Wees bereid uw God te ontmoeten! (Het boek Amos)

Door John W. Ritenbaugh
1995

"Het teken aan de wand" is een cliché dat een situatie beschrijft waar alles wijst op een op handen zijnde gebeurtenis die de climax is van de dan gaande ontwikkelingen. Het gezegde vond zijn oorsprong toen God het Babylonische Rijk oordeelde en tot de conclusie kwam dat het tekortschoot (Daniël 5). Babylon viel diezelfde nacht! Al zullen onze naties waarschijnlijk niet deze nacht vallen, toch bestaat er geen twijfel over dat we geoordeeld worden — en het vooruitzicht is niet best.

Sommigen denken dat we een tijd in de geschiedenis hebben bereikt die correspondeert met de periode vlak voor de zondvloed. God legde de omstandigheden vast die heersten in de tijd dat Noach de ark bouwde. "Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was" (Genesis 6:5). Wat een schokkende gedachte! Welke gevaren en verdrukking moeten er aan alle kanten op de loer hebben gelegen!

Toch voorspelt Jezus in een profetie betreffende de eindtijd — de tijd waarin we nu leven: "Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Mattheüs 24:37). In een grotere, algemenere context bedoelde Jezus dat ondanks de gevaarlijke, onheilspellende gebeurtenissen die aan alle kanten om hen heen plaatsvinden, de mensen hun normale gang zullen gaan zonder serieus aandacht te schenken aan de betekenis van die gebeurtenissen (vers 38-39). Ze zullen niet de tijd ervoor uittrekken zich af te vragen of die cataclysmische gebeurtenissen hen persoonlijk zullen gaan raken.

Hoe staat het met u? Zelfs al leven we in kritieke tijden, we worden toch gemakkelijk afgeleid van hun belang door onze hoge levensstandaard en gerieflijke toegang tot praktisch alles wat we verlangen. De naties van West-Europa, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten wentelen zich voor het grootste deel in een nooit geëvenaarde technologische luxe. Ons leven wordt — tot groot geestelijk nadeel voor ons — geheel bepaald door onze bezittingen en ons pogen het hoofd economisch boven water te houden.

Maar we moeten dit niet langer toestaan! De tijd en profetie gaan onverbiddelijk door. Het boek Amos legt een bijna exact parallelverslag vast van wat er in onze tijd gebeurt. Het stelt de sociale, politieke, economische, militaire en religieuze omstandigheden en houdingen te boek die gangbaar waren in het oude Israël van omstreeks 760 v.Chr. Dit was zo'n veertig jaar voordat Assyrië het land binnenviel en de natie volledig verwoestte. Israëls nederlaag was zo ontzagwekkend dat voorzover het de wereld betreft, het volk vanuit de geschiedenis verdween! In deze tijd staan ze dan ook bekend als de tien verloren stammen van Israël.

Amos is geen opwekkend boek om te lezen. Het bevat niet de bemoedigende, verheven en hoop inspirerende profetieën van Jesaja. Nee, Amos heeft het over een somber noodlot waar bijna geen einde aan komt. Dit vertegenwoordigt een interessante tegenstelling met Israëls toenemende macht, rijkdom en invloed. Tijdens de dagen dat Amos optrad ervoer de natie een uitbarsting van welvaart die alleen maar in de tijd van Salomo groter was. Oppervlakkig bezien leek het erop dat Israëls welvaart duidde op Gods behagen; maar Amos' woorden bewijzen zonder enige twijfel dat God in het geheel niet werd behaagd! Hij was dodelijk serieus! Als het volk zich niet zou bekeren, zouden ze ten ondergang gedoemd zijn!

De Israëlieten bekeerden zich niet. Als gevolg daarvan kwamen ze in oorlog, kregen ze hongersnood, pest en ballingschap te verduren. Tienduizenden stierven. Zij leerden op de harde manier dat God precies bedoelt wat Hij door Zijn profeten zegt (Amos 3:7).

Al beschrijft Amos wat er letterlijk gebeurde in het oude Israël, toch bedoelde God de boodschap voor ons, de fysieke en/of geestelijke nakomelingen van Israël. Het werd geschreven om ons tot actie aan te sporen als we zien dat de tijden erop wijzen dat Jezus Christus spoedig zal wederkeren.

Amos laat duidelijk zien dat onze naties hetzelfde pad naar vernietiging volgen als het oude Israël. Er is nog hoop dat we ons zullen bekeren en de wraak van God vermijden, maar met het voortschrijden van de tijd wordt dat steeds onwaarschijnlijker. We moeten veel lessen leren en het schijnt dat we vastbesloten zijn deze op de harde manier te leren.

Een van onze belangrijkste problemen is dat we ons alleen maar op onszelf richten en op de dingen die we doen. We oordelen iemand op basis van hoeveel rijkdom hij tijdens zijn leven kan verzamelen. Dat is een verkeerde maatstaf. Zelfs de wereld begrijpt dat geld en bezit weinig tevredenheid geven en toch gaan we door om dat soort "succes" na te jagen, alsof dat alles is wat ertoe doet. Het is nooit de bedoeling geweest van de grote Schepper dat materialisme de basis zou zijn van een overvloedig leven.

Wij publiceren dit boekje in de hoop dat de leden van de kerk tot actie worden aangezet om in geestelijk opzicht slim genoeg te zijn om te voorkomen dat ze verstrikt raken in deze verleidelijke, zelfgerichte valstrik. De basis van een werkelijk overvloedig leven is een Godgericht leven dat tot uiting komt in het onderhouden van de geboden, regelmatig bidden, bijbelstudie en zichzelf opofferen ten dienste van familierelaties en verantwoordelijkheden binnen de maatschappij. God zal welwillend kijken naar de christen die deze dingen doet.

We hopen ook dat anderen wakker zullen worden voor de dreigende crisis die over de moderne naties van Israël zal komen. Zij zijn Laodiceïsch — apathisch, in zichzelf opgaand, materialistisch en geestelijk in slaap (Openbaring 3:14-22) — en gaan hals over kop, zonder er acht op te geven, af op de geprofeteerde grote verdrukking en dag des Heren. Maar er is nog tijd om wakker te worden en tot God terug te keren.

We moeten niet toestaan dat deze aantrekkelijke en gemakkelijk op te nemen manier van leven de onze wordt. Om het te vermijden hebben we een steeds hechter wordende relatie met God nodig en moeten we onze houding en gedrag onder controle houden. God belooft in Openbaring 3:10 om voor Zijn trouwe, liefhebbende en enthousiaste kinderen te voorzien in een weg om te ontkomen. Daarom moeten we gehoor geven aan de dringende boodschap van Zijn dienaar Amos.

Inleiding

Is de wereld ooit getuige geweest van een tijd als deze tijd? Is er enige natie die zo'n welvaart en macht heeft gehad en die toch zo'n onrust, zulk onrecht en zulke verdrukking heeft ervaren als onze naties?

Het antwoord op deze vragen is zowel ja als nee. Ja, andere naties zijn op het wereldtoneel machtig geworden, al is geen enkel land zo spectaculair en tot zulke duizelingwekkende hoogten gekomen als Amerika en het Britse Gemenebest. Ja, andere naties zijn om dezelfde redenen van het toppunt van hun macht gevallen. Deze redenen zijn de geestelijke, morele en ethische onverschilligheid, onverantwoordelijkheid en apathie van het volk. Aan de andere kant is de val van een natie in de geschiedenis niet zo diep, zo snel, zo extreem, zo onnodig en zo duidelijk geprofeteerd in de bladzijden van de Bijbel.

