense feestdagen of Gods heilige dagen?

Door Herbert W. Armstrong (1892-1986)
1983

Maakt het enig verschil welke dagen wij in acht nemen — of dát wij ze in acht nemen? Stelt de Bijbel vast of wij voor God bepaalde dagen moeten heiligen? Werden deze dagen aan het Israël van de Oudheid gegeven? Zijn ze tegenwoordig alleen bindend voor het Joodse volk, en wordt christenen geboden feesten zoals Kerstmis te vieren?

Hoofdstuk een

WELKE DAGEN BEHOREN WIJ TE HOUDEN?

In het zevende hoofdstuk van het boek Daniël staat een verbazingwekkende profetie die het verloop van de heidense koninkrijken uitbeeldt over een periode van vijfentwintighonderd jaar, beginnend vanaf de dag waarop deze profetie werd geschreven.

Deze profetie begint met de wereldheerschappij van het oude Chaldeeuwse Rijk van Nebukadnezar, dat werd gevolgd door het Perzische Rijk, het Griekse Rijk van Alexander de Grote met zijn vier onderverdelingen, en tenslotte het machtige Romeinse Rijk. Van het oorspronkelijke Romeinse Rijk worden de tien herlevingen voorspeld, gesymboliseerd door de tien "horens" op de kop van een "beest", die duren van de ondergang van het Romeinse Rijk tot op heden en die zullen voortduren tot aan de komst van Christus.

Onder deze tien rijken, die vanaf de val van Rome tot aan de tegenwoordige tijd over de Westerse wereld hebben geregeerd, verscheen een andere "kleine horen", die er "groter uitzag dan de andere". Met andere woorden, een andere regering, die hoewel kleiner, toch al de andere overheerste. Een diepere studie van deze profetie brengt aan het licht dat deze "kleine horen" een grote religieuze hiërarchie is. In vers 25 van deze profetie wordt verklaard dat deze hiërarchie "er op uit [zal] zijn tijden en wet te veranderen".

Hoe de tijd werd veranderd

Deze zelfde macht wordt in hoofdstuk 17 van Openbaring opnieuw genoemd, en wordt daar voorgesteld als heerseres over de koningen en koninkrijken der aarde, en als vervolgster van de ware heiligen.

Op elke mogelijke manier heeft deze macht de TIJD veranderd!

God begint de dag bij zonsondergang, maar "de kleine horen" heeft dat veranderd, zodat de wereld thans de dag met behulp van een door de mens vervaardigd uurwerk in het midden van de nacht begint.

God begint de week nadat de ware sabbat, de zevende dag van de week, is geëindigd, maar de wereld begint de werkweek in het midden van de nacht op de tweede dag van de week.

God begint de maanden met nieuwe maan; "de kleine horen" heeft de wereld ertoe gebracht de maanden volgens een onhandige, door de mens uitgedachte kalender van heidense oorsprong te beginnen.

God begint het jaar in de vroege lente, wanneer overal in de natuur nieuw leven ontluikt; het oude heidense Rome liet de wereld het jaar midden in de levenloze winter beginnen.

God gaf zijn kinderen een ware rustdag, die was ontworpen om hen voortdurend in de kennis en de juiste aanbidding van de ware God te houden — een herdenking van Gods schepping — de zevende dag van de week. Maar "de kleine horen" heeft een bedrogen wereld een dag opgelegd waarop de heidenen de zon aanbaden, de eerste dag van de week, die ZONdag wordt genoemd.

Heidens van oorsprong

Een achteloze en misleide wereld is geketend door de feestdagen van het Rome van de Oudheid, zoals Kerstmis, nieuwjaarsdag, Pasen en vele andere, allemaal van heidense oorsprong. Elk van deze dagen wordt aangewend ten behoeve van commerciële doeleinden. Wanneer men zich hierin oprecht verdiept, ziet iedereen die naar waarheid zoekt dat deze dagen allemaal een heidense oorsprong en betekenis hebben. Hij ziet in dat hij er geen deel aan kan hebben.

Moet de christen van deze tijd het echter zonder jaarlijkse heilige dagen stellen? Heeft God zijn volk, naast de sabbat, nooit jaarlijkse hoogtijdagen gegeven? Zijn de jaarlijkse feestdagen van het oude Rome niet louter vervalsingen van Gods ware heilige dagen, evenals de zondag een vervalsing van de ware sabbat is?

Vooroordelen afleggen

Laten wij in oprechtheid onze bijbel openen en, biddend om inzicht, deze zaak onderzoeken. Ons wordt gezegd Gods wil te bestuderen — niet erover te argumenteren, maar, teneinde ons welbeproefd ten dienste van God te stellen, Gods wil te leren kennen. Als christen wordt ons geboden in zowel kennis als genade toe te nemen (2 Petrus 3:18). De gehele Bijbel is door God geïnspireerd en is nuttig om ons te corrigeren en terecht te wijzen, waar wij, door veronderstellingen, door valse leer of door vooroordelen, hebben gedwaald.

De meeste mensen nemen aan dat alle jaarlijkse sabbatten en feestdagen van het volk Israël zijn afgeschaft. De kerkgeschiedenis toont echter aan dat de vroege ware Kerk, gedurende meer dan vierhonderd jaar — zo niet veel langer — na de opstanding van Christus, deze door God ingestelde jaarlijkse heilige dagen bleef houden en gedenken!

En zoals iedereen die gewoon is de zondag te vieren, de neiging heeft elk argument voor het houden van de wekelijkse sabbat bevooroordeeld — als een ketterij — te beschouwen, en ieder argument alleen met de negatieve instelling het te weerleggen onderzoekt, evenzo is het menselijk, heel natuurlijk voor ons om, indien wij er niet voor op onze hoede zijn, ieder onderzoek van deze jaarlijkse sabbatten in dezelfde geest van vooroordeel te benaderen.

Vergeet niet: "Wie antwoord geeft, voordat hij hoort, die is het tot dwaasheid en smaad" (Spreuken 18:13).

Laten wij daarom in bereidwillige onderwerping aan God en zijn wil, met een hart dat vrij is van vooroordeel, en met een open geest, die meer naar waarheid dan naar onze eigen wegen verlangt, en met ontzag voor het heilige Woord van God, Hem nederig om de leiding van zijn heilige Geest vragen. En laten wij in deze gelovige, nederige, en bereidwillige houding dit onderwerp nauwgezet en bedachtzaam bestuderen — en alles bewijzen.

Lees dit tweemaal

Laten wij ook waarschuwen dat er beslist tegenwerpingen zullen opkomen; deze zullen alle later worden behandeld en verklaard. Maar mits de lezer ervoor op zijn hoede is zal de loutere aanwezigheid van zo'n tegenwerping in zijn gedachten voor hem ieder punt dat wordt aangevoerd omverwerpen. En als dan later de tegenwerpingen worden verklaard, komen de aangevoerde punten niet in zijn gedachten terug, tenzij de hele uiteenzetting van het onderwerp nogmaals vanaf het begin nauwkeurig wordt bestudeerd.

In al die gevallen zal een tegenwerping een der argumenten zijn waarmee zondagspredikers pogen de waarheid van de wekelijkse sabbat omver te werpen! Want de wekelijkse sabbat en de jaarlijkse sabbatten staan of vallen tezamen. De argumenten die tegen de jaarlijkse sabbatten worden gebruikt, zijn identiek aan de argumenten die gebruikt worden om de wekelijkse sabbat te verwerpen. Zouden deze argumenten steekhoudend zijn, dan zouden ze ook een eind maken aan de wekelijkse sabbat. (Een volledige verklaring, en het bewijs dat het houden van de wekelijkse sabbat voor nieuwtestamentische christenen geldt, wordt gegeven in ons gratis boekje Welke dag is de christelijke sabbat?)

Argumenten als "de jaarlijkse sabbatten zijn een deel van de wet van Mozes", of: "op de jaarlijkse sabbatten werden offeranden gebracht", of: "Kolossenzen 2:16 schaft de jaarlijkse sabbatten af", zijn niet bijbels.

Want de jaarlijkse sabbatten vormden geen deel van de wet van Mozes, maar werden reeds in acht genomen voordat de rituele instellingen, die in de wet van Mozes zijn vervat, werden gegeven. Op de wekelijkse sabbat werden offeranden gebracht, maar dit schaft de sabbat niet af. In feite werden iedere dag van het jaar offeranden gebracht (Numeri 28:3).

Kolossenzen 2:16 betreft niet alleen de jaarlijkse sabbatten, maar tevens de nieuwe maan en de wekelijkse sabbat. Telkens wanneer de Bijbel de uitdrukking "sabbatten" met nieuwe manen en feestdagen gebruikt, heeft dit betrekking op de wekelijkse sabbatten, de nieuwe manen en de jaarlijkse feestdagen of hoogtijden. De "sabbatten" van Kolossenzen 2:16 hebben betrekking op de wekelijkse sabbat. Vergelijk 1 Kronieken 23:31 met 2 Kronieken 2:4; 31:3; Ezra 3:5; Nehemia 10:33 en Ezechiël 46:3. Als door Kolossenzen 2:16 de jaarlijkse hoogtijden worden opgeheven, dan wordt ook de wekelijkse sabbat afgeschaft.

De oudtestamentische Kerk

Wanneer begon de ware Kerk? In Handelingen 7:38 lezen wij dat het volk Israël ten tijde van Mozes de "vergadering in de woestijn" werd genoemd. Het hebreeuwse woord dat in het Oude Testament voor "vergadering" en "gemeente" gebruikt wordt, heeft dezelfde betekenis als het woord "gemeente" (kerk) in het Nieuwe Testament. In de Septuaginta is het hebreeuwse woord voor "vergadering" vertaald als ekklesia; dit is hetzelfde griekse woord dat in het Nieuwe Testament als "gemeente" (kerk) wordt vertaald.

Israël was zowel kerk als staat. Als staat werd het jarenlang door richters bestuurd, terwijl het later een koning had. Maar als vergadering, gemeente of kerk was Israël georganiseerd onder een leider — Mozes, Jozua enz. — en onder de priesters van de stam Levi. De wet van Mozes bevatte die rituele of ceremoniële wetten die, wegens de overtredingen, aan het Oude Verbond waren TOEGEVOEGD — tot aan Christus — om het volk de gewoonte van gehoorzaamheid te leren en in te prenten. Ze bestonden uit spijs- en drankoffers, verscheidene wassingen en andere fysieke verordeningen. Daarbij waren ook slachtoffers, als voorafschaduwing van het offer van Christus.

Vóór de wet van Mozes

In het twaalfde hoofdstuk van Exodus, toen de Israëlieten nog in Egypte waren — lang voordat er enige Wet van Mozes gegeven was, voor de tijd dat God aan Mozes en de Israëlieten openbaarde dat Hij een verbond (het Oude Verbond) met hen wilde sluiten — zien wij dat Gods jaarlijkse heilige dagen in acht werden genomen.

En in het 23e hoofdstuk van Leviticus vinden wij een samenvatting van deze heilige dagen of vaste tijden.

Toen God voor de mens de sabbat maakte, gaf Hij de mens een rustdag met een grote betekenis en een groot doel. Tot zijn gemeente in de woestijn zei God dat de sabbat een verbondsteken tussen Hem en zijn volk was, een teken als een bovennatuurlijk identiteitsbewijs. De sabbat is het teken waardoor wij weten dat Hij God is. Hoe wordt dit ons door dat teken bewezen? "Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt ... en Hij rustte op de zevende dag." De sabbat is een herdenking van de schepping.

En de schepping is het bewijs van het bestaan van God. De schepping identificeert God. De sabbat is een wekelijkse herdenking van de schepping, een wekelijkse herinnering aan Gods scheppingsmacht. Daarom identificeert de sabbat God; wij worden erdoor in erkenning en de juiste aanbidding van de ware God gehouden. Geen andere dag dan de zevende dag van de week kan dit kenteken zijn en deze diepe betekenis hebben. De sabbat werd ingesteld om ons in de ware aanbidding van God te houden.

Het doel der heilige dagen

Toen God zijn Kerk zeven jaarlijkse sabbatten gaf, had Hij in zijn wijsheid daar evenzeer een groot doel mee voor ogen. Ook deze dagen werden ingesteld om Gods kinderen, door begrip van Gods grote plan van behoud, voortdurend in de ware gedachtenis en aanbidding van God te houden. Want deze jaarlijkse dagen stellen de verschillende fasen in Gods plan van de geestelijke schepping voor; ze geven de stadia van Gods handelen aan, en beelden de betekenis ervan uit.

Het gehele verloop van de geestelijke schepping moet ons door deze feestdagen, jaar op jaar, voor ogen worden gehouden. Ze hebben een uiterst belangrijke symboliek en betekenis.

Het is een historisch feit dat ieder volk dat ooit Gods heilige (wekelijkse) sabbat schond, het contact met en de kennis van de ware God heeft verloren, en tot afgodendienst is vervallen. Het enige volk dat Gods sabbat heeft gehouden, heeft als enige de kennis en aanbidding van de ware God behouden — en dat alleen zolang het de sabbat hield. Toen de Israëlieten Gods sabbat begonnen te schenden, begonnen zij afgoden te aanbidden!

