Het gereedmaken van de bruid

De doelstelling van de Church of the Great God
en een overzicht van haar geloofspunten

Doelstelling

Deel 1

Als mensen hebben we een sterke neiging om de mensen in duidelijke categorieën onder te brengen. We plakken anderen een etiket op om ze in relatie met ons in een speciaal vakje te plaatsen. Dit is op zichzelf niet verkeerd. Iemand in deze gewelddadige wereld als vriend of vijand categoriseren, kan het verschil tussen leven en dood betekenen!

Van nature categoriseren we mensen naar sex, ras en taal. Alleen maar omdat iemand zoiets doet, is hij niet bevooroordeeld, aangezien zo'n etiket niets meer behoeft te betekenen dan een vorm van identificatie. Het kan zijn dat we twee mensen met dezelfde naam kennen, maar we categoriseren hen naar ras of ethnische groep. We categoriseren mensen naar ambacht, beroep, lengte, gewicht, persoonlijkheid, sociale status, mode, atletische vaardigheid, moraliteit en natuurlijk religie. Onze lijst van categorieën kan oneindig lang zijn.

We zijn in ons onderbewustzijn voortdurend bezig anderen te categoriseren. Hierdoor slagen we erin een deel van het leven redelijk goed georganiseerd te houden. Maar er zit ook een schadelijk kant aan, omdat we een sterke neiging hebben om in ons oordelen te generaliseren. We categoriseren de mensen als goed of slecht, vriend of vijand, bekeerd of onbekeerd, en dat alleen maar omdat ze in een bepaalde algemene categorie "passen". Al kan dit nogal onlogisch schijnen, religie is een van de gebieden waar deze neiging schijnbaar het sterkst is.

Afscheidingen binnen de kerk

Religieuze groepen blijven almaar splitsen. De overgrote meerderheid van afscheidingen schijnt plaats te vinden, omdat er een punt aan de orde komt, waarin de mensen partij gaan kiezen; ze verdelen zich in de "goeden" en de "slechten". Opnieuw moet gezegd dat dit op zichzelf niet verkeerd is. Jezus had het beslist niet bij het verkeerde eind, toen Hij de kerk van God als aparte organisatie oprichtte!

Maar Gods kerk heeft zich ook regelmatig gesplitst. Oorspronkelijk was er één kerk, één organisatie. Hoeveel zijn er vandaag? Alleen God weet hoeveel organisaties er zijn die beweren de kerk van God te zijn. Scheuringen hebben grotendeels plaats gevonden, omdat we de zuiverheid van geloof, liefde en doctrine zijn kwijt geraakt, die er bij de oprichting bestonden. Deze zullen nooit weer geheel herleven, totdat Jezus Christus wederkeert en de kerk weer op het juiste spoor zet.

Eén van de belangrijkste ontwikkelingen sinds de dood van Herbert W. Armstrong is, dat iedere doctrine, iedere gedragslijn - ja, zelfs elk van zijn Handelingen - tot in het kleinste detail is onderzocht. Dit werd niet gedaan om te ontdekken wat juist was (zoals de Bereërs in Handelingen 17:11), maar om fouten of veronderstelde fouten te vinden. Het resultaat was, dat de grootste organisatie binnen Gods kerk in hoog tempo de kant van de wereld is uitgegaan en vele van haar leden hebben haar verlaten om nieuwe kerken te stichten.

Zelfs binnen deze nieuwe groepen wordt er door de mensen druk uitgeoefend om doctrines te veranderen en als de meerderheid tegen de veranderingen is, vinden er nog meer afsplitsingen plaats. Men heeft vergeten, dat God door de heer Armstrong ons opnieuw de basisdoctrines heeft overgeleverd, "die ons wijs kunnen maken tot zaligheid" (2 Timotheüs 3:15). God waarschuwt door de apostel Paulus: "Laten we ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God" (Hebreeën 6:1). In plaats van terug te kijken, zouden we vooruit moeten kijken om in karakter te groeien.

Wat moeten we doen?

Wat voor actie moeten we nemen, nu deze conditie bestaat? De eerste stap moet zijn dat we eerlijk en nederig ons gebrek aan zuiverheid accepteren. Dit helpt ons om een tolerantere benadering van anderen te hebben, omdat we dan kunnen oordelen op basis van een niet te zeer misvormde vergelijking.

Gewoonlijk proberen religieuze mensen zo snel mogelijk vast te stellen wat iemand gelooft of wat voor soort werk hij doet, om hem daarmee in een geschikt vakje te plaatsen. Ik geloof echter, dat dat een verkeerde benadering is. De benadering moet zijn: "Wie gelooft u?"

Petrus zei de religieuze leiders van die tijd stoutmoedig: "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). Hij zei niet, dat we worden behouden omdat we deel uitmaken van een bepaalde organisatie, of omdat we denken dat we "het evangelie verkondigen", maar hij zei in andere woorden: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof" (Efeziërs 2:8). Dit moet fundamenteel zijn voor de richting en de houding waarin Gods werk wordt gedaan.

De kerk van God splitst almaar verder, terwijl de grootste tak ervan geestelijk steeds verder wegzakt. Sommigen, inclusief dienaren, zijn op zoek naar een nieuw geestelijk tehuis, zijn niet langer tevreden deel uit te maken van een organisatie, waarvan zij vinden dat die hen naar de wereld terugbrengt. Dit heeft tot gevolg gehad dat er een verscheidenheid aan nieuwe kerkorganisaties is opgericht. Deze groepen onderwijzen allemaal dezelfde basisdoctrines, die God ons door Herbert Armstrong gegeven heeft.

Wat is dan de beste koers die we momenteel kunnen varen?

Hierbij moeten we drie punten in beschouwing nemen:

1) Wat zou de beste gedragslijn zijn die we kunnen volgen zonder direct bij te dragen aan het uiteenvallen van nog een tak van de kerk van God door onder haar leden te werven?

2) Wat zou de beste gedragslijn zijn die we kunnen hanteren, zodat we niet om leden in competitie komen met onze broeders die in essentie hetzelfde geloven?

3) Welke benadering past het beste in deze tijd en beantwoordt aan de hoofdverantwoordelijkheid van de kerk?

Er is slechts één taak van de kerk die past bij alle drie genoemde punten: ons toeleggen op "het voeden van de kudde". Het voeden van de kudde was altijd de eerste taak van de priesters in de kerk onder het Oude Verbond en het is de eerste taak gebleven van de dienaren binnen de kerk onder het Nieuwe Verbond.

Om beter te begrijpen waarom dit de beste koers is om te volgen, moeten we de huidige stand van zaken binnen de kerk in het grotere verband zien van hoe God in het verleden altijd heeft gewerkt. Hij heeft al van den beginne naar hetzelfde doel toe gewerkt. Om ons hoop en richting te geven heeft Hij in Zijn Woord duidelijk vastgelegd volgens welke patronen Hij werkt. We kunnen daarin vertrouwen hebben, omdat God niet van deze basispatronen zal afwijken. Door deze patronen openbaart Hij veel van Zichzelf aan Zijn volk.

In den beginne

God maakt Zijn doel in het eerste hoofdstuk van de Bijbel duidelijk: "En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, ..." (Genesis 1:26). Natuurlijk is de sterfelijke mens zoals door Adam en Eva vertegenwoordigd, alleen maar het kleimodel. Gods uiteindelijke doel - de mens naar Zijn beeld scheppen - moet over een periode van duizenden jaren worden uitgewerkt in het persoonlijke leven van al hun nakomelingen.

2 Corinthiërs 3:18 voegt eraan toe: "En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is." Dit wordt teweeggebracht door het bekeringsproces, dat tijd, ervaring in leven uit geloof en de vurige medewerking van de bekeerde vereist.

Israël in de woestijn

Toen God Israël middels een wolk leidde in de woestijn, stelde Hij een duidelijk patroon vast, waarmee Hij Zijn volk voor alle tijden instrueerde.

Numeri 9:15-23 Op de dag nu der oprichting van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, de tent der getuigenis, en des avonds was zij op de tabernakel als een vuurverschijnsel tot aan de morgen. 16 Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en het vuurverschijnsel des nachts. 17 En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna de Israëlieten op, en op de plek waar de wolk bleef rusten, daar legerden zich de Israëlieten.18 Op het bevel des HEREN braken de Israëlieten op, en op het bevel des HEREN legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven zij gelegerd. 19 Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de Israelieten de dienst des HEREN, en braken niet op. 20 Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden zij zich op het bevel des HEREN en op het bevel des HEREN braken zij op. 21 Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op. 22 Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op. 23 Op het bevel des HEREN legerden zij zich en op het bevel des HEREN braken zij op; zij onderhielden de dienst des HEREN, volgens het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

Hier moeten we aan toevoegen wat in Exodus 13 staat:

Exodus 13:17-18a Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. 18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee.

Deze twee passages stellen twee factoren heel duidelijk vast: 1) God leidt Zijn werk; het gaat voort of houdt stil op Zijn bevel. 2) Hij stuurt het zelden in een rechte lijn rechtstreeks naar het doel. In feite laten talrijke passages zien hoe Hij Zijn werk schijnbaar in richtingen stuurde die niet bij het doel uitkwamen! Waarom? Omdat Hij bezig is om ZIJN doel uit te werken.

God weet hoe kinderen op te voeden, zodat ze naar Zijn beeld opgroeien. Als Zijn doel er alleen maar uit bestond Israël te behouden en in het land te brengen, zou Hij ze rechtstreeks naar Kanaän hebben geleid. Maar Zijn doel omvatte ook het nalaten van een getuigenis voor latere generaties, dat Hij heilig, rechtvaardig, geestelijk karakter bouwt door geloof. Dat vereist tijd en ervaring door te leven uit geloof.

Gods patroon met Israël is een model dat de nieuwtestamentische kerk dient te volgen. Het leven van de Christen is een pelgrimsreis, een proces, het heeft een begin en een eind. Het leven van iemand of van de kerk gaat niet altijd in dezelfde richting. God is nog steeds Schepper, Hij leidt Zijn kerk door een verscheidenheid aan ervaringen, waardoor Hij Zijn doel bewerkstelligt: het scheppen van rechtvaardig karakter.

De rest van de oudtestamentische periode

Zelfs een vluchtig lezen van het Oude Testament laat lange perioden in Israëls geschiedenis zien, waarin God schijnbaar niet werkte, waarin het volk scheen te kunnen doen wat ze wilden. Dit is echter een gevaarlijke veronderstelling. Jezus weerlegt dit volledig in Johannes 5:17: "Maar Hij [Jezus] antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook [Ik werk altijd]."

Wat voor soort werk deed Hij? "Toch is God mijn Koning van oudsher, die in het midden der aarde verlossing bewerkt" (Psalm 74:12). God werkt altijd aan Zijn doel en dat doel is altijd hetzelfde geweest! Hij koos er echter voor om wat er in die ontbrekende perioden gebeurde, niet vast te leggen.

Zo af en toe echter bracht God veranderingen aan in de manier waarop Hij Israël benaderde. Hij bracht bestuursveranderingen aan: van de Richteren naar de koningen onder Saul en later van Sauls geslacht naar dat van David. God stelde het Levitische priesterschap in en maakte als dat nodig was gebruik van profeten. In andere tijden was er alleen maar het priesterschap zonder profeten. Met andere woorden: Gods relatie met Israël kwam niet altijd op dezelfde manier tot uiting, maar paste altijd consequent binnen het grotere geheel van Zijn doel.

In het Nieuwe Testament

De apostelen vroegen Christus in Handelingen 1, wanneer Hij het Koninkrijk zou oprichten:

Handelingen 1:6-8 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

Ondanks dat ze drieënhalf jaar intensief waren onderricht door Jezus, bleven de apostelen vasthouden aan het algemene Joodse concept over het oprichten van het Koninkrijk van God. Geparafraseerd zei Jezus: "God werkt eraan. Jullie moeten je aandacht op dit moment op een ander aspect richten."

Het werk van God stond voor een dramatische verandering van richting, teweeggebracht door iets dat nooit tevoren in de geschiedenis van de aarde was voorgekomen. God zou Zijn Geest geven, daarbij Zijn macht in velen duidelijk zichtbaar maken en gelijktijdig daarmee Zijn kerk en de prediking van het evangelie van start doen gaan! Zijn gezin stond op het punt de tot dan toe grootste numerieke uitbreiding te ondergaan. Het was een unieke tijd in de geschiedenis. Zoiets is sindsdien niet meer voorgekomen.

Een verschuiving in aandacht

Zoals in de eerste vijf hoofdstukken van Handelingen staat beschreven, was de kerk onmiddellijk druk bezig met het verkondigen van het evangelie en groeide al snel in grote aantallen. Met de aanstelling van de eerste diakenen in hoofdstuk 6, begon de kerk zich te organiseren om in haar behoeften te voorzien. Vervolging nam toe, te beginnen met het martelaarschap van Stefanus in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 9 werd Paulus, de apostel der heidenen, bekeerd. De bekering van de heiden Cornelius en zijn gezin staat in hoofdstuk 10. Door deze geweldige verandering van richting in het werk van God verschoof de aandacht van Israël naar de wereld der heidenen.