De menselijke natuur is niet veranderd. De mens is nu niet zondiger dan in enige andere tijd in de menselijke geschiedenis. Met de opkomst van technologie heeft de mens echter het vermogen en de gelegenheid om vaker te zondigen, om gemakkelijker anderen in hun zonden te betrekken, en op die manier de vernietigende invloeden van zonde te vermenigvuldigen — alles tot een omvang die zijn weerga in de geschiedenis niet kent.

Er zijn geen naties die ooit minder verontschuldigingen hadden om zich te wentelen in een morele crisis dan de Angelsaksische, engelssprekende naties — de nakomelingen van het oude Israël. In ongeveer een generatie zijn we collectief gegaan van het verheffen van goddelijke moraliteit tot een klagen over een gebrek hieraan. Het ironische hiervan is dat individueel onze Handelingen zich op de grens van het amorele bevinden. Eens verheerlijkten en verdedigden we onze fundamentele wetten gebaseerd op Gods woord en het christendom was op basis van onze eigen voorkeur de nationale religie. Maar tijdens ons leven hebben we gezien dat zowel de principes waarop onze staat is gebaseerd als Gods woord meedogenloos werden aangevallen en vaak vergeten. Humanisme — het verheffen van de mens boven God — is onze nieuwe religie geworden ter vervanging van het christendom.

We hebben zelfs minder reden tot verontschuldiging omdat God in een verslag heeft voorzien van een natie die dezelfde richting uitging. Als we dat pad van moreel verval blijven volgen, zullen we op dezelfde bestemming uitkomen — nationale militaire nederlaag en gevangenschap.

Het boek Amos legt Gods beoordeling vast van Israëls interne conditie zo'n veertig jaar voor haar val. De profeet werd gezonden om het volk te waarschuwen en hen tot berouw en bekering te leiden, maar ze wilden niet veranderen. Als straf voor haar geestelijk en moreel verval, viel in 721 v.Chr. Assyrië Israël binnen en verpletterde hen in een vernietigende oorlog. De overlevende Israëlieten werden in ballingschap gevoerd, waarna zij schijnbaar van de aardbodem verdwenen. Dit was Gods antwoord op hun zonde en rebellie!

Maar Israël was Gods "uitverkoren volk"! Hij bevrijdde de Israëlieten van hun slavernij in Egypte (Exodus 12:40-42) en sloot op de berg Sinaï een verbond met hen, gaf hen daarbij Zijn wetten en maakte Zijn manier van leven bekend (Exodus 19-24). Na hun jaren van rondtrekken in de woestijn bracht Hij hen in het Beloofde Land (Jozua 11:16-23) en terwijl zij in aantal toenamen, zorgde Hij voor hen en beschermde hen (Psalm 147).

God was nooit zo dicht bij enige natie en zo bereid hen te helpen!

Hoe diep moet hun val zijn geweest! Wat deden de Israëlieten om zich Gods wraak op de hals te halen? Hoe zat Israël in elkaar toen God Zijn dienaar Amos zond met een loodzware boodschap van evaluatie? Hoe zag God de morele en ethische conditie van het volk?

Dit zijn belangrijke vragen, maar voor ons in Gods kerk zijn andere vragen zelfs van meer levensbelang. Was Amos' boodschap alleen maar op de oude natie Israël gericht? Of liet God dit verslag ook optekenen ten behoeve van ons? Zijn er parallellen tussen Israëls neergang en val waar de kerk van kan leren?

Bij de doop sluiten wij, evenals Israël, een verbond met God. In Galaten 6:16 wordt de kerk zelfs "het Israël van God" genoemd. De kerk bestaat in de wereld en haar leden moeten niet slechts functioneren, maar groeien temidden van de vrije val waarin de morele en geestelijke standaards zich bevinden. Laat Amos gebieden van neergang zien waaraan we onszelf kunnen spiegelen?

Moge Amos ons motiveren om ons tot God te wenden en Hem te behagen — en daardoor te ontkomen aan wat onze naties even zeker zal overkomen als het het oude Israël overkwam!

Amos' benadering

Amos schrijft voornamelijk tot of tegen het oude Israël, maar hij benadert zijn hoofdonderwerp als een roofvogel, hoog in de lucht rondcirkelend, zonder enige inspanning in de lucht zwevend op de thermiek op zoek naar prooi. De cirkel wordt kleiner en kleiner. Dan — opeens — duikt hij naar zijn slachtoffer.

Amos ontwierp zijn profetie op precies deze manier. Zoals een adelaar begint Amos in een ruime cirkel waarbij hij de naties hekelt die Israël omringen — Syrië, Filistea, Tyrus, Edom, Ammon, Moab en Juda — en dan duikt hij opeens neer op Israël. Hij wijdt iets meer dan één hoofdstuk aan deze andere naties, maar meer dan zeven aan Israël.

Syrië, Filistea en Tyrus maakten deel uit van Israëls politieke wereld, en Edom, Ammon en Moab waren etnisch neven. Juda was een broer. Let op Amos' methode. Hij gaat van buren naar familieleden en valt uiteindelijk Israël in eigen huis aan, het directe gezin.

De profeet weet Gods boodschap op meesterlijke en krachtige wijze over te brengen. Denkt u zich eens in dat Amos naar Betel en Samaria gaat, twee van Israëls belangrijkste steden, en om de aandacht van zijn gehoor te trekken valt hij de vijanden van Israël aan. Hij hekelt de zonden van de Syriërs, de Filistijnen, de inwoners van Tyrus, de Edomieten, Moabieten, Ammonieten en — ja ook — Israëls rivalen in het zuiden, de Joden! Al snel beginnen ze vurig in te stemmen met zijn uitspraken. "Geef ze ervan langs, Amos! Ik heb altijd al geweten dat die volken schoften waren!"

Maar ze zijn in een positie gebracht voor de genadeslag. Als zij hun vinger beschuldigend richten op hun buren, stort Amos zich, evenals de adelaar, met uitgespreide klauwen op hen neer vanwege hun eigen zonden.

Condities binnen Israël

Nadat de Assyriërs in 805 v.Chr. de Syriërs aanvielen en versloegen, stopten ze ineens met hun expansie in de richting van Palestina en gingen terug naar Assyrië. Deze abrupte terugtocht maakte onbedoeld het toneel gereed voor een toename van Israëls rijkdom en macht, die sinds de regering van Salomo voortdurend was afgenomen. Dankzij de afwezigheid van buitenlandse overheersing begon de welvaart en invloed van Israël toe te nemen.

Toen Jerobeam II in 793 v.Chr. koning over Israël werd, zette hij het bestuurlijke en religieuze systeem voort dat Jerobeam I (931 —910 v.Chr.) had ingesteld. Vanuit Gods perspectief was Jerobeam II een slechte koning, maar hij was een bekwaam bestuurder en militair leider (2 Koningen 14:23-29). Tijdens het machtsvacuüm dat ontstond door de terugtrekking van Assyrië, plaatste hij de lucratieve handelsroutes die door Israël liepen onder zijn controle. Deze routes, die van Babylon en Assyrië, van Egypte en Noord-Afrika, van Syrië en Klein-Azië kwamen, maakten Israël tot het kruispunt van handel en zaken.

Vanwege de buitensporige tol die Jerobeam II vroeg aan de handelaars om op deze door Israël beheerste handelsroutes te mogen reizen, begon de rijkdom en macht van de natie die van Salomo's koninkrijk twee eeuwen eerder te evenaren. Een soortgelijke toename in welvaart vond er onder Uzzia (2 Kronieken 26) in Juda plaats. In tegenstelling tot elk ander stel koningen herstelden Jerobeam en Uzzia Israëls grenzen tot wat zij waren onder David en Salomo. Geschiedkundige Leon J. Wood beschrijft deze periode in A Survey of Israel's History (p. 277) als "de bijna ongeëvenaarde welvaart onder de regering van Jerobeam".

Maar er waren problemen.

Rijk en trots Israël! De naties zongen Israëls lof en gingen vriendschappelijke betrekkingen met haar aan. Als geheel werden de mensen goed gevoed, goed gekleed, goed vermaakt. In politiek en militair opzicht was Israël machtig en invloedrijk, sloot verbonden met andere naties en breidde haar handel uit over de gehele bekende wereld. Terwijl de natie er aan de buitenkant heel indrukwekkend uitzag, tastte de kanker van morele degeneratie haar geestelijke kern aan.

Bijbels geschiedkundige Charles F. Pfeiffer schrijft:

Er ontwikkelde zich een rijke klasse van kooplieden, en zowel handelaren als vorsten bouwden grote huizen en gingen op in de gemakken die rijkdom mogelijk maakte. De armen deelden echter niet in de welvaart ... De maatschappij was verdeeld in de verdorven rijken en de verbitterde armen. (Old Testament History, p. 328)

Als Amos naar Israël kijkt, bevestigt hij het oordeel van Pfeiffer: "Dan zal Ik het winterhuis tegelijk met het zomerhuis neerslaan en de ivoren huizen zullen te gronde gaan, ja vele huizen zullen hun einde vinden, luidt het woord des Heren" (Amos 3:15). Sommige mensen bezaten zoveel rijkdom dat ze amper wisten wat ze ermee moesten doen! Deze weinige rijke Israëlieten waren zo rijk dat zij niet slechts één huis bezaten, maar twee, drie of vier! Verblind door hun rijkdom en denkend dat God hun welvaart had geschonken vanwege hun gerechtigheid, schonken ze geen aandacht aan de verschrikkelijke verdrukking die zij op de armen en zwakken uitoefenden. Om deze dingen belooft God hen te zullen straffen.

Amos berispt hen dus op scherpe wijze:

? ... zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de arme om een paar schoenen — zij die ernaar snakken, dat stof van de aarde zij op het hoofd der geringen, en die de weg der weerlozen ombuigen. (Amos 2:6-7)

? Hoort dit woord, gij koeien van Basan, die woont op de berg van Samaria, gij, die geringen verdrukt en armen vertrapt, die zegt tot uw heren: Breng aan, dat wij drinken! (Amos 4:1)

? [Wee] Gij, ... die nederligt op ivoren bedden, en omhangt op uw divans, die lammeren uit de kudde opeet en kalveren midden uit de stal, die joelt bij het geluid van de harp, die gelijk David muziekinstrumenten voor u uitdenkt, die uit plengvaten drinkt, vol wijn, en met de voortreffelijkste olie u zalft. (Amos 6:3-6)

Hij beschrijft een enorm rijk volk. Men zocht tegen elke prijs geld te verdienen, ongeacht wat de consequenties voor de "kleine man" zouden zijn. De minachtende woorden "koeien van Basan" beschrijven de rijke vrouwen die de controle uitoefenden over de Israëlitische families, die eisen stelden aan hun mannen om de levensstijl waaraan ze gewend waren in stand te houden. Verdorven mensen die een opzichtig leven leidden, ten volle genoten van een kostbaar materialisme, zichzelf verzadigden met wijn en het vette der aarde. Ze ontzegden zichzelf niets.

Maar hoe verkregen ze zo'n rijkdom? Bezit en legaal bedrog! Uitbuiten van de armen! Louche handelspraktijken! De machtigen en rijken gebruikten de wetten en de rechtbanken in hun eigen voordeel tegen de zwakken en armen die zich geen juridische bijstand konden veroorloven. De laatsten trokken altijd aan het kortste eind bij het rechtsgeding.

Zij haten in de poort wie opkomt voor het recht, en verafschuwen wie spreekt in oprechtheid. ... Want Ik weet, dat uw overtredingen vele zijn, en uw zonden talrijk; gij die de rechtvaardige benauwt, die losgeld aanneemt, en die de armen in de poort terzijde dringt. (Amos 5:10, 12)

De Israëlieten hielden hun openbare bijeenkomsten en rechtszittingen in de stadspoort waar iedereen getuige kon zijn van de gang van zaken. Als ze werden berispt voor de manier waarop ze leefden, voor hun sociale houding, voor hun immoraliteit, voor hun gebrek aan vroomheid, zouden de hedonistische Israëlieten typisch hun criticus in een kwaad daglicht stellen of aanvallen in plaats van zich te bekeren. Omkoperij, belemmering van het recht en aanvallen op wetsgetrouwe burgers kwamen algemeen voor.

De Israëlitische religie

Misschien waren hun handelspraktijken verdorven, maar de religieuze sector van de maatschappij hield beslist een hoge morele standaard in stand! Wat zag Amos toen hij het religieuze leven van het volk observeerde?

? Komt naar Betel en pleegt afval, naar Gilgal; vermeerdert de afval! Brengt des morgens uw slachtoffers, op de derde dag [of jaar] uw tienden! Ontsteekt een lofoffer van het gezuurde en roept vrijwillige offers uit; doet het horen! Zo wilt gij het immers gaarne, o Israëlieten, luidt het woord van de Here HERE. (Amos 4:4-5)

? Maar zoekt Betel toch niet, en komt niet naar Gilgal, en trekt niet naar Berseba. Want Gilgal wordt onherroepelijk weggevoerd en Betel gaat teniet. Zoekt de HERE en leeft. (Amos 5:5-6)

? Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten. Ja, als gij Mij brandoffers brengt, en uw spijsoffers, heb Ik daaraan geen welgevallen, en uw vredeoffer van mestkalveren wil Ik niet aanzien. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek. (Amos 5:21-24)

Vanwege hun relatie met Israëls verleden hadden Betel, Gilgal en Berseba voor de gewone Israëliet een veelbetekenende religieuze betekenis. Jerobeam I plaatste in Betel een gouden kalf (1 Koningen 12:25-31), daar die stad al sinds de dagen van Jakob religieuze associaties had (Genesis 28:10-22; 35:1-7). Gilgals betekenis ontsprong aan Israëls binnenkomst in Kanaän na haar veertig jaar in de woestijn en de besnijdenis van haar mannen aldaar (Jozua 5:1-12). Berseba had sterke connecties met Abraham, Isaak en Jakob, de voorvaders van de natie (Genesis 21:22-34; 22:19; 26:32-33; 28:10).

Zelfs op die manier mishaagde Israëls religie God om twee redenen. Ten eerste, de Israëlieten uit de dagen van Amos waren schuldig aan het navolgen van de zonde van Jerobeam I, waarin de dienst van de ware God werd gecombineerd met die van afgoden. God haat afgodendienst (Exodus 20:1-6). Blijkbaar kwamen de mensen in drommen naar deze heidense tempels en brachten daar nauwgezet hun offeranden. In al hun religieuze ijver hadden ze hun ogen echter niet op de God des hemels gevestigd. Hun religieuze praktijk werd niet — zoals zij beweerden — uitgevoerd in gehoorzaamheid aan God, maar was aan het denken van de mens ontsproten. In Zijn openlijke veroordelingen van hun religie zegt God hun dat hun eredienst hun geen goed zou doen, omdat de basis daarvan niet aan Hem was ontleend.

Ten tweede, hun religie was aangenaam voor henzelf. Vanwege hun zorgvuldig onderhouden van hun vorm van eredienst waren de Israëlieten tevreden met zichzelf, maar zij vergaten hun sociale verantwoordelijkheid. Zij lieten na hun naaste lief te hebben (Amos 8:4). Rituele, seksuele uitspattingen waren een normale zaak (Amos 2:7). Ondanks hun oprechtheid lieten ze alle goddelijke standaards en waarden vallen en minachtten ze autoriteit en wet (Amos 3:10).

Toepassing op onze tijd

Welke betekenis heeft Amos' profetie voor ons in deze tijd? Hoe diep zouden wij daarover moeten nadenken? Amos heeft het in even sterke mate tegen ons als hij het tegen het oude Israël had — hij zou net zo goed door de straten van Los Angeles of New York, Londen of Edinburgh, Sydney of Brisbane, Toronto of Montreal hebben kunnen lopen.

De aanklachten die hij tegen Israël naar voren brengt zijn aanklachten tegen zonde, en "zonde is een schandvlek der natiën" (Spreuken 14:34). Amos heeft het dus tegen iedere natie die gevangen zit in de vernietigende greep van moreel verval. Het kan zijn dat wat hij zegt niet van toepassing is op iedereen persoonlijk binnen deze naties, maar de principes zijn zeker van toepassing op deze samenlevingen in het algemeen.

Klaarblijkelijk richt hij zich op de problemen die hij met eigen ogen zag en spreekt hij zich uit tegen het kwaad in zijn eigen tijd. Maar als we slechts deze zienswijze accepteren, missen we het punt waar het om gaat. Om de bedoelde kracht van zijn boodschap te voelen, moeten we begrijpen dat deze ook gericht is tegen ons als individuen die leven in de naties van het moderne Israël. Evenals Amos leven wij in tijden waarin moraal en ethiek geheel de aftocht blazen en de consequenties daarvan hebben hun invloed op ons allemaal.

Toch is zelfs dit nog niet dicht genoeg bij. Al is wat Amos zegt zeker van toepassing op de naties van de wereld, toch zijn wij die "burgers zijn van een rijk in de hemelen" (Filippenzen 3:20), het eerste belangrijkste gehoor voor zijn boodschap. Amos spreekt — sterker nog, hij brult — tot Gods volk, Zijn kerk, de toekomstige bruid van Christus.

In de bijbelse betekenis is de kerk de voortzetting van het oudtestamentische Israël, wat we kunnen zien in de belofte van het Nieuwe Verbond in Jeremia 31:31: "Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal." Toen Jezus kwam en de kerk oprichtte, te beginnen met Zijn discipelen, liet Hij zien dat het Nieuwe Verbond met Zijn discipelen, de kerk van God, werd gesloten: "Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis" (1 Corinthiërs 11:25).

Als deel uitmakend van de kerk van God, zijn we voorlopers van het verbond dat uiteindelijk ook met fysiek Israël zal worden gesloten. "Want wíj [de kerk] zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen" (Filippenzen 3:3). Als door de Geest verwekte kinderen van God zijn wij de ware geestelijke joden of Israëlieten (Johannes 4:22-24).

Wij zijn ook de kinderen der belofte (Galaten 4:28-29) en Abrahams zaad (Romeinen 9:6-8; Galaten 3:28-29). Vanuit de gehele mensheid zijn wij degenen die het meest bij Gods doel betrokken zijn. Wij zijn degenen die zich het meest bewust zijn van en zich het hardst inspannen voor het Koninkrijk van God. Vanwege deze ontzagwekkende roeping als Zijn volk van het Nieuwe Verbond liet God de Schriften schrijven ten voordele van ons: "Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden" (Romeinen 15:4).

Paulus schrijft ook : "Dit is hun [de Israëlieten] overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is" (1 Corinthiërs 10:11). Zoals we eerder zagen wordt de kerk specifiek aangeduid als "het Israël van God" (Galaten 6:16). God inspireerde het boek Amos zodat Zijn volk in de eindtijd, omgeven door materialisme en wereldlijke afleidingen die in de menselijke geschiedenis geen parallel hebben, niet het voorbeeld van Israël zou volgen.

In dit boekje zullen we kijken naar het voorbeeld van Israël, aangeven waar dit van toepassing is op onze naties, de kerk en individueel op ons. Amos' benadering is heel direct en moeilijk vers voor vers toe te lichten. In plaats daarvan hebben we gekozen voor een thematische benadering van deze heel essentiële waarschuwingsboodschap voor Gods volk. Met elkaar geven de volgende onderwerpen in Amos ons een volledig plaatje van de Israëlitische maatschappij, cultuur en religie, en laten ze zien hoe deze op ons van toepassing zijn:

? De verantwoordelijkheden van hen die een verbond met God sluiten.
? De eerlijkheid van Gods oordeel.
? De effecten van zonde op een natie.
? Het belang van ware religie en heiligheid.
? De kanker van zelfgenoegzaamheid en Laodiceanisme.
? De afschuwelijke straf voor zonde ondanks herhaalde waarschuwingen.
? De noodzaak van bekering en de belofte van Gods zegen

Het boek Amos is een bijtende berisping van een natie die God verworpen en vergeten heeft. Het is een stimulerende waarschuwing aan allen over de gevaren van afvalligheid, rebellie en zelfgenoegzaamheid. En we moeten nooit vergeten dat Amos tot ons spreekt, de kerk van God, het Israël van God! Hij waarschuwt ons op indringende wijze: "Wees bereid uw God te ontmoeten!" en laat ons zien op welke manier dat mogelijk is.

Luisteren wij?

De verantwoordelijkheid van het verbondsvolk

De basis van Gods beschuldiging tegen het volk van Israël en Zijn oordeel over hen is hun speciale relatie. "U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken" (Amos 3:2). Vanaf het moment dat Hij met hen begon te handelen, heeft God hun grotere verantwoordelijkheid vanwege hun kennis van Hem benadrukt (Deuteronomium 4:5-10).

Zoals gebruikt in Amos 3:2 kan kennen cognitief zijn, waarbij het denkproces betrokken wordt. Ook kan het relationeel zijn, duidend op ervaring met iemand anders. Het woord wordt in Genesis 4:1 (Statenvertaling) in de tweede betekenis gebruikt, waar staat: "De mens [be]kende Eva, zijn huisvrouw." Hij had een intieme, verzorgende relatie met haar. Dat geldt ook voor God. Uit alle naties op aarde was Hij slechts intiem met Israël, waarbij Hij op een heel persoonlijke manier over haar waakte en voor haar zorgde (Ezechiël 16:1-14). Israël was zo kostbaar voor Hem dat Hij haar "Zijn oogappel" noemde (Deuteronomium 32:10)!

Of ze het nu beseften of niet, toch ging het volk waar God zoveel om gaf, zijn roeping, zijn bijzondere status, minder waardevol vinden (Deuteronomium 7:6). Met het verstrijken van de tijd vervormden zij het tot een leerstelling van goddelijke voorkeur. We kunnen dit zien in twee historische voorbeelden:

In de dagen van Jeremia (ca. 600 v.Chr.) waren de Joden heel trots op de nabijheid van de tempel en voelden ze zich heel veilig doordat zij er vlakbij woonden (Jeremia 7:1-15).

Eeuwen later tijdens het leven van Jezus geloofden de Joden dat zij door hun fysieke afstamming van Abraham Gods gunst verwierven (Johannes 8:31-40).

In de praktijk veroorzaakte deze houding dat de Israëlieten leefden alsof ze geen rekenschap hoefden te geven van hun individuele handelingen.

"Zijn wij niet Gods volk?" zeiden ze ter rechtvaardiging. Werden ze daarom niet beschermd tegen hun vijanden en kregen ze daarom niet zonder al te veel inspanning grote welvaart? God had eerder voor hen gevochten en zij veronderstelden dat Hij dat altijd zou doen. Zij vergaten dat privileges samengaan met verantwoordelijkheden. Zij vergaten dat God niet doet aan aanziens des persoons (Handelingen 10:34; Jacobus 2:1-13). Hij zou hen tegen dezelfde rechtvaardige standaards oordelen als waarop Hij in Amos 1:3-2:3 de heidenen aanklaagt.

Al waren ze schuldig aan soortgelijke dingen als de heidenen, toch zouden zij meer verantwoordelijk worden gehouden vanwege hun speciale relatie met God. In feite moesten ze als het verbondsvolk met de verantwoordelijkheid om een licht voor naties om hen heen te zijn, zelfs een strikter oordeel verwachten dan hun buren aan wie de eeuwige God Zich nooit had geopenbaard.

Een intieme relatie

Eerst richt Amos zich apart tot Juda en Israël. Amos 3:1-2 koppelt hen echter aan elkaar door "de gehele familie" van ongerechtigheid te beschuldigen. Israël, de naam die in Genesis 32:28 aan Jakob werd gegeven, slaat op alle volken die bij de berg Sinaï een verbond met God sloten (Exodus 24:1-8). Israël en Juda worden vaak allebei bedoeld met de ene naam Israël.

Maar Israël is meer dan de naam van een natie. Het is een codenaam voor Gods ware kerk, die door Paulus "het Israël van God" (Galaten 6:16) werd genoemd. De kerk is ook een groep bestaande uit mensen die een verbond met God hebben gesloten. Al vonden de feitelijke gebeurtenissen die Amos beschreef in het fysieke Israël plaats, toch is de waarschuwing ook heel sterk gericht op de kerk in deze tijd.

Evenals met de Israëlieten heeft God een intieme relatie met hen die Hij geestelijk heeft verwekt. We kunnen zien dat Hij een intieme relatie had met de aartsvaders, zoals Abraham en Jakob, en met de profeten — met Jeremia in feite zelfs voordat hij geboren was! "Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld" (Jeremia 1:5).

Dit is niet metaforisch bedoeld. God verlangt een intieme familierelatie met elk van ons. Hij wil "onze Vader in de hemelen" (Mattheüs 6:9) worden genoemd. Zijn eerstgeboren Zoon is onze oudste Broer (Mattheüs 12:50) en wij zijn Gods zonen en dochters (2 Corinthiërs 6:18). Zo hecht de relaties binnen een gezin zijn, zo hecht zijn de relaties tussen God en Zijn verwekte kinderen.

Wat kunnen wij, als Zijn uitverkoren volk, dus leren van het voorbeeld van het oude Israël? Het hebben van privileges kan gevaarlijk zijn. De boodschap van Amos is dat hoe dichter wij bij God zijn, hoe nauwkeuriger het onderzoek en hoe strenger het oordeel. Het oordeel begint bij hen die een verbond met Hem sluiten. "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?" (1 Petrus 4:17). Ezechiël 9:3-6 en Openbaring 11:1-2 illustreren dit principe. Als het volk en de tempel van God worden wij als eerste en het meest nauwgezet geëvalueerd om te bepalen of we voldoen aan de standaards van gerechtigheid die God aan ons heeft geopenbaard.

De Openbaring weigeren

Anders dan het oordeel over de heidenen (Amos 1:3-2:3) klaagt Amos Juda aan voor het overtreden van Gods geboden, in het bijzonder liegen.

Zo zegt de HERE: Om drie overtredingen van Juda, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de wet des HEREN verworpen en zijn inzettingen niet onderhouden hebben, maar hun leugengoden, die hun vaderen reeds achternaliepen, hen hebben verleid, zal Ik vuur werpen in Juda, zodat het Jeruzalems burchten verteert. (Amos 2:4-5)

Juda's minachting voor Gods wet en Israëls opdracht aan de profeten om niet langer Zijn woord te verkondigen (Amos 2:12) weerspiegelen precies dezelfde morele conditie: Beide verwierpen de stem van God zoals die via de profeten tot hen sprak. Wat God bedoeld had als hun privilege door Openbaring van Zichzelf en Zijn wet, werd de bron van de gevaren dat hen nu bedreigden. Het is een andere manier van zeggen: "Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden" (Lucas 12:48).

Het moderne Israël — de Angelsaksische naties van Amerika, het Britse Gemenebest en noordwest Europa — verwerpt in deze tijd Gods manier van leven, evenals het oude Israël dat deed. Het geestelijke Israël, Gods kerk, strijdt tegen deze trotse houding. God zal geen enkel excuus aanvaarden om niet op Zijn manier te leven (Hebreeën 6:4-6), omdat als Hij die openbaart, Hij ook in de kracht voorziet om ernaar te leven.

God doet de belofte dat Hij ons nooit een beproeving zal geven die te zwaar is en dat Hij altijd voor uitkomst zal zorgen (1 Corinthiërs 10:13). Hij wil zien of we Zijn waarheid liefhebben en Zijn instructies zullen opvolgen. En als we hulp nodig hebben om datgene te doen wat Hij ons als Zijn weg heeft geopenbaard, zal Hij ons de bekwaamheden geven om die weg te gaan (2 Corinthiërs 3:4-6).

Zoals God de Amorieten en de Egyptenaren vernietigde om Israël te verlossen (Amos 2:9-10), zo zal Hij ook ons verlossen ongeacht dat alles erop duidt dat we zullen verliezen. We kunnen de menselijke natuur, Satan en deze boze wereld niet zonder de hulp van God overwinnen. We moeten God zoeken en vragen om de gaven die we nodig hebben om te overwinnen, te groeien en de vrucht voort te brengen van een goddelijke manier van leven (Lucas 11:9-13; Jacobus 1:5).

Een persoonlijke waarschuwing

Het verachten van de waarheid is een innerlijke houding die zich uiterlijk openbaart in immoraliteit, en dit is de conditie die God bij het oude Israël vond. Het volk was zelfgenoegzaam geworden over Zijn Openbaring aan hen. Zij zochten ijverig naar kennis — zelfs religieuze kennis — maar ze hadden de waarheid niet echt lief (Romeinen 10:2-3). Dit weerspiegelde zich in hun immoraliteit. Als zij Gods waarheid hadden liefgehad, dan hadden zij ernaar geleefd en zou God geen reden tot een veroordeling hebben gehad.

In dit informatietijdperk verzamelen we bergen gegevens — betreffende ethiek, oplossingen voor sociale problemen en dergelijke — toch gaat onze moraal achteruit. Intelligente, goed opgeleide personen hebben veel Bijbelcommentaren geschreven, maar ze weigeren toch de sabbat of de Heilige Dagen te houden. Zij schrijven dat Kerstmis en Pasen een heidense oorsprong hebben en in de Bijbel niet worden geboden, maar ze onderhouden ze toch. Zij hebben Gods waarheid niet genoeg lief om te veranderen. Dit was Israëls probleem en het zou ook het onze kunnen worden als we niet voorzichtig zijn.

Omdat God ons Zijn waarheid heeft geopenbaard, heeft iedere individuele christen een verantwoordelijkheid om zich daaraan aan te passen en te groeien. Er is een grotere verscheidenheid aan afleidingen dan ooit te voren in de geschiedenis van de mens, afleidingen die wedijveren om onze tijd en aandacht. Als we niet uiterst voorzichtig zijn en als we ons gevoel van urgentie verliezen, zullen we stapje voor stapje ons begrip van wat waar en wat niet waar is gaan verliezen. Ons vermogen om te onderscheiden tussen goed en kwaad zal vervagen. Wij moeten ervoor zorgen dat God, Zijn woord en Zijn weg altijd op de eerste plaats staan in ons leven.

Christus zei dat als we in de waarheid blijven, de waarheid ons op zijn beurt vrij zal maken (Johannes 8:31-36). Als we naar de waarheid leven, zal de geopenbaarde waarheid van God ons beschermen tegen een terugvallen in de slavernij van de zonde. Maar eerst moeten we de waarheid die ons gegeven is, liefhebben. Menselijk gezien jagen we na wat we liefhebben. God wil een vader-kind of leraar-student relatie met ons. Als we de waarheid niet liefhebben en als we de waarheid en God Zelf niet najagen, zullen we onze relatie met Hem ernstig ondermijnen, en Hij zou onze houding kunnen interpreteren als een verachten van Zijn waarheid.

Liefde voor de waarheid komt van God door Zijn Heilige Geest en moet door onze reactie daarop worden gevoed. We moeten de waarheid niet alleen leren, maar ook in ons leven toepassen. Dit zal het verschil uitmaken tussen behouden worden en omkomen (2 Thessalonicenzen 2:9-12).

God verwerpen

Wet in Amos 2:4 verwijst naar onderricht, niet naar wetgeving en wetshandhaving. Dit woord wet is afkomstig van een werkwoord dat "werpen" betekent. De wortel ervan beschrijft het werpen van het lot of van dobbelstenen. Als het lot of dobbelstenen werden geworpen, openbaarde God Zijn wil in de manier waarop zij neerkwamen (Spreuken 16:33; zie ook Leviticus 16:8-10; Handelingen 1:26). Bij tijden werd het lot gegooid in het bereiken van een oordeel in criminele rechtszaken om zich van Gods wil te vergewissen (Jozua 7:13-25). Het werpen van het lot schiep dus een juridisch precedent, dat ertoe diende om instructie te geven in andere zaken waarin hetzelfde fundamentele principe van gedrag betrokken was. Gods wil — Zijn wet — werd aan Zijn volk onderwezen door het werpen van het lot.

Dit onderwijsproces impliceert een leraar-student relatie. Toen de Israëlieten Gods instructie vervat in Zijn wet verwierpen, verwierpen zij ook de Instructeur. Hun relatie met Hem ging snel achteruit.

Inzettingen betekent "uitsnijden of in steen beitelen", waardoor de duurzaamheid en de onveranderlijkheid ervan wordt aangegeven in tegenstelling tot tijdelijke en veranderlijke leugens. De wet komt van een onveranderlijke, rechtvaardige en reine God in tegenstelling tot de wispelturige en onrechtvaardige mens.

Juda's verachting van Gods wet en Openbaring van Hemzelf was een interne zaak, een zaak van het hart (Psalm 78:37; 81:11-12; Jeremia 5:23). De persoonlijke en maatschappelijke achteruitgang die Amos beschrijft duiden erop dat het volk de waarheid verworpen had. Zo staat het ook met ons: God wil ons hart veranderen, zodat Hij ons handelen kan veranderen en ons leven een andere wending kan geven.

Op elk gebied van het leven had Israël de waarheid van God verdraaid om tegemoet te komen aan de ideeën van de mens. Als het erop aankwam hielden ze meer van leugens dan van de Openbaring van God (2 Thessalonicenzen 2:11-12). Amos zegt dus dat Gods volk Zijn wet verachtte. Zij maakten de fout steeds minder waarde te hechten aan hun roeping en die als de normaalste zaak van de wereld te beschouwen. Door te geloven dat ze Gods uitverkorenen waren, dachten ze dat ze onherroepelijk behouden waren. Met deze houding was het slechts een kwestie van tijd voordat zich een geestelijke en morele zelfgenoegzaamheid begon te openbaren. Als Gods kerk kunnen we ons niet toestaan in deze houding terecht te komen, omdat ook wij daardoor tot immoraliteit zouden vervallen.

Als dat gebeurt moet God een oordeel vellen omdat Zijn rechtvaardigheid voor iedereen hetzelfde is (Colossenzen 3:25; 1 Petrus 1:17). Gods wetten besturen de mensen zowel van buitenaf als van binnenuit. Het doet er niet toe wat Israël of de kerk duidelijk anders maakt, Zijn oordeel is altijd rechtvaardig. Toen God Israëls immoraliteit middels Zijn profeten niet kon veranderen, moest Hij hen straffen. Zo zal Hij ook een afvallige kerk straffen.

Het is gemakkelijk in te zien waarom dit boek is gericht op de kerk van de eindtijd. De volkeren van Amerika en het Britse Gemenebest verkeren reeds in de morele en geestelijke conditie van het volk van Israël en Juda in de tijd van Amos. Leden van Gods kerk komen uit zo'n wereld. Evenals Israëls bevoorrechte positie tot een vloek werd, zo zal dat ook gebeuren met de christen die uiteindelijk zijn roeping verwerpt (Hebreeën 6:4).

Gods vonnis

Zie, Ik maak, dat het onder u zal kraken, gelijk een wagen kraakt, van garven overvol. Dan zal aan de snelle de vlucht afgesneden zijn, de sterke zal zijn kracht niet kunnen ontplooien en de krijgsheld zal er het leven niet afbrengen. Ook de boogschutter zal niet standhouden en de snelvoetige zal niet ontkomen en de ruiter zal er het leven niet afbrengen. Ja, de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt wegvluchten, luidt het woord des HEREN. (Amos 2:13-16)

De bewoordingen van vers 13 kunnen op twee manieren worden uitgelegd. De eerste is dat God in boosheid weigert Zijn volk nog langer te dragen, zoals iemand een last kan neerzetten die te zwaar is. De tweede beeldt een zwaar beladen kar uit met een gebroken wiel dat diepe voren ploegt in de weg en de berijders ervan in de sloot werpt. De context impliceert dat de zware vracht de verpletterende last is van de zonden die Israël belemmeren om op "de smalle en enge weg" (Mattheüs 7:14) te blijven.

Deze tweede betekenis schijnt het beste te passen als Hij verdergaat met het aankondigen van de vernietiging van Israël. Israël was aan het eind gekomen van haar grootste periode van voorspoed sinds de tijd van Salomo. De natie was rijk, machtig en goed bewapend, trots op haar macht, bekwaamheden, wijsheid, rijkdom, strategische voordelen en moed. Wie kon zich tegen Israël verzetten? Maar God schreeuwt de waarschuwing uit dat al de natuurlijke bekwaamheden van de natie (Amos 2:14), verworven vaardigheden (vers 15) en bijzondere kwaliteiten (vers 16) haar niet zouden helpen.

De mens ziet de kracht van een natie in haar rijkdom, bevolking, bewapening, technologie en kennis. Maar waar kijkt God naar? "Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën" (Spreuken 14:34). De Bijbel openbaart dat de oorzaak van de opkomst en ondergang van naties moreel en geestelijk is. Zoals Amos laat zien kan geen enkele natie vertrouwen op haar kracht, macht en rijkdom om zich te behoeden voor de vernietigende effecten van moreel verval. Morele, ethische en geestelijke problemen kunnen niet worden opgelost door geld, kracht van wapenen, "Star Wars" projecten, sociale programma's, intelligentie of menselijke welwillendheid.

Daar Israël haar bevoorrechte status verspeeld had, beloofde God haar te vernietigen zoals Hij de Amorieten en de Egyptenaren had vernietigd (Amos 2:9-10; 4:10, 12). Het volk van Israël was zover gegaan dat God geen bekering van hen verwachtte. Evenals Prediker 3 laat Amos zien dat er een tijd is van kansen en een tijd dat de kansen voorbij zijn. Blijkbaar was Israëls kans om zich te bekeren voorbijgegaan. Het was te laat!

Zoals Hij in het verleden hun oorlogen voor hen had gevoerd, zo zou God nu tegen hen vechten. Hoe groot hun moed of deskundigheid ook was, niets zou in hun voordeel uitwerken. De dingen die Israël vroeger kracht in de strijd hadden gegeven, zouden zich nu tegen hen keren.

Een glimpje hoop

Let erop dat er nog steeds een glimpje hoop bestaat:

En over u een zwaard brengen, dat wraak neemt over het verbond; wanneer gij dan in uw steden bijeenkomt, dan zal Ik de pest onder u zenden en gij zult aan de vijand overgeleverd worden. ... Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE. (Leviticus 26:25, 45)

God zal Zijn verbond gedenken omdat Hij een naijverig God is (Exodus 20:5). Omdat Hij niet wil dat Zijn naam op enigerlei manier ontheiligd wordt, houdt Hij zich in sterke mate bezig met hen die Zijn naam dragen (Exodus 20:7). Het verbondsvolk, Israël, had Zijn naam ontheiligd door hun gedrag onder de andere naties. Omdat God heilig en rechtvaardig is, zal Hij wat Hij in het eerste hoofdstuk van Amos verkondigde tegen de heidenen te doen, ook tegen Israël doen — een volk dat zijn verbond met Hem had verzaakt.

Jesaja schrijft dat Jeruzalem, het symbool van alle stammen van Israël, dubbel zal ontvangen voor haar zonden vanwege haar bevoorrechte positie onder het verbond (Jesaja 40:2). God zal Israël straffen voor haar nalatigheid om te voldoen aan haar verantwoordelijkheden binnen het verbond.

Gods straf is echter nooit een doel op zichzelf en Hij straft ook niet in onbeheerste boosheid of frustratie. Hij straft veeleer op de beste manier en op de beste tijd om personen tot bekering te brengen. Hij heeft Zijn beloften aan Abraham, Isaak en Jakob niet vergeten, maar Hij zal hun nakomelingen corrigeren zodat Hij uiteindelijk Zijn volk kan behouden en hun de beloften kan geven. Het proces zal pijnlijk zijn maar ook effectief; Israël zal tot bekering komen (Romeinen 11:25-29).

Terugkijkend op de geschiedenis van het Britse Gemenebest en Amerika van de laatste tweehonderd jaar zien we twee naties die snel uitgroeien tot vooraanstaande naties en deze groei ging gepaard met ongeëvenaarde prestaties. De Britten vestigden een groot rijk dat niet in verhouding stond met de grootte van hun bevolking, binnenlandse rijkdom en aangeboren bekwaamheden. Door haar commerciële macht werden de Verenigde Staten de rijkste natie die ooit heeft bestaan. De Amerikaanse invloed ging daarna zelfs die van Groot-Brittannië te boven, waardoor Engels de universele taal werd voor zaken en politiek.

Duizenden academische, wetenschappelijke en technische doorbraken en uitvindingen zijn tot stand gekomen door Britse en Amerikaanse personen, ontdekkingen die de rest van de wereld in sterke mate beïnvloed hebben. Beide naties zijn door die macht en invloed gaan denken dat ze een onuitputtelijk reservoir hebben aan natuurlijke bekwaamheid en rijkdom. Ze voelen zich zelfs min of meer onoverwinnelijk.

Amos waarschuwt het oude Israël en haar moderne nakomelingen echter dat geen natie zo groot is dat ze zonder God kan standhouden. Hij doet naties ontstaan en doet ze ook weer verdwijnen (2 Kronieken 20:6; Daniël 4:17; Handelingen 17:26). Hun opkomst en neergang is grotendeels afhankelijk van Zijn doel met hen en hun belang binnen de profetie (bijvoorbeeld Jeremia 12:14-17; 25:15-32). Als hun moreel en ethisch fundament is vervallen, zal het natuurlijke proces dat sterke naties zwakkere zullen vervangen, plaatsvinden (Leviticus 18:28; 20:22). God gebruikt vaak dit proces om Zijn volk te straffen voor afvalligheid en immoraliteit.

Maar ook al straft God, er is altijd de hoop op bekering en herstel:

Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God. (Amos 9:13-15)

Het liefhebben en leven naar de waarheid van God staat centraal voor zowel straf als herstel. Dit is de verantwoordelijkheid van hen die een verbond met Hem hebben gemaakt, of dat nu het Oude of het Nieuwe Verbond is. Dat is ons deel van de overeenkomst — in feite een klein deel, maar toch een moeilijk deel dat gehouden moet worden (Mattheüs 7:13-14). Als we het niet houden moet God ons corrigeren.

Maar als we ons deel van de overeenkomst houden, zullen we de voordelen plukken die voortkomen uit Gods houden van Zijn deel. Hij belooft goede gezondheid (Exodus 15:26), voorspoed (Maleachi 3:8-12), kinderen (Psalm 127:3-5), zekerheid (Psalm 46) en veel andere zegeningen naast Zijn grootste gave, eeuwig leven in Zijn Koninkrijk (Johannes 17:1-3; Romeinen 6:23).

Amos, de mens

Zij die de Bijbel kritisch onderzoeken, zijn het er allemaal over eens dat Amos het boek schreef dat zijn naam draagt. Sommige onderzoekers denken dat enkele kleine details later door een editor zijn toegevoegd, maar weinigen twijfelen eraan dat een Joodse man met de naam Amos de auteur was.

De profeet wordt geïntroduceerd als komende van Tekoa, een kleine plaats ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in de woestijn van Juda. Daar hij niet afkomstig was van een grote, kosmopolitische stad zoals Jeruzalem of Samaria, had Amos, gevormd door zijn plattelandservaringen, een duidelijker perspectief op het kwaad dat hij zag toen hij door de steden van Israël trok. Terwijl de Israëlieten hun levensstijl als normaal accepteerden, herkende de profeet deze als een perversiteit en een walgelijk iets voor God. Amos betekent "lastdrager" en zijn boodschap tot Israël, één van voortgaand oordeel en beschuldiging, was inderdaad een zware last.

Vanwege het wantrouwen tussen de twee volken is het ironisch dat God een Jood zond om de Israëlieten te waarschuwen voor hun ophanden zijnde oordeel. God zond duidelijk de best beschikbare man om de klus uit te voeren, ook al was hij geen formeel opgeleide profeet. "Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon", legt hij uit, "maar ik ben veehouder en kweker van moerbeivijgen. Doch de HERE nam mij achter de schapen vandaan, en de HERE zeide tot mij: Ga heen, profeteer tegen mijn volk Israël" (Amos 7:14-15).

Amos was meer dan "slechts een herder". In Amos 1:1 duidt het Hebreeuwse woord noqed op een veehouder of een fokker van schapen of geiten (2 Koningen 3:4), al wordt het vaak als "herder" weergegeven. In Amos 7:14 verwijst "veehouder" (bowker) naar groot vee. God inspireerde twee verschillende woorden om te laten zien dat hij een fokker was van schapen (en misschien van vee), vee leverde aan anderen en misschien het ras ontwikkelde en verbeterde. Het kan zijn dat een deel van Amos' land ook werd benut als sycomoren-vijgenboomgaard. Zijn boerderij schijnt klein genoeg te zijn geweest om persoonlijk bij het werk betrokken te zijn, al schijnt het dat het hem goed genoeg ging om tijd vrij te maken om in Israël te prediken.

Te oordelen naar de taal en de stijl van het boek was Amos ook goed opgeleid. Geleerden beoordelen zijn taalgebruik als bijzonder expressief, levendig en krachtig. De profeet was beslist geen ongeletterde herder, hij was in tegendeel iemand van verfijning en hoofdzaken, zich bewust van voorbije gebeurtenissen en de huidige condities in Israël en Juda, evenals in de omringende naties.

Amos schreef in een heel belangrijke tijd in de geschiedenis van Israël (Amos 1:1). Zowel Jerobeam II van Israël (793-753 v.Chr.) als Uzzia van Juda (791-739 v.Chr.) genoten van een langdurige en voorspoedige regering. Zijn profetie kan voor 750 v.Chr. worden gedateerd, daar Uzzia's zoon, Jotam (750-731 v.Chr.), die elf jaar met zijn vader als mederegent regeerde, niet wordt genoemd.

De woorden "twee jaar voor de aardbeving" helpen om de datum van het boek verder te preciseren. Archeologische vondsten die in Hazor in Noord-Palestina zijn opgegraven, laten zien dat er rond 760 v.Chr. een buitengewoon sterke aardbeving plaatsvond. Als dat juist is, dan profeteerde Amos rond 762 v.Chr. Deze woorden schijnen zijn profeteren te beperken tot dit specifieke jaar, waarmee wordt gesuggereerd dat zijn profetische activiteit van korte duur was.

Veel geschiedkundigen hebben geconcludeerd dat de Assyriërs in 722 v.Chr. — veertig jaar later — Israël aanvielen. Te beginnen met Amos' waarschuwingsboodschap gaf God Zijn volk in Zijn barmhartigheid een periode van veertig jaar van beproevingen en testen waarin ze zich zouden kunnen bekeren. De geschiedenis legt echter vast dat Samaria viel en haar overlevenden in 718 v.Chr. in ballingschap werden gevoerd.

De traditie beweert dat Amos een gewelddadige dood stierf in handen van Jerobeam II, maar deze bewering wordt niet gestaafd door geschiedkundige verslagen. De profeet liet echter een krachtige, urgente waarschuwingsboodschap achter die nog steeds met waarheid en vurigheid overkomt.

Het oordeel van God

"De HERE brult uit Sion en uit Jeruzalem verheft Hij zijn stem, zodat de weiden der herders treuren en de top van de Karmel verdort" (Amos 1:2). In het wild brult een leeuw precies op het moment dat hij op het punt staat zich op zijn prooi te storten. Symbolisch en metaforisch laat het brullen van een leeuw of het donderen van onweer de op handen zijnde tussenkomst van God in menselijke zaken zien (1 Samuël 2:10; Jesaja 29:6; 31:4; Hosea 11:9-11; Openbaring 16:18).

In het midden van de achtste eeuw v.Chr., toen Amos predikte, bestond de economische basis van Israël voornamelijk uit landbouw, maar een droogte was begonnen om dat fundament te destabiliseren. De weiden begonnen reeds de effecten van Gods brullen te voelen, zoals de Karmel, het meest met gras bedekte deel van Israël, en tussen twee haakjes het veronderstelde bolwerk van Baäl. Amos verkondigt dat de droogte het resultaat is van Gods oordeel.

De profeet gebruikt deze droogte om te illustreren dat God geen afstandelijke landheer is. Hij bestuurt Zijn schepping (Psalm 104; Mattheüs 6:26) en weet alles wat erin gebeurt (Psalm 139; Mattheüs 10:29). Hij heeft geen afstand gedaan van deze verantwoordelijkheden en ze ook niet gedelegeerd. Als rampen toeslaan is God er op de een of andere manier bij betrokken, mogelijk voert Hij een oordeel uit.

De leeuw heeft gebruld!

"De leeuw heeft gebruld" (Amos 3:8) sluit het gedeelte af dat begon met "De HERE brult uit Sion" (Amos 1:2). De Heer, "de Leeuw uit de stam Juda" (Openbaring 5:5) heeft gebruld tegen Israël om op te letten. Als een leeuw brult zou iedereen binnen gehoorsafstand zijn richting moeten veranderen, in het bijzonder als de leeuw heel dichtbij is!

Amos 3:3-6 bevat zeven opeenvolgende vragen. Na de eerste (vers 3) bestaan de overige drie paren van vragen uit een opeenvolging van "voor" en "na" illustraties.

Als een leeuw brult (vers 4), waarschuwt hij anderen over zijn nabijheid — er is nog tijd om te ontsnappen. Als een jonge leeuw uit zijn schuilplaats roept, is hij tevreden omdat hij gedood heeft en gegeten. