Het gereedmaken van de bruid

Door John W. Ritenbaugh
1993
De doelstelling van de Church of the Great God
en een overzicht van haar geloofspunten

Doelstelling

Deel 1

Als mensen hebben we een sterke neiging om de mensen in duidelijke categorieën onder te brengen. We plakken anderen een etiket op om ze in relatie met ons in een speciaal vakje te plaatsen. Dit is op zichzelf niet verkeerd. Iemand in deze gewelddadige wereld als vriend of vijand categoriseren, kan het verschil tussen leven en dood betekenen!

Van nature categoriseren we mensen naar sex, ras en taal. Alleen maar omdat iemand zoiets doet, is hij niet bevooroordeeld, aangezien zo'n etiket niets meer behoeft te betekenen dan een vorm van identificatie. Het kan zijn dat we twee mensen met dezelfde naam kennen, maar we categoriseren hen naar ras of ethnische groep. We categoriseren mensen naar ambacht, beroep, lengte, gewicht, persoonlijkheid, sociale status, mode, atletische vaardigheid, moraliteit en natuurlijk religie. Onze lijst van categorieën kan oneindig lang zijn.

We zijn in ons onderbewustzijn voortdurend bezig anderen te categoriseren. Hierdoor slagen we erin een deel van het leven redelijk goed georganiseerd te houden. Maar er zit ook een schadelijk kant aan, omdat we een sterke neiging hebben om in ons oordelen te generaliseren. We categoriseren de mensen als goed of slecht, vriend of vijand, bekeerd of onbekeerd, en dat alleen maar omdat ze in een bepaalde algemene categorie "passen". Al kan dit nogal onlogisch schijnen, religie is een van de gebieden waar deze neiging schijnbaar het sterkst is.

Afscheidingen binnen de kerk

Religieuze groepen blijven almaar splitsen. De overgrote meerderheid van afscheidingen schijnt plaats te vinden, omdat er een punt aan de orde komt, waarin de mensen partij gaan kiezen; ze verdelen zich in de "goeden" en de "slechten". Opnieuw moet gezegd dat dit op zichzelf niet verkeerd is. Jezus had het beslist niet bij het verkeerde eind, toen Hij de kerk van God als aparte organisatie oprichtte!

Maar Gods kerk heeft zich ook regelmatig gesplitst. Oorspronkelijk was er één kerk, één organisatie. Hoeveel zijn er vandaag? Alleen God weet hoeveel organisaties er zijn die beweren de kerk van God te zijn. Scheuringen hebben grotendeels plaats gevonden, omdat we de zuiverheid van geloof, liefde en doctrine zijn kwijt geraakt, die er bij de oprichting bestonden. Deze zullen nooit weer geheel herleven, totdat Jezus Christus wederkeert en de kerk weer op het juiste spoor zet.

Eén van de belangrijkste ontwikkelingen sinds de dood van Herbert W. Armstrong is, dat iedere doctrine, iedere gedragslijn - ja, zelfs elk van zijn Handelingen - tot in het kleinste detail is onderzocht. Dit werd niet gedaan om te ontdekken wat juist was (zoals de Bereërs in Handelingen 17:11), maar om fouten of veronderstelde fouten te vinden. Het resultaat was, dat de grootste organisatie binnen Gods kerk in hoog tempo de kant van de wereld is uitgegaan en vele van haar leden hebben haar verlaten om nieuwe kerken te stichten.

Zelfs binnen deze nieuwe groepen wordt er door de mensen druk uitgeoefend om doctrines te veranderen en als de meerderheid tegen de veranderingen is, vinden er nog meer afsplitsingen plaats. Men heeft vergeten, dat God door de heer Armstrong ons opnieuw de basisdoctrines heeft overgeleverd, "die ons wijs kunnen maken tot zaligheid" (2 Timotheüs 3:15). God waarschuwt door de apostel Paulus: "Laten we ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God" (Hebreeën 6:1). In plaats van terug te kijken, zouden we vooruit moeten kijken om in karakter te groeien.

Wat moeten we doen?

Wat voor actie moeten we nemen, nu deze conditie bestaat? De eerste stap moet zijn dat we eerlijk en nederig ons gebrek aan zuiverheid accepteren. Dit helpt ons om een tolerantere benadering van anderen te hebben, omdat we dan kunnen oordelen op basis van een niet te zeer misvormde vergelijking.

Gewoonlijk proberen religieuze mensen zo snel mogelijk vast te stellen wat iemand gelooft of wat voor soort werk hij doet, om hem daarmee in een geschikt vakje te plaatsen. Ik geloof echter, dat dat een verkeerde benadering is. De benadering moet zijn: "Wie gelooft u?"

Petrus zei de religieuze leiders van die tijd stoutmoedig: "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). Hij zei niet, dat we worden behouden omdat we deel uitmaken van een bepaalde organisatie, of omdat we denken dat we "het evangelie verkondigen", maar hij zei in andere woorden: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof" (Efeziërs 2:8). Dit moet fundamenteel zijn voor de richting en de houding waarin Gods werk wordt gedaan.

De kerk van God splitst almaar verder, terwijl de grootste tak ervan geestelijk steeds verder wegzakt. Sommigen, inclusief dienaren, zijn op zoek naar een nieuw geestelijk tehuis, zijn niet langer tevreden deel uit te maken van een organisatie, waarvan zij vinden dat die hen naar de wereld terugbrengt. Dit heeft tot gevolg gehad dat er een verscheidenheid aan nieuwe kerkorganisaties is opgericht. Deze groepen onderwijzen allemaal dezelfde basisdoctrines, die God ons door Herbert Armstrong gegeven heeft.

Wat is dan de beste koers die we momenteel kunnen varen?

Hierbij moeten we drie punten in beschouwing nemen:

1) Wat zou de beste gedragslijn zijn die we kunnen volgen zonder direct bij te dragen aan het uiteenvallen van nog een tak van de kerk van God door onder haar leden te werven?

2) Wat zou de beste gedragslijn zijn die we kunnen hanteren, zodat we niet om leden in competitie komen met onze broeders die in essentie hetzelfde geloven?

3) Welke benadering past het beste in deze tijd en beantwoordt aan de hoofdverantwoordelijkheid van de kerk?

Er is slechts één taak van de kerk die past bij alle drie genoemde punten: ons toeleggen op "het voeden van de kudde". Het voeden van de kudde was altijd de eerste taak van de priesters in de kerk onder het Oude Verbond en het is de eerste taak gebleven van de dienaren binnen de kerk onder het Nieuwe Verbond.

Om beter te begrijpen waarom dit de beste koers is om te volgen, moeten we de huidige stand van zaken binnen de kerk in het grotere verband zien van hoe God in het verleden altijd heeft gewerkt. Hij heeft al van den beginne naar hetzelfde doel toe gewerkt. Om ons hoop en richting te geven heeft Hij in Zijn Woord duidelijk vastgelegd volgens welke patronen Hij werkt. We kunnen daarin vertrouwen hebben, omdat God niet van deze basispatronen zal afwijken. Door deze patronen openbaart Hij veel van Zichzelf aan Zijn volk.

In den beginne

God maakt Zijn doel in het eerste hoofdstuk van de Bijbel duidelijk: "En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, ..." (Genesis 1:26). Natuurlijk is de sterfelijke mens zoals door Adam en Eva vertegenwoordigd, alleen maar het kleimodel. Gods uiteindelijke doel - de mens naar Zijn beeld scheppen - moet over een periode van duizenden jaren worden uitgewerkt in het persoonlijke leven van al hun nakomelingen.

2 Corinthiërs 3:18 voegt eraan toe: "En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is." Dit wordt teweeggebracht door het bekeringsproces, dat tijd, ervaring in leven uit geloof en de vurige medewerking van de bekeerde vereist.

Israël in de woestijn

Toen God Israël middels een wolk leidde in de woestijn, stelde Hij een duidelijk patroon vast, waarmee Hij Zijn volk voor alle tijden instrueerde.

Numeri 9:15-23 Op de dag nu der oprichting van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, de tent der getuigenis, en des avonds was zij op de tabernakel als een vuurverschijnsel tot aan de morgen. 16 Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem, en het vuurverschijnsel des nachts. 17 En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna de Israëlieten op, en op de plek waar de wolk bleef rusten, daar legerden zich de Israëlieten.18 Op het bevel des HEREN braken de Israëlieten op, en op het bevel des HEREN legerden zij zich; zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven zij gelegerd. 19 Bleef de wolk lange tijd op de tabernakel, dan onderhielden de Israelieten de dienst des HEREN, en braken niet op. 20 Soms bleef de wolk enkele dagen op de tabernakel; dan legerden zij zich op het bevel des HEREN en op het bevel des HEREN braken zij op. 21 Soms was de wolk er van de avond tot de morgen; trok de wolk dan in de morgen op, dan braken zij op; hetzij des daags of des nachts, als de wolk optrok, dan braken zij op. 22 Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel rustte, hetzij twee dagen, een maand of nog langer, dan bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; eerst, als zij optrok, braken zij op. 23 Op het bevel des HEREN legerden zij zich en op het bevel des HEREN braken zij op; zij onderhielden de dienst des HEREN, volgens het bevel des HEREN door de dienst van Mozes.

Hier moeten we aan toevoegen wat in Exodus 13 staat:

Exodus 13:17-18a Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. 18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee.

Deze twee passages stellen twee factoren heel duidelijk vast: 1) God leidt Zijn werk; het gaat voort of houdt stil op Zijn bevel. 2) Hij stuurt het zelden in een rechte lijn rechtstreeks naar het doel. In feite laten talrijke passages zien hoe Hij Zijn werk schijnbaar in richtingen stuurde die niet bij het doel uitkwamen! Waarom? Omdat Hij bezig is om ZIJN doel uit te werken.

God weet hoe kinderen op te voeden, zodat ze naar Zijn beeld opgroeien. Als Zijn doel er alleen maar uit bestond Israël te behouden en in het land te brengen, zou Hij ze rechtstreeks naar Kanaän hebben geleid. Maar Zijn doel omvatte ook het nalaten van een getuigenis voor latere generaties, dat Hij heilig, rechtvaardig, geestelijk karakter bouwt door geloof. Dat vereist tijd en ervaring door te leven uit geloof.

Gods patroon met Israël is een model dat de nieuwtestamentische kerk dient te volgen. Het leven van de Christen is een pelgrimsreis, een proces, het heeft een begin en een eind. Het leven van iemand of van de kerk gaat niet altijd in dezelfde richting. God is nog steeds Schepper, Hij leidt Zijn kerk door een verscheidenheid aan ervaringen, waardoor Hij Zijn doel bewerkstelligt: het scheppen van rechtvaardig karakter.

De rest van de oudtestamentische periode

Zelfs een vluchtig lezen van het Oude Testament laat lange perioden in Israëls geschiedenis zien, waarin God schijnbaar niet werkte, waarin het volk scheen te kunnen doen wat ze wilden. Dit is echter een gevaarlijke veronderstelling. Jezus weerlegt dit volledig in Johannes 5:17: "Maar Hij [Jezus] antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook [Ik werk altijd]."

Wat voor soort werk deed Hij? "Toch is God mijn Koning van oudsher, die in het midden der aarde verlossing bewerkt" (Psalm 74:12). God werkt altijd aan Zijn doel en dat doel is altijd hetzelfde geweest! Hij koos er echter voor om wat er in die ontbrekende perioden gebeurde, niet vast te leggen.

Zo af en toe echter bracht God veranderingen aan in de manier waarop Hij Israël benaderde. Hij bracht bestuursveranderingen aan: van de Richteren naar de koningen onder Saul en later van Sauls geslacht naar dat van David. God stelde het Levitische priesterschap in en maakte als dat nodig was gebruik van profeten. In andere tijden was er alleen maar het priesterschap zonder profeten. Met andere woorden: Gods relatie met Israël kwam niet altijd op dezelfde manier tot uiting, maar paste altijd consequent binnen het grotere geheel van Zijn doel.

In het Nieuwe Testament

De apostelen vroegen Christus in Handelingen 1, wanneer Hij het Koninkrijk zou oprichten:

Handelingen 1:6-8 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

Ondanks dat ze drieënhalf jaar intensief waren onderricht door Jezus, bleven de apostelen vasthouden aan het algemene Joodse concept over het oprichten van het Koninkrijk van God. Geparafraseerd zei Jezus: "God werkt eraan. Jullie moeten je aandacht op dit moment op een ander aspect richten."

Het werk van God stond voor een dramatische verandering van richting, teweeggebracht door iets dat nooit tevoren in de geschiedenis van de aarde was voorgekomen. God zou Zijn Geest geven, daarbij Zijn macht in velen duidelijk zichtbaar maken en gelijktijdig daarmee Zijn kerk en de prediking van het evangelie van start doen gaan! Zijn gezin stond op het punt de tot dan toe grootste numerieke uitbreiding te ondergaan. Het was een unieke tijd in de geschiedenis. Zoiets is sindsdien niet meer voorgekomen.

Een verschuiving in aandacht

Zoals in de eerste vijf hoofdstukken van Handelingen staat beschreven, was de kerk onmiddellijk druk bezig met het verkondigen van het evangelie en groeide al snel in grote aantallen. Met de aanstelling van de eerste diakenen in hoofdstuk 6, begon de kerk zich te organiseren om in haar behoeften te voorzien. Vervolging nam toe, te beginnen met het martelaarschap van Stefanus in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 9 werd Paulus, de apostel der heidenen, bekeerd. De bekering van de heiden Cornelius en zijn gezin staat in hoofdstuk 10. Door deze geweldige verandering van richting in het werk van God verschoof de aandacht van Israël naar de wereld der heidenen.

Voor wat betreft de accentverschuiving in Gods werk naar behoefte en naar Gods wil, is het volgende in Handelingen 20 bijzonder interessant:

Handelingen 20:28-32 Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. 29 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; 30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. 31 Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen. 32 En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.

Paulus voorspelt dat de omstandigheden niet altijd hetzelfde zullen blijven en hij waarschuwt dat veelbetekenende gebeurtenissen de kerk na zijn dood in problemen zouden brengen. Hij vond het van groot belang, dat ze speciale aandacht zouden besteden aan het voeden van de kudde door het Woord van God. Op die manier zouden de mensen geestelijke kracht opbouwen. Het is duidelijk dat de aandacht van God, de aandacht van de kerk, af en toe verschuift om tegemoet te komen aan de behoeften van de kerk en Zijn wil.

Samenvatting

Zowel de kerkelijke als de wereldlijke geschiedenis laat zien dat splitsing een natuurlijke zaak is. Alhoewel dit niet goed is, is het een realiteit waarmee we zullen moeten omgaan.

God keurt wedijver onder Zijn mensen af. We moeten samenwerken om Zijn mensen tot een dieper begrip te brengen van goddelijke principes en verantwoordelijkheden.

God heeft vanaf het begin aan hetzelfde doel gewerkt: Hij is bezig om de mens naar Zijn beeld te scheppen. Hij is binnen Zijn eigen werk nooit van dat plan afgeweken.

Gods werk gaat op Zijn bevel voort in een richting die overeenstemt met Zijn doel. Het duidelijke bijbelse patroon is, dat God leidt en Zijn dienaren volgen, ongeacht in welke vorm het werk plaatsvindt.

De aandacht van Zijn werk verschuift regelmatig binnen het algemene doel afhankelijk van de behoefte. God bereidt mensen voor en roept ze om het werk te doen dat volgens Hem op een bepaalde tijd en plaats gedaan moet worden.

Het boek Handelingen en de brieven van de apostelen laten duidelijk zien dat de aandacht van de vroeg nieuwtestamentische kerk dramatisch verschoof, om tegemoet te komen aan de behoeften die ontstonden, maar de hoofdaandacht ging voornamelijk uit naar het voeden van de schapen.

Deel 2

Daniël 5 geeft de historische achtergrond van wat in de Engelse taal een cliché is: "Het handschrift staat op de muur." Dit is gaan betekenen dat de gebeurtenissen duidelijk op één ding uitlopen. Gewoonlijk suggereert het dat de ramp al is geschied en dat we, als we terugkijken, zien dat we het hadden kunnen weten, of het betekent dat de ramp eraan komt en dat die niet meer is te voorkomen.

De gebeurtenissen in de laatste tientallen jaren in de kerk van God zouden ons hebben moeten waarschuwen voor wat er met onze geestelijke conditie gebeurde. Er is een geestelijk ramp gaande binnen de kerk. Terwijl de kerk voortgaat in stukken uiteen te vallen, wordt de vernietiging met de dag erger. Wanneer zal daar een einde aan komen?

Eén van Jezus namen is "de hoeksteen". 1 Petrus 2:5 refereert naar de leden van de kerk als "levende stenen ... voor de bouw van een geestelijk huis". In Mattheüs 24:2 beschrijft Jezus de verwoesting van de fysieke tempel in Jeruzalem: "Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken." Omdat het wantrouwen, de ontmoediging, het wegglijden, de verwarring en de afscheidingen onder ons almaar doorgaan, zou dit kunnen slaan op de kerk in de eindtijd!

We zouden het geweten kunnen hebben

Om verschillende redenen zouden we beter moeten hebben begrijpen wat er gebeurde. Maar onze verzwakte geestelijke conditie en misschien een onvoldoende kennis van wat te doen - om nog niet te spreken over de angst om iets "radicaals" te doen - verhinderde dat. We hebben allemaal de last van deze onverantwoordelijkheid te dragen, maar ongetwijfeld is die voor sommigen groter dan voor anderen.

We zouden hebben moeten weten wat er gaande was, vanwege de geschiedenis van de kerk uit de eerste eeuw, het tijdperk van de apostelen. Paulus, Johannes, Petrus en Judas vulden hun brieven met verwijzingen naar ketterijen en valse dienaren. Paulus waarschuwt in:

Handelingen 20:29-31 Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; 30 en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. 31 Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.

Paulus waarschuwde hen herhaalde malen van tevoren, evenals Herbert Armstrong dat deed. Paulus voorspelde dat er vraatzuchtige, geestelijke ketters de kerk van buiten zouden binnenkomen en dat er anderen van binnen zouden opstaan; dezen zouden de gemeente bedriegen. Jezus waarschuwde ook in de gelijkenis van het tarwe en het onkruid, dat beide tezamen zouden opgroeien (Mattheüs 13:24-30). We zouden erop voorbereid moeten zijn geweest, dat er zoiets zou gebeuren. We zouden er op zijn minst persoonlijk gereed voor moeten zijn geweest. Hoe vaak waarschuwt de Schrift niet dat we waakzaam, oplettend en voorzichtig moeten zijn?

De hoofdstukken over "zegen en vloek" en de geschiedenis van het oude Israël zouden ons hebben moeten waarschuwen. Misschien was onze grootste fout wel, dat we vergaten dat God niet oordeelt met aanzien des persoons. Zowel Leviticus 26:33 als Deuteronomium 28:64 laat zien dat als Gods volk de geboden niet houdt, Hij hen als straf zal verstrooien totdat ze zich bekeren.

Ging het oude Israël niet in ballingschap en werden ze niet verstrooid? Hoe kunnen wij dan denken dat ons dat niet kan overkomen? Omdat we "in de kerk" (Jeremia 7:3-15) zijn? Het nalaten om serieus alle mogelijke geestelijke gevolgen van het krachtige onderwijs van Paulus uit Galaten 6:16; 4:26-28 en Romeinen 9:1-8 - dat de kerk "het Israël van God" is - in overweging te nemen, heeft tot diepe ontgoocheling geleid.

Romeinen 15:4 geeft ons op dit punt onderricht: "Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden." Hij helpt ons een reden aan te geven voor waar we nu doorheen moeten gaan. Nadat God hen volop had gewaarschuwd, verstrooide Hij Israël en zond hen in ballingschap omdat ze Zijn geboden niet gehoorzaam waren. Die waarschuwing geldt ook voor ons. We zouden beter hebben moeten weten, omdat - zoals Paulus schrijft - God deze dingen liet opschrijven met voornamelijk de kerk, het Israël van God, in gedachten.

Jezus zei in Lucas 12:48: "Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden." God straft de ongehoorzamen door hen te verstrooien. We zouden daar acht op moeten geven. Heeft iemand ooit meer ontvangen dan wij? Juist wij hebben daarom geen excuus. We zouden ons niet hebben moeten toestaan in de conditie te komen die deze verstrooiing teweegbracht.

Gelet op deze achtergrond en de emotionele druk die we hebben doorstaan, is het erg gemakkelijk om de beschuldigende vinger uit te steken naar personen, klieks, doctrines of beleidswijzigingen, wie of wat we dan ook maar als oorzaak aan de kaak zouden willen stellen. Satan en de menselijke leiders zijn de meest natuurlijke doelen. Alhoewel er enige waarheid in die beschuldigingen zou zitten, is dat geestelijk toch erg gevaarlijk. Gods Woord laat zien dat we voorzichtig moeten zijn in het toedichten van schuld. Het kan zijn, dat degenen die we beschuldigen alleen maar gebruikt zijn, al werden ze dan met hun instemming gebruikt, om Gods plannen uit te voeren, die Hij in reactie op onze zonden ontwierp.

God deed het!

Gods betrokkenheid in de verstrooiing van de kerk afdoen als alleen maar een zaak van een passief "laten gebeuren" is ver verwijderd van de waarheid. God is actief betrokken in het bestuur van Zijn schepping, in het bijzonder als het erom gaat Zijn geestelijke schepping tot zijn meest volledige potentieel te brengen. In Daniël 4:17 zegt Hij heel duidelijk dat Hij koningen aanstelt en afzet. Jezus zegt dat "Gods op de hoogte zijn" van wat er gebeurt en Zijn betrokkenheid zo intens en groot is, dat er zelfs geen musje valt zonder dat Hij het merkt! Hoeveel te meer zal Hij Zijn aandacht dan niet richten op Zijn verwekte kinderen?

Wat God de kerk aandeed was een daad van trouw aan wat Hij is, evenals een levendige uitdrukking van Zijn wens dat wij in Zijn Koninkrijk zullen zijn. David schrijft: "Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen? De Here woont in zijn heilig paleis, de Here heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen" (Psalm 11:3-4). Paulus zegt in Hebreeën 12:6: "Want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt."

God geeft hier vele voorbeelden van door heel de Bijbel heen. Hij daagde Satan uit Job te testen (Job 1:6-12). Hij zocht een vrijwilliger om een leugengeest te zijn in de mond van een valse profeet om Achab en Israël te straffen (2 Kronieken 18:21-22). Hijzelf "verwijderde Israël van voor zijn aangezicht" nadat Zijn geduld met hen was uitgeput (2 Koningen 17:18-23). God was ook actief betrokken bij het in ballingschap sturen van Juda. In Klaagliederen 2:1-8 verkondigt God minstens 26 keer dat Hij dit of dat deed, gericht tegen de dochter Sions (een type van de kerk) met als doel haar te verdelgen.

In Romeinen 9:17 verwijst Paulus naar Farao, Israëls vijand en een type van Satan: "Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde." Hebben degenen die leiderschapsposities in de kerk bekleedden, die de macht hadden doctrinaire wijzigingen door te voeren, hun positie bereikt zonder dat God dat wist? Konden zij ook maar iets tegen Zijn wil in doen? Precies die mensen die God er wilde hebben, zaten op die posities.

Aan de ene kant geldt, dat als we geloven dat God alleen maar een passieve rol speelde in het verstrooien van de kerk, we Hem op subtiele manier beschuldigen dat het Hem niet kan schelen. Aan de andere kant geldt, dat als we denken dat "God het zomaar liet gebeuren", het lijkt op het mentaal ophalen van de schouders en ons toestaan de schuld op anderen te schuiven alsof het helemaal hun schuld is. Wij ontlopen dan de verantwoordelijkheid van onze bijdrage aan de oorzaak van deze geweldige geestelijke ramp.

God is geen passieve Schepper. Hij bestuurt Zijn schepping op actieve wijze. Wat hier aan de orde is, is ons bewust zijn van en ons reageren op Gods soevereiniteit over ons individuele leven in het bijzonder en de kerk en de wereld in het algemeen.

De waarschuwingen van Herbert Armstrong

Had God een rechtvaardige zaak tegen Belsassar (Daniël 5)? Het originele handschrift op de muur bewees dat God wist van Belsassars oneerbiedig en godslasterend omgaan met de heilige dingen. Evenals God Belsassar door Zijn knecht waarschuwde voordat de roede van Zijn bestraffing toesloeg, heeft Hij ook ons gewaarschuwd.

Op 24 juni 1978 gaf Herbert Armstrong een preek voor de Pasadene PM gemeente. Deze werd daarna naar alle gemeenten over de gehele wereld uitgestuurd om beluisterd te worden. In die preek waarschuwde hij, dat we lauw werden en drong er bij ons op aan naar Christus terug te keren. Hij riep wel vijftien keer: "Wordt wakker!" Hij wilde dat we begrepen, dat de hele kerk geestelijk achteruit ging. De ramp was zich al aan het voltrekken.

Vanaf die tijd totdat hij enkele maanden voor zijn dood stopte met het geven van preken, was eigenlijk iedere preek die Herbert Armstrong gaf op een of andere manier aan dat thema gerelateerd. Sommigen dachten dat hij als een oude zonderling klonk. Op 24 juni 1985, op de kop af zeven jaar nadat hij ons had aangespoord "wakker te worden", publiceerde hij een speciale editie van de Worldwide News, met als titel: "De recente geschiedenis van het Filadelfia tijdperk van de kerk van God". Deze uitgave gaf in het kort weer wat er in het recente verleden allemaal was gebeurd, opdat dat niet opnieuw zou gebeuren. Waar hij al bang voor was, gebeurde weer - zelfs in ergere mate! We waren duidelijk gewaarschuwd.

De heer Armstrong gaf het grootste deel van de schuld van het probleem van de kerk aan wat hij "intellectualisme" noemde. Op soortgelijke wijze stelt Paulus wat hij noemt de "wijsheid van mensen" tegenover Openbaring (1 Corinthiërs 2:4-16). Ze verwijzen beiden naar hetzelfde concept. Het punt voor beide mannen was dat het christendom is gefundeerd op, afhankelijk is van en bloeit op basis van de Openbaring van God, niet op basis van menselijk intellect.

Dit doet geen afbreuk aan het belang van het menselijk intellect voor het fysieke leven, maar wat betreft geestelijk leven moeten de ware dingen van God worden geopenbaard. Paulus' voorbeeld is instructief, daar hij zeer zeker iemand was met een groot intellect. Bekeerde God hem door zijn intellect of openbaarde God Zichzelf aan hem in een verblindend licht op weg naar Damascus? Totdat God dat wonder in zijn denken uitvoerde, was Paulus een vijand van de waarheid. Tot op zekere hoogte is Paulus' ervaring ons allemaal overkomen. Hij bleef zijn intellect gebruiken, maar leefde en oordeelde op basis van openbaring.

Jezus en de oorspronkelijke twaalf apostelen werden allen als ongeletterde mensen beschouwd. Stel daar eens tegenover waar de kerkelijke leiders van de laatste tijd hun scholing ontvingen, waardoor de geweldige doctrinaire veranderingen werden teweeggebracht. Bezochten zij niet de universiteiten van de wereld op zoek naar "hogere" afstudeerniveaus in theologie en "aanverwante" onderwerpen? De "wijsheid" die zij daar leerden, klinkt goed voor de menselijke natuur en het werelds denken. Zij gaven het door aan de dienaren en de gemeenteleden. Stapje voor stapje begon het ons denken als een kanker te doortrekken en de vitaliteit te ontnemen aan echt, eenvoudig, geopenbaard geestelijk geloof, gehoorzaamheid en liefde. Er was een hongersnood naar het Woord aan het ontstaan. (Vraag voor een vollediger behandeling van dit onderwerp ons boekje The World, the Church and Laodiceanism aan.)

Waarschuwingen aan Israël en Juda

De houding van Laodiceanisme en het zuurdesem van intellectualisme vormden samen de krachtbron die de Worldwide Church of God heeft vernietigd. In Amos 4 staat een interessante parallel. De profeet richt zich in eerste instantie tot de rijke vrouwen van Israël, maar indirect richt hij zich ook tot hun mannen, ja zelfs tot de gehele natie.

God begint om bij Zijn heiligheid te zweren, dat Hij hen, wegens hun houding en gedrag, zeer zeker zal verstrooien en in ballingschap voeren. Hij vermeldt hoe graag ze naar de feesten optrekken, alhoewel ze zwaar met zonden zijn beladen die ze over het hoofd zien. Alvorens hen te verstrooien, waarschuwde Hij hen middels problemen, ziekten en droogte in de landbouw, waardoor een hongersnood ontstond. Het geweld in het land nam toe. Door al deze rampen verzwakten de mensen en trokken van de ene plaats naar de andere op zoek naar vrede en kracht.

Ze trokken zich Zijn waarschuwingen echter nooit voldoende aan om tot bekering te komen en hun manier van doen te veranderen. Ze zagen nooit het verband, dat zij persoonlijk verantwoordelijk waren voor wat er in het land gebeurde. Ze gaven de schuld altijd aan iemand anders. Het hoofdstuk eindigt met een ernstige waarschuwing: "Bereid u om uw God te ontmoeten!" (Vraag voor een vollediger behandeling van dit onderwerp ons boekje Prepare to Meet Your God! aan.)

Jeremia 3:12-15 laat op overtuigende wijze zien dat Israël zich op de prediking van Amos niet bekeerde:

Jeremia 3:12-15 Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer weder, Afkerigheid, Israël, luidt het woord des HEREN, Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des HEREN, Ik zal niet altoos blijven toornen. 13 Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de HERE, uw God, zijt afgevallen en uw gangen gericht hebt naar de vreemden onder elke groene boom, en naar mijn stem niet hebt gehoord, luidt het woord des HEREN. 14 Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, een uit één stad en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion, 15 en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand.

Jeremia 7:8-15 legt uit dat Juda 120 jaar later om dezelfde redenen hetzelfde verwoestende lot onderging:

Jeremia 7:8-15 Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. 9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt. 10 En komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? 11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol ? En Ik, zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des HEREN. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13 Nu dan, omdat gij al deze dingen gedaan hebt, luidt het woord des HEREN, terwijl Ik tot u gesproken heb vroeg en laat, zonder dat gij gehoor gegeven hebt, en Ik u geroepen heb, zonder dat gij hebt geantwoord, 14 daarom zal Ik met het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, waarop gij uw vertrouwen stelt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk Ik met Silo gedaan heb, 15 en Ik zal u van voor mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uw broederen, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.

Net als Israël en Juda gaven ook wij geen acht op de waarschuwingen. God was getrouw, maar te velen vertrouwden te lang op leugenachtige woorden. Wat hun overkwam is ons overkomen. Hebben wij ons bekeerd? Of hebben wij allemaal de beschuldigende vinger naar de Pastor General en zijn staf uitgestoken, alsof zij de volledige schuld hadden? Hebben we er ooit aan gedacht dat we kregen wat we verdienden? Is het mogelijk dat die mannen alleen maar een weerspiegeling van ons waren? Ze verkeerden gewoon in een betere positie om invloed uit te oefenen op het gehele lichaam.

Lange tijd dacht ik er niet aan dat de waarschuwingen op mij waren gericht, of om dezelfde reden op de gehele kerk. Het was altijd iemand anders, zo dacht ik. Ik had beter moeten weten, maar ik was verblind door mijn geestelijke conditie. Als ik er nu op terugkijk, lijken de waarschuwingen wel trompetgeschal, maar ik dacht toen niet dat de problemen bij mij lagen.

Het handschrift staat op de muur en het blijft daar staan, omdat het probleem bij lange nog niet voorbij is. Over de gehele wereld zijn er mensen verstrooid, die de dienaren en elkaar wantrouwen. Dit is precies wat Satan, de brullende leeuw (1 Petrus 5:8), wil. Gods mensen zijn veel gemakkelijker de een na de ander te pakken te nemen als ze verstrooid zijn en op zichzelf staan.

De apostelen uit de eerste eeuw waarschuwden ons in hun brieven. Herbert Armstrong luidde de alarmklok vaak en lang. De gebeurtenissen binnen de kerk hadden ons moeten alarmeren wegens onze verslechterende geestelijke conditie. We hadden als razende met rode vlaggen moeten zwaaien toen doctrinaire wijzigingen ons wegvoerden van het geloof eenmaal aan ons overgeleverd. Toen sommige dienaren weigerden de veranderingen te onderwijzen, waarschuwden ze ons zelfs in stilte! De verergerende geestelijke hongersnood en onze huidige verstrooide conditie zijn de waarschuwingen van dit moment.

Wat gaat u doen? Dat staat nog te bezien. Gods onderwijs is echter duidelijk. Als er afval plaatsvindt, moet iedereen aan de waarschuwing gehoor geven en zich bekeren van zijn zonden, niet uitkijken naar mogelijke zondebokken.

Het uur van beslissing

Christus begon niet zo maar, zonder enige reden, vorm te geven aan een lichaam, Zijn kerk. De kerk moet voorzien in algemeen onderwijs in Gods waarheid om de heiligen te volmaken, in onderlinge omgang met anderen met dezelfde Geest, en in de basis om tot de wereld te prediken. Haar centrale aandachtspunt is de familierelatie met de Vader door Jezus Christus, als voorbereiding op de volgende stap in Zijn doel.

Gelet op de verstrooide toestand van de kerk en het niet te ontkennen feit dat God de kerk om onze zonden verstrooide, is het nu tijd voor een grondig en diepgaand zelfonderzoek en bekering. Christus maant vijf van de zeven kerken in Openbaring 2 en 3 aan tot bekering. Iedere brief eindigt met een aansporing aan de lezer om te luisteren naar "wat de Geest tot de gemeenten zegt". Als de schoen past, trek hem aan, ongeacht tot wie Christus Zich richt.

Christus is vreselijk serieus; Hij dreigt Efeze zelfs met verwijdering van haar kandelaar als ze zich niet bekeren (Openbaring 2:5)! Gods kerk heeft altijd al met zonde moeten vechten, maar deze keer hebben we een pijnlijke berisping gekregen. We zijn uitgespuwd (Openbaring 3:16)!

Maar er blijft hoop om tot God terug te keren.

2 Kronieken 7:13-14 Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, 14 en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.

In die preek van 24 juni 1978 zei de heer Armstrong tegen het eind het volgende:

[God] kent onze zwakheden. Hij is een vergevende God. En als we maar naar Hem willen terugkeren, zal Hij nog steeds Zijn armen uitstrekken en ons aannemen en liefhebben. We kunnen ons niet voorstellen hoeveel van Gods liefde ons denken en ons hart kan binnenkomen en hoe sterk Hij ons kan liefhebben. God heeft Zijn kerk lief! ... Nu is voor ons de tijd aangebroken dat we een vernieuwing in ons hart ondergaan. Dat zou tot ons moeten doordringen en ons moeten veroordelen. Het is onze schuld. En ik heb het niet alleen maar over ons die vandaag hier bij elkaar zijn. Ik heb het ook over de andere kerken, over geheel de wereld, die dit op tape zullen horen. Gemeente, laten we met zijn allen op de knieën gaan en laten we tot Christus terugkeren.

Daniëls gebed

Daniël 9 is voor ons een uitstekend model om na te volgen in onze terugkeer tot God. Daniël sprak dit gebed uit tijdens de Joodse ballingschap in Babel. Ze naderden de tijd dat God hen zou bevrijden en doen terugkeren naar het land dat hun erfdeel was. De profeet vroeg God, hoe Hij de Joden zou terugvoeren.

Vandaag de dag zien we dat we verstrooid zijn en hopen we dat we weer tot één lichaam verenigd zullen worden. We moeten God vragen hoe Hij de geestelijke Joden in de eindtijd weer zal terugbrengen en één zal maken. Ook wij kijken er naar uit door Christus' wederkomst te worden bevrijd en in het land dat ons erfdeel zal zijn, te worden gebracht.

Dit gebed en de omstandigheden die er aanleiding toe waren, onderwijzen ons een belangrijke les: De doelstellingen en de beloften van God die Hij in Zijn woord openbaarde, instrueren ons waarover te bidden, ook bemoedigen ze ons en motiveren ons tot gebed. Daniël bad over wat hij uit de Bijbel leerde, in het bijzonder het boek Jeremia (Daniël 9:2-3).

Wat deed hij dan? Hij beleed de zonden van het volk, zonden die hen in ballingschap brachten, zonden die de natie Juda uiteen deden vallen. Hij was klaarblijkelijk van mening dat de zonden die de ballingschap teweegbrachten, nog steeds deel uitmaakten van het karakter van het volk.

Als we tussen de regels van Daniëls gebed lezen, kunnen we zijn bezorgdheid begrijpen of de Joden wel gereed waren om terug te keren. Hij brengt zijn eigen gevoelens tot uitdrukking en waarschijnlijk de gevoelens van anderen onder de Joden. Hij had een reden om bezorgd te zijn, omdat toen ze enkele jaren later mochten terugkeren, het er maar weinigen waren die echt naar Juda teruggingen. De overgrote meerderheid bleef in het land van hun ballingschap, in de wereld, in Babel. Ze waren zich thuis gaan voelen in hun ballingschap en waren bang, dat de opoffering om terug te keren - zich te bekeren - te groot zou zijn.

Maar God is getrouw ten goede en ten kwade; dit maakt Hem absoluut betrouwbaar. Als Hij waarschuwt dat Hij Zijn volk om hun zonden zal verstrooien, dan doet Hij dat ook, of Hij nu Israël of ons waarschuwt. Daniël laat in de verzen 8 en 11 zien dat zonde de gehele maatschappij had doortrokken en hij erkent Gods trouw door te verwijzen naar de zegen en de vloek van Leviticus 26 en Deuteronomium 28.

Daniël gaat verder in de verzen 13 en 14:

Daniël 9:13-14 Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil over ons gekomen, en wij hebben de HERE, onze God, niet vermurwd door ons te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid. 14 Daarom was de HERE wakker om het onheil over ons te brengen; want de HERE, onze God, is rechtvaardig in al de werken die Hij doet, maar wij hebben niet geluisterd naar zijn stem.

Daniël laat heel duidelijk zien waarom we ons in deze conditie bevinden. Alhoewel we de problemen zagen aankomen, vroegen we Hem niet ze in de kiem, dat is onze eigen persoonlijke ongerechtigheden, te smoren. God had geen andere keus dan deze ramp over ons te laten komen.

Vers 15 is een rechttoe-rechtaan erkenning van schuld. "Wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld!" In vers 17 smeekt de profeet God om in barmhartigheid om te draaien en hen te redden: "Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, — om des Heren wil."

Daniël besluit zijn gebed met dit hartverscheurende beroep:

Daniël 9:18-19 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. 19 O Here, hoor! O Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk.

Daniël baseert zijn pleiten ten behoeve van het volk op zijn kennis van Gods karakter en richt het op Zijn barmhartigheid. Hij doet geen beroep op God op basis van eigen gerechtigheid, ook niet op basis van hun huidig lijden. Wetende hoeveel mededogen God heeft voor Zijn volk, voor Jeruzalem en de tempel, vraagt hij God slechts hen te vergeven en hen te bevrijden. Zo'n bevrijding zou alleen maar Gods barmhartigheid zijn en alleen Hij zou daarvoor verheerlijkt worden.

Bijbels is er geen bewijs dat God ons in deze tijd weer zal verenigen. God verstrooide Israël en Juda. Hij bracht Juda voor een bepaalde tijd weer terug in haar eigen land, om hen daarna weer naar alle windstreken te verstrooien. De andere stammen van Israël bleven verstrooid, maar zij zullen in de toekomst met Hem en Juda verenigd worden.

De Bijbel geeft ons dus slechts een gedeeltelijk patroon. Hij zal ons verenigen, maar wanneer? Misschien vindt die vereniging plaats in de plaats van veiligheid. Misschien zal God voor de komst van de twee getuigen in Zijn barmhartigheid iemand op het toneel doen verschijnen om wie Zijn kerk zich kan verenigen.

Wanneer het gebeurt is minder belangrijk dan dat elk van ons zich ervan verzekert een juiste relatie met God te hebben. Als afzonderlijke personen moeten we ernaar streven de breuk te helen door ons te bekeren van onze zonden, zodat niets dat deze scheiding veroorzaakte, achterblijft als obstakel voor een vereniging met onze broeders. Nu is het de tijd voor ons om van start te gaan met een krachtige, persoonlijke vernieuwing van onze vroegere toewijding aan en enthousiasme voor Hem en Zijn grote doel.

Samenvatting

We werden meer dan voldoende gewaarschuwd door de Schrift, Herbert Armstrong en de gebeurtenissen over wat er in de kerk aan de hand was.

God is actief betrokken bij Zijn schepping, in het bijzonder bij Zijn kerk. Hijzelf veroorzaakte de verstrooiing, net zo zeker als Hij Israël en Juda verstrooide.

God verstrooit als straf voor zonde. Ongeacht of we ooit weer verenigd zullen worden, dienen we ons te concentreren op een diepgaand zelfonderzoek en bekering.

Deel 3

Er bestaat een schrille tegenstelling tussen de verkondiging van het evangelie zoals de kerk dat in de eerste eeuw in haar beginjaren deed en wat er stapje voor stapje gebeurde met het ouder worden van de kerk. De eerste hoofdstukken van Handelingen geven de indruk dat praktisch ieder lid van de kerk het evangelie verkondigde.

Evangelist betekent "iemand die goed nieuws verkondigt". Aan wie het goede nieuws wordt doorgegeven is niet belangrijk. In de meest algemene zin kan iedereen het evangelie verkondigen, of je nu apostel, diaken of gewoon lid bent. Eén commentator merkte op, dat een apostel ook een profeet en een evangelist was: een apostel omdat hij gezonden was; een profeet omdat hij dingen voorzegde en een evangelist omdat hij goed nieuws bracht. In de vroegste jaren van de kerk werd het woord "evangelist" op deze manier gebruikt.

Zoals we in de brieven van Paulus kunnen zien, veranderde mettertijd het kerkelijk gebruik van dit woord echter van een publiekelijk uitgevoerde taak in een hoge positie al dan niet samengaand met de publieke taak. Paulus gebruikt het woord in 2 Timotheüs 4:5 om de taken van Timotheüs als evangelist te definiëren in relatie met de gemeenteleden. In zekere zin verkondigde hij nog steeds het evangelie, maar dan aan de kerk. Het gebruik was verschoven naar een administratieve rang.

Het advies dat Paulus aan Timotheüs en Titus geeft, richt zich erop hoe een gemeente te hoeden, niet hoe het evangelie te verkondigen. Er is weinig in deze brieven dat erop wijst, dat Timotheüs of Titus het ook aan het grote publiek verkondigde en daarmee een getuigenis van het evangelie uitdroeg. Deze verantwoordelijkheid schijnt een taak te zijn geweest, die voornamelijk door de apostelen werd uitgevoerd.

Herbert W. Armstrong

Iemand die vertrouwd is met de geschiedenis van de Worldwide Church of God (WCG) weet dat Herbert Armstrong het woord "evangelist" op dezelfde manier gebruikte als in de latere brieven van het Nieuwe Testament. Voor hem was "evangelist" een administratieve rang. In de praktijk verkondigde de heer Armstrong, een apostel, het evangelie, maar fungeerden evangelisten als hoofd van de afdelingen. Hun verkondiging van het evangelie beperkte zich meestal tot de kerk. Zij hadden de supervisie over anderen. Af en toe reisden ze naar plaatselijke gemeenten om de heer Armstrong te vertegenwoordigen en ze fungeerden als reizende sprekers tijdens het Loofhuttenfeest. Lokale pastors verkondigden het evangelie meer aan het publiek door Plain Truth lezingen en het bezoeken van mogelijke toekomstige leden, dan de evangelisten!

In Mystery of the Ages, pagina 275, geeft de heer Armstrong een korte samenvatting van de zigzag geschiedenis van de kerk. Net als Israël in de woestijn ging de kerk in de tweeduizend jaar van haar bestaan ook niet in een rechte lijn op weg naar behoud. God liet de kerk lange perioden voortbestaan zonder dat in enige vorm het evangelie in het openbaar werd verkondigd. In feite was ze vaak verborgen, door God beschermd in de "woestijn" (Openbaring 12:6). Hij scheen Zich daar niet echt druk over te maken, want als Hij dat wel had gedaan, dan zou Hij de kerk tot beweging hebben aangespoord om in Zijn naam op te treden. Herbert Armstrong heeft herhaalde malen gezegd, dat het evangelie in een periode van 1900 jaar niet was verkondigd! Hij bedoelde niet dat het totaal niet was verkondigd, maar dat het niet werd verkondigd met het begrip, de kracht, in de mate en voor de tijdsduur waarin het gebeurde toen God hem aanstelde om het in deze eeuw te doen.

Het maken van bekeerlingen

Alhoewel de Joden in de dagen van Jezus (Mattheüs 23:15) zich ermee bezighielden, komt het maken van bekeerlingen voor het eerst als bijbelse opdracht aan de orde toen Jezus Zijn taak hier op aarde uitvoerde. Onder het Oude Verbond heeft God nooit een taak ingeruimd voor het maken van bekeerlingen, deels omdat Hij Zijn werk beperkte tot hen die in Israël een verbond met hem sloten. Maar toch moest Israël voor de volkeren een getuigene zijn van God: "Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Here, dat Ik God ben" (Jesaja 43:12, Statenvertaling).

In de verwachting dat anderen tot Zijn volk zouden worden aangetrokken, bracht God in de wet voorzieningen aan, dat mannelijke heidenen besneden moesten worden als ze zich bij Israël wilden voegen (Exodus 12:48-49). Deuteronomium 28:10 voegt hieraan toe: "Dan zullen alle volken der aarde zien, dat de naam des Heren over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen."

God koos Israël om aan de volken der wereld een voorbeeld te geven van een manier van leven die echt werkt. Behalve hun persoonlijk getuigenis, voorzag Hij niet in middelen om het "evangelie aan de wereld" te verkondigen. Zijn ervaring met Israël zou ons een duidelijk signaal moeten geven, hoe belangrijk het voeden van de kudde is in vergelijking tot de verkondiging aan de buitenstaander. Zoals eerder gezegd, was het voeden van de kudde altijd de belangrijkste taak van de priesters binnen de kerk van het Oude Verbond.

Israël was een mislukking, omdat ze Gods manier van leven niet volgden en daarom konden ze geen goede getuigenen zijn. "Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor, maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts" (Jeremia 7:24).

Het volgende vers laat duidelijk de hoofdtaak van de profeet zien: "Van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat" (vers 25). De taak van de profeet, evenals van de priester, was de kudde te voeden, ernaar te streven dat Israël zich bekeerde, ze weer "op het spoor" te zetten, zodat ze de juiste getuigen konden zijn.

In het Nieuwe Testament wordt bijna iedere vermaning, aansporing en opdracht gegeven om aan te zetten tot gehoorzaamheid en groei in karakter. Jezus brengt de verantwoordelijkheid van de christen als volgt onder woorden: "Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden (Mattheüs 6:33).

De sleutel tot effectief getuigenis

De sleutel tot effectief getuigenis is niet het openbaar verkondigen van het evangelie, alleen maar omdat God de kerk beveelt dit te doen, maar op de juiste manier zijn voorbereid om dat te doen als dat binnen Gods doel zo uitkomt. God besteedde dertig jaar om Zijn Zoon op Zijn taak voor te bereiden. Jezus besteedde drieënhalf jaar om de apostelen op de verkondiging van het evangelie voor te bereiden. Na Paulus' bekering bracht hij drie jaar in de woestijn door met Christus om op zijn werk te worden voorbereid. Voorbereiding naar Gods wil is de sleutel tot de verkondiging van het evangelie.

Voorbereiding gaat vooraf aan het tot de wereld gaan. Anders zal het getuigenis niet beter zijn dan datgene dat door het oude Israël onder het Oude Verbond werd gegeven. Israël mislukte! Hun mislukking werd veroorzaakt door de slechte kwaliteit van hun getuigenis. Dat was onvoldoende, misleidend en soms volledig een leugen, omdat ze niet leefden zoals God hun had onderwezen. Hun mislukking is echter begrijpelijk. Ze waren geestelijk niet toegerust te doen wat van hen werd gevraagd. "Doch de Here heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag" (Deuteronomium 29:4).

Zo zijn ook wij niet volledig toegerust voor wat er van ons wordt verlangd. Hoe kunnen we verkondigen als we amper in praktijk kunnen brengen wat we verkondigen? Het liefhebbende, dienende, delende voorbeeld van de christenen in de eerste hoofdstukken van Handelingen wordt deels gegeven om hun geestelijke conditie te laten zien in relatie met de kracht waarmee de verkondiging werd gedaan. Wij hebben bij lange na niet die geestelijke conditie.

Het meest effectieve getuigenis dat de kerk van God ooit heeft gegeven, vond plaats voordat de wereld radio, televisie, satelliet, computer en faxapparaat kende. In de eerste eeuw werkte God krachtig door mensen die geestelijk grondig waren voorbereid, en hun getuigenis was zo effectief dat Lucas vastlegt dat ze "de wereld in opschudding brachten" (Handelingen 17:6)!

Wij, daarentegen, zijn allen gekomen uit een geestelijke organisatie die al vele jaren achteruit ging, al ver voor de dood van Herbert Armstrong. Verdeeldheid in de kerk, doctrinaire verwarring en een lethargische houding - die de mensen zonder enige vorm van protest praktisch terugbracht in de wereld - zijn daar het bewijs van. De heer Armstrong deed in zijn laatste zeven jaar zijn uiterste best om de kerk "terug op het spoor" te krijgen. Doctrinair slaagde hij tot op zekere hoogte, maar hij slaagde er in de verste verte niet in om de houding van de mensen terug te brengen tot dat wat juist is.

Het is nu de verantwoordelijkheid van de dienaren ernaar te streven de leden van de kerk weer vurig op Gods manier te laten leven, te groeien in genade en kennis van Jezus Christus en vast te houden aan wat hun is toevertrouwd. Als een pastor zijn aandacht richt op het openbaar verkondigen van het evangelie, dan kan hij de kudde niet effectief voeden, want dan zal hun aandacht zijn gericht op datgene waarop de aandacht van de pastor is gericht. Niemand kan twee heren dienen (Mattheüs 6:24).

Een subtiel gevaar

Er ligt een subtiel gevaar op de loer als de hoofdaandacht is gericht op het verkondigen van het evangelie aan de wereld. Alhoewel het individuele lid zich goed kan voelen, omdat hij betrokken is bij een zichtbaar werk, kan hij er in werkelijkheid toe verleid worden zijn belangrijkste verantwoordelijkheden te verwaarlozen: overwinnen en een persoonlijk godvruchtig getuigenis geven aan de wereld. Het bezig zijn met een extern werk wordt op subtiele manier gelijkgesteld aan rechtvaardigheid. Stijgende statistieken worden de maat waaraan men groei afmeet. Als het lichaam "groeit", schijnt de noodzaak om zonde uit te roeien te verdwijnen. Het lijkt erop dat andere mensen "behouden" gemakkelijker is dan aan zichzelf werken. Maar we moeten er hard aan werken de balk uit ons eigen oog weg te doen, voordat we anderen over hun problemen gaan vertellen (Mattheüs 7:1-5).

Vroeger was het algemene idee, dat het gewone lid moest "betalen en bidden". Al ken ik geen enkele dienaar die dat werkelijk predikte, toch vonden de leden dat dat zeer zeker waar was. Meestal waren ze "buiten beeld", een probleem dat kan worden toegeschreven aan bestuurlijke opvattingen en beleidsregels.

Echter ieder lid is even belangrijk voor het lichaam, zoals Paulus laat zien in Romeinen 12 en 1 Corinthiërs 12. Ieder krijgt gaven van God om zijn taak uit te voeren, met als hoofdtaak het evangelie te verkondigen door zijn persoonlijke voorbeeld. Het ontwikkelen van deze gaven is een kerntaak van de kerk. We ontwikkelen ze als we overwinnen en groeien, deelnemen aan het voeden van de kudde, en door in ons leven een persoonlijk getuigenis te geven.

Als deze gaven niet worden ontwikkeld, wordt de algemene taak van de kerk op zijn zachtst gezegd uitgehold en de benadering van de kerk wordt werelds. Dus moet de individuele relatie met God koste wat het kost worden bevorderd, anders zal de kwaliteit van de overige taken onbeschrijfelijke schade lijden.

Het einde van de taak van de heer Armstrong

De meesten van ons hebben ons geestelijk erfdeel stevig verankerd in het onderwijs van Herbert W. Armstrong. We hebben heel veel van wat we weten en van wat we zijn geworden, te danken aan wat God door hem heeft bewerkt. Maar hij beweerde altijd dat geen mens hem had onderwezen.

In een lange brief aan de leden en medewerkers schrijft hij: "Niemand heeft mij deze waarheden onderwezen. Evenals de oorspronkelijke apostelen door Jezus in eigen persoon werden onderwezen, zo werd ook ik door Jezus Christus onderwezen, schriftelijk. Het is hetzelfde woord, hetzelfde onderwijs" (19 maart 1981, pagina 5). Hij bedoelde niet te zeggen dat hij het werk van anderen over bijbelse onderwerpen niet las of bestudeerde, maar dat geestelijke waarheid en begrip altijd uit Gods woord kwamen.

Wat later in die brief voegt hij eraan toe: "Hij gebruikte mij om het Filadelfia tijdperk van Zijn kerk te bouwen en om Zijn evangelie aan de gehele wereld te verkondigen! ... God heeft nooit iemand die Hij riep tot een specifieke leiderstaak, aanstelling of opdracht, van zijn taak ontheven totdat die voltooid was." Neem goede nota van die laatste opmerking. De taak van de heer Armstrong is voltooid en kan niet opnieuw tot leven worden gebracht. De opdracht voor de kerk is veranderd.

De Bijbel bevat talloze voorbeelden van de werken van mensen zoals Noach, Abraham, Mozes, Samuël, Elia, de profeten en de apostelen uit de eerste eeuw. Liet God hen in leven totdat zij hun werk hadden voltooid? Voerden degenen die deze mensen met hun speciale opdracht opvolgden, dezelfde opdracht uit als zij? Had Jozua dezelfde taak als Mozes? Deed David hetzelfde werk als Samuël? Deed Elisa hetzelfde werk als Elia? Deed Nehemia hetzelfde werk als Jeremia, Ezechiël of Daniël? Deden degenen die na de apostelen uit de eerste eeuw kwamen, hetzelfde werk als de apostelen? Is het logisch te veronderstellen dat degenen van ons die na de heer Armstrong komen, hetzelfde werk als hij zullen doen? Natuurlijk niet! De patronen in de Bijbel laten dat duidelijk zien.

Er is een einde gekomen aan een uniek tijdperk voor Gods kerk. Als God had gewild, dat Zijn werk zoals dat onder Herbert Armstrong werd gedaan, zou worden voortgezet, waarom liet Hij hem dan niet in leven of stelde Hij niet iemand aan met precies dezelfde gaven als hem? Het is duidelijk dat God een accentverschuiving in Zijn werk wilde.

Waarom nu een verandering?

Waarom heeft God ervoor gekozen iets anders te benadrukken? We weten niet precies waarom, maar we weten dat er een verandering heeft plaatsgevonden. God zei in de woestijn niet tegen Israël waarom Hij van richting veranderde. Het is nu de tijd om geloof en geduld uit te oefenen.

Het kan zijn dat God deze verandering teweegbracht, omdat Hij werkt aan de uitvoering van profetie. God zegt in Daniël 12:7: "Wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn." Evenzo in Amos 8:11: "Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here Here, dat Ik een honger in het land zal zenden - geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des Heren te horen."

Als we deze passages combineren, dan duiden ze erop dat er op een bepaald moment een gestage afname in het horen van Gods Woord zal beginnen (dit duidt er minstens op dat de openbare verkondiging zal afnemen). Indien God, als reactie op de hardheid van het hart van Israël, vaststelt dat dit nu gaat gebeuren, zou het dan niet tevergeefs zijn, als wij tegen Zijn wil ingaan? Zou Hij iemand ondersteunen die tegen Zijn wil in werkt? Zou Hij willen dat wij het evangelie verkondigen - in een verlangen te getuigen tot zovelen als we kunnen - ondanks wat Hij zegt dat er staat te gebeuren? Zou het voor ons niet beter zijn onze aandacht te richten op iets dat we kunnen bewerkstelligen door krachtig te prediken tot de kudde?

De brief van Herbert Armstrong van 19 maart 1981 voegt hier aan toe:

Ik ben er in deze brief uitvoerig op ingegaan u te laten zien hoe God Zijn werk onder mensen uitvoert door één persoon tegelijkertijd. Hij bereidde mij speciaal voor voor het werk waartoe Hij mij heeft geroepen. Ik ken niemand anders die op die manier is voorbereid.

God is niet de oorzaak van verwarring. Hij roept geen mensen om met elkaar te wedijveren. Als Hij tegelijkertijd leiders van dezelfde rang aanstelt, zoals Hij deed met de twaalf apostelen en Paulus, dan wees Hij hun elk hun eigen gebied toe (2 Corinthiërs 10:12-16).

Houd vast wat u hebt

God instrueert de Filadelfia gemeente: "Houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme" (Openbaring 3:11). Hij zegt niet vast te houden aan een organisatie, maar aan Gods waarheid vast te houden. Hoe verliest iemand zijn kroon? Door niet aan Zijn waarheid vast te houden! Dit begint duidelijk te maken wat de hoofdaandacht moet hebben van de gelovigen in de tijd dat de wederkomst van Jezus Christus dichterbij komt.

God profeteerde, dat als we de eindtijd naderen, dat dan "omdat de wetsverachting toeneemt, de liefde van de meesten zal verkillen" (Mattheüs 24:12). Paulus bevestigt dat de laatste dagen "zware tijden" (2 Timotheüs 3:1) zullen zijn, tijden van grote spanning en moeilijkheden, die moeilijk zullen zijn om mee om te gaan en te doorstaan. De aandacht van de christen zal door allerlei dingen worden afgeleid en dat zal zijn geestelijk leven verstikken, indien hij dit toestaat (Mattheüs 13:22). We zullen al de gerichte aandacht van een herder nodig hebben die hij maar kan geven, om ons op weg naar het Koninkrijk van God te houden.

God zegt in:

Jeremia 23:28-29 De profeet die een droom heeft, vertelle een droom en die mijn woord heeft, spreke mijn woord naar waarheid; wat heeft het stro met het koren gemeen? luidt het woord des Heren. 29 Is niet mijn woord zó: als een vuur, luidt het woord des Heren, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt?

Het verschil tussen Gods Woord en de dromen van een profeet is even groot als het verschil tussen koren en stro. Gods Woord is als een vuur, doordringend, reinigend en het kwaad verterend. Zijn volk moet dat Woord op een krachtige manier uiteengezet krijgen om hen door de eindtijd heen te helpen.

Paulus voegt hieraan in zijn gebed voor de kerk het volgende aan toe:

1 Thessalonicenzen 3:12-13 En u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen - zoals ook wij gezind zijn jegens u -, 13 om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen.

Op andere plaatsen staat nog: "Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen" (Romeinen 13:11) en "Er komt een nacht, waarin niemand werken kan" (Johannes 9:4).

Meer uit het boek Openbaring

In de brieven van Christus aan de zeven kerken in Openbaring 2 en 3 duidt maar één brief op een krachtige publieke verkondiging (Filadelfia), terwijl een andere zinspeelt op iets dat zou kunnen duiden op publieke verkondiging (Tyatira). Sommige commentatoren betogen, dat het niet zeker is dat "een geopende deur" slaat op publieke verkondiging. Hoe het ook zij, elke brief bevat krachtige vermaningen tot bekering of aansporingen om te overwinnen. Ook hier ligt de nadruk op gereedkomen.

In de profetie die Christus Zijn discipelen op de Olijfberg geeft, over de jaren die onmiddellijk aan Zijn wederkomst zullen voorafgaan (Mattheüs 24 en 25), benadrukt Hij persoonlijke dingen: waken, bidden, trouw zijn, gereed zijn voor de Bruidegom, eigen talenten ontwikkelen en de gemeente dienen. In feite beveelt Christus nergens in Openbaring, het boek dat gaat over de gebeurtenissen in de eindtijd, enige verkondigende activiteit aan. Hij profeteert over de twee getuigen, maar de context laat zien dat hun werk geen georganiseerde activiteit van een kerk is. Als de zeven donderslagen het getuigenis van de zeven kerken symboliseren, dan verschijnen de twee getuigen niet op het toneel dan na de laatste verkondigende activiteiten van de kerk.

Johannes 21:15-19 geeft een interessant voorval weer, kort na Jezus' opstanding, waarin Hij Petrus driemaal vraagt: "Hebt gij Mij lief?" Na elk antwoord van Petrus vermaant Hij hem Zijn schapen te weiden of te hoeden. Dit impliceert in sterke mate, dat het op een juiste wijze weiden [voeden] van de schapen niet kan worden gedaan zonder een diepe liefde voor Christus. Het kan zijn, dat hen weiden waarvoor Christus stierf, niet luisterrijk is, maar het is nodig, niet alleen voor het welzijn van ieder afzonderlijk schaap, maar ook voor de effectiviteit van het werk van het gehele lichaam.

Vers 19 eindigt met een cryptische opdracht van Christus: "Volg Mij." Binnen de context kan deze opdracht maar naar twee dingen verwijzen: Christus volgen in een martelaarsdood, of algemener Hem volgen in het neerleggen van Zijn leven voor het welzijn van Zijn schapen, wat mogelijk ook het martelaarschaap kan betekenen. Eerder zei Hij: "De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen" (Johannes 10:11). Beide uitleggingen geven een ontzagwekkende verantwoordelijkheid met diepgaande betekenis.

Het is duidelijk, dat de verkondiging van het evangelie deel uitmaakt van het werk van de kerk. Maar gelet op de instructie van Christus en die van de apostelen aan de kerk van de eindtijd, is dit niet het eerste wat in hun denken naar voren komt. Het werk van God heeft voor deze tijd een verandering ondergaan.

Een terugblik op de vruchten van hen die de WCG hebben verlaten en hun eigen groepen hebben gevormd, is instructief. Heeft één van hen "de wereld in beroering gebracht"? Het doet er niet toe hoe charismatisch hun persoonlijkheid is, op hoeveel radio- of televisiestations ze uitzenden, hoe groot hun organisatie is, hoeveel andere prominente namen eraan gekoppeld zijn, hoeveel jaar ze dit al doen, hun invloed stelt weinig voor. Al hebben ze met verschillende mate van intensiteit geprobeerd het evangelie te verkondigen, het lijkt er niet op dat God hun inspanningen in aantoonbare vorm heeft gezegend. Hiermee wordt niet bedoeld dat wat ze hebben gedaan verkeerd is. De meeste van hen bestaan nog steeds, maar de groei in het bereiken van de wereld is hoogstens minimaal.

Dit leidt tot de vraag: "Wie zijn wij dat God ons anders zou behandelen dan Hij die anderen heeft behandeld?" Zijn wij het, zodat God ons boven anderen zou zegenen op dit terrein van Zijn werk? Onze omstandigheid kan gemakkelijk gaan overeenkomen met die van Israël in hun tweede jaar in de woestijn, toen zij het land probeerden binnen te gaan, nadat God had besloten dat ze nog meer lessen in de woestijn nodig hadden. Aanmatiging maakt geen indruk op God. We moeten altijd in gedachten houden, dat het Zijn werk is en dat wij er alleen maar zijn om door Hem te worden gebruikt. Het gereedschap moet niet de ambachtsman dicteren hoe het gebruikt moet worden.

Ergens in de toekomst zal het werk weer veranderen en zal de verkondiging van het evangelie weer voorop staan in Zijn denken als Hij de twee getuigen op het toneel doet verschijnen. Nu zit de kerk echter in een omstandigheid die overeenkomt met een tussenstop op een lange reis. Deze is niet bedoeld als een periode van passief wachten. We moeten daarin vurig in afwachting zijn van Gods opdrachten, vredig, waakzaam, reisvaardig, intensieve voorbereidingen treffen en reparaties uitvoeren, onszelf weer van nieuwe energie voorzien, onze medebroeders liefhebben en gereedstaan om op zeer korte tijd in beweging te komen voor vertrek.

Een uniek en effectief werk

Ik heb herhaalde malen gezegd dat ik niet tegen de verkondiging van het evangelie aan de wereld ben. Met uitzondering van korte historische momenten is het echter altijd ondergeschikt geweest aan het voeden van de kudde. Dat kan niet anders. Bekijk de volgende analogie. Er is slechts een korte tijd nodig om een kind te verwekken, maar het kost negen maanden ontwikkeling voordat het buiten het moederlichaam kan leven. Hoeveel jaar is er nodig voordat er volledige fysieke, emotionele en geestelijke volwassenheid is bereikt: dertig, veertig, vijftig, zestig of zeventig jaar? Geestelijk gezien bestrijkt de taak van de kerk om het individu te voeden de gehele periode van verwekking tot volwassenheid, omdat dit het belangrijkste deel is van haar verantwoordelijkheid. Daarom wijdt de Bijbel veel instructie aan persoonlijk overwinnen en groeien.

Toen mijn vrouw en ik overwogen de gemeenschap van de WCG te verlaten, was een hoofdpunt waar we uit moesten komen, of we daarmee de kerk verlieten. Net als bijna iedereen was het ons ingeprent, dat het verlaten van de WCG gelijkstond aan het verlaten van de kerk. Langzamerhand begonnen we in te zien dat de kerk een geestelijke organisme is, niet beperkt door de grenzen van menselijke organisaties, en voelden we ons vrij om de WCG te verlaten, zonder dat het betekende dat we de geestelijke kerk verlieten. (Vraag voor meer informatie ons gratis boekje Guard the Truth aan.)

Toen we weggingen, veranderde er niets in relatie tot wat ik het grootste deel van mijn bekeerde leven was geweest, sinds ik in 1959 werd gedoopt. In 1966 werd ik aangesteld tot "elder" en in 1969 werd ik pastor. In die functie plaatste God mij in dienst van Zijn kerk. Ik behoor nog steeds tot het geestelijke organisme en ik ben nog steeds pastor. God heeft me niet plotseling een apostel gemaakt, alleen maar omdat de groep mensen waarmee we omgingen, veranderde!

Daarom is het nodig dat we naar enkele van onze hulpmiddelen kijken en onderzoeken wat er door dit werk in zijn korte bestaan is voortgebracht. Heel weinigen van ons hebben professionele ervaring in wat we doen. We moesten alles van het begin af aan leren.

Toch lijkt het erop dat we op deze weg voort moeten. We hebben tijd nodig voor de ontwikkeling van anderen om een deel van de last te dragen; dit gebeurt momenteel. De mensen dragen overvloedig bij met hun ervaringen en kennis. Ze groeien en brengen steeds beter materiaal voort. De verstandigste keus is dat dit werk een klein scherp omlijnd doel heeft, zodat onze energie en talenten niet worden verspild door met te veel dingen bezig te zijn en uiteindelijk niets nuttigs voort te brengen.

We doen een werk, dat geen enkele van de grotere groepen die in de laatste jaren de WCG hebben verlaten, doet. Door preken, artikelen en boekjes gericht op het voeden van bekeerde mensen, onderwijzen we principes van een christelijke levenswijze op een gedetailleerdere, specifiekere en grondigere manier dan anderen hebben geprobeerd. Dit heeft niets met zelfgerichtheid van doen, we delen wat we hebben met anderen. De boekjes en tapes worden over de gehele wereld verzonden. Wij verkondigen het evangelie!

Het evangelie van het Koninkrijk van God gaat over zijn Koning, wetten, grondgebied en onderdanen, hetgeen praktisch alles wat in de Bijbel staat, omvat. Daaraan kunnen we de grote variatie in termen toevoegen, die de apostelen gebruikten om het te omschrijven. Het evangelie is het geheel van Gods Woord, de waarheid. Paulus noemt het "al de raad Gods" (Handelingen 20:27). Als het aan de wereld wordt verkondigd, horen ze slechts een dun schilfertje van die waarheid. Het overweldigende geheel van de boodschap is bedoeld om aan bekeerde christenen te worden verkondigd, om ze te zuiveren en tot volwassenheid te brengen.

We doen een effectief en belangrijk werk, dat in deze tijd is gericht op bekeerde mensen. Het is een noodzakelijk en krachtig werk. Op deze manier dienen we mensen, zoals ze moeten worden gediend om zich voor te bereiden op Christus' wederkomst. De Bruid moet haarzelf gereedmaken (Openbaring 19:7). We streven ernaar zeker te stellen dat ieder lid van Christus' lichaam een voldoende voorraad "olie" ter beschikking heeft voor zijn voorbereiding (Mattheüs 25:1-13).

Christus zegt in Johannes 6:63: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven." Als we doorgaan om Christus' woorden aan Zijn volk te verkondigen, dan zullen we hun de hulpmiddelen geven om te overwinnen en naar geestelijke volmaaktheid te groeien.

Samenvatting

De term "evangelist" veranderde langzamerhand van een taak gericht op de wereld in een hoge positie binnen de kerk. In deze moderne tijd deed Herbert Armstrong, een apostel, de publieke verkondiging en waren evangelisten belast met interne taken van de kerk.

God wachtte vierduizend jaar voordat Hij de kerk opdracht gaf tot het werven van bekeerlingen; Hij gaf die opdracht pas in de tijd dat Jezus Christus Zijn taak op aarde uitvoerde.

Israël mislukte als getuige. De sleutel tot een effectief getuigenis is grondige voorbereiding. Als we onze individuele relatie met God veronachtzamen, dan brengt dat onbeschrijfelijke schade voor het werk dat we voor Hem doen, met zich mee.

Er is een subtiel gevaar verbonden aan het richten van de hoofdaandacht op de verkondiging van het evangelie en dat is, dat de leden hun ondersteuning daarvan gaan gelijkstellen aan rechtvaardigheid.

Als God iemand voorbereidt tot een werk, staat Hij hem toe lang genoeg te leven om het te voleinden.

De vermaningen tot de kerk in de eindtijd, in het bijzonder die in Openbaring en in Christus' profetie die Hij op de Olijfberg gaf, zijn eensluidend: Houd vast en zorg geestelijk gereed te zijn voor Christus' wederkomst.

Het lijkt erop, dat God de pogingen van anderen om aan de wereld te verkondigen niet zegent. Misschien zal de eerstvolgende effectieve, publieke verkondiging pas plaatsvinden door de twee getuigen.

We verkondigen het evangelie al, maar voornamelijk tot de bekeerden. God zegent ons in wat we doen en als we voortgaan Hem te behagen, zal Hij deuren openen die evenredig zijn aan onze mogelijkheden.

Conclusie

We moeten af van het idee dat de enige manier om een werk te doen is, om het evangelie aan de wereld te verkondigen. Gods Woord definieert in algemene termen wat Zijn werk is. "Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft" (Johannes 6:28-29). Hij gebruikt "geloven" niet in de zin van slechts ermee instemmen dat Hij de Zaligmaker is, maar in de zin van vertrouwen in gehoorzaamheid. Het doen van een specifiek werk van God kan van tijd tot tijd veranderen, maar Jezus' uitspraak verandert nooit.

Ziende dat onze vorige kerkelijke gemeenschap steeds verder terugzakt in wereldlijkheid, weten we dat dit moeilijke tijden zijn. Psalm 11:3 daagt ons uit met de volgende vraag: "Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen?" Mensen worden bang als de richting en de visie wazig worden of verloren gaan. Maar de verantwoordelijkheid voor ieder blijft om naar Gods waarheid te zoeken, alle dingen te bewijzen, de medebroeders lief te hebben, barmhartig te zijn, uit geloof te leven - kort samengevat de juiste keuzes te maken. Sommige zaken veranderen nooit.

Ons verlangen is te helpen. Jezus Christus wil dat we worden gezuiverd, veranderd, groeien in goddelijk karakter en gerechtigheid, zodat we Zijn voorbeeld navolgen en zonder smet gereed zijn voor Zijn wederkomst. Hij stelt een hoge standaard in Efeziërs 4:13: "... de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus." We hebben allemaal nog een lange weg te gaan, maar persoonlijke geestelijke groei voorafgaand aan de oprichting van het Koninkrijk van God, is het hoofdpunt in Gods aansporingen en vermaningen. Het mag dan niet "flitsend" zijn, maar het is het allerbelangrijkst. Het dwingt elk van ons om veel meer uit geloof te leven dan alleen maar iemand anders te ondersteunen in het doen van het werk. Op deze manier zijn wij het werk.

Paulus zegt tot de Corinthiërs: "Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij" (1 Corinthiërs 3:9). En tot de Efeziërs: "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen" (Efeziërs 2:10). Als grote bemoediging voor ons, roept hij uit: "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus" (Filippenzen 1:6). Later voegt hij er nog aan toe: "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft. ... Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus" (Filippenzen 4:13, 19). We hebben alle reden te hopen. God spoort ons aan ons deel te doen - zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid. Hij slaagt altijd in wat Hij Zich voorneemt te doen!

Deze tijden zijn verwarder dan normaal. Daar iedereen verantwoordelijk is om te kiezen, sporen we u aan God om wijsheid te vragen en zeer zorgvuldig te zijn in waar u uzelf mee laat voeden.


Overzicht van geloofspunten

Het volgende overzicht van doctrines behandelt op beknopte wijze elk van de fundamentele bijbelse doctrines die de Church of the Great God gelooft en onderwijst. De beknopte uitleg per doctrine, die hier wordt gegeven, is niet bedoeld als diepgaande studie, evenmin dekt dit overzicht het geheel van de geloofsopvattingen van de Church of the Great God. Dit overzicht is het kale raamwerk van doctrines die tezamen Gods ontzagwekkende doel en plan globaal beschrijven.

De sectie met tekstverwijzingen die op iedere beknopte uitleg volgt, bevat teksten die die doctrine ondersteunen. Deze verwijzingen zijn niet bedoeld als een uitputtende lijst. Opgemerkt zij nog dat sommige teksten onder verschillende samenvattingen staan, omdat ze in elk van die gevallen van toepassing zijn.

GOD:

Het gezin van God

God is het eeuwige, alwetende, alom aanwezige, hoogste, almachtige, scheppende, heersende en leven gevende geestelijke gezin (Elohim). Het is één en volmaakt in karakter, liefde en streven. Het heeft een plan voor de mens met als algemeen doel het gezin uit te breiden en daarbij de nieuwe leden van het gezin voor alle eeuwigheid te laten delen in de geweldige heerlijkheid van het reeds bestaande gezin. Momenteel bestaat dit gezin God uit God de Vader en God de Zoon.

Genesis 1:1, 26; Deuteronomium 6:4; Nehemia 9:6-8; Psalm 2:2, 7, 12; 8:1-10; 19:2; 110:1; 139:1-10; Jesaja 40:12-17, 25-26; 44:6; Daniël 7:9-10; Johannes 1:1, 14; 4:24; 14:8-9; Romeinen 1:20; 8:29; Efeziërs 1:3-5, 9-10; 3:14-15; Colossenzen 1:12-18.

GOD:

God de Vader

God de Vader is de hoogste Heerser van het heelal. Hij is het onderwerp en het doel van onze verering en het Wezen tot Wie Zijn kinderen bidden. Hij zond Jezus Christus naar de aarde en instrueerde Hem wat Hij moest spreken en doen. Het doel van de Vader is verzoening met Zijn schepping en om vele zonen tot heerlijkheid te brengen. De Vader volbrengt Zijn wil door de Heilige Geest, door middel waarvan Hij roept, verwekt en door het bekeringsproces Zijn verwekte kinderen naar Zijn beeld verandert en Zijn heerlijkheid deelachtig laat worden door een opstanding uit de doden. Hij is direct betrokken bij het leven van iedereen die Hij roept en Hij brengt Zijn heilige karaktereigenschappen in hen tot stand naarmate ze zich aan Hem overgeven.

Psalm 110:1; Daniël 7:9-14; Mattheüs 11:27; Johannes 1:1-2; 5:17, 20, 22-23, 36-37, 43; 6:44; 8:27-29, 38; 10:18, 29; 12:50; 14:8-9, 28; 16:27; 17:5, 20-21; 1 Corinthiërs 15:24-28; Efeziërs 3:14-15; 4:4-6; Hebreeën 1:1-2; 2:3-9; Openbaring 21:22-23; 22:1, 3.

GOD:

God de Zoon

Jezus van Nazareth is de God van het Oude Testament, de Christus, God in het vlees, de geprofeteerde Messias, de Verlosser van de mensheid. Hij bestaat eeuwig met de Vader en alle dingen werden door Hem en voor Hem geschapen. Voor Zijn menselijke geboorte openbaarde Hij Zich aan de aartsvaders als "de Eeuwige" (YHWH) en een grote verscheidenheid aan andere namen. Hij ontledigde Zich van Zijn goddelijke heerlijkheid en werd mens door uit de maagd Maria te worden geboren. Alhoewel Hij in alle opzichten net als andere mensen werd verzocht, leidde Hij een leven zonder zonde en gaf Zichzelf om gekruisigd te worden als het volmaakte offer voor de overtredingen van Gods wetten door de mens. Na drie dagen en drie nachten in het graf werd Hij als een goddelijk geestelijk Wezen uit de doden opgewekt, voer Hij ten hemel op om Zich neder te zetten aan de rechterhand van de Vader en werd Hij Hogepriester, Pleitbezorger en Middelaar bij de Vader. Als zodanig is Hij in feite de Uitdeler van de Heilige Geest. Hij is nu het Hoofd van de kerk en zal spoedig wederkeren als Koning der koningen en Heer der heren om het Koninkrijk van God op aarde op te richten, waarbij Zijn opgewekte broers en zusters met Hem zullen meeregeren.

Johannes 1:1-3, 10, 14, 29-36; 8:53-58; Colossenzen 1:13-20; Johannes 3:16; Romeinen 5:8-9; Handelingen 2:33-35; Johannes 15:26; 16:7; Efeziërs 4:7-8; 1 Johannes 2:1-2; Hebreeën 1:1-4; 2:9-14; 4:14-16; 9:11-15; Efeziërs 1:19-23; Filippenzen 2:5-7; Mattheüs 12:40; 1 Thessalonicenzen 4:16; Openbaring 5:9-10; 11:15; 19:11-16.

HEILIGE GEEST:

De Heilige Geest is de kracht van God en niet een persoon, een bewustzijn of een wezen dat deel uitmaakt van de godheid of een drieëenheid. Deze is het denken en de essentie van de goddelijke natuur en de geestelijke dimensie van God waardoor God Zijn wil uitvoert. Als Gods Geest aan mensen wordt gegeven of op mensen wordt uitgestort, is het resultaat een verwekking door God tot Zijn kinderen. Gods Geest maakt het de menselijke geest mogelijk geestelijke zaken te begrijpen en brengt zodoende bekering voort. Deze leidt ons in alle waarheid; overtuigt ons van zonde en gerechtigheid; geeft geloof, de liefde van God, kracht om zonde te overwinnen en andere gaven die essentieel zijn om Gods wil te doen. Gods Geest is het onderpand of de garantie voor eeuwig leven.

Genesis 1:2; Psalm 104:30; Jesaja 11:2; 32:15; 40:13; Ezechiël 39:29; Joël 2:28-29; Johannes 7:37-39; Lucas 24:49; Handelingen 1:8; 8:15-17; Romeinen 8:9-14; Johannes 14:16-17, 26; 1 Corinthiërs 2:9-16; 12:4-11; 2 Timotheüs 1:6-7; 2 Petrus 1:2-4; Efeziërs 1:13-14.

DE BIJBEL:

Het geschreven Woord van God, de Bijbel, vormt de Openbaring van God aan de mens en is nuttig voor alle geestelijke kennis en begrip van de mens en zijn groei naar behoud. Heilige mannen van God, op diverse manieren geïnspireerd door de Heilige Geest, hebben de waarheid aan hen geopenbaard, opgeschreven. Zoals het ons oorspronkelijk vrij van fouten is doorgegeven, is Gods Woord waar en zuiver. De gehele canon van de Schrift, die voltooid werd met het boek Openbaring, bestaat uit een totaal van zesenzestig boeken in het Oude en Nieuwe Testament. Het doel van de Bijbel is de mens God te openbaren, alsmede Zijn doel en het proces van behoud. De Bijbel bevat echter geen filosofie die naar eigen goeddunken kan worden geïnterpreteerd, maar door alle toepasselijke schriftgedeelten op te zoeken, het gebruik van gezond verstand en de inspiratie van de Heilige Geest, kan men de betekenis en Gods bedoeling begrijpen.

2 Timotheüs 3:15-17; 2 Petrus 1:21; Hebreeën 1:1-2; Johannes 17:17; Spreuken 30:5; Mattheüs 5:18; Johannes 10:35; Jesaja 8:16; Lucas 24:44-45; Openbaring 22:18-19; 2 Petrus 1:20; Jesaja 28:9-11; 1 Thessalonicenzen 5:21; Psalm 119:33-40, 97-99, 172.

ENGELEN:

Ver voor de schepping van de mens en de aarde schiep God machtige geestelijke wezens om als Zijn vertegenwoordigers en boodschappers te fungeren. God schiep hen in diverse verschijningsvormen voor verschillende taken en gaf hun ook een vrije wil. Sommigen, onder leiding van de cherub Lucifer, die nu Satan wordt genoemd, de Tegenstander, kozen ervoor tegen Gods regering in opstand te komen en veranderden zichzelf daardoor in demonen. De Bijbel noemt slechts twee andere engelen bij naam: Michaël en Gabriël. De overige trouwe engelen functioneren nu als dienende geesten om de mens te helpen bij het verkrijgen van behoud.

Job 38:7; Psalm 91:11-12; Ezechiël 1:5-14; 28:14-17; Jesaja 14:12-15; Efeziërs 6:12; Daniël 10:13; Openbaring 12:7; Lucas 1:19; Hebreeën 1:7, 14.

SATAN EN ZIJN DEMONEN:

Oorspronkelijk werd Satan geschapen als Lucifer en had hij grote macht en schoonheid. Hij veranderde door trots in de Tegenstander. Deze trots leidde hem tot een opstand tegen de regering van God. Hij leidde een derde van zijn mede-engelen, die met hem in hun eerste woonplaats, de aarde, verbleven, in een aanval op God in de hemel. Deze wierp hen terug naar de aarde, waar ze gedoemd zijn te verblijven tot op de huidige dag. Als god van deze wereld en de dodelijke vijand van de mens, gebruikt Satan nu zijn macht en schoonheid om de gehele mensheid te misleiden. Ondanks dat ze reeds verslagen zijn en hun lot vaststaat, doen hij en zijn demonen er alles aan om Gods doel met de mens te dwarsbomen.

Ezechiël 28:14-17; Jesaja 14:12-15; Judas 6; 2 Petrus 2:4; 2 Corinthiërs 4:4; Openbaring 12:4, 9; Lucas 22:31; Efeziërs 6:12; Judas 13; Openbaring 20:10.

DE MENS:

De mens, als man en vrouw naar Gods beeld geschapen, is sterfelijk en een fysiek wezen, wiens leven verankerd ligt in het bloed. God voorzag hem echter van een geestelijk element, waardoor hij de beschikking kreeg over intellect en ver boven de dieren kwam te staan. Deze menselijke geest stelt God in staat Zijn Geest met die van de mens samen te voegen, zodat hij een kind van God kan worden. Als een mens sterft, komt zijn bewuste denken tot stilstand, keert zijn geest terug naar God Die deze ook gegeven heeft, en keert zijn lichaam terug tot stof. God heeft als doel voor de mens, dat hij deel gaat uitmaken van het gezin van God. Dit verloopt via een verwekking door Zijn Geest en een latere wedergeboorte door de opstanding uit de doden tot onsterfelijkheid en heerlijkheid.

Genesis 1:26-27; 2:7; 3:19; Psalm 146:3-4; Prediker 3:19; Ezechiël 18:4, 20; Job 32:8; Zacharia 12:1; 1 Corinthiërs 2:11; Hebreeën 12:28; 1 Timotheüs 6:15-16; Romeinen 8:29; 1 Corinthiërs 15:44, 50-54.

EVANGELIE:

Het evangelie is de boodschap die door Christus en Zijn kerk wordt gepredikt. De kern ervan is Gods doel en plan om Zich te vermenigvuldigen. Christus, Johannes de Doper en de apostelen noemen het over 't algemeen het "evangelie van het Koninkrijk van God", maar andere bijbelse auteurs gebruiken meer dan een dozijn andere namen om het te omschrijven. Uiteindelijk is het de volledige boodschap van het gehele Oude en Nieuwe Testament, waarin staat beschreven wat God de Vader en Zijn Zoon hebben gedaan, op dit moment doen en nog zullen doen om Hun doel te bereiken. Het bevat gedetailleerde informatie over de Koning, de onderdanen, de wetten en het grondgebied van het Koninkrijk van God en hoe de mens daarvan deel kan gaan uitmaken.

Mattheüs 3:2; 24:14; Marcus 1:14; Handelingen 28:31; Romeinen 1:1, 16; 2:16; 15:16; Efeziërs 1:13; 6:15; Openbaring 14:6.

HET KONINKRIJK VAN GOD:

Het Koninkrijk van God is het scheppende en heersende gezin van God, dat spoedig Gods regering op aarde zal uitoefenen. Alhoewel het Koninkrijk van God op dit moment niet op aarde regeert, staan zij die Gods Geest hebben, in hun leven wel onder die heerschappij. Als Jezus Christus wederkeert, zal Hij die regering op aarde herstellen en de heiligen, opgestaan als geestelijke koningen en priesters, zullen dan duizend jaar lang met Hem regeren. Volgende op de tweede dood en de poel des vuurs, zal het Koninkrijk volledig worden vervuld als God de Vader vanuit de hemel neerdaalt om voor alle eeuwigheid vanuit het nieuwe Jeruzalem te regeren.

Daniël 2:44; Jesaja 2:2-4; 11:1-10; Micha 4:1-4; Marcus 4:11; Johannes 3:3-7; 1 Corinthiërs 15:50-54; Colossenzen 1:13; Hebreeën 11:13-16; Mattheüs 25:31; 20:21; Openbaring 2:26; 5:10; 19:16; 20:4-6, 12-15; 21:1-4, 7.

BEHOUD:

Behoud is een gave die God de Vader vrijwillig geeft, en het is de manier waarop iemand wordt gered van de straf der zonde en eeuwig leven verwerft. Het proces van behoud begint met de roeping door God en het openen van het verstand voor geestelijke waarheid. Dit leidt tot verzoening met God door geloof in het offer van Jezus Christus voor de vergeving van zonde, daarna tot berouw gericht op God, doop, ontvangen van de Heilige Geest, heiliging tot heiligheid door een leven van overwinnen en wedergeboorte en verheerlijking als God. Ofschoon behoud niet kan worden verdiend door werken der wet, is het houden van de Tien Geboden desalniettemin vereist als voorwaarde om behoud te ontvangen. Iedereen zal, op de tijd die God daarvoor verkiest, een gelegenheid krijgen tot behoud.

Efeziërs 2:4-10; Johannes 6:44-45; Handelingen 20:21; Romeinen 5:8-11; 6:1-6, 15-18; Efeziërs 1:13-14; 2 Thessalonicenzen. 2:13-14; 1 Petrus 1:2; 2 Corinthiërs 7:1; Hebreeën 12:14; Romeinen 8:29-30; 2 Corinthiërs 3:18; 1 Johannes 3:1-2; 1 Corinthiërs 15:35, 42-44; Romeinen 2:12-13; Jacobus 1:25; Mattheüs 19:17; Johannes 14:15; 1 Corinthiërs 15:21-23, 50-54; Openbaring 20:4-15.

WETTEN EN GEBODEN VAN GOD:

De wetten van God zijn de geschreven uitdrukking van het karakter, het denken en de wil van God voor Zijn volk. Ze staan zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament en ze onderwijzen hoe God lief te hebben en te vereren, hoe de naaste lief te hebben en hoe voor te bereiden op eeuwig leven in het gezin van God. Ze hebben betrekking op zowel fysieke als geestelijke aspecten. De Tien Geboden werden door God Zelf gegeven, gecodificeerd door Mozes en verheerlijkt en bekrachtigd door Jezus Christus. Als perfecte geestelijke wet zijn ze altijd van kracht, of iemand zich daar nu bewust van is of niet. Eraan gehoorzamen brengt zegeningen voort, ongehoorzaamheid straffen en vloek. Ze overtreden is zonde en heeft de doodstraf tot gevolg. Gods wetten houden en daarmee tonen dat men zich onderwerpt aan Gods regering, is een voorwaarde voor eeuwig leven.

Psalm 19:8-12; Romeinen 7:7-12; Exodus 20:1-17; Psalm 119:172; Johannes 15:14; 1 Johannes 2:2-3; 5:2-3; Mattheüs 22:36-40; Jesaja 42:21; Mattheüs 5:17-32; 19:17; Deuteronomium 30:15-20; 28:1-15; 1 Johannes 3:4; Openbaring 22:14.

ZONDE:

Zonde is de overtreding van Gods wet. Het begrip zonde heeft een brede toepassing en kan worden gedefinieerd als alle ongerechtigheid, het doel missen of tekortschieten in het karakter van God. Al wat niet uit geloof is, is zonde. Als iemand begrijpt wat goed doen is, maar het niet doet, dan is dat zonde. De straf op zonde is de dood in de poel des vuurs. De onvergeeflijke zonde is het willens en wetens overtreden en voortgaan met overtreden van Gods geboden; ook valt daar onder het willens en wetens verwerpen van Gods behoud en het lasteren van de Heilige Geest, wat erop neer komt dat men het werk van God, dat Hij doet middels de kracht van Zijn Geest, veracht en toeschrijft aan Satan. Deze zonden zijn onvergeeflijk, omdat zo iemand zich niet wil bekeren. Alle overige zonden kunnen worden vergeven door Gods genade door het bloed van Jezus Christus.

1 Johannes 3:4; 5:17; Efeziërs 2:1; Romeinen 14:23; Jacobus 4:17; Romeinen 6:23; Openbaring 20:14; Galaten 5:19-21; Mattheüs 12:31; Hebreeën 10:26-29; 1 Johannes 1:7, 9; Romeinen 8:1-3.

GENADE:

Gods genade is de dynamiek achter behoud. Genade brengt Gods vrijwillig gegeven gaven tot uiting. Het is niet alleen aanwezig in de vergeving van zonde, maar in het gehele proces van behoud. Genade geeft de geroepenen al wat zij maar nodig hebben om erin te slagen Gods doel te bereiken. De mens is altijd behouden geworden middels genade door geloof.

Genesis 6:8; Exodus 33:12-17; Romeinen 3:24; 4:4, 16; 5:2, 15; 11:5-6; 12:3, 6; Hebreeën 4:16; 13:9; 1 Petrus 4:10; 2 Petrus 1:2; 3:18; 1 Corinthiërs 12:4-11.

GELOOF:

Geloof is het actief overtuigd zijn van het bestaan van God en een dynamisch vertrouwen in Zijn Woord. God beveelt ons uit geloof te leven. Als fundament voor het proces is het essentieel voor behoud. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen, omdat het, als de basisreactie van de mens op God, leidt tot gehoorzaamheid en het voltooien van Gods doel. Door geloof in het bloed van Christus worden we vergeven en wordt ons rechtvaardigheid toegerekend. Geloof, dat zowel een gave is van God alsook een vrucht van Zijn Geest, wordt volmaakt door de goede werken die God van te voren heeft toebereid.

Romeinen 1:17; Hebreeën 10:37-39; 1 Petrus 1:5, 9; Hebreeën 11:1-6; Efeziërs 2:4-10; Romeinen 4:5, 9-13, 20-22; 5:8-11; 1 Corinthiërs 12:4, 9; Romeinen 12:3; Galaten 5:22; Jacobus 2:14-26; 2 Corinthiërs 5:7.

BEROUW:

Berouw is een diep besef in denken en geest van een in geestelijke opzicht totaal tekort schieten, gepaard gaande met het vaste besluit te veranderen in wat men is en doet. De goedertierenheid van God leidt iemand tot berouw; dit begint als God iemand in staat stelt zichzelf te zien in vergelijking met Hem. Alleen dan kan iemand erkennen dat hij een zondaar is die vergeving nodig heeft. Berouw is de eerste stap in verzoening met God. Het zet iemand ertoe aan zijn zonden te belijden en met diep verlangen zijn leven aan te passen aan Gods wil, zoals die wordt geopenbaard in de Bijbel. Berouw is niet éénmalig, maar terwijl we groeien in de kennis van God is dit een voortdurend terugkerend iets.

Jeremia 17:9; Mattheüs 9:13; 2 Corinthiërs 7:9-11; Romeinen 2:4; 2 Timotheüs 2:25; Handelingen 20:21; Lucas 13:3, 5; Psalm 51; Marcus 1:15; Lucas 24:47; Handelingen 2:37-38; 3:19; 11:18.

WATERDOOP:

De doop vindt plaats door onderdompeling in water na oprecht berouw en het aanvaarden van Jezus Christus als persoonlijk Verlosser. De doop symboliseert de dood en begrafenis van een zondaar in de dood en begrafenis van Jezus Christus. Opstaan uit het watergraf symboliseert Zijn opstanding. De doop symboliseert ook reiniging en bereidt iemand zodoende voor op ontvangst van de Heilige Geest. Als iemand opstaat uit zijn watergraf, is hij een nieuwe persoon, die geleid wordt door Gods Geest en zijn leven leidt in overeenstemming met Gods weg.

Mattheüs 3:13-16; 28:19-20; Handelingen 2:38; 8:12-17; Romeinen 6:1-7; Colossenzen 2:12.

DOOP MET DE GEEST:

De doop met de Geest betekent het ontvangen van de Heilige Geest als verwekking door God de Vader; dit plaatst iemand in het geestelijke lichaam van Jezus Christus, de kerk.

Mattheüs 3:11; 1 Corinthiërs 12:13.

DOOP MET VUUR:

De doop met vuur betekent ten ondergaan in de poel des vuurs. Dat is de tweede - en daarom de eeuwige - dood voor de onverbeterlijke goddelozen, die doelbewust en hardnekkig het behoud van God de Vader door Jezus Christus hebben verworpen. Allen die de Heilige Geest hebben gelasterd en de onvergeeflijke zonde hebben begaan, zullen worden vernietigd.

Mattheüs 3:11-12; 12:31-32; Openbaring 20:14-15; 21:8; 2 Petrus 3:10-12; Maleachi 4:1-3.

HANDOPLEGGING:

Een van de oudste bijbelse rituelen, handoplegging, kenmerkt een aanstelling of een apart zetten. Deze wordt uitgevoerd door aangestelde oudsten van de kerk tijdens gebed om de ontvangst van de Heilige Geest na een doop, bij het zalven van een zieke, bij het aanstellen tot een ambt, bij een huwelijk, bij het zegenen van de kleine kinderen en bij het aan God vragen voor bijzondere gaven.

Genesis 48:12-14; Mattheüs 19:13-15; Handelingen 6:5-6; 8:15-17; 13:3; 19:5-6; 1 Timotheüs 4:14; Hebreeën 6:2; Jacobus 5:14-15.

OPSTANDINGEN:

De dood is een realiteit waar we allemaal mee te maken krijgen, maar de hoop van alle christenen en de belofte van de Vader is de opstanding uit de doden. De Bijbel identificeert duidelijk twee soorten opstanding: bijzondere Handelingen van Gods genade waarin Hij mensen terugbrengt tot het fysieke leven en de geestelijke opstanding tot eeuwig leven. De best bekende opstanding is Jezus Christus' overwinning op de dood. Als Hij wederkeert, zal Hij de heiligen tot eeuwig leven opwekken. Na Zijn regering van duizend jaar zal Hij allen die nooit een gelegenheid tot behoud hebben gekregen, opwekken. Tenslotte zullen de onverbeterlijke goddelozen fysiek worden opgewekt om in de poel des vuurs te worden verteerd.

Job 14:14-15; 19:25-26; Daniël 12:2-3; Mattheüs 27:52-53; Marcus 5:35-42; Handelingen 9:40-41; 20:7-12; Johannes 5:28-29; 11:20-24; 1 Corinthiërs 15:3-8, 20-23, 51-52; 1 Thessalonicenzen. 4.13-17; Openbaring 20:4-6; Ezechiël 37:1-14; Openbaring 20:11-15; 2 Petrus 3:10-12.

EEUWIG OORDEEL:

Iemands oordeel wordt uitgevoerd in de periode waarin hij de gelegenheid heeft tot behoud. Te beginnen vanaf het moment dat God iemands verstand opent om Zijn manier van leven te begrijpen, strekt het oordeel zich uit tot het einde van zijn leven en de consequenties ervan zijn eeuwig. God kijkt naar het hart, oordeelt genadiglijk op iemands houding, zijn kennis van God en Zijn weg, zijn toepassing van wat hij begrijpt en zijn persoonlijke relatie met de Vader en de Zoon. Door dit oordeel stelt God vast wie deel zal uitmaken van Zijn gezin. De grote meerderheid van de mensheid zal de gift van eeuwig leven ontvangen, slechts de enkelen die opzettelijk en doelbewust Gods behoud verwerpen, zullen dat niet ontvangen. De oordelen worden verdeeld in drie perioden: van Adam tot Christus' wederkomst, de duizendjarige heerschappij van Jezus Christus en een periode volgend op het Millennium wanneer allen die geen gelegenheid hebben gehad tot behoud, tot fysiek leven opgewekt zullen worden.

Hebreeën 6:2; 1 Samuël 16:7; Hebreeën 9:27; 10:26-27; 1 Petrus 4:17; Romeinen 2:16; Handelingen 10:42; Johannes 5:26-30; Romeinen 14:10-12; 2 Corinthiërs 5:10; Mattheüs 11:20-24; 12:41-42; Ezechiël 37:12-14; Openbaring 20:5-6, 11-14.

OP WEG NAAR VOLMAAKTHEID:

Het is Gods bedoeling, dat bekering een groeiproces is met als doel of bestemming te worden als Christus. Het proces omvat het zich overgeven aan God om door Zijn Geest te worden geleid, om af te komen van materialisme, zelfgerichtheid, slechte karaktergewoonten en slechte houdingen. In plaats daarvan verlangt God groei in de vrucht van de Geest, in het bijzonder in liefde tot God en liefde tot de gemeente. Deze doctrine omvat het merendeel van het bijbelse onderwijs, de correctie, de aansporing en de vermaning betreffende het menselijk gedrag.

Hebreeën 6:1; 5:10-12; Mattheüs 5:48; Hebreeën 2:10; 5:9; 13:21; Jacobus 1:4; 2 Corinthiërs 13:9; 1 Petrus 2:2; 2 Petrus 3:18; Efeziërs 4:7-15.

SABBAT:

De sabbat is een regelmatig terugkerende heilige dag. Deze dag onderhouden is van fundamenteel belang voor de relatie van een christen met God. Toen God bij de schepping op de zevende dag rustte, plaatste Hij deze dag apart; Hij bevestigde deze opnieuw aan Israël in de woestijn, toen Hij het als vierde gebod opnam in de Tien Geboden, in de sectie die Jezus samenvatte als hoe God lief te hebben. Afgodendienst en het overtreden van de sabbat waren grotendeels verantwoordelijk voor de val van Israël. Jezus, de Heer van de sabbat, onderwees duidelijk dat de sabbat voor de mens is gemaakt. Hij en Zijn apostelen onderhielden die dag en het gebod is nergens in het Nieuwe Testament ingetrokken, noch door een gebod, noch door een voorbeeld. De profeten laten zien dat de sabbat zal worden gehouden na Christus' wederkomst.

Genesis 2:1-3; 26:1-5; Exodus 16:4-30; 20:8-11; 31:13; Leviticus 23:1-3; Deuteronomium 5:12-15; Mattheüs 22:37-40; Ezechiël 20:12-16, 20, 24; Marcus 2:27-28; Lucas 4:16; Handelingen 17:2; 18:4, 11; Hebreeën 4:4-10; Jesaja 58:13-14; 66:22-23; Ezechiël 45:17; 47:3-4, 12.

JAARLIJKSE FEESTEN:

God stelde naast de wekelijkse sabbat ook zeven jaarlijkse heilige dagen in en Hij beval Zijn volk deze te onderhouden als heilige samenkomsten. Zowel Zijn verbondsvolk Israël als het nieuwtestamentische Israël van God, de kerk, onderhielden ze. Jezus en Zijn apostelen hielden ze en er is geprofeteerd dat ze na Christus' wederkomst gehouden zullen worden. De heilige dagen zijn sabbatten, maar kunnen op elke dag van de week vallen. Als er één op de wekelijkse sabbat valt, heeft de heilige dag voorrang. Elk feest heeft een speciale betekenis en beeldt een belangrijke stap uit in Gods plan met de mens; het onderwijs op die dag concentreert zich op de betekenis van die dag binnen Gods doel. De feesten en heilige dagen zijn: Pascha, een feest maar geen heilige dag; de zeven dagen van Ongezuurde Broden, met de eerste en laatste dag als heilige dag; Pinksteren; Trompettenfeest; Verzoendag; het zeven dagen durende Loofhuttenfeest, met de eerste dag als heilige dag; en de Laatste Grote Dag.

Exodus 12:1-17; 23:14-17; Leviticus 23:4-44; Mattheüs 26:17-18; Johannes 7:1-39; 13:1-17; Handelingen 2:1; 18:21; 20:16; 1 Corinthiërs 5:7-8; 16:8; Ezechiël 45:17-25; Zacharia 14:16-19.

GENEZING:

Goddelijke genezing, gebaseerd op Zijn belofte tot genezing, is een handeling van genade door God. Ofschoon God Zelf het moment van genezing bepaalt, is Zijn tussenkomst ten gunste van iemand afhankelijk van bepaalde condities: Vertrouwen in Zijn belofte en macht te doen wat Hij heeft belooft op het moment dat Hij daarvoor bepaalt. Geloof in het offer van Jezus Christus, dat in de Pascha-ceremonie wordt vertegenwoordigt door het gebroken brood, een symbool van Zijn gebroken lichaam, en de wijn, een symbool van Zijn vergoten bloed. Berouw, waar nodig, over de zonden die mede de oorzaak kunnen zijn van het gezondheidsprobleem. Begrip dat, omdat God ons liefheeft en alle dingen weet, genezing in dit leven alleen zal worden gegeven als dat in het belang is van Gods doel. De grote geloofshelden zijn gestorven, maar ze zullen worden genezen bij de opstanding als ze een geestelijk, onsterfelijk lichaam zullen krijgen, dat niet meer kan doodgaan.

Exodus 15:26; Psalm 103:2-3; Mattheüs 9:27-30; 1 Petrus 2:24; 1 Corinthiërs 11:23-30; Mattheüs 8:16-17; Jesaja 53:4-5; Marcus 16:15-18; Jacobus 5:14-16; Hebreeën 9:27; 11:13-16.

TIENDEN EN OFFERS:

De aarde en al haar hulpbronnen zijn van God, maar Hij staat ons genadig toe ze te gebruiken. Wegens wat Hij ons heeft gegeven, staan we financieel bij Hem in de schuld. Middels het systeem van tienden en offers voldoen we aan die verantwoordelijkheid. Het Oude Testament stelt het aan de orde als een reeds ingevoerde en toegepaste praktijk. Later werd het gecodificeerd binnen Gods wet, die in de woestijn aan Israël werd gegeven, en het werd tot aan de verwoesting van de tempel door de Levieten uitgevoerd. Door de Levieten ernstig op hun verantwoordelijkheden aan te spreken, bevestigt Jezus deze praktijk. Door de apostel Paulus bevestigde de nieuwtestamentische kerk, dat de dienaren en het werk van de kerk financieel ondersteund moeten worden door de individuele leden van het lichaam. God veranderde het tiendensysteem dat Hij reeds voor Abraham instelde, niet. Hij veranderde alleen maar de uitvoering door de dienaren van de nieuwtestamentische kerk. Het geven van tienden en offers is een handeling van verering van God. Tienden geven is het geven van een door God vastgesteld percentage van iemands inkomen. Offers worden gegeven naarmate iemand afweegt dat te kunnen doen. De kerk dwingt het tienden geven niet af en houdt er ook geen toezicht op, maar onderwijst de verplichting die ieder heeft om God te eren met zijn vermogen en de eerstelingen van al zijn inkomen.

Genesis 1:26-27; Psalm 24:1; 104:24; Deuteronomium 8:18; 1 Corinthiërs 10:25-28; Mattheüs 6:19-21; Genesis 14:18-20; Leviticus 27:30; Numeri 18:24; Deuteronomium 14:22-28; 16:16-17; Mattheüs 23:23; Lucas 16:10-13; 21:1-4; 2 Corinthiërs 9:6-7; Hebreeën 7:1-10; 2 Corinthiërs 3:3-7; Handelingen 5:1-5; 4:34-35; 1 Corinthiërs 9:1-14; Maleachi 3:8-12; Spreuken 3:9-10.

IDENTITEIT VAN ISRAËL

Gods onvoorwaardelijke belofte aan Abraham, bevestigd door Jezus Christus, had betrekking op zowel genade als ras: geestelijk behoud en eeuwig leven door genade door Jezus Christus, en nationale grootheid en welvaart voor de nakomelingen van Abraham. Zijn nakomelingen, het nageslacht van Jakob (Israël), zijn in deze laatste dagen uitgegroeid tot grote naties. God beloofde David dat zijn troon voor altijd zou bestaan en dat Christus bij Zijn wederkomst op die troon zou gaan zitten. Daar deze troon zonder onderbreking op aarde moet bestaan, moet er onder alle moderne naties een troon zijn die beantwoord aan al Gods beloften; de enige bestaande troon die hieraan voldoet, bevindt zich in Groot-Brittannië. De twaalf geslachten van het oude Israël zijn heden verstrooid over noordwest Europa, de staat Israël en de Engels sprekende volken van Amerika en het Britse Gemenebest. Jozef en Juda zijn historisch altijd de dominante stammen geweest. Alhoewel kennis over Israëls identiteit niet essentieel is voor behoud, geeft deze desondanks een veel beter begrip van bijbelse profetie. Op geen enkele manier impliceert het een superioriteit op basis van ras, integendeel het geeft een grotere verantwoordelijkheid.

Genesis 12:1-3; 13:14-16; 17:2-8; 24:60; 25:29-34; 26:2-5, 24; Romeinen 4:13; Genesis 27:27-29; 35:9-13, 23-26; 48:1-22; 49:1-33; Deuteronomium 33:1-29; 2 Koningen 17:18-24; 2 Samuël 7:8-16; Psalm 89:19-37; Jeremia 33:14-26; 1 Kronieken 5:2; Deuteronomium 7:6-11; Lucas 12:48; Romeinen 11:1-29.

© 1993 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)