Evenzeer zijn wij, omdat wij in deze nieuwtestamentische tijd als volk en als natie Gods jaarlijkse sabbatten niet in acht nemen, zonder kennis van Gods ware plan, dat eruit bestaat Zichzelf te reproduceren.

De zogenaamd christelijke kerken van tegenwoordig begrijpen noch leren wat zonde is; ze leren niet dat de zonde moet worden weggedaan; ze begrijpen niet wat de mens is, wat het doel van het leven is, wat de wedergeboorte is, en wat de inwoning van de heilige Geest is; ze begrijpen niet dat Gods Kerk van vandaag niet tot taak heeft de wereld te bekeren, maar het Evangelie van het Koninkrijk als een getuigenis te verkondigen; dat deze Kerk een leven moet leiden waarin de zonde wordt overwonnen, en tot het einde moet volhouden, en dat de overwinnaars met Christus in zijn Koninkrijk als koningen en priesters zullen regeren.

De kerken van vandaag begrijpen niet dat Christus zal terugkeren, en degenen die de wederkomst wel prediken, begrijpen de betekenis en het doel ervan niet. Zij hebben kennis noch begrip van het goede nieuws van het komende Koninkrijk van God — het enig ware, nieuwtestamentische, bijbelse Evangelie.

Daar zij deze essentiële fasen in het ware scheppingsplan niet begrijpen, leren de christelijke kerken dat de wet is afgeschaft. Zij onderwijzen de heidense doctrine van de onsterfelijkheid van de ziel, dat men na de dood onmiddellijk naar de hemel of de hel gaat — en zij leren dat de dood slechts een andere vorm van leven is.

Wat een verwarring!

God gebood zijn feesten — heilige dagen of jaarlijkse sabbatten — jaar op jaar en voor eeuwig te houden. Wij vragen de lezer zijn geest open te houden, want wij zullen bewijzen dat voor eeuwig, in dit geval, voor eeuwig betekent!

Op deze wijze wil God de waarheden die door deze "grote" sabbatten worden uitgebeeld, zijn kinderen van alle tijden inprenten en zijn Kerk in de ware kennis van zijn plan houden!

Het Pascha en de Dagen der Ongezuurde Broden

De meeste kerken leren dat Christus het Plan van Verlossing voltooide toen Hij werd gekruisigd. De dood van Christus was echter de allereerste gebeurtenis in Gods grote plan voor de regeneratie van de mens. Wij zien de werking van dit grote offer reeds uitgebeeld in de hof van Eden, toen God een lam of een geit doodde om de naaktheid (een type van zonde) van Adam en Eva met huiden te bedekken. Wij treffen deze werking ook aan toen Abel een lam offerde. Zo is het Pascha de eerste van deze gebeurtenissen die jaar op jaar voor Gods kinderen zijn grote plan uitbeelden.

Laten wij dit goed begrijpen.

Egypte is een zinnebeeld van zonde. Evenals Gods volk zich vandaag in "Babylon" bevindt, en spoedig, nadat God zijn plagen over Babylon zal hebben uitgegoten, bevrijd zal worden, zo bevond Israël zich eens in Egypte en werd bevrijd nadat God over dat land plagen had uitgegoten.

Evenals de belijdende christenen misleid zijn en geen kennis hebben van de werkelijke tijd, van Gods dagen en van de ware godsdienst, zo was het met het volk Israël in Egypte.

Meer dan twee eeuwen lang hadden de Israëlieten daar in slavernij doorgebracht en onder wrede opzichters dwangarbeid verricht. Er bestond geen Bijbel, geen geschreven Woord van God. Zij mochten God niet dienen zoals Hij had geboden. Zij waren gedwongen zeven dagen per week te werken. Zij hadden zelfs de ware sabbat uit het oog verloren — daarom openbaarde God hun de sabbat in de woestijn Sin (Exodus 16).

Pascha slechts het begin

Gedurende hun verblijf in Egypte was ook het juiste begin van het jaar veranderd.

Toen God zijn volk uit Egypte (zonde) bevrijdde, gaf Hij hun derhalve duidelijkheid wat de tijd betreft. Evenals het begin van ons behoud door Christus' kruisdood werd teweeggebracht, zo zei God: "Deze maand [in het voorjaar] zal u het begin der maanden zijn" (Exodus 12:2).

Enkele mensen houden het begin van Gods feesten van behoud door het Pascha in acht te nemen, maar zij gaan nooit verder naar de kennis van de "diepte van rijkdom" van Gods genade, die door de daaropvolgende feesten wordt uitgebeeld. Christus is niet alleen de bewerker, of de beginner, maar tevens de afwerker van ons behoud!

Op de tiende dag van de eerste maand werd de Israëlieten geboden een gaaf lam uit te kiezen. Zij hielden dat apart tot de 14e dag van diezelfde eerste maand — niet langer. In de avondschemering, letterlijk "tussen de twee avonden" — tussen zonsondergang en duister — werd dit paschalam geslacht.

Dit was op, niet na, de 14e dag. Zij vergoten het bloed van het lam, dat het toekomstige offer van Christus symboliseerde. Zij aten het vlees ervan in diezelfde nacht. Te middernacht kwam de engel des doods, die evenwel ieder huis waar het bloed aan de deurposten gestreken was, passeerde en oversloeg.

Op dit punt gekomen moeten wij achtslaan op enkele zeer belangrijke bijzonderheden, die ons misschien niet eerder zijn opgevallen. Deze bewijzen dat het Pascha op de 14e, niet op de 15e, moet worden gehouden.

Pascha op de 14e, niet op de 15e Abib

Sla nu Exodus 12 op. Volgens vers 6 moesten de Israëlieten het lam in de avondschemering slachten. Vers 8: zij zullen het vlees in diezelfde nacht eten, nog steeds de 14e. Vers 9 tot 11 geeft een beschrijving van hoe het gebraden en gegeten moet worden, nog steeds in diezelfde nacht van de 14e. Vers 12: "Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen ... in het land Egypte slaan" — nog altijd dezelfde nacht: de 14e.

Let nu goed op de passage die met vers 21 begint. Hier volgen nadere aanwijzingen voor het met bloed bestrijken van de deurposten; het tijdstip hiervoor was, zoals reeds uiteengezet, de nacht van de 14e. Let goed op vers 22: " ... [gij zult] van het bloed in die schaal strijken aan de bovendorpel en aan de beide deurposten; niemand van u zal de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen." Niemand was toegestaan die nacht zijn huis te verlaten. Tot aan de volgende morgen bleven zij binnenshuis! Zij bleven de gehele nacht binnen!

Vervolg nu met vers 29. Te middernacht (de 14e) sloeg God de eerstgeborenen van Egypte. Vers 30: Farao stond des nachts op. Dit was uiteraard nadat de engel des doods te middernacht voorbijgegaan was, na middernacht dus.

Hij liet Mozes en Aäron bij zich brengen. Dit moet enige tijd in beslag hebben genomen, maar het gebeurde nog dezelfde nacht. Vers 33: de Egyptenaren drongen er bij de Israëlieten op aan te vertrekken. Vers 35: de Israëlieten vroegen van de Egyptenaren zilver, goud en kleren, en beroofden de Egyptenaren. Dit nam ongetwijfeld verscheidene uren in beslag. De Israëlieten woonden in het land Gosen, afgescheiden van de Egyptenaren. Daar het de Israëlieten verboden was hun huizen tot de morgen te verlaten, vonden dit beroven en opvorderen dus op de 14e overdag plaats.

Uittocht 24 uur na het Pascha

Maar — let op dit uiterst belangrijke punt — eerst in de daaropvolgende nacht trokken de Israëlieten uit Egypte weg, d.w.z. op de 15e Abib! Zie vers 41 tot 42: "En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des Heren uit het land Egypte. Een nacht van waken was dit voor de Here, om hen uit het land Egypte te leiden. Dit is de nacht van waken ter ere van de Here voor alle Israëlieten in hun geslachten." In welke nacht moest worden gewaakt? De nacht dat zij uit Egypte trokken. Zij gingen niet overdag uit Egypte, maar nadat de 14e Abib was geëindigd — na zonsondergang — op de 15e Abib! En deze nacht, de 15e, moet worden herdacht. (Vanaf vers 43 wordt weer naar het Pascha, de 14e dag, verwezen.)

Sla nu Deuteronomium 16:1 op: "Neem de maand Abib in acht en vier het Pascha ter ere van de Here, uw God, want in de maand Abib heeft de Here, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid." De Israëlieten trokken pas uit Egypte toen het nacht was, en deze nacht was de 15e, niet de 14e.

Verder bewijs vinden wij in Numeri 33:3: "Zij braken op van Rameses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren."

Daar staat het in duidelijke taal.

Nu geloven sommige mensen dat de Israëlieten het lam doodden op de 14e tussen 12 uur 's middags en zonsondergang (om omstreeks 3 uur, in de middag, tegen het einde van de dag), dat zij het in die nacht aten — de nacht van de 15e (en men beweert dan dat dat het ogenblik is waarop het Pascha werd gegeten, en waarop wij het nu behoren te gebruiken), en dat zij vervolgens, nog in diezelfde nacht, uit Egypte vertrokken. Deze theorie is echter niet waterdicht, gelet op alle voorgaande teksten en de rest van Exodus 12.

De Israëlieten mochten die nacht na het eten van het lam hun huis niet verlaten. Zij bleven dus in hun eigen huis — in het land Gosen — tot het dag werd. Toen gingen zij naar hun Egyptische buren en beroofden hen. Er waren verscheidene miljoenen Israëlieten. Het kostte tijd om hen op de hoogte te stellen. En het kostte tijd om dit allemaal te doen. Zij konden het niet doen na middernacht, toen Farao opstond, en nog diezelfde nacht uit Egypte wegtrekken. De Israëlieten waren immers die hele nacht in Gosen in hun eigen huis. Exodus 12:10 bewijst dit. Wat er van het gebraden lam ongegeten bleef, moest 's morgens met vuur worden verbrand. Dat toont aan dat zij tot aan de ochtend binnenshuis bleven.

Zij verlieten Egypte pas nadat die dag was geëindigd nadat de nacht weer was ingevallen, gedurende het nachtelijke deel van de 15e.

Op de 14e, niet erna

Sla nu in verband met nog een belangrijk punt Numeri 28:16-17 op. "En in de eerste maand, OP de veertiende dag der maand [niet ERNA], zal het Pascha voor de Here zijn. Op de vijftiende dag [niet ervoor] dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten."

In Leviticus 23:5-6 staat hetzelfde: het Pascha wordt niet op de 15e, maar op de 14e gehouden. "Op de" is niet nadat de dag is afgelopen. Let er bovendien op dat het feest dat hier wordt genoemd, niet op de 14e gevierd wordt (hoewel het Pascha elders een feest genoemd wordt), maar op de 15e. De zeven dagen durende periode begint met de 15e. De 15e is de eerste dag van de zeven dagen der ongezuurde broden.

Daar evenwel gedurende de 14e dag alle zuurdesem uit de huizen werd verwijderd, werd in nieuwtestamentische tijden de 14e een van de dagen der ongezuurde broden genoemd. Maar dan zijn er dus 8 dagen besloten in de term "dagen der ongezuurde broden". De gehele achtdaagse periode wordt, volgens nieuwtestamentisch gebruik, soms ook "Pascha" genoemd.

De zevendaagse periode begint evenwel op de 15e, nadat de 14e, of het Pascha, voorbij is.

De 14e dag is het Pascha. Het is de eerste van Gods feestdagen. Het is echter niet het "feest" dat in Numeri 28:17 wordt genoemd. Dat feest valt op de vijftiende dag. Laten wij deze onderscheiding scherp in gedachten houden. De VIJFTIENDE dag is het FEEST — de 14e is het Pascha. De feestdag begint nadat het Pascha is geëindigd.

Laten wij nu, met deze feiten goed in gedachten, teruggaan naar Exodus 12:14-16: "En deze dag zal u een gedenkdag zijn, gij zult hem vieren als een feest voor de Here; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren. Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten ... Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben."

Welke dag wordt als gedenkdag ingesteld, ter herdenking van iets in het verleden, niet in de toekomst, een feest dat voor altijd moet worden gevierd? De 15e Abib, niet de 14e, niet het Pascha!

De 15e Abib is de feestdag, en moet voor eeuwig als een sabbat met een heilige samenkomst worden herdacht! Zeven dagen zijn eronder begrepen, en wij hebben aangetoond dat de zevendaagse periode op de 15e begint, nadat het Pascha voorbij is. "Op de veertiende dag zal het Pascha zijn. Op de vijftiende dag zal er een feest zijn; zeven dagen lang."

Velen hebben altijd gedacht dat de laatste dag waarvan hier sprake is het Pascha is, ofwel de 14e. Maar dat is niet het geval: het gaat hier over de 15e dag.

Voor deze dag nu, de 15e van de eerste maand, wordt een heilige samenkomst voorgeschreven, een godsdienstige bijeenkomst. Op de wekelijkse sabbat vindt een heilige bijeenkomst plaats. Zo ook op de 15e Abib. Op Gods gezag wordt ons geboden aanwezig te zijn. Maar laten wij verder gaan.

Vers 16: "Zowel op de eerste [van de zeven, de 15e Abib] als op de zevende dag [de 21e Abib] zult gij een heilige samenkomst hebben ... Onderhoudt dan het feest der ongezuurde broden, want op deze zelfde dag [de vijftiende Abib] leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte. Daarom moet gij deze dag [de vijftiende, niet de 14e] onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting" (Exodus 12:16-17).

Daar staat het! Voordat de ceremoniële Wet van Mozes er was! De dag die voor altijd als sabbat met een heilige samenkomst is ingesteld, is de feestdag, dezelfde dag als waarop de Israëlieten uit Egypte trokken. En dat was op de 15e Abib, niet op de 14e (Numeri 33:3).

Deze dag is een herdenkingsdag, geen heenwijzing naar het kruis, maar een herdenkingsdag van de bevrijding uit Egypte, wat voor ons de bevrijding uit de zonde symboliseert!

Deze dag moet ons er voortdurend aan herinneren dat wij, nadat onze zonden door het bloed van Christus zijn vergeven (gesymboliseerd door de 14e Abib), hier niet moeten stilhouden en in de zonde blijven, maar dat wij uit de zonde moeten komen! Waarom zouden wij de 14e onderhouden, die de vergeving van begane zonden uitbeeldt, en dan weigeren verder te gaan met het feest der ongezuurde broden dat het verlaten van de zonde uitbeeldt? De zeven dagen van ongezuurde broden beelden het volledig wegdoen van de zonde uit, of, met andere woorden, het houden van de Geboden!

Niet afgeschaft met het Oude Verbond

De dagen der ongezuurde broden vormen een periode met twee grote sabbatten. Deze periode werd voor eeuwig ingesteld, toen de Israëlieten nog in Egypte waren, en voordat er ook maar één woord van de ceremoniële Wet van Mozes was gegeven of geschreven — voordat God zelfs het Oude Verbond had voorgesteld!

Wat de wet van Mozes en het Oude Verbond niet brachten of instelden, kan er evenmin mee worden afgeschaft!

Dit alleen al bewijst dat de heilige dagen, inclusief de zeven dagen der ongezuurde broden, vandaag en voor altijd bindend zijn!

Als deze teksten op de vijftiende van toepassing zijn, niet op de 14e, zoals beslist het geval is en hier afdoende is bewezen, is dan het Pascha wel voor altijd ingesteld? Zeer beslist! De zojuist aangehaalde teksten hebben echter betrekking op het feest, niet op het Pascha. In de passage die met Exodus 12:21 begint, wordt weer naar het Pascha verwezen, en vers 24 bevestigt dat het voor eeuwig is ingesteld!

Doel van het feest

Laten wij nu evenwel de volledige betekenis in ogenschouw nemen. Waarom heeft God deze feestdagen ingesteld? Wat was zijn grote doel ermee? Sla Exodus 13:3 op: "Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt." Dat was de 15e Abib. Vers 6: "Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feest voor de Here zijn ... Dit is ter wille van wat de Here mij heeft gedaan" — een HERDENKING — "Het zal u zijn als een teken" — d.w.z. het heeft tevens een betekenis aangaande de toekomst — "op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen" — het heeft dus te maken met zowel het doen als het denken — waarom? — "opdat de wet des Heren in uw mond zij ... Gij zult deze inzetting onderhouden."

Ziet u de prachtige betekenis? Begrijpt u de ware zin van dit alles? Ziet u Gods doel? Het Pascha is alleen een afbeelding van de dood van Christus voor de vergeving van de zonden die tevoren waren begaan (Romeinen 3:25). Het aanvaarden van zijn bloed vergeeft niet de zonden die wij later zouden kunnen begaan; het is geen machtiging om in zonde verder te leven. Daarom worden ons, als wij dit bloed aanvaarden, slechts die zonden vergeven die wij tot op dat tijdstip hebben begaan.

Zullen wij echter, nadat alleen onze vroegere zonden zijn vergeven, daar blijven staan? Wij zijn nog steeds fysieke mensen. Steeds zullen wij aan verzoekingen blootstaan. De zonde had ons in zijn greep; wij waren slaven van de zonde en geheel in de macht ervan. Van onszelf zijn wij machteloos ons daarvan te bevrijden. Laten wij dus het beeld — de betekenis — begrijpen.

Zonde volledig opgeven

In hoeverre moeten wij de zonde wegdoen? Gedeeltelijk? Nee, volledig! Zuurdesem is een zinnebeeld van zonde (1 Korinthe 5:8). Zuurdesem blaast op, en zonde doet dat eveneens. Aangezien God het getal zeven gebruikt om volledigheid te symboliseren, moeten wij na het Pascha zeven dagen van ongezuurd brood in acht nemen!

Het beeld — de betekenis — het symbool is met het Pascha alleen niet volledig. Het Pascha verbeeldt het aanvaarden van Christus' bloed voor de vergeving van vroegere zonden. Het verbeeldt de gekruisigde, de dode Christus.

Moeten wij Christus symbolisch aan het kruis laten hangen? De zeven dagen der ongezuurde broden die op het Pascha volgen, verbeelden voor ons het volledig wegdoen van de zonde, het houden van de Geboden, nadat onze vroegere zonden zijn vergeven.

Zij verbeelden het leven en het werk van de opgestane Christus, die opvoer naar Gods troon, waar Hij nu ten gunste van ons actief werkzaam is als onze Hogepriester, die ons van de zonde reinigt — en die ons volledig uit haar macht bevrijdt!

Alleen het Pascha houden, maar vervolgens niet de zeven dagen der ongezuurde broden in acht nemen, betekent, in deze symboliek, het aanvaarden van het bloed van Christus, maar vervolgens in zonde blijven leven — het betekent te zeggen, ten onrechte, dat de wet heeft afgedaan, dat wij onder de genade zijn, wat betekent dat wij gemachtigd zouden zijn te blijven zondigen!

De zeven dagen van het feest der ongezuurde broden verbeelden het houden van de Geboden, wat betekent dat de zonde moet worden afgelegd.

De leden van Gods ware Kerk moeten deze feestdagen, waarvan de eerste een herdenking is die de bevrijding uit de zonde verbeeldt, in hun rechterhand en aan hun voorhoofd dragen, als teken van God, opdat zij zijn geboden onderhouden. En daar het voorhoofd de zetel van het verstand is, en aanvaarding symboliseert, en de rechterhand het doen symboliseert, dragen wij dit teken aan het voorhoofd als wij deze waarheid over de heilige dagen en de dagen der ongezuurde broden aanvaarden, en in de rechterhand als wij op deze heilige dagen NIET WERKEN! Niet alleen de wekelijkse sabbat is Gods teken (Exodus 31:12-17), ook de jaarlijkse sabbatten zijn tekens!

Zie eens hoe prachtig deze instelling het plan van verlossing uitbeeldt. Ik herinner me hoe eens, op de tweede van deze sabbatten, de 21e Abib, een vrouw vertelde dat zij gedurende de dagen der ongezuurde broden een halve snee gegist brood achter enkele dingen in haar huis had gevonden. Zij had het natuurlijk onmiddellijk uit haar huis verwijderd.

Een ander zei dat zij plotseling een half pakje bakpoeder had gevonden, waarvan zij niet wist dat zij het had. Weer een ander vond een snee brood en wat gist. Allen hadden deze dingen, zodra zij ze hadden ontdekt, weggedaan.

Hoe getrouw naar het leven is het beeld! Hoe dikwijls ontdekken wij, nadat wij denken de zonde te hebben afgelegd, niet verborgen zonden of gewoonten waarvan wij niet wisten dat wij ze hadden — of waarvan wij dachten dat wij ze hadden overwonnen? Ze moeten zo spoedig mogelijk worden weggedaan en overwonnen.

Het volmaakte beeld

Maar laten wij dit treffende beeld nader bezien. De Israëlieten trokken in de nacht van de 15e Abib uit Egypte; evenzo moeten wij bereidwillig, uit eigen beweging, de zonde achter ons laten zodra wij het bloed van Christus aanvaarden. De Israëlieten begaven zich door eigen kracht op weg — en ook wij moeten zelf de eerste schreden zetten.

Zij waren echter nog niet ver of Farao zette de achtervolging in (Exodus 14:5-7). Als Egypte een zinnebeeld van de zonde is, dan stelt Farao ongetwijfeld Satan voor en het leger van Egypte Satan's demonen.

Zolang Israël in Egypte was, waren zij Farao's slaven, hulpeloos aan zijn opzichters overgeleverd — evenals de zondaar zich in de macht van de duivel bevindt. Toen Israël echter het bloed van het lam aannam, kwam God in actie, en bijgevolg liet Farao Israël vrij. Wanneer wij Christus' bloed aanvaarden, handelt GOD, en de duivel moet ons vrijlaten.

En evenals de Israëlieten uittrokken met een opgeheven hand (Numeri 33:3), in grote uitbundigheid en geestdrift wegens hun bevrijding uit de slavernij, zo begint ook de pasverwekte christen zijn christelijke leven: in de wolken van blijdschap en vreugde. Maar wat gebeurt er?

De duivel en de zonde zetten onmiddellijk de achtervolging in van de pasverwekte zoon van God, en de onervaren christen bevindt zich spoedig in de diepste moedeloosheid, en hij is geneigd het op te geven.

Zie vers 10 (van Exodus 14): zodra de Israëlieten zagen dat een groot leger hen achtervolgde, gaven zij de moed op. Vrees beving hen. Zij begonnen te mopperen en te klagen. Zij zagen in dat het voor hen onmogelijk was aan Farao en zijn leger te ontkomen, omdat hij voor hen te machtig was. Zij waren hulpeloos. Zo is het ook met ons.

Eigen kracht ontoereikend!

Maar lees nu eens wat God de Israëlieten door Mozes liet weten (vers 13-14): "Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des Heren zien ... want de Egyptenaren ... zult gij nimmermeer zien. De Here zal voor u strijden ..."! Hoe wonderbaarlijk!

Machteloos als wij zijn, wordt ons gezegd standvastig te zijn en te zien hoe God ons zal bevrijden. Hij zal voor ons strijden. Wij kunnen Satan en de zonde niet overwinnen, maar God wel. Het is de opgestane Christus, onze Hogepriester, die ons zal reinigen — die ons zal heiligen, en verlossen — Hij heeft gezegd dat Hij ons nooit zal verlaten!

Wij kunnen de geboden niet uit eigen kracht houden, maar Christus IN ONS kan dat wel! Wij moeten in geloof op Hem vertrouwen.

Let nu op vers 19. De engel die steeds was voorgegaan, om de Israëlieten de weg te wijzen, begaf zich nu achter hen en plaatste zich tussen hen en hun vijand om hen te beschermen. Vervolgens scheidde God het water van de Rode Zee. "Zo gingen de Israëlieten in het midden der zee op het droge; terwijl rechts en links de wateren voor hen waren als een muur" (vers 22). In Jesaja 55:1 en Johannes 7:37-39 is water een symbool van de heilige Geest.

De "levende wateren" van God zijn voor ons een muur aan onze rechter- en linkerzijde, waardoor wij op het juiste pad worden geleid, waardoor het pad wordt gemaakt en waardoor wij worden beschermd. Toen echter Farao en zijn leger probeerden Israël op deze door God gecreëerde weg te volgen, werden zij door dezelfde wateren volledig overdekt, evenals de heilige Geest onze zonden wegneemt en overdekt, en de Israëlieten zagen hen niet meer! Wat een prachtig beeld!

Oorspronkelijk geen offeranden

Zo zien wij dat zowel het feest der ongezuurde broden als het Pascha voor eeuwig zijn ingesteld, vóór het Oude Verbond. Laten wij hierin consequent blijven. Degenen die beweren dat deze feestdagen deel uitmaken van de Wet van Mozes, antwoorden wij dat ze reeds vóór de Wet van Mozes bestonden, dat ze in het Nieuwe Testament zijn overgedragen, en dat ze daarom vandaag bindend zijn.

Let er speciaal op dat er oorspronkelijk op deze dagen geen slachtoffers werden gebracht, en evenmin spijs- en drankoffers. Zie Jeremia 7:22-23. Deze dagen werden niet ingesteld met de bedoeling offeranden te brengen, zoals sommige mensen ten onrechte veronderstellen. Deze heilige dagen zijn gedenkdagen, en worden tweemaal ondubbelzinnig zo genoemd. Waar vinden wij in duidelijke taal dat de sabbat een gedenkdag wordt genoemd? (Zie ook Leviticus 23:24; Statenvert. en Leidse Vert.)

Ook de sabbat bestond reeds vóór de wet van Mozes. Hij was door God geheiligd voordat de Mozaïsche wet werd gegeven.

Toen de Wet van Mozes kwam, met haar slacht-, spijs- en drankoffers, werden deze offeranden ingesteld, en ze moesten tijdelijk — tot Christus — worden gehouden, sommige dagelijks, andere op de wekelijkse sabbat, weer andere op de eerste van elke maand, en nog weer andere op elk van de jaarlijkse heilige dagen.

Houd evenwel goed dit feit voor ogen: waar deze offeranden worden ingesteld voor de heilige dagen, worden ze tevens ingesteld voor de wekelijkse sabbat. Dezelfde hoofdstukken in de Wet van Mozes die ze aan de jaarlijkse dagen toevoegen, voegen ze tevens toe aan de wekelijkse dagen.

Het argument, dat met het afschaffen van de offeranden ook de dagen afgeschaft zijn waarop deze offeranden werden gebracht, is eveneens van toepassing op de wekelijkse sabbat! Als het een wordt afgeschaft, wordt ook het ander afgeschaft. Zondagspredikers beweren inderdaad dat met deze offeranden de sabbat werd afgeschaft. Wij ontkennen dit — waarom? De sabbat bestond reeds voordat deze offeranden werden toegevoegd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse heilige dagen! Ook deze bestonden reeds vóór de rituele wet van Mozes!

Offeranden op de wekelijkse sabbat

In Numeri 28 worden eerst de dagelijkse vuuroffers beschreven, de morgen- en avondofferanden. Ten tweede, in vers 9-10, de brandoffers en het drankoffer op elke sabbat. Ten derde, vers 11-15, de offers op de nieuwe manen. Tenslotte, vers 16 tot het eind van hoofdstuk 29, de offers op de jaarlijkse heilige dagen.

Nu weten wij dat deze spijs- en drankoffers als brandoffers symbolisch waren, en werden afgeschaft. Maar zijn daarmee de zeven weekdagen afgeschaft? Werd de wekelijkse sabbat ermee afgeschaft? Werd de eerste dag van iedere maand afgeschaft? Niet in de ogen van God. Dan zijn evenmin de jaarlijkse heilige dagen van God afgeschaft!

De offeranden waren symbolisch, en zij kwamen en gingen met de Wet van Mozes. Maar de dagen waarop ze werden gebracht waren niet symbolisch, kwamen niet met de Wet van Mozes, en verdwenen er evenmin mee.

De dagen zijn voor altijd bindend! Evenals de sabbat een gedenkdag is, zijn de jaarlijkse heilige dagen dat!

In het Nieuwe Testament geboden

En nu zullen wij in het Nieuwe Testament een gebod tonen dat de jaarlijkse heilige dagen moeten worden gehouden, teksten die nog duidelijker en direkter zijn dan de teksten die wij voor de wekelijkse sabbat kunnen vinden.

Sla nogmaals Numeri 28:16-17 op: "En in de eerste maand, OP de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de Here zijn. Op de vijftiende dag dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten."

Dit feest was dus niet op de 14e, maar op de 15e. Het Pascha, waarop het lam geslacht werd, was op de 14e. Op de 14e overdag trof men de toebereidselen voor het feest (Mattheüs 27:62; Markus 15:42; Lukas 23:54; Johannes 19:14). Let erop dat de Joden hun pascha volgens de traditie der oudsten een dag later vierden (Johannes 18:28).

Laten wij dit punt grondig in onze gedachten prenten, want indien dit waar is, zoals het is, dan zijn al deze dagen voor ons nog altijd bindend, op gezag van zowel het Nieuwe Testament als het Oude Testament.

Let op Mattheüs 26:5. De overpriesters en schriftgeleerden die samenzweerden om Jezus te doden, zeiden: "Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het volk." Zij haastten zich, zodat zij Hem de dag voor het feest, op de 14e Abib (Nisan), konden grijpen en doden.

In Markus 14:2 staat hetzelfde. Voor een doorslaggevend bewijs dat de feestdag na het Pascha kwam, en dat het een grote sabbatdag was — de dag nadat Jezus was gekruisigd, zie Johannes 13:29: "Want sommigen meenden, dat Jezus, omdat Judas de kas hield, tot hem zeide: Koop wat wij nodig hebben voor het feest." Dit bewijst afdoende dat het feest de volgende dag was, de 15e Abib (Nisan), zoals al deze teksten bevestigen. Voor meer informatie over dit essentiële onderwerp kunt u ons schrijven om ons gratis boekje De opstanding was niet op zondag.

Laten wij nu nauwkeurig 1 Korinthe 5:7-8 bestuderen. De kerken hebben deze tekst op het Pascha toegepast. Merk op dat dat er helemaal niet staat. Laten wij deze tekst zonder enige vooringenomenheid bestuderen en zien wat er wel staat.

"Want ook ons [pascha] is geslacht: Christus. LATEN WIJ derhalve [HET] FEEST VIEREN ... " Let hier goed op. Omdat Christus, ons Pascha, is geslacht, moeten wij, die in de tijd van het Nieuwe Testament leven — Christus is immers gestorven — het feest houden. Welk feest? Niet het Pascha; dat werd op de 14e Abib (Nisan) gevierd. Maar laten wij feestvieren op de 15e! De grote sabbat van Johannes 19:31! De jaarlijkse heilige dag. In wijdere zin hield het feest alle zeven dagen der ongezuurde broden in, inclusief de tweede heilige dag, of sabbat, op de 21e Abib (Nisan). Wij kunnen hier niet omheen, als wij ons aan God en zijn Woord willen onderwerpen! In duidelijke taal staat in het Nieuwe Testament: laten wij, omdat Christus werd gekruisigd, het feest houden! Op de 14e is het Pascha, maar op de 15e dag van dezelfde maand is het feest! Laten wij deze tekst niet langer op het Pascha toepassen; er staat immers "feest".

Dagen der Ongezuurde Broden door Paulus en de nieuwtestamentische Kerk gehouden

In het Nieuwe Testament is getrouw vastgelegd dat de Kerk, gedurende de periode dat haar geschiedenis is beschreven, deze dagen hield!

Handelingen 20:6: "Maar wij voeren na de dagen der ongezuurde broden van Filippi af ..." Paulus en zijn metgezellen hadden kennelijk te Filippi de dagen der ongezuurde broden gehouden. Anders had de heilige Geest dergelijke woorden nooit geïnspireerd.

Zie ook Handelingen 12:3-4: "Nu waren het de dagen der ongezuurde broden." Waarom zou dit opgetekend worden als deze dagen in Gods ogen hadden opgehouden te bestaan?

Bedenk dat hier niet iemand aan het woord is die onbekend is met wat er werd "afgeschaft". Het is de Almachtige God die dit, door de inspiratie van de heilige Geest, zegt, jaren na de kruisiging. De dagen der ongezuurde broden bestonden nog steeds, anders had de heilige Geest niet de woorden "nu waren het de dagen der ongezuurde broden" geïnspireerd.

Hoofdstuk twee

WAT U OVER PINKSTEREN MOET WETEN

Is DIT de enige "dag des heils"? De meeste kerken leren in het algemeen dat iedereen die "niet behouden" sterft, nooit behoud zal kunnen ontvangen.

Zij gaan er daarbij vanuit dat er een grote strijd tussen Christus en Satan gaande is. Zij geloven dat Christus kwam om de wereld te behouden, en dat Hij nu, door middel van al deze kerken, in een wanhopige poging is verwikkeld "de wereld te behouden".

Anderzijds doet de handige bedrieglijke duivel zijn uiterste best om te voorkomen dat de mensen worden "behouden". En men schijnt te geloven dat er aan deze strijd een tijdslimiet is verbonden.

Wij naderen nu de tijd van de wederkomst van Christus, maar als Christus naar de aarde terugkeert, zal Hij hulpeloos zijn — volkomen machteloos om de wereld uit de greep van Satan te redden — want het zal dan "te laat" zijn.

Deze heidense leer stelt het voor alsof Satan veel machtiger is dan God.

Het antwoord geopenbaard

De nieuwtestamentische Kerk van God werd gesticht op een zondag, op de jaarlijkse sabbat die "Pinksteren", de "dag der eerstelingen", het "feest van de oogst" of het "feest der weken" wordt genoemd.

De nieuwtestamentische Kerk bleef jaar op jaar deze jaarlijkse sabbat, het Pinksterfeest, houden, zoals wij zullen aantonen.

God gaf dit feest aan zijn volk om hun bekend te maken en hen er voortdurend aan te herinneren dat het huidige tijdperk slechts de "oogst der eerstelingen" vertegenwoordigt.

Zoals eerder uiteengezet was God van plan, door zijn Kerk deze jaarlijkse heilige dagen te geven, zijn kinderen voortdurend in de ware kennis van zijn grote plan te houden.

Daartoe gebruikte God de oogstseizoenen in het oude Israël als een zinnebeeld van de geestelijke "oogst van zielen".

In het Heilige Land werd tweemaal per jaar geoogst. Ten eerste was er de voorjaarsoogst, en ten tweede de najaarsoogst. God wilde met zijn heilige dagen voor zijn Kerk jaar op jaar het feit uitbeelden dat alleen degenen die Hij zelf in dit tijdsbestek roept, reeds nu zijn verwekte kinderen kunnen worden! Maar wij zijn slechts de eerstelingen van de grote geestelijke oogst!

De garf van het beweegoffer

Maar laten wij verder gaan in het hoofdstuk waarin alle heilige dagen worden samengevat: Leviticus 23.

Hier vinden wij al Gods feesten, die tot heilige samenkomsten zijn uitgeroepen, in één hoofdstuk. Eerst wordt de wekelijkse samenroeping, de sabbat, de zevende dag van de week, genoemd. Dan, beginnend met vers 4, volgt een opsomming van de jaarlijkse feesten, eveneens verplichte samenkomsten "die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd".

De eerste hiervan is het Pascha, gevolgd door de dagen der ongezuurde broden met de twee jaarlijkse sabbatten. Vanaf vers 9 vinden wij instructies voor het brengen van een garf der eerstelingen.

Het was de Israëlieten niet toegestaan vóór deze dag ook maar iets van het graan van hun voorjaarsoogst te oogsten (vers 14). Op de dag die op de wekelijkse sabbat volgde, werd tijdens een plechtige ceremonie door de levitische priesters (deze levitische rituelen waren slechts zinnebeelden en worden daarom tegenwoordig niet meer uitgevoerd) het eerste graan gemaaid dat, in een schoof gebonden, naar de priester werd gebracht. De priester bewoog deze schoof plechtig voor God heen en weer, opdat die voor het volk zou worden aangenomen.

Dit beeldt de opgestane Christus uit, die naar de hemel ging om door zijn Vader te worden aanvaard als de allereerste mens die daadwerkelijk uit God werd geboren: de eersteling van de eerste oogst van zielen! Door Johannes 20:17 met Mattheüs 28:9 te vergelijken, zult u zien dat Christus op de morgen na zijn opstanding, die in de late namiddag van de vorige dag had plaatsgevonden, zich aan de Vader presenteerde (1 Korinthe 15:20, 23; Romeinen 8:29; Kolossenzen 1:15, 18). De vervulling van het beweegoffer vond plaats op een zondag, de dag na de sabbat gedurende de dagen der ongezuurde broden.

Hoe Pinksteren wordt uitgerekend

Het volgende jaarlijkse feest is Pinksteren. Het woord 'pinksteren', dat alleen in het Nieuwe Testament voorkomt, komt van het griekse woord pentekoste, dat de "vijftigste (dag)" betekent. In het Oude Testament wordt dit feest het "feest der eerstelingen" of het "feest der weken" genoemd.

Lees nu de duidelijke voorschriften ervoor die in Leviticus 23:15 beginnen: "Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van [vanaf, of beginnend met] de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen." Die vijftigste dag is de Pinksterdag.

"Op deze zelfde dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten" (vers 21).

Alle andere heilige dagen of hoogtijdagen vallen op bepaalde dagen van bepaalde maanden. Deze ene jaarlijkse sabbat moet evenwel door tellen worden vastgesteld. Het is heel eenvoudig en gemakkelijk.

Het is uiterst belangrijk dat wij de juiste dag berekenen. Deze dag, en deze alleen, wordt door de eeuwige Schepper geheiligd. Stel u voor dat, toen de Kerk van God zou worden opgericht, de apostelen zich hadden verrekend, en "toen de Pinksterdag aanbrak" (Handelingen 2:1), in plaats van allen eendrachtig op één plaats bijeen te komen, sommige van hen de voorgaande dag hadden gehouden, en anderen tot de volgende dag hadden gewacht!

De Farizeeën, die tegen het midden van de eerste eeuw de joodse religieuze gebruiken geheel onder hun toezicht hadden gebracht, berekenden de dag abusievelijk vanaf de eerste jaarlijkse sabbat.

Voor die tijd hadden de hogepriesters uit de familie van Boethus, die Sadduceeën waren, het toezicht over alles wat met de feestdagen in Jeruzalem samenhing. Deze Boethusianen telden altijd van de dag na de wekelijkse sabbat, de dag die wij zaterdag noemen, die meestal gedurende de dagen der ongezuurde broden viel of direct voor de eerste dag der ongezuurde broden. Deze geschiedkundige informatie is in de, rond 200 n.Chr. opgetekende, Misjna voor ons bewaard gebleven:

"De Boethusianen zeggen: 'Het afmaaien van de schoof vindt niet plaats aan het eind van de feestdag [de eerste dag van de zeven dagen der ongezuurde broden], maar alleen aan het eind van de eerstvolgende gewone sabbat' " (Menahoth, 10, 3).

Dit gebruik werd generatie op generatie door de priesters overgeleverd. En hun methode van berekenen werd voortgezet zolang de Boethusianen het toezicht over de tempeldienst bleven uitoefenen. De Samaritanen en de Karaïeten (een joodse sekte, daterend van de achtste eeuw n.Chr.) zijn eveneens doorgegaan met tellen vanaf de wekelijkse sabbat, de zevende dag van de week.

Op een zondag

Als wij beginnen te tellen vanaf het brengen van het beweegoffer, met die zondag als eerste dag, komen wij altijd uit op een zondag, maar NIET altijd op dezelfde dag van de maand. Pinksteren moet derhalve ieder jaar opnieuw worden "geteld". Noch met de Hebreeuwse (of bijbelse) kalender, noch met de Romeinse kalender, die tegenwoordig in algemeen gebruik is, kan Pinksteren ooit worden vastgesteld op een vaste dag van de maand.

Sprekend over het juiste gebruik dat in Jeruzalem werd gevolgd, voordat de Farizeeën het toezicht tot zich trokken, verklaart de Misjna: "[De Boethusianen zeggen:] Pinksteren valt altijd op de dag na de sabbat" (Chagigah, 2, 4).

Dit maakt de betekenis van het laatste deel van Leviticus 23:15 en het begin van vers 16 duidelijk: "... zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen."

Deuteronomium 16:9

Een tweede en wellicht eenvoudiger instructie om de Pinksterdag te berekenen staat in Deuteronomium 16:9-10. "Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen te tellen. Dan zult gij het feest der weken [Pinksteren] vieren ..."

Vanwege het tellen van zeven weken werd het feest van Pinksteren ook bekend als "het feest der weken" (Deuteronomium 16:10).

Betekenis van het Pinksterfeest

Het Pascha symboliseert het offer van Christus voor de vergeving van onze zonden, en de dagen der ongezuurde broden symboliseren het "wegdoen" van de zonde. Pinksteren beeldt het eerste gedeelte van de geestelijke oogst uit: het stichten van de Kerk, de uitgeroepenen. De nieuwtestamentische Kerk begon op Pinksteren, zondag 17 juni, 31 n.Chr. Op die dag kwam de heilige Geest om in het vlees te wonen, zoals door Joël was geprofeteerd.

Ten tijde van het Oude Testament werden op de vijftigste dag (de Pinksterdag) twee "beweegbroden" (Leviticus 23:17, 20) uit de woonplaatsen van het volk als eerstelingen voor de Heer gebracht. Evenzo worden de leden van de nieuwtestamentische Kerk uit deze wereld geroepen als eerstelingen van Gods behoud, als vervulling van de betekenis van de beweegbroden.

Wij maken allen, als wij ons hebben bekeerd, deel uit van de nieuwtestamentische Kerk. Wij worden daarmee een deel van wat door de beide beweegbroden werd gesymboliseerd.

Evenals de schoof van het beweegoffer werd opgeheven en heen en weer bewogen, als symbool van de reis naar de hemel en terug van Christus, werden ook de beweegbroden opgeheven en heen en weer bewogen; want ook wij zullen kortstondig de vaste grond onder onze voeten verlaten wanneer wij Christus in de lucht zullen tegemoetgaan (1 Thessalonicenzen 4:16-17), voordat wij met Hem op de Olijfberg zullen terugkeren, vanwaar Hij zijn duizendjarige heerschappij zal aanvangen (Handelingen 1:11; Zacharia 14:3-4).

De meesten nu niet geroepen

God heeft zijn volk Israël niet verstoten, maar Hij heeft hen voor een beperkte tijd verblind, zodat door hun val het behoud tot de heidenen kon komen, die individueel, door Christus, als loten in Israël geënt of geestelijk geadopteerd kunnen worden (Romeinen 11).

Wij leven nu in de periode, waarin God voor zijn naam een volk tot zich roept, dat gedurende duizend jaar als koningen en priesters met Christus in het Koninkrijk zal regeren (Openbaring 5:10).

"Daarna" — na de tijd waarin Hij uit alle naties een volk aanneemt dat zijn naam draagt — "zal Ik wederkeren", belooft de Eeuwige. Waarvoor? "En de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik [Christus, niet de mens] zal haar weder oprichten."

Waarom? "Opdat het overige deel der mensen de Here zoeke" (Handelingen 15:14-17 — bestudeer dit grondig!).

Gedurende deze tegenwoordige periode van de Kerk zijn de afstammelingen van Juda en Israël van de Oudheid verblind. Daarna zal Christus terugkeren, en dan zal de rest van de mensheid — zowel de afstammelingen van het verblinde Israël als de heidenen — de Heer zoeken. Satan zal dan zijn geketend, en Christus zal als Koning der koningen en Heer der heren regeren!

De eerstelingen van Gods behoud, die dan onsterfelijk zullen zijn, zullen met Hem als koningen en priesters regeren en het grootse werk van het opbouwen van een nieuwe beschaving ter hand nemen.

Momenteel is Israël grotendeels verblind, totdat de volheid der heidenen is ingegaan; en dan zal (Romeinen 11:26) geheel Israël van de zonde worden gered; want de Verlosser, Christus, zal uit Sion komen! Hoe zal heel Israël dan tot bekering gebracht en van de zonde gered worden? Doordat Christus de goddeloosheid van het sterfelijke Israël zal afwenden door de zonde te vergeven.

Nu, gedurende de huidige periode, gelooft Israël niet, en de tabernakel van David is vervallen (Romeinen 11:31-32), zodat de genade, die de heidenen en het kleine aantal "uitverkorenen" in Israël hebben ontvangen, d.w.z. zij die in dit tijdperk zijn uitgezocht en die als koningen en priesters met Christus zullen werken, ook Israël dan ten deel zal vallen! Hoe fantastisch is Gods grote plan van verlossing als wij het begrijpen en zien in het licht van deze jaarlijkse heilige dagen!

Slechts de eerste oogst

In Jakobus 1:18 en Romeinen 8:23, bijvoorbeeld, worden de heiligen van dit tijdperk de eerstelingen van Gods behoud genoemd. Dit tijdperk en het uitkiezen van deze mensen die zijn naam dragen, begon op de Pinksterdag. Dit feest verbeeldt jaarlijks deze grote gebeurtenis, dit grote "geheimenis", in Gods verlossingsplan!

Merk bovendien op dat deze feesten — de dagen der ongezuurde broden en Pinksteren — aan het begin van het jaar vallen en dat de grote gebeurtenissen die zij uitbeelden, aan het begin van het plan van behoud plaatsvinden.

De heilige dagen die later in het jaar komen, symboliseren in Gods plan van verlossing allemaal belangrijke gebeurtenissen die in de toekomst, aan het eind van het huidige tijdperk, zullen plaatsvinden. Ze vallen allemaal in de zevende maand, en de vervulling ervan zal het zevende millennium sedert de schepping van de mens inluiden!

De kerken van deze wereld leren dat de Kerk als opdracht heeft de wereld te behouden. Zij leren dat allen die ooit behouden zullen worden, nu, in dit huidige tijdperk, worden behouden. Zij leren dat "de proeftijd EINDIGT" bij, of vóór, de wederkomst van Christus.

Als dit waar was, wat zou Gods plan dan een mislukking zijn! Slechts heel, heel weinig mensen worden tijdens dit tijdperk werkelijk "behouden". Een derde van alle mensen die thans leven, heeft zelfs nooit de enige naam gehoord waardoor wij behouden kunnen worden!

Zijn zij — de meerderheid van alle mensen — voor eeuwig verloren omdat zij nooit de waarheid hebben gehoord — verloren en veroordeeld zonder een kans te hebben gehad? Algemeen wordt geleerd dat God zijn volk Israël heeft verstoten, en dat het voor eeuwig is verdoemd en verloren. Hadden de kerken deze jaarlijkse heilige dagen, die voor eeuwig geboden werden, in acht genomen — zoals de nieuwtestamentische Kerk, beschreven in Handelingen en in de kerkgeschiedenis, dat getrouw deed en doet — dan zouden zij Gods wonderbaarlijke plan hebben begrepen.

Wij hebben niet tot taak in dit tijdperk iedereen op aarde te bekeren, maar het Evangelie te verkondigen. Welk evangelie? Het goede nieuws van het Koninkrijk — het goede nieuws van de duizend jaar van herstel van alle dingen wanneer Christus terugkeert om in macht en grote glorie te regeren!

Laten wij dit goed begrijpen. Momenteel is Israël ten dele verblind — maar alleen tot aan de voltooiing van dit tijdperk der heidenen. Op dit moment heeft slechts een klein deel van de heidense wereld ooit de naam Christus gehoord.

Het goede nieuws van het komende Koninkrijk moet worden gepredikt als een getuigenis. Velen worden gedurende deze tijd geroepen, maar slechts weinigen zijn daadwerkelijk verkoren, en nog minder blijven trouw tot het einde.

De mensen die God zich voor zijn naam heeft uitgekozen, zullen onsterfelijk worden gemaakt en zullen gedurende de duizend jaar van het Koninkrijk op aarde regeren. Dan zal de blindheid van Israël worden weggenomen. Zij zullen immers slechts tot het eind van de tijden der heidenen verblind zijn. Tot deze tijden van wederoprichting van alle dingen hebben de hemelen Jezus opgenomen.

Degenen die sinds de Pinksterdag op 17 juni van het jaar 31 bijeen gebracht werden, zijn slechts de eerstelingen van Gods plan van behoud. Gedurende dit tijdperk worden dus slechts de "eerstelingen" van degenen die behouden zullen worden, uitgekozen. En zij worden momenteel beproefd en getest, teneinde zich te kwalificeren voor een positie als koning en priester in het Koninkrijk, om dan het werkelijke behoud van de wereld te bewerkstelligen.

Wanneer Christus terugkeert

Dan zal God ten tweede male zijn hand opheffen om het overblijfsel van zijn volk — Israël — los te kopen (Jesaja 11:11).

Dan zal de Here "komen als vuur ... Te vuur en te zwaard zal de Here gericht oefenen over al wat leeft ... Ik zal onder hen een teken doen en Ik zal uit hen de ontkomenen zenden naar de volken ... die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien — opdat zij mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen" (Jesaja 66:15, 16, 19).

Dan zullen "te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten", en de heidense naties die niet eerder de waarheid hebben gehoord, "zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren" (Zacharia 14:8, 16).

Dan zal het gebeuren dat "vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg [natie] des Heren ... opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden ... en zij zullen de oorlog niet meer leren ... Te dien dage, luidt het woord des Heren ... zal [de Here] Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid" (Micha 4:2-7). Dit slaat niet op Gods Kerk van nu, maar op de glorierijke tijd van het Koninkrijk, nadat Christus is teruggekeerd! Wat een fantastisch plan!

Adam zondigde. Allen hebben gezondigd. Van Adam tot nu hebben wij een kroniek van de mens zonder God, een kroniek van leed en mislukking.

En zo heeft God, in zijn grote wijsheid, de mensen toegestaan voor zichzelf te bewijzen wat een zondaars zij zijn — hoe hulpeloos zij zijn, zolang zij zich op zichzelf verlaten!

Tenslotte zullen wij de les moeten leren dat slechts wanneer God zelf het op zich neemt de mens te behouden — door Jezus Christus te zenden om met een ijzeren roede te heersen — de wereld werkelijk kan worden gered! Degenen die nu behouden worden, zijn de eerstelingen van het behoud, en zij zullen de zeer grote eer hebben om Christus in dat koninklijke werk van bevrijding te assisteren!

Dit is Gods ware plan van verlossing, zoals dat van Genesis tot Openbaring wordt onderwezen. Hoe tegengesteld aan de gangbare leer! Het is niettemin het plan dat uitgebeeld wordt door Gods jaarlijkse heilige dagen. En als de kerken deze heilige dagen waren blijven houden, dan zouden zij dit plan nooit uit het oog hebben verloren en door valse leerstellingen zijn misleid.

Pinksteren in de nieuwtestamentische Kerk van God

Evenals de ware Kerk van God de dagen der ongezuurde broden en het Pascha is blijven houden, zoals wij zagen, zo bleef zij ook Pinksteren vieren. Lees 1 Korinthe 16:8 en Handelingen 20:16.

Als de apostelen niet in een heilige samenroeping op het eerste Pinksterfeest waren bijeengekomen, daar alles was afgeschaft en weggedaan, dan zouden wij nooit in de Bijbel het verheffende verslag van het tweede hoofdstuk van Handelingen hebben kunnen lezen!

Een "heilige samenroeping" betekent een heilige vergadering of bijeenkomst van de Kerk, samengeroepen onder absoluut gezag. Het is een bijeenkomst waarbij iedereen, op Gods gezag, wordt geboden aanwezig te zijn. De sabbat is een wekelijkse heilige samenroeping. Wij worden geboden op deze dag bijeen te komen. Hetzelfde geldt voor elk van deze jaarlijkse feestdagen. De vroege Kerk gehoorzaamde. Wij ook?

Hoofdstuk drie

BAZUINENFEEST

"En de Here sprak ... In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een HEILIGE SAMENKOMST. Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten ..." (Leviticus 23:23-25).

Hier wordt de volgende gebeurtenis in Gods verlossingsplan voor ons uitgebeeld: Christus zal terugkomen op de wolken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank van een bazuin van God (1 Thessalonicenzen 4:14-17). Het zal zijn "bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen [allen] veranderd worden" (1 Korinthe 15:52).

Tenzij Christus terugkeert om de doden weer tot leven te wekken, zouden wij nooit eeuwig leven verkrijgen — indien er geen opstanding is, dan "zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren" (1 Korinthe 15:18).

Christus zal met de zevende en laatste bazuin direct in het wereldgebeuren ingrijpen (Openbaring 11:15-19). Een bazuin is een symbool van oorlog. Christus komt in een tijd van wereldomvattende oorlogvoering — wanneer de naties toornig zijn! Zodra het inzamelen der eerstelingen (uitgebeeld door Pinksteren) aan het eind van dit tegenwoordige tijdperk is voltooid, zal Christus beginnen de vervallen hut van David weer op te bouwen (Handelingen 15:16) — en voor de tweede maal zijn hand opheffen om het overblijfsel van zijn volk los te kopen (Jesaja 11:11). Hij zal zijn verloren schapen opzoeken die de herders van de kerken niet hebben gezocht en gered (Ezechiël 34:1-14).

Let er goed op wanneer dit zal gebeuren. "En het zal te dien dage geschieden, dat er op een grote bazuin geblazen zal worden, en zij [Israël] die verloren waren ... zullen komen en zich nederbuigen voor de Here op de heilige berg te Jeruzalem" (Jesaja 27:13).

Wanneer zal Israël weer bijeen worden gebracht? Bij het klinken van de laatste bazuin — bij de wederkomst van Christus. Doordat de kerken het Bazuinenfeest zijn vergeten, denken velen dat de terugkeer van een deel der Joden naar het Heilige Land en de stichting van een staat die Israël wordt genoemd, reeds de vervulling van deze profetie is!

Christus' interventie in het wereldgebeuren zal de volgende grote gebeurtenis in het plan van verlossing zijn.

En misschien zal de glorieuze wederkomst, in welk jaar het ook mag zijn, op de dag van het Bazuinenfeest plaatsvinden — wie weet? Hoewel wij het niet met zekerheid kunnen zeggen, kunnen wij daarom niet de mogelijkheid in overweging nemen? De kruisiging vond precies op de dag van het Pascha plaats. De komst van de heilige Geest, waarmee het uitkiezen van de eerstelingen van het behoud begon, vond precies op de Pinksterdag plaats. Als de 120 discipelen deze jaarlijkse feestdag niet hadden gehouden, als zij niet in een heilige samenroeping bijeen waren geweest, zouden zij dan die zegen van de inwonende tegenwoordigheid van de heilige Geest hebben ontvangen? Herhaaldelijk waarschuwde Jezus ons om met betrekking tot zijn wederkomst waakzaam te zijn! Is het mogelijk dat wij niet gereed zullen zijn te worden opgenomen om Hem te ontmoeten, tenzij wij het Bazuinenfeest houden zoals de Kerk van God in de eerste eeuw Pinksteren hield? Wij zeggen het niet en kunnen het uiteraard ook niet zeggen; maar wij stellen de vraag: zou het niet mogelijk kunnen zijn? Laten wij ons nederig en bereidwillig overgeven om gehoorzaam in al het licht te leven.

Het Bazuinenfeest is een dag van vreugde en, evenals de wekelijkse sabbat, heilig voor de Here (Nehemia 8:2, 9-12).

De Grote Verzoendag of de vasten

Vervolgens lezen wij in Leviticus 23:26-27, 31-32: "En de Here sprak ... Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen [vasten] ... Generlei arbeid zult gij verrichten: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren."

Ook in hoofdstuk 16 van Leviticus, vers 29 en 31, waar de symboliek van de Grote Verzoendag wordt uiteengezet, zien wij dat deze dag, waarop moet worden gevast, werd ingesteld als een heilige sabbat die voor eeuwig moet worden gehouden: "Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren Israëliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft ... Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen, het is een altoosdurende inzetting."

Let in Leviticus 23:32 ook goed op de uitdrukking "van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren". Iedereen die de sabbat houdt, haalt deze tekst aan om te tonen dat de sabbat bij zonsondergang begint. Als wij dit geloven, waarom houden wij dan niet de sabbat waarvan in deze tekst sprake is: de grote sabbat van de Grote Verzoendag, die voor eeuwig is ingesteld? Zijn wij consequent als wij steeds deze tekst aanhalen om aan te tonen wanneer de sabbat begint, en dan weigeren de sabbat te houden die in deze tekst wordt genoemd?

De betekenis van de Grote Verzoendag

De Grote Verzoendag beeldt een grote en wonderbaarlijke gebeurtenis uit, die na de wederkomst van Christus zal plaatsvinden, en waarvan de wereld totaal onkundig is, omdat zij niet de ware betekenis inziet van deze jaarlijkse sabbatten die de Here heilig zijn. De wereld is in gebreke gebleven ze als een voortdurende herinnering aan Gods grote plan van verlossing te houden!

De symboliek komt tot uiting in het 16e hoofdstuk van Leviticus waar de handelingen op de Grote Verzoendag, zoals die vóór de kruisiging plaatsvonden, worden beschreven.

Vers 5: "En van de vergadering der Israëlieten zal hij [Aäron of de hogepriester] twee geitebokken ten zondoffer ... nemen."

Vers 6: de hogepriester offerde een zondoffer voor ZICHZELF en zijn huis.

Vers 7 en 8: "Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht des Heren stellen bij de ingang van de tent der samenkomst, en Aäron zal over de beide bokken het lot werpen; één lot voor de Here, en één lot voor Azazel."

Daar dit niet wordt begrepen, en daar er vele verschillende gezichtspunten, opinies, ideeën en verklaringen inzake deze passage zijn, zullen wij hier nader op ingaan. Laten wij dit daarom, zonder op onze vroegere overtuigingen acht te slaan, onbevooroordeeld bestuderen en alle dingen bewijzen. Wij willen de waarheid weten!

De sleutel tot de hele verklaring ligt in een juist begrip van de betekenis van Azazel. Dit woord komt nergens anders in het Oude Testament voor. [De Christelijke Encyclopedie (J.H. Kok N.V., Kampen 1956) heeft onder het trefwoord Azazel: "Maar wat m.i. de doorslag geeft, om Azazel op te vatten als een eigennaam, is dit, dat het in Leviticus 16:8 gebruikt wordt als pendant van Jahwe, dat ook een eigennaam is. Daarom zullen wij ook niet aan een plaatsnaam, maar aan de naam van een wezen te denken hebben. En dan ligt de gedachte aan een woestijndemon voor de hand ... De voorstelling is, dat de zonde thuishoort bij de demon van de woestijn (vgl. Zacharia 5:5-11), bij wie men niet ten onrechte aan de satan heeft gedacht. (Prof. dr. W.H. Gispen.)"]

Typen van Christus en Satan

Deze twee geitebokken waren vanzelfsprekend typen. Merk op dat noodzakelijkerwijze door het lot moest worden beslist, welke van de twee Christus, en welke Azazel moest vertegenwoordigen. Sommigen zeggen dat BEIDE daartoe in aanmerking kwamen. De Bijbel zegt hierover niets. Laten wij niet zomaar iets aannemen. Welnu, het werpen van een "lot" is een plechtig verzoek aan God om in een onduidelijke zaak uitsluitsel te geven. Het is een heilige ceremonie, die een bovennatuurlijke ingreep van God inhoudt. Daarom zijn loterijen en gokken van de duivel — ze profaneren het doen van een heilig beroep op God.

Let erop dat mensen niet in staat waren te beslissen welke geitebok in aanmerking kwam om Christus voor te stellen. God moest hierin de beslissing nemen! "Eén lot voor de Here, en één lot voor Azazel." Eén lot was dus voor de Here; de bok waarop dit viel, symboliseerde Christus. Het andere lot was echter niet voor de Here, symboliseerde niet Christus, maar Azazel — Satan! Deze woorden suggereren op de meest vanzelfsprekende wijze dat Azazel de naam van een persoon is, die hier tegenover de Eeuwige wordt gesteld. Let goed op de tegenstelling: één voor de Here, de andere voor Azazel.

De bok die God door het lot uitkoos om Christus voor te stellen, werd geslacht, evenals Christus, zijn tegenbeeld. De andere bok die door God werd aangewezen om Azazel voor te stellen, werd echter niet geslacht, maar werd levend naar een onbewoonde wildernis verdreven. Het is geen symbolische voorstelling van de opgestane Christus, want de bok stierf niet. De onbewoonde wildernis waarheen deze bok werd verdreven, kan ook niet, zoals wij zullen aantonen, de hemel voorstellen, waarheen Christus opvoer. Want de hemel is noch onbewoond noch een wildernis.

Nadat God had aangewezen welke bok Christus voorstelde en welke Azazel, slachtte de hogepriester (vers 11) de stier als een zondoffer voor zichzelf en zijn huis. Vervolgens droeg hij een pan met gloeiende kolen en het welriekende reukwerk het heilige der heiligen binnen en sprenkelde het bloed van de stier op het verzoendeksel (zinnebeeld van Gods troon), waaronder zich de tafels der getuigenis (de wet) bevonden. Dit moest de hogepriester doen teneinde zichzelf voor zijn ambtsbezigheid te reinigen en teneinde Christus als hogepriester voor te stellen. Bij het tegenbeeld gebeurde dit niet, want Christus, onze Hogepriester, had deze reiniging niet nodig, in tegenstelling tot de plaatsvervangende priesters.

Nu pas was de levitische hogepriester gereed om zijn dienst te doen.

Vervolgens werd de geitebok, die God door het lot had geselecteerd om Christus voor te stellen, als zondoffer voor het volk gedood. De zonden van het volk werden aldus door deze bok gedragen, evenals Christus eens voor al onze zonden aan het kruis droeg. Christus stond evenwel op uit de doden en voer op naar de troon van God in de hemel.

Wie of wat stelde nu, vanaf dit punt in de levitische plechtigheid, de opgestane Christus voor die naar de hemel ging? Volgens sommigen is dat de bok die Azazel voorstelde. Laten wij eens zien.

Hoe wordt de opgestane Christus, die nu aan de rechterhand van God in de hemel zit (1 Petrus 3:22), genoemd? Onze Hogepriester! Wat was het aardse beeld van Gods troon? De onbewoonde wildernis? Nee, daarheen ging de levende bok!

Het aardse type van Gods troon was het verzoendeksel in het heilige der heiligen. Nadat Christus gestorven was, voer Hij op naar de genadetroon in de hemel om, als onze Hogepriester, voorspraak voor ons te doen: "... tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid" (Hebreeën 6:19-20).

Nogmaals: wie of wat stelde in het levitische ceremonieel op de Grote Verzoendag de opgestane Christus voor, onze Hogepriester, die tot binnen het voorhangsel van Gods troon in de hemel is gegaan? De ene bok was geslacht. Hij stelde de gedode Christus voor. Hij kan niet meer de opgestane Christus voorstellen. De gedode Christus was niet onze Hogepriester, want het levitische priesterschap, inclusief de hogepriester, eindigde pas nadat Christus uit de doden was opgestaan en als Hogepriester naar de ordening van Melchisedek naar de hemel was opgevaren. Maar de opgestane Christus was de Hogepriester. WIE nu vervulde deze rol in de levitische ceremoniën, die jaar op jaar op deze voor eeuwig heilige dag werden herhaald? Dat is zo duidelijk dat een kind het zou kunnen begrijpen: het was de levitische hogepriester, niet de bok die Azazel voorstelde!

De hogepriester — een type van Christus

Wie ging, zodra de bok die geslacht zou worden, was gedood, binnen het voorhangsel, en bracht het bloed van deze bok voor de symbolische troon van God?

Leviticus 16:15: "Dan zal hij [de hogepriester] de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten en [nu symboliseert de hogepriester het werk van de opgestane Christus] zijn bloed naar binnen, achter het voorhangsel brengen ... hij zal het op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. Zo [vers 16] zal hij verzoening doen over het heiligdom ..."

Dus de hogepriester die het bloed binnen het voorhangsel naar het verzoendeksel bracht, stelde de opgestane Christus voor, die figuurlijk zijn eigen bloed eens voor al binnen het voorhangsel van de troon van God in de hemel bracht, om daar als Hogepriester voor ons voorspraak te doen.

De geslachte bok stelde de gekruisigde Jezus voor. De hogepriester, die het bloed van deze geslachte bok binnen het voorhangsel naar het verzoendeksel in het heilige der heiligen bracht, een symbool van Gods troon, vertegenwoordigde en verrichtte het werk van de opgestane Christus, die opvoer naar de rechterhand van de Majesteit in de hemel, waar Hij als onze Hogepriester voorspraak doet. Kan men in alle eerlijkheid blijven leren dat de bok die Azazel vertegenwoordigde het werk van de opgestane Christus voorstelde? Bracht deze levende bok het bloed van Christus binnen het voorhangsel naar het verzoendeksel?

De hogepriester die binnen het voorhangsel ging, symboliseerde Christus' terugkeer naar de hemel. Het werk dat hij in het heilige der heiligen verrichtte, symboliseerde het werk dat Christus nu reeds meer dan 1900 jaar doet: pleiten voor ons door zijn vergoten bloed voor de genadetroon in de hemel te brengen. Wat deed de hogepriester nu nadat hij uit het heilige der heiligen was teruggekeerd, wat de wederkomst van Christus naar de aarde symboliseerde?

"Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen, en Aäron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten. Daarna zal Aäron ... zijn lichaam in water baden op een heilige plaats ... Hij nu, die de bok voor Azazel weggebracht heeft, zal zijn klederen wassen, zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen" (Leviticus 16:20-26).

De bok voor Azazel draagt niet onze zonden!

Laten wij dit goed begrijpen!

Is er rechtvaardigheid bij God? Is God niet een God van gerechtigheid evenzeer als van barmhartigheid en genade? Wie is de oorzaak van onze zonden? De duivel is er de oorzaak van, evenals Christus de oorzaak van ons behoud is. Jezus nam als een onschuldig plaatsvervangend offer onze schuld — onze zonden — op zich. Hij was een onschuldig slachtoffer. Hij had ons lief en was bereid voor ons te sterven. Onze schuld, onze zonden werden door Hem en Hem alleen gedragen — en God vergeeft ze als wij ons bekeren en Christus' offer aanvaarden. En toch, is dit, als het hierbij blijft, totale rechtvaardigheid?

De ware oorzaak, de eigenlijke bewerker van die zonden is Satan de duivel. Is het rechtvaardig Christus een schuld te laten dragen die niet de zijne is, terwijl de duivel vrijuit gaat? Denkt u niet dat GODS grote plan uiteindelijk volledige gerechtigheid zal brengen door de oorspronkelijke schuld en zonde daar te plaatsen waar die behoort?

Let nu nauwkeurig op het volgende onderscheid: Christus droeg onze schuld. Want wij zijn schuldig geweest, hoewel de duivel de eerste oorzaak van dit alles is. Maar rechtvaardigheid vereist beslist dat God de duivel zijn schuld volledig toerekent — niet de onze, maar zijn eigen schuld die daaruit bestaat dat hij ons tot zonde verleidde. Wij waren ook schuldig — en onze schuld werd door Christus gedragen — toch horen al onze zonden in laatste instantie op de duivel als zijn schuld!

Dat wordt ook door het volgende punt duidelijk: de bok voor Azazel draagt de reeds vergeven zonden van het gehele volk weg. Deze zonden waren reeds volledig betaald door Christus' plaatsvervangend offer, gesymboliseerd door het doden van de onschuldige bok, voordat diezelfde zonden tenslotte op de levende bok werden gelegd. Daarvóór waren ze betaald door de dood van de geslachte bok.

De duivel is de eigenlijke bewerker van elke zonde. Kunnen wij dan tenslotte met God verzoend zijn, één worden, zolang deze aanstichter van de zonde onder ons is? Is het niet duidelijk dat hij eerst moet worden verdreven, dat God niet rechtvaardig zou zijn, tenzij Satans schuld aan onze zonden op zijn eigen hoofd wordt geplaatst? Is het rechtvaardig als Christus, naast onze schuld, bovendien de schuld van de duivel moest dragen? Christus droeg onze zonden, maar moet Hij ze blijven dragen? Moeten niet alle zonden volledig van ons worden verwijderd, en tevens uit de aanwezigheid van God?

Zo zien wij dat het doden van de eerste bok en het sprenkelen van het bloed ervan een zichtbare uitbeelding was van het middel waardoor wij met God worden verzoend: door het plaatsvervangende offer van een onschuldig slachtoffer. Het wegzenden van de tweede bok, beladen met de zonden waarvoor de eerste bok het zoenoffer had gebracht, geeft op niet minder aanschouwelijke wijze de consequentie van dit offer aan: de volledige verwijdering van die zonden uit de aanwezigheid van God!

Satan de aanklager

Satan is de aanklager van de leden van Gods Kerk. Zijn macht over de mensen berust op hun zonden. Wanneer al deze zonden, waarvan hij de bewerker is, op hem worden teruggebracht, nadat deze door Christus van ons zijn verwijderd, zal Satan zijn aanspraak op ons hebben verloren. Hij zal ons niet langer kunnen aanklagen!

Evenals het aanvaarden van het bloed van de eerste bok (Christus) de volledige verzoening en vergeving van Israëls zonden symboliseerde, zo symboliseert het wegzenden van Azazel, met die zonden, de volledige verwijdering van alle zonden — de bevrijding door de verzoening uit de macht van de tegenstander.

Het offer van het eerste, onschuldige slachtoffer was het middel tot verzoening met God, maar nog geen volledige gerechtigheid.

Het verdrijven van de tweede, levende bok toont de uiteindelijke verzoening, door de zonden te plaatsen op het hoofd van de bewerker op wie ze horen, en ten tweede de volledige verwijdering van de zonden en hun bewerker uit de aanwezigheid van God en zijn volk, waardoor de volledige verlossing van het volk uit de macht van Satan is bereikt.

Verzoenen betekent één worden. Pas wanneer dit is gebeurd, kunnen wij volkomen één zijn met God.

Voordat wij van dit punt afstappen, willen wij er nog op wijzen dat Aäron, nadat hij beide handen op de levende bok, Azazel, had gelegd, zich moest wassen en reinigen voordat hij weer met het volk in contact kwam. Ook de man die de bok naar de wildernis bracht, moest nadat hij met de bok voor Azazel in contact was gekomen, eerst zijn kleren wassen en zich baden, voordat hij zich weer bij het volk voegde. Deze symboliek duidt erop dat zij met de duivel in aanraking waren gekomen!

Het leggen van de reeds verzoende en vergeven zonden op de kop van de levende bok vond pas plaats nadat de hogepriester uit het heilige der heiligen binnen het voorhangsel was teruggekeerd. Dit symboliseerde dus een handeling die pas na de wederkomst van Christus op aarde zal plaatsvinden!

Maar als de levende bok de opgestane Christus zou voorstellen, dan zouden de zonden die Christus aan het kruis had gedragen, door een ander (de hogepriester) na Christus' opstanding, opnieuw op Christus worden gelegd. Zou dat zin hebben? Is die theorie, dat de bok voor Azazel Christus voorstelt, logisch? Allerminst! Maar de duidelijke en eenvoudige betekenis klopt op elk punt, en is consequent. De eerste bok stelde de onschuldige Jezus voor, die voor onze zonden stierf; de hogepriester stelde de opgestane Christus voor, die voor meer dan 1900 jaar binnen het voorhangsel of naar Gods troon in de hemel ging; en de hogepriester die terugkeerde om de zonden tenslotte op de kop van de levende bok te plaatsen, stelde de terugkeer van Christus voor, die de zonden die Hij droeg op de aanstichter ervan, de duivel, zal plaatsen en die deze dan levend zal wegzenden naar een verlaten, onbewoonde wildernis — de "bodemloze put" of de afgrond van Openbaring 20:3.

In hoofdstuk 19 van Openbaring vinden wij de profetie van de wederkomst van Christus. En waarvan is er aan het begin van hoofdstuk 20 sprake?

Van precies datgene wat hoofdstuk 16 van Leviticus weergeeft: het wegzenden van de duivel. Het symbool hier is "de afgrond", het zinnebeeld van een onbewoonde, verlaten wildernis (Openbaring 20:3; 18:2). Satan wordt daarin geworpen "door iemand, die DAARVOOR GEREED staat" — een ENGEL uit de hemel. De duivel wordt niet gedood. Hij sterft niet. Duizend jaar later — na het Millennium — is hij nog steeds in leven (Openbaring 20:7).

Nu in het kort nog een vraag die zou kunnen opkomen. Beide bokken werden "voor het aangezicht des Heren" gesteld. Kan Satan voor God verschijnen? Volgens Job 1:6 en 2:1 stelde hij zich inderdaad voor God. Let er ook op dat Satan werd verdreven van het heilige der heiligen, symbool van Gods aanwezigheid.

Ook de jaarlijkse Grote Verzoendag werd voor altijd ingesteld om Gods Kerk voortdurend te herinneren aan het plan van behoud zoals dat na de wederkomst van Christus zal worden vervuld.

En wij zien dat ook deze jaarlijkse heilige dag in het Nieuwe Testament wordt erkend. In Handelingen 27:9, toen Paulus zich op zijn gevaarlijke zeereis naar Rome bevond, wordt verhaald dat "de vaart reeds bedenkelijk werd, daar ook de vasten reeds achter de rug was". Deze vasten verwijst naar de Grote Verzoendag, de 10e dag van de zevende maand. Deze dag kon in dat bepaalde jaar niet voorbij zijn gegaan, tenzij die dag nog steeds geldig en van kracht was en werd gehouden. Anders zou de heilige Geest deze woorden niet hebben geïnspireerd! Dit is een sterke aanwijzing dat die dag nog steeds bestond en als zodanig door de heilige Geest werd erkend.

Hoofdstuk vier

LOOFHUTTENFEEST

Wij komen nu aan het Loofhuttenfeest, het zesde jaarlijkse feest. Laten wij de instructies voor deze dagen lezen.

"Het loofhuttenfeest zult gij zeven dagen vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip. Gij zult u verheugen op uw feest, gij met uw zoon en uw dochter ... Zeven dagen zult gij feest vieren ter ere van de Here, uw God, op de plaats die de Here verkiezen zal; want de Here, uw God, zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn" (Deuteronomium 16:13-15).

Dit is het Loofhuttenfeest dat vanaf de 15e dag van de zevende maand van Gods heilige kalender zeven dagen lang moet worden gehouden. Leviticus 23:33-35: "En de Here sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Here, zeven dagen lang. Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten."

Op de eerste van deze dagen is er een heilige samenkomst. Er mag niet worden gewerkt. "... en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Here, uw God, zeven dagen lang ... een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren" (Leviticus 23:40-41).

Let erop dat het voor eeuwig is geboden.

Hier worden de laatste fasen, het hoogtepunt van Gods grote plan uitgebeeld: nadat Christus voor onze zonden is gestorven om de mensheid te verlossen; nadat Hij ons de heilige Geest heeft gezonden en een volk voor zijn naam heeft afgezonderd om gedurende de duizend jaar als koningen en priesters te regeren; na zijn glorieuze wederkomst; nadat Hij de vrijgekochten heeft bevrijd door alle zonden op het hoofd van Satan, de eigenlijke bewerker ervan, te plaatsen, en na zowel hem als de zonden uit de aanwezigheid van God en zijn volk verwijderd te hebben, en ons tenslotte aldus met God verzoent en verenigt, zijn wij klaar voor die laatste reeks van gebeurtenissen: de "bruiloft van het Lam", het daadwerkelijke sluiten van het Nieuwe Verbond, het oprichten van het Koninkrijk van God op aarde en het gedurende een periode van duizend jaar binnenhalen van de grote geestelijke oogst van zielen.

Dit feest beeldt het duizendjarige rijk uit!

Zinnebeeld van het Millennium

Teneinde zijn plan uit te beelden, gebruikte God de oogstseizoenen in het Oude Israël als symbool van de geestelijke oogst van zielen. In het Heilige Land werd er tweemaal per jaar geoogst. De eerste oogst vond in de lente plaats, en de tweede, de grote oogst, volgde in de herfst.

Het Loofhuttenfeest moet gehouden worden "als het jaar om is" (Exodus 34:22; Statenvert.). In dit vers wordt het Loofhuttenfeest "het feest der inzameling" genoemd. Het oogstjaar eindigde bij het begin van de herfst. Evenals Pinksteren de voorjaarsoogst uitbeeldt — dit tijdperk van de Kerk — zo beeldt het feest van de inzameling of het Loofhuttenfeest de najaarsoogst uit — de grote oogst van zielen in het Millennium!

Het is nu niet de enige dag des heils. Het is nu een dag van behoud. Dit zei Jesaja: hoofdstuk 49, vers 8. In feite zouden de oorspronkelijke griekse woorden van Paulus in 2 Korinthe 6:2 vertaald moeten worden als "een dag des heils", niet "de dag des heils".

Laten wij, om dit beter te begrijpen, het boek Zacharia opslaan. In het 12e en het 13e hoofdstuk zien wij een beschrijving van Christus' terugkeer en het begin van de verzoening van de wereld. Hier wordt de betekenis van het Bazuinenfeest en de Grote Verzoendag duidelijk gemaakt.

Vervolgens hoofdstuk 14. Dit heeft betrekking op het Millennium. "En de Here zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige ... er zal geen ban [algehele verwoesting] meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn" (vers 9, 11). Het is de tijd wanneer "levende wateren" — behoud — de heilige Geest — "uit Jeruzalem vlieten" (vers 8). De "wateren" zijn zowel letterlijk als figuurlijk op te vatten. God beeldt zijn geestelijke plan dikwijls door fysieke dingen uit.

Wat zal er gebeuren in die tijd, wanneer de aarde veilig bewoond zal worden en de gave van de heilige Geest voor alle sterfelijke mensen beschikbaar is? "Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren" (vers 16).

De volken gedwongen het Loofhuttenfeest te vieren

Let goed op dit 16e vers van Zacharia 14. Nadat Christus is teruggekeerd, zullen de volken — sterfelijke mensen die nog geen behoud hebben ontvangen — naar Jeruzalem gaan om het Loofhuttenfeest te vieren! Hoe zouden zij een feest kunnen vieren dat aan het kruis was afgeschaft? Zij zouden het alleen kunnen vieren als het voor eeuwig was bevolen!

En wat zal er gebeuren als zij weigeren God te gehoorzamen? "Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de Here der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen" (vers 17). Dat is krachtige taal!

De naties zullen worden gedwongen elk jaar het Loofhuttenfeest te vieren, wanneer Christus met een ijzeren staf regeert!

En als de naties blijven weigeren? "Dan zal toch komen de plaag waarmee de Here de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit zal de straf zijn ... van alle volken" — heidense volken die de weg van behoud moeten leren kennen — "die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren."

Teneinde behoud te ontvangen zullen ook de heidenen dit feest moeten houden. Wat niet verwonderlijk is, want het is voor eeuwig geboden!

Als bewijs dat wij tegenwoordig de wekelijkse sabbat moeten houden, wordt gewoonlijk Jesaja 66:23 aangehaald, waar staat dat in het Millennium de sabbat zal worden gehouden. Als wij dan consequent willen zijn, moeten wij ook het Loofhuttenfeest vieren, want in Zacharia 14:16 lezen wij dat ook het Loofhuttenfeest in het Millennium zal worden gehouden.

Kunnen wij ons kwalificeren als zoon van God — als koning en priester — die met Christus op zijn troon zal regeren, en Hem in die tijd assisteren, als wij nu weigeren deze feesten te vieren? Christus zelf vierde het Loofhuttenfeest. De apostel Johannes wijdde een heel hoofdstuk (het zevende) van zijn evangelie aan het beschrijven van wat Jezus gedurende het Loofhuttenfeest in het laatste jaar van zijn taak hier op aarde zei en deed.

Waarom "Loofhuttenfeest" genoemd?

Gedurende het Millennium zal het Koninkrijk van God, waarin wij kunnen worden geboren, heerschappij voeren over de volken, sterfelijke mensen die de Geest van God hebben ontvangen. De miljarden sterfelijke mensen die tijdens het Millennium zullen leven, zullen nog steeds het Koninkrijk van God kunnen beërven. Zolang zij sterfelijke mensen zijn, hebben zij het nog niet beërfd, want "vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven" (1 Korinthe 15:50). "Gijlieden moet wederom geboren worden" — "uit de Geest" — om het Koninkrijk van God te beërven, zei Jezus.

Vergeet niet dat Abraham, Izak en Jakob, toen zij op aarde woonden, slechts erfgenamen waren (Hebreeën 11:9). Als erfgenamen woonden zij in tenten of hutten en verbleven tijdelijk in het beloofde land. Deze tijdelijke behuizingen verbeeldden dat zij hun erfgoed nog niet hadden ontvangen. Wij lezen daarom over het Loofhuttenfeest: "In loofhutten zult gij wonen zeven dagen ... opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde" (Leviticus 23:42-43). Israël woonde in hutten in de woestijn voordat het volk het beloofde land binnenging. Deze hutten beeldden uit dat de Israëlieten nog op hun erfdeel wachtten. Ook gedurende het Millennium, wanneer het Koninkrijk van God over alle sterfelijke volken zal regeren, zullen de mensen slechts erfgenamen van het Koninkrijk zijn. Zij moeten overwinnen en in kennis en wijsheid toenemen om de beloften te beërven.

Wat een treffend beeld! God zegt van Efraïm (een type van heel Israël): "Ik zal u weer doen wonen in tenten als in de dagen der samenkomst" (Hosea 12:10). Israël, in de woestijn, was een type van alle mensen die door beproevingen en verdrukkingen moeten gaan om de beloften te beërven. Zij waren "vreemdelingen en bijwoners", in afwachting van de beloften van behoud.

De bewering van sommige sekten, dat sterfelijke mensen in het Millennium voor altijd vlees en bloed zullen blijven, wordt onomstotelijk door het Loofhuttenfeest weerlegd, want dit feest zelf wijst vooruit naar een eeuwig erfdeel.

Bovendien zal Jezus, nadat Hij de Kerk tot Zich heeft getrokken, en nadat Hij op zijn troon heeft plaatsgenomen vanwaar wij met Hem zullen regeren, de volken voor zich vergaderen en zeggen: "Beërft het Koninkrijk" (Mattheüs 25:34).

Nog een feest!

Is het u opgevallen dat het Loofhuttenfeest pas het zesde feest is? Er is nog een feest: het zevende!

Het Loofhuttenfeest duurt, strikt genomen, zeven dagen en symboliseert het gehele Millennium. Zeven is Gods getal van volmaaktheid. Daarom moeten er ook zeven feesten zijn. Laten wij eens zien waar het zevende feest wordt genoemd: "Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Here, zeven dagen lang ... op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben ... het is een feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten" (Leviticus 23:34, 36).

Deze achtste dag, die een apart feest is, wordt "de laatste, de grote dag van het feest" genoemd (Johannes 7:37).

Wat stelt deze laatste heilige dag voor?

Let op waarover Jezus op deze dag predikte: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! ... stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden" (Johannes 7:37-39).

Deze preek van Jezus geeft de betekenis van de laatste grote dag!

Sla nu Openbaring 20 op. Wat zal er na het Millennium gebeuren? Een opstanding! De doden staan voor God! Hier kunnen niet de ware christenen van nu onder zijn begrepen, aangezien zij ten tijde van Christus' wederkomst voor de oordeelstroon verschijnen. Het kan evenmin betrekking hebben op degenen die gedurende het Millennium zijn bekeerd. Zij hebben na hun fysieke leven het Koninkrijk reeds tijdens het Millennium geërfd. Bij deze opstanding moet het dus gaan om mensen die in de loop der eeuwen in onwetendheid zijn gestorven. Zij worden pas na het Millennium weer tot leven gewekt (Openbaring 20:5).

De dag des oordeels

Dit gaat over de dag des oordeels, die in Mattheüs 10:15 wordt genoemd. Het is een tijd waarin alle mensen die in onwetendheid zijn gestorven, een gelegenheid zullen krijgen behoud te ontvangen. Ezechiël 16:53-55 maakt dat zeer duidelijk. Ook die Israëlieten die in hun zonden stierven, zullen hun eerste gelegenheid krijgen om de waarheid en levenswijze van God te begrijpen (Ezechiël 37). De profeet schreef dat God deze opgestane mensen dan zijn Geest zal geven (vers 14). Dit is precies het behoud waarover Christus sprak op die grote dag van het feest in de herfst van 30 n.Chr.

Deze achtste dag, die onmiddellijk op de zeven dagen van het Loofhuttenfeest volgt, beeldt de voltooiing van het plan van behoud uit. Dit geschiedt vlak voor de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Allen — ouders en kinderen, jong en oud — zullen dan worden opgewekt.

Let erop dat "het boek des levens" — dat behoud symboliseert — wordt geopend (Openbaring 20:12). Openbaring beschrijft de slotfase van de "dag des oordeels", als de huidige materiële hemel en aarde zullen vergaan; de gelovigen ontvangen voor de troon van Christus hun eeuwige beloning. De zondaars — degenen die ongehoorzaam bleven — zullen in de poel des vuurs omkomen!

Wat een fantastisch plan! Alle mensen zullen een gelijke kans krijgen.

Laten wij tot besluit Leviticus 23:37-38 lezen. Volgend op de beschrijving van de jaarlijkse heilige dagen staat er: "Dit zijn de feesttijden des Heren, waarop gij heilige samenkomsten zult uitroepen ... behalve de sabbatten des Heren"! Naast de wekelijkse sabbat van God dienen wij dus ook deze jaarlijkse feesten te houden.

ZONDAG is de wekelijkse rustdag van het kerkendom van deze wereld, maar de sabbat is de dag DES HEREN.

Kerstmis, nieuwjaarsdag, Pasen en vele andere dagen zijn feestdagen die rechtstreeks uit het heidendom afkomstig zijn. Deze zeven jaarlijkse heilige dagen echter zijn de heilige dagen van God! Laten wij de heidense feestdagen van deze wereld opgeven en in plaats daarvan de ware heilige dagen van God in acht nemen!

Appendix: Kolossenzen 2:16

Kolossenzen 2:16 werd geschreven als waarschuwing om de christenen van heidense afkomst te Kolosse te beschermen tegen valse leraars — leraars die de boodschap die Paulus had onderwezen op subtiele wijze verdraaiden. Paulus schreef: "Laat dan NIEMAND u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat" (Kolossenzen 2:16).

Er is hier geen sprake van het afschaffen van Gods Wet of van zijn heilige dagen. Er wordt in deze verzen niets afgeschaft — integendeel: juist de kritiek die de Kolossenzen inzake hun viering van deze dagen trof, bewijst dat zij ze hielden. Hoe konden zij bekritiseerd worden inzake dagen die zij niet hielden?

De Kolossenzen hadden Gods heilige dagen vroeger nooit gehouden. Vóór hun bekering waren zij immers heidens. Nu zij het Evangelie hadden leren kennen, namen zij de dagen die God had geheiligd in acht. Paulus waarschuwde hen niet terug te vallen in hun oude heidense gewoonten, of zich te laten beïnvloeden door hun heidense omgeving die Gods Wet en zijn feestdagen haatte.

"Laat dan niemand u blijven oordelen ..." (vers 16) in deze dingen, zegt Paulus.

Vers 17 heeft velen in de war gebracht. Het laatste gedeelte ervan wordt vertaald als: "... terwijl de werkelijkheid van Christus is" (Nieuwe Vert.), of: "maar het lichaam is van Christus" (Statenvert.). Dit zijn echter foutieve vertalingen; in de oorspronkelijke griekse tekst komt het woordje 'is' niet voor. In de griekse grondtekst staat hier slechts: "... maar het lichaam van Christus". Wat is het lichaam van Christus? Hoe gebruikt Paulus deze uitdrukking in zijn brief aan de Kolossenzen?

Sla hoofdstuk 1 eens op. In vers 18 staat dat Christus "het hoofd van het lichaam, DE GEMEENTE" is. Zie ook Kolossenzen 2:19.

De ware Kerk van God is het lichaam van Christus. Evenals de Geest van God eens in het stoffelijke lichaam van Jezus Christus woonde, zo woont de heilige Geest thans in ieder lid van de Kerk, en samen vormen de leden één lichaam, dat hetzelfde werk verricht als Christus. Daarom is de Kerk in deze tijd het lichaam van Christus! En Christus is het Hoofd, evenals de man het hoofd van de vrouw is (Efeziërs 5:23).

In de brief aan de Kolossenzen zet Paulus uiteen dat geen enkel onbevoegd mens mag oordelen over het gedrag van een ware christen. De mens kan niet bepalen hoe wij behoren te leven. Het is de verantwoordelijkheid van de Kerk — het lichaam van Christus — om in deze zaken te beslissen! De Kerk moet onderwijzen hoe de feestdagen gevierd moeten worden — en de betekenis van zelfbeheersing in eten en drinken enz. verklaren.

Deze weinig begrepen verzen zouden dus als volgt vertaald moeten worden: "Laat dan niemand u blijven oordelen ... maar [laat] het lichaam van Christus [dit vaststellen]." Laat het lichaam van Christus in deze kerkelijke zaken oordelen. Kenners van het Grieks zien in, dat de laatste zin, "maar het lichaam van Christus", een werkwoord vereist; maar zij zien vaak niet in, dat het ontbrekende werkwoord moet worden ontleend aan het eerder genoemde, grammaticaal parallel lopende zinsdeel, zodat de juiste lezing is: "Laat dan niemand u blijven oordelen [in deze zaken] ... maar laat het lichaam van Christus [hierin] oordelen"!

Deze "historische" boekjes worden u in deze vorm als dienstverlening gratis ter beschikking gesteld door
de Kerk van de Grote God

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)