Voor wat betreft de accentverschuiving in Gods werk naar behoefte en naar Gods wil, is het volgende in Handelingen 20 bijzonder interessant:

Handelingen 20:28-32 Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. 29 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; 30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. 31 Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen. 32 En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.

Paulus voorspelt dat de omstandigheden niet altijd hetzelfde zullen blijven en hij waarschuwt dat veelbetekenende gebeurtenissen de kerk na zijn dood in problemen zouden brengen. Hij vond het van groot belang, dat ze speciale aandacht zouden besteden aan het voeden van de kudde door het Woord van God. Op die manier zouden de mensen geestelijke kracht opbouwen. Het is duidelijk dat de aandacht van God, de aandacht van de kerk, af en toe verschuift om tegemoet te komen aan de behoeften van de kerk en Zijn wil.

Samenvatting

Zowel de kerkelijke als de wereldlijke geschiedenis laat zien dat splitsing een natuurlijke zaak is. Alhoewel dit niet goed is, is het een realiteit waarmee we zullen moeten omgaan.

God keurt wedijver onder Zijn mensen af. We moeten samenwerken om Zijn mensen tot een dieper begrip te brengen van goddelijke principes en verantwoordelijkheden.

God heeft vanaf het begin aan hetzelfde doel gewerkt: Hij is bezig om de mens naar Zijn beeld te scheppen. Hij is binnen Zijn eigen werk nooit van dat plan afgeweken.

Gods werk gaat op Zijn bevel voort in een richting die overeenstemt met Zijn doel. Het duidelijke bijbelse patroon is, dat God leidt en Zijn dienaren volgen, ongeacht in welke vorm het werk plaatsvindt.

De aandacht van Zijn werk verschuift regelmatig binnen het algemene doel afhankelijk van de behoefte. God bereidt mensen voor en roept ze om het werk te doen dat volgens Hem op een bepaalde tijd en plaats gedaan moet worden.

Het boek Handelingen en de brieven van de apostelen laten duidelijk zien dat de aandacht van de vroeg nieuwtestamentische kerk dramatisch verschoof, om tegemoet te komen aan de behoeften die ontstonden, maar de hoofdaandacht ging voornamelijk uit naar het voeden van de schapen.

Deel 2

Daniël 5 geeft de historische achtergrond van wat in de Engelse taal een cliché is: "Het handschrift staat op de muur." Dit is gaan betekenen dat de gebeurtenissen duidelijk op één ding uitlopen. Gewoonlijk suggereert het dat de ramp al is geschied en dat we, als we terugkijken, zien dat we het hadden kunnen weten, of het betekent dat de ramp eraan komt en dat die niet meer is te voorkomen.

De gebeurtenissen in de laatste tientallen jaren in de kerk van God zouden ons hebben moeten waarschuwen voor wat er met onze geestelijke conditie gebeurde. Er is een geestelijk ramp gaande binnen de kerk. Terwijl de kerk voortgaat in stukken uiteen te vallen, wordt de vernietiging met de dag erger. Wanneer zal daar een einde aan komen?

Eén van Jezus namen is "de hoeksteen". 1 Petrus 2:5 refereert naar de leden van de kerk als "levende stenen ... voor de bouw van een geestelijk huis". In Mattheüs 24:2 beschrijft Jezus de verwoesting van de fysieke tempel in Jeruzalem: "Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken." Omdat het wantrouwen, de ontmoediging, het wegglijden, de verwarring en de afscheidingen onder ons almaar doorgaan, zou dit kunnen slaan op de kerk in de eindtijd!

We zouden het geweten kunnen hebben

Om verschillende redenen zouden we beter moeten hebben begrijpen wat er gebeurde. Maar onze verzwakte geestelijke conditie en misschien een onvoldoende kennis van wat te doen - om nog niet te spreken over de angst om iets "radicaals" te doen - verhinderde dat. We hebben allemaal de last van deze onverantwoordelijkheid te dragen, maar ongetwijfeld is die voor sommigen groter dan voor anderen.

We zouden hebben moeten weten wat er gaande was, vanwege de geschiedenis van de kerk uit de eerste eeuw, het tijdperk van de apostelen. Paulus, Johannes, Petrus en Judas vulden hun brieven met verwijzingen naar ketterijen en valse dienaren. Paulus waarschuwt in:

Handelingen 20:29-31 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; 30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. 31 Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.

Paulus waarschuwde hen herhaalde malen van tevoren, evenals Herbert Armstrong dat deed. Paulus voorspelde dat er vraatzuchtige, geestelijke ketters de kerk van buiten zouden binnenkomen en dat er anderen van binnen zouden opstaan; dezen zouden de gemeente bedriegen. Jezus waarschuwde ook in de gelijkenis van het tarwe en het onkruid, dat beide tezamen zouden opgroeien (Mattheüs 13:24-30). We zouden erop voorbereid moeten zijn geweest, dat er zoiets zou gebeuren. We zouden er op zijn minst persoonlijk gereed voor moeten zijn geweest. Hoe vaak waarschuwt de Schrift niet dat we waakzaam, oplettend en voorzichtig moeten zijn?

De hoofdstukken over "zegen en vloek" en de geschiedenis van het oude Israël zouden ons hebben moeten waarschuwen. Misschien was onze grootste fout wel, dat we vergaten dat God niet oordeelt met aanzien des persoons. Zowel Leviticus 26:33 als Deuteronomium 28:64 laat zien dat als Gods volk de geboden niet houdt, Hij hen als straf zal verstrooien totdat ze zich bekeren.

Ging het oude Israël niet in ballingschap en werden ze niet verstrooid? Hoe kunnen wij dan denken dat ons dat niet kan overkomen? Omdat we "in de kerk" (Jeremia 7:3-15) zijn? Het nalaten om serieus alle mogelijke geestelijke gevolgen van het krachtige onderwijs van Paulus uit Galaten 6:16; 4:26-28 en Romeinen 9:1-8 - dat de kerk "het Israël van God" is - in overweging te nemen, heeft tot diepe ontgoocheling geleid.

Romeinen 15:4 geeft ons op dit punt onderricht: "Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden." Hij helpt ons een reden aan te geven voor waar we nu doorheen moeten gaan. Nadat God hen volop had gewaarschuwd, verstrooide Hij Israël en zond hen in ballingschap omdat ze Zijn geboden niet gehoorzaam waren. Die waarschuwing geldt ook voor ons. We zouden beter hebben moeten weten, omdat - zoals Paulus schrijft - God deze dingen liet opschrijven met voornamelijk de kerk, het Israël van God, in gedachten.

Jezus zei in Lucas 12:48: "Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden." God straft de ongehoorzamen door hen te verstrooien. We zouden daar acht op moeten geven. Heeft iemand ooit meer ontvangen dan wij? Juist wij hebben daarom geen excuus. We zouden ons niet hebben moeten toestaan in de conditie te komen die deze verstrooiing teweegbracht.

Gelet op deze achtergrond en de emotionele druk die we hebben doorstaan, is het erg gemakkelijk om de beschuldigende vinger uit te steken naar personen, klieks, doctrines of beleidswijzigingen, wie of wat we dan ook maar als oorzaak aan de kaak zouden willen stellen. Satan en de menselijke leiders zijn de meest natuurlijke doelen. Alhoewel er enige waarheid in die beschuldigingen zou zitten, is dat geestelijk toch erg gevaarlijk. Gods Woord laat zien dat we voorzichtig moeten zijn in het toedichten van schuld. Het kan zijn, dat degenen die we beschuldigen alleen maar gebruikt zijn, al werden ze dan met hun instemming gebruikt, om Gods plannen uit te voeren, die Hij in reactie op onze zonden ontwierp.

God deed het!

Gods betrokkenheid in de verstrooiing van de kerk afdoen als alleen maar een zaak van een passief "laten gebeuren" is ver verwijderd van de waarheid. God is actief betrokken in het bestuur van Zijn schepping, in het bijzonder als het erom gaat Zijn geestelijke schepping tot zijn meest volledige potentieel te brengen. In Daniël 4:17 zegt Hij heel duidelijk dat Hij koningen aanstelt en afzet. Jezus zegt dat "Gods op de hoogte zijn" van wat er gebeurt en Zijn betrokkenheid zo intens en groot is, dat er zelfs geen musje valt zonder dat Hij het merkt! Hoeveel te meer zal Hij Zijn aandacht dan niet richten op Zijn verwekte kinderen?

Wat God de kerk aandeed was een daad van trouw aan wat Hij is, evenals een levendige uitdrukking van Zijn wens dat wij in Zijn Koninkrijk zullen zijn. David schrijft: "Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen? De Here woont in zijn heilig paleis, de Here heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen" (Psalm 11:3-4). Paulus zegt in Hebreeën 12:6: "Want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt."

God geeft hier vele voorbeelden van door heel de Bijbel heen. Hij daagde Satan uit Job te testen (Job 1:6-12). Hij zocht een vrijwilliger om een leugengeest te zijn in de mond van een valse profeet om Achab en Israël te straffen (2 Kronieken 18:21-22). Hijzelf "verwijderde Israël van voor zijn aangezicht" nadat Zijn geduld met hen was uitgeput (2 Koningen 17:18-23). God was ook actief betrokken bij het in ballingschap sturen van Juda. In Klaagliederen 2:1-8 verkondigt God minstens 26 keer dat Hij dit of dat deed, gericht tegen de dochter Sions (een type van de kerk) met als doel haar te verdelgen.

In Romeinen 9:17 verwijst Paulus naar Farao, Israëls vijand en een type van Satan: "Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde." Hebben degenen die leiderschapsposities in de kerk bekleedden, die de macht hadden doctrinaire wijzigingen door te voeren, hun positie bereikt zonder dat God dat wist? Konden zij ook maar iets tegen Zijn wil in doen? Precies die mensen die God er wilde hebben, zaten op die posities.

Aan de ene kant geldt, dat als we geloven dat God alleen maar een passieve rol speelde in het verstrooien van de kerk, we Hem op subtiele manier beschuldigen dat het Hem niet kan schelen. Aan de andere kant geldt, dat als we denken dat "God het zomaar liet gebeuren", het lijkt op het mentaal ophalen van de schouders en ons toestaan de schuld op anderen te schuiven alsof het helemaal hun schuld is. Wij ontlopen dan de verantwoordelijkheid van onze bijdrage aan de oorzaak van deze geweldige geestelijke ramp.

God is geen passieve Schepper. Hij bestuurt Zijn schepping op actieve wijze. Wat hier aan de orde is, is ons bewust zijn van en ons reageren op Gods soevereiniteit over ons individuele leven in het bijzonder en de kerk en de wereld in het algemeen.

De waarschuwingen van Herbert Armstrong

Had God een rechtvaardige zaak tegen Belsassar (Daniël 5)? Het originele handschrift op de muur bewees dat God wist van Belsassars oneerbiedig en godslasterend omgaan met de heilige dingen. Evenals God Belsassar door Zijn knecht waarschuwde voordat de roede van Zijn bestraffing toesloeg, heeft Hij ook ons gewaarschuwd.

Op 24 juni 1978 gaf Herbert Armstrong een preek voor de Pasadene PM gemeente. Deze werd daarna naar alle gemeenten over de gehele wereld uitgestuurd om beluisterd te worden. In die preek waarschuwde hij, dat we lauw werden en drong er bij ons op aan naar Christus terug te keren. Hij riep wel vijftien keer: "Wordt wakker!" Hij wilde dat we begrepen, dat de hele kerk geestelijk achteruit ging. De ramp was zich al aan het voltrekken.

Vanaf die tijd totdat hij enkele maanden voor zijn dood stopte met het geven van preken, was eigenlijk iedere preek die Herbert Armstrong gaf op een of andere manier aan dat thema gerelateerd. Sommigen dachten dat hij als een oude zonderling klonk. Op 24 juni 1985, op de kop af zeven jaar nadat hij ons had aangespoord "wakker te worden", publiceerde hij een speciale editie van de Worldwide News, met als titel: "De recente geschiedenis van het Filadelfia tijdperk van de kerk van God". Deze uitgave gaf in het kort weer wat er in het recente verleden allemaal was gebeurd, opdat dat niet opnieuw zou gebeuren. Waar hij al bang voor was, gebeurde weer - zelfs in ergere mate! We waren duidelijk gewaarschuwd.

De heer Armstrong gaf het grootste deel van de schuld van het probleem van de kerk aan wat hij "intellectualisme" noemde. Op soortgelijke wijze stelt Paulus wat hij noemt de "wijsheid van mensen" tegenover Openbaring (1 Corinthiërs 2:4-16). Ze verwijzen beiden naar hetzelfde concept. Het punt voor beide mannen was dat het christendom is gefundeerd op, afhankelijk is van en bloeit op basis van de Openbaring van God, niet op basis van menselijk intellect.

Dit doet geen afbreuk aan het belang van het menselijk intellect voor het fysieke leven, maar wat betreft geestelijk leven moeten de ware dingen van God worden geopenbaard. Paulus' voorbeeld is instructief, daar hij zeer zeker iemand was met een groot intellect. Bekeerde God hem door zijn intellect of openbaarde God Zichzelf aan hem in een verblindend licht op weg naar Damascus? Totdat God dat wonder in zijn denken uitvoerde, was Paulus een vijand van de waarheid. Tot op zekere hoogte is Paulus' ervaring ons allemaal overkomen. Hij bleef zijn intellect gebruiken, maar leefde en oordeelde op basis van openbaring.

Jezus en de oorspronkelijke twaalf apostelen werden allen als ongeletterde mensen beschouwd. Stel daar eens tegenover waar de kerkelijke leiders van de laatste tijd hun scholing ontvingen, waardoor de geweldige doctrinaire veranderingen werden teweeggebracht. Bezochten zij niet de universiteiten van de wereld op zoek naar "hogere" afstudeerniveaus in theologie en "aanverwante" onderwerpen? De "wijsheid" die zij daar leerden, klinkt goed voor de menselijke natuur en het werelds denken. Zij gaven het door aan de dienaren en de gemeenteleden. Stapje voor stapje begon het ons denken als een kanker te doortrekken en de vitaliteit te ontnemen aan echt, eenvoudig, geopenbaard geestelijk geloof, gehoorzaamheid en liefde. Er was een hongersnood naar het Woord aan het ontstaan. (Vraag voor een vollediger behandeling van dit onderwerp ons boekje The World, the Church and Laodiceanism aan.)

Waarschuwingen aan Israël en Juda

De houding van Laodiceanisme en het zuurdesem van intellectualisme vormden samen de krachtbron die de Worldwide Church of God heeft vernietigd. In Amos 4 staat een interessante parallel. De profeet richt zich in eerste instantie tot de rijke vrouwen van Israël, maar indirect richt hij zich ook tot hun mannen, ja zelfs tot de gehele natie.

God begint om bij Zijn heiligheid te zweren, dat Hij hen, wegens hun houding en gedrag, zeer zeker zal verstrooien en in ballingschap voeren. Hij vermeldt hoe graag ze naar de feesten optrekken, alhoewel ze zwaar met zonden zijn beladen die ze over het hoofd zien. Alvorens hen te verstrooien, waarschuwde Hij hen middels problemen, ziekten en droogte in de landbouw, waardoor een hongersnood ontstond. Het geweld in het land nam toe. Door al deze rampen verzwakten de mensen en trokken van de ene plaats naar de andere op zoek naar vrede en kracht.

Ze trokken zich Zijn waarschuwingen echter nooit voldoende aan om tot bekering te komen en hun manier van doen te veranderen. Ze zagen nooit het verband, dat zij persoonlijk verantwoordelijk waren voor wat er in het land gebeurde. Ze gaven de schuld altijd aan iemand anders. Het hoofdstuk eindigt met een ernstige waarschuwing: "Bereid u om uw God te ontmoeten!" (Vraag voor een vollediger behandeling van dit onderwerp ons boekje Prepare to Meet Your God! aan.)

Jeremia 3:12-15 laat op overtuigende wijze zien dat Israël zich op de prediking van Amos niet bekeerde:

Jeremia 3:12-15 Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer weder, Afkerigheid, Israël, luidt het woord des HEREN, Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des HEREN, Ik zal niet altoos blijven toornen. 13 Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de HERE, uw God, zijt afgevallen en uw gangen gericht hebt naar de vreemden onder elke groene boom, en naar mijn stem niet hebt gehoord, luidt het woord des HEREN. 14 Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, een uit één stad en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion, 15 en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand.

Jeremia 7:8-15 legt uit dat Juda 120 jaar later om dezelfde redenen hetzelfde verwoestende lot onderging:

Jeremia 7:8-15 Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. 9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt. 10 En komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? 11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol ? En Ik, zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des HEREN. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13 Nu dan, omdat gij al deze dingen gedaan hebt, luidt het woord des HEREN, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, 14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, 15 en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uw broederen, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.

Net als Israël en Juda gaven ook wij geen acht op de waarschuwingen. God was getrouw, maar te velen vertrouwden te lang op leugenachtige woorden. Wat hun overkwam is ons overkomen. Hebben wij ons bekeerd? Of hebben wij allemaal de beschuldigende vinger naar de Pastor General en zijn staf uitgestoken, alsof zij de volledige schuld hadden? Hebben we er ooit aan gedacht dat we kregen wat we verdienden? Is het mogelijk dat die mannen alleen maar een weerspiegeling van ons waren? Ze verkeerden gewoon in een betere positie om invloed uit te oefenen op het gehele lichaam.

Lange tijd dacht ik er niet aan dat de waarschuwingen op mij waren gericht, of om dezelfde reden op de gehele kerk. Het was altijd iemand anders, zo dacht ik. Ik had beter moeten weten, maar ik was verblind door mijn geestelijke conditie. Als ik er nu op terugkijk, lijken de waarschuwingen wel trompetgeschal, maar ik dacht toen niet dat de problemen bij mij lagen.

Het handschrift staat op de muur en het blijft daar staan, omdat het probleem bij lange nog niet voorbij is. Over de gehele wereld zijn er mensen verstrooid, die de dienaren en elkaar wantrouwen. Dit is precies wat Satan, de brullende leeuw (1 Petrus 5:8), wil. Gods mensen zijn veel gemakkelijker de een na de ander te pakken te nemen als ze verstrooid zijn en op zichzelf staan.

De apostelen uit de eerste eeuw waarschuwden ons in hun brieven. Herbert Armstrong luidde de alarmklok vaak en lang. De gebeurtenissen binnen de kerk hadden ons moeten alarmeren wegens onze verslechterende geestelijke conditie. We hadden als razende met rode vlaggen moeten zwaaien toen doctrinaire wijzigingen ons wegvoerden van het geloof eenmaal aan ons overgeleverd. Toen sommige dienaren weigerden de veranderingen te onderwijzen, waarschuwden ze ons zelfs in stilte! De verergerende geestelijke hongersnood en onze huidige verstrooide conditie zijn de waarschuwingen van dit moment.

Wat gaat u doen? Dat staat nog te bezien. Gods onderwijs is echter duidelijk. Als er afval plaatsvindt, moet iedereen aan de waarschuwing gehoor geven en zich bekeren van zijn zonden, niet uitkijken naar mogelijke zondebokken.

Het uur van beslissing

Christus begon niet zo maar, zonder enige reden, vorm te geven aan een lichaam, Zijn kerk. De kerk moet voorzien in algemeen onderwijs in Gods waarheid om de heiligen te volmaken, in onderlinge omgang met anderen met dezelfde Geest, en in de basis om tot de wereld te prediken. Haar centrale aandachtspunt is de familierelatie met de Vader door Jezus Christus, als voorbereiding op de volgende stap in Zijn doel.

Gelet op de verstrooide toestand van de kerk en het niet te ontkennen feit dat God de kerk om onze zonden verstrooide, is het nu tijd voor een grondig en diepgaand zelfonderzoek en bekering. Christus maant vijf van de zeven kerken in Openbaring 2 en 3 aan tot bekering. Iedere brief eindigt met een aansporing aan de lezer om te luisteren naar "wat de Geest tot de gemeenten zegt". Als de schoen past, trek hem aan, ongeacht tot wie Christus Zich richt.

Christus is vreselijk serieus; Hij dreigt Efeze zelfs met verwijdering van haar kandelaar als ze zich niet bekeren (Openbaring 2:5)! Gods kerk heeft altijd al met zonde moeten vechten, maar deze keer hebben we een pijnlijke berisping gekregen. We zijn uitgespuwd (Openbaring 3:16)!

Maar er blijft hoop om tot God terug te keren.

2 Kronieken 7:13-14 Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, 14 en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.

In die preek van 24 juni 1978 zei de heer Armstrong tegen het eind het volgende:

[God] kent onze zwakheden. Hij is een vergevende God. En als we maar naar Hem willen terugkeren, zal Hij nog steeds Zijn armen uitstrekken en ons aannemen en liefhebben. We kunnen ons niet voorstellen hoeveel van Gods liefde ons denken en ons hart kan binnenkomen en hoe sterk Hij ons kan liefhebben. God heeft Zijn kerk lief! ... Nu is voor ons de tijd aangebroken dat we een vernieuwing in ons hart ondergaan. Dat zou tot ons moeten doordringen en ons moeten veroordelen. Het is onze schuld. En ik heb het niet alleen maar over ons die vandaag hier bij elkaar zijn. Ik heb het ook over de andere kerken, over geheel de wereld, die dit op tape zullen horen. Gemeente, laten we met zijn allen op de knieën gaan en laten we tot Christus terugkeren.

Daniëls gebed

Daniël 9 is voor ons een uitstekend model om na te volgen in onze terugkeer tot God. Daniël sprak dit gebed uit tijdens de Joodse ballingschap in Babel. Ze naderden de tijd dat God hen zou bevrijden en doen terugkeren naar het land dat hun erfdeel was. De profeet vroeg God, hoe Hij de Joden zou terugvoeren.

Vandaag de dag zien we dat we verstrooid zijn en hopen we dat we weer tot één lichaam verenigd zullen worden. We moeten God vragen hoe Hij de geestelijke Joden in de eindtijd weer zal terugbrengen en één zal maken. Ook wij kijken er naar uit door Christus' wederkomst te worden bevrijd en in het land dat ons erfdeel zal zijn, te worden gebracht.

Dit gebed en de omstandigheden die er aanleiding toe waren, onderwijzen ons een belangrijke les: De doelstellingen en de beloften van God die Hij in Zijn woord openbaarde, instrueren ons waarover te bidden, ook bemoedigen ze ons en motiveren ons tot gebed. Daniël bad over wat hij uit de Bijbel leerde, in het bijzonder het boek Jeremia (Daniël 9:2-3).

Wat deed hij dan? Hij beleed de zonden van het volk, zonden die hen in ballingschap brachten, zonden die de natie Juda uiteen deden vallen. Hij was klaarblijkelijk van mening dat de zonden die de ballingschap teweegbrachten, nog steeds deel uitmaakten van het karakter van het volk.

Als we tussen de regels van Daniëls gebed lezen, kunnen we zijn bezorgdheid begrijpen of de Joden wel gereed waren om terug te keren. Hij brengt zijn eigen gevoelens tot uitdrukking en waarschijnlijk de gevoelens van anderen onder de Joden. Hij had een reden om bezorgd te zijn, omdat toen ze enkele jaren later mochten terugkeren, het er maar weinigen waren die echt naar Juda teruggingen. De overgrote meerderheid bleef in het land van hun ballingschap, in de wereld, in Babel. Ze waren zich thuis gaan voelen in hun ballingschap en waren bang, dat de opoffering om terug te keren - zich te bekeren - te groot zou zijn.

Maar God is getrouw ten goede en ten kwade; dit maakt Hem absoluut betrouwbaar. Als Hij waarschuwt dat Hij Zijn volk om hun zonden zal verstrooien, dan doet Hij dat ook, of Hij nu Israël of ons waarschuwt. Daniël laat in de verzen 8 en 11 zien dat zonde de gehele maatschappij had doortrokken en hij erkent Gods trouw door te verwijzen naar de zegen en de vloek van Leviticus 26 en Deuteronomium 28.

Daniël gaat verder in de verzen 13 en 14:

Daniël 9:13-14 Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil over ons gekomen, en wij hebben de HERE, onze God, niet vermurwd door ons te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid. 14 Daarom was de HERE wakker om het onheil over ons te brengen; want de HERE, onze God, is rechtvaardig in al de werken die Hij doet, maar wij hebben niet geluisterd naar zijn stem.

Daniël laat heel duidelijk zien waarom we ons in deze conditie bevinden. Alhoewel we de problemen zagen aankomen, vroegen we Hem niet ze in de kiem, dat is onze eigen persoonlijke ongerechtigheden, te smoren. God had geen andere keus dan deze ramp over ons te laten komen.

Vers 15 is een rechttoe-rechtaan erkenning van schuld. "Wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld!" In vers 17 smeekt de profeet God om in barmhartigheid om te draaien en hen te redden: "Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, — om des Heren wil."

Daniël besluit zijn gebed met dit hartverscheurende beroep:

Daniël 9:18-19 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. 19 O Here, hoor! O Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk.

Daniël baseert zijn pleiten ten behoeve van het volk op zijn kennis van Gods karakter en richt het op Zijn barmhartigheid. Hij doet geen beroep op God op basis van eigen gerechtigheid, ook niet op basis van hun huidig lijden. Wetende hoeveel mededogen God heeft voor Zijn volk, voor Jeruzalem en de tempel, vraagt hij God slechts hen te vergeven en hen te bevrijden. Zo'n bevrijding zou alleen maar Gods barmhartigheid zijn en alleen Hij zou daarvoor verheerlijkt worden.

Bijbels is er geen bewijs dat God ons in deze tijd weer zal verenigen. God verstrooide Israël en Juda. Hij bracht Juda voor een bepaalde tijd weer terug in haar eigen land, om hen daarna weer naar alle windstreken te verstrooien. De andere stammen van Israël bleven verstrooid, maar zij zullen in de toekomst met Hem en Juda verenigd worden.

De Bijbel geeft ons dus slechts een gedeeltelijk patroon. Hij zal ons verenigen, maar wanneer? Misschien vindt die vereniging plaats in de plaats van veiligheid. Misschien zal God voor de komst van de twee getuigen in Zijn barmhartigheid iemand op het toneel doen verschijnen om wie Zijn kerk zich kan verenigen.

Wanneer het gebeurt is minder belangrijk dan dat elk van ons zich ervan verzekert een juiste relatie met God te hebben. Als afzonderlijke personen moeten we ernaar streven de breuk te helen door ons te bekeren van onze zonden, zodat niets dat deze scheiding veroorzaakte, achterblijft als obstakel voor een vereniging met onze broeders. Nu is het de tijd voor ons om van start te gaan met een krachtige, persoonlijke vernieuwing van onze vroegere toewijding aan en enthousiasme voor Hem en Zijn grote doel.

Samenvatting

We werden meer dan voldoende gewaarschuwd door de Schrift, Herbert Armstrong en de gebeurtenissen over wat er in de kerk aan de hand was.

God is actief betrokken bij Zijn schepping, in het bijzonder bij Zijn kerk. Hijzelf veroorzaakte de verstrooiing, net zo zeker als Hij Israël en Juda verstrooide.

God verstrooit als straf voor zonde. Ongeacht of we ooit weer verenigd zullen worden, dienen we ons te concentreren op een diepgaand zelfonderzoek en bekering.

Deel 3

Er bestaat een schrille tegenstelling tussen de verkondiging van het evangelie zoals de kerk dat in de eerste eeuw in haar beginjaren deed en wat er stapje voor stapje gebeurde met het ouder worden van de kerk. De eerste hoofdstukken van Handelingen geven de indruk dat praktisch ieder lid van de kerk het evangelie verkondigde.

Evangelist betekent "iemand die goed nieuws verkondigt". Aan wie het goede nieuws wordt doorgegeven is niet belangrijk. In de meest algemene zin kan iedereen het evangelie verkondigen, of je nu apostel, diaken of gewoon lid bent. Eén commentator merkte op, dat een apostel ook een profeet en een evangelist was: een apostel omdat hij gezonden was; een profeet omdat hij dingen voorzegde en een evangelist omdat hij goed nieuws bracht. In de vroegste jaren van de kerk werd het woord "evangelist" op deze manier gebruikt.

Zoals we in de brieven van Paulus kunnen zien, veranderde mettertijd het kerkelijk gebruik van dit woord echter van een publiekelijk uitgevoerde taak in een hoge positie al dan niet samengaand met de publieke taak. Paulus gebruikt het woord in 2 Timotheüs 4:5 om de taken van Timotheüs als evangelist te definiëren in relatie met de gemeenteleden. In zekere zin verkondigde hij nog steeds het evangelie, maar dan aan de kerk. Het gebruik was verschoven naar een administratieve rang.

Het advies dat Paulus aan Timotheüs en Titus geeft, richt zich erop hoe een gemeente te hoeden, niet hoe het evangelie te verkondigen. Er is weinig in deze brieven dat erop wijst, dat Timotheüs of Titus het ook aan het grote publiek verkondigde en daarmee een getuigenis van het evangelie uitdroeg. Deze verantwoordelijkheid schijnt een taak te zijn geweest, die voornamelijk door de apostelen werd uitgevoerd.

Herbert W. Armstrong

Iemand die vertrouwd is met de geschiedenis van de Worldwide Church of God (WCG) weet dat Herbert Armstrong het woord "evangelist" op dezelfde manier gebruikte als in de latere brieven van het Nieuwe Testament. Voor hem was "evangelist" een administratieve rang. In de praktijk verkondigde de heer Armstrong, een apostel, het evangelie, maar fungeerden evangelisten als hoofd van de afdelingen. Hun verkondiging van het evangelie beperkte zich meestal tot de kerk. Zij hadden de supervisie over anderen. Af en toe reisden ze naar plaatselijke gemeenten om de heer Armstrong te vertegenwoordigen en ze fungeerden als reizende sprekers tijdens het Loofhuttenfeest. Lokale pastors verkondigden het evangelie meer aan het publiek door Plain Truth lezingen en het bezoeken van mogelijke toekomstige leden, dan de evangelisten!

In Mystery of the Ages, pagina 275, geeft de heer Armstrong een korte samenvatting van de zigzag geschiedenis van de kerk. Net als Israël in de woestijn ging de kerk in de tweeduizend jaar van haar bestaan ook niet in een rechte lijn op weg naar behoud. God liet de kerk lange perioden voortbestaan zonder dat in enige vorm het evangelie in het openbaar werd verkondigd. In feite was ze vaak verborgen, door God beschermd in de "woestijn" (Openbaring 12:6). Hij scheen Zich daar niet echt druk over te maken, want als Hij dat wel had gedaan, dan zou Hij de kerk tot beweging hebben aangespoord om in Zijn naam op te treden. Herbert Armstrong heeft herhaalde malen gezegd, dat het evangelie in een periode van 1900 jaar niet was verkondigd! Hij bedoelde niet dat het totaal niet was verkondigd, maar dat het niet werd verkondigd met het begrip, de kracht, in de mate en voor de tijdsduur waarin het gebeurde toen God hem aanstelde om het in deze eeuw te doen.

Het maken van bekeerlingen

Alhoewel de Joden in de dagen van Jezus (Mattheüs 23:15) zich ermee bezighielden, komt het maken van bekeerlingen voor het eerst als bijbelse opdracht aan de orde toen Jezus Zijn taak hier op aarde uitvoerde. Onder het Oude Verbond heeft God nooit een taak ingeruimd voor het maken van bekeerlingen, deels omdat Hij Zijn werk beperkte tot hen die in Israël een verbond met hem sloten. Maar toch moest Israël voor de volkeren een getuigene zijn van God: "Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Here, dat Ik God ben" (Jesaja 43:12, Statenvertaling).

In de verwachting dat anderen tot Zijn volk zouden worden aangetrokken, bracht God in de wet voorzieningen aan, dat mannelijke heidenen besneden moesten worden als ze zich bij Israël wilden voegen (Exodus 12:48-49). Deuteronomium 28:10 voegt hieraan toe: "Dan zullen alle volken der aarde zien, dat de naam des Heren over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen."

God koos Israël om aan de volken der wereld een voorbeeld te geven van een manier van leven die echt werkt. Behalve hun persoonlijk getuigenis, voorzag Hij niet in middelen om het "evangelie aan de wereld" te verkondigen. Zijn ervaring met Israël zou ons een duidelijk signaal moeten geven, hoe belangrijk het voeden van de kudde is in vergelijking tot de verkondiging aan de buitenstaander. Zoals eerder gezegd, was het voeden van de kudde altijd de belangrijkste taak van de priesters binnen de kerk van het Oude Verbond.

Israël was een mislukking, omdat ze Gods manier van leven niet volgden en daarom konden ze geen goede getuigenen zijn. "Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor, maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts" (Jeremia 7:24).

Het volgende vers laat duidelijk de hoofdtaak van de profeet zien: "Van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat" (vers 25). De taak van de profeet, evenals van de priester, was de kudde te voeden, ernaar te streven dat Israël zich bekeerde, ze weer "op het spoor" te zetten, zodat ze de juiste getuigen konden zijn.

In het Nieuwe Testament wordt bijna iedere vermaning, aansporing en opdracht gegeven om aan te zetten tot gehoorzaamheid en groei in karakter. Jezus brengt de verantwoordelijkheid van de christen als volgt onder woorden: "Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden (Mattheüs 6:33).

De sleutel tot effectief getuigenis

De sleutel tot effectief getuigenis is niet het openbaar verkondigen van het evangelie, alleen maar omdat God de kerk beveelt dit te doen, maar op de juiste manier zijn voorbereid om dat te doen als dat binnen Gods doel zo uitkomt. God besteedde dertig jaar om Zijn Zoon op Zijn taak voor te bereiden. Jezus besteedde drieënhalf jaar om de apostelen op de verkondiging van het evangelie voor te bereiden. Na Paulus' bekering bracht hij drie jaar in de woestijn door met Christus om op zijn werk te worden voorbereid. Voorbereiding naar Gods wil is de sleutel tot de verkondiging van het evangelie.

Voorbereiding gaat vooraf aan het tot de wereld gaan. Anders zal het getuigenis niet beter zijn dan datgene dat door het oude Israël onder het Oude Verbond werd gegeven. Israël mislukte! Hun mislukking werd veroorzaakt door de slechte kwaliteit van hun getuigenis. Dat was onvoldoende, misleidend en soms volledig een leugen, omdat ze niet leefden zoals God hun had onderwezen. Hun mislukking is echter begrijpelijk. Ze waren geestelijk niet toegerust te doen wat van hen werd gevraagd. "Doch de Here heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag" (Deuteronomium 29:4).

Zo zijn ook wij niet volledig toegerust voor wat er van ons wordt verlangd. Hoe kunnen we verkondigen als we amper in praktijk kunnen brengen wat we verkondigen? Het liefhebbende, dienende, delende voorbeeld van de christenen in de eerste hoofdstukken van Handelingen wordt deels gegeven om hun geestelijke conditie te laten zien in relatie met de kracht waarmee de verkondiging werd gedaan. Wij hebben bij lange na niet die geestelijke conditie.

Het meest effectieve getuigenis dat de kerk van God ooit heeft gegeven, vond plaats voordat de wereld radio, televisie, satelliet, computer en faxapparaat kende. In de eerste eeuw werkte God krachtig door mensen die geestelijk grondig waren voorbereid, en hun getuigenis was zo effectief dat Lucas vastlegt dat ze "de wereld in opschudding brachten" (Handelingen 17:6)!

Wij, daarentegen, zijn allen gekomen uit een geestelijke organisatie die al vele jaren achteruit ging, al ver voor de dood van Herbert Armstrong. Verdeeldheid in de kerk, doctrinaire verwarring en een lethargische houding - die de mensen zonder enige vorm van protest praktisch terugbracht in de wereld - zijn daar het bewijs van. De heer Armstrong deed in zijn laatste zeven jaar zijn uiterste best om de kerk "terug op het spoor" te krijgen. Doctrinair slaagde hij tot op zekere hoogte, maar hij slaagde er in de verste verte niet in om de houding van de mensen terug te brengen tot dat wat juist is.

Het is nu de verantwoordelijkheid van de dienaren ernaar te streven de leden van de kerk weer vurig op Gods manier te laten leven, te groeien in genade en kennis van Jezus Christus en vast te houden aan wat hun is toevertrouwd. Als een pastor zijn aandacht richt op het openbaar verkondigen van het evangelie, dan kan hij de kudde niet effectief voeden, want dan zal hun aandacht zijn gericht op datgene waarop de aandacht van de pastor is gericht. Niemand kan twee heren dienen (Mattheüs 6:24).

Een subtiel gevaar

Er ligt een subtiel gevaar op de loer als de hoofdaandacht is gericht op het verkondigen van het evangelie aan de wereld. Alhoewel het individuele lid zich goed kan voelen, omdat hij betrokken is bij een zichtbaar werk, kan hij er in werkelijkheid toe verleid worden zijn belangrijkste verantwoordelijkheden te verwaarlozen: overwinnen en een persoonlijk godvruchtig getuigenis geven aan de wereld. Het bezig zijn met een extern werk wordt op subtiele manier gelijkgesteld aan rechtvaardigheid. Stijgende statistieken worden de maat waaraan men groei afmeet. Als het lichaam "groeit", schijnt de noodzaak om zonde uit te roeien te verdwijnen. Het lijkt erop dat andere mensen "behouden" gemakkelijker is dan aan zichzelf werken. Maar we moeten er hard aan werken de balk uit ons eigen oog weg te doen, voordat we anderen over hun problemen gaan vertellen (Mattheüs 7:1-5).

Vroeger was het algemene idee, dat het gewone lid moest "betalen en bidden". Al ken ik geen enkele dienaar die dat werkelijk predikte, toch vonden de leden dat dat zeer zeker waar was. Meestal waren ze "buiten beeld", een probleem dat kan worden toegeschreven aan bestuurlijke opvattingen en beleidsregels.

Echter ieder lid is even belangrijk voor het lichaam, zoals Paulus laat zien in Romeinen 12 en 1 Corinthiërs 12. Ieder krijgt gaven van God om zijn taak uit te voeren, met als hoofdtaak het evangelie te verkondigen door zijn persoonlijke voorbeeld. Het ontwikkelen van deze gaven is een kerntaak van de kerk. We ontwikkelen ze als we overwinnen en groeien, deelnemen aan het voeden van de kudde, en door in ons leven een persoonlijk getuigenis te geven.

Als deze gaven niet worden ontwikkeld, wordt de algemene taak van de kerk op zijn zachtst gezegd uitgehold en de benadering van de kerk wordt wer

© 1993 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC  28247-1846
(803) 802-7075

Back to the top
Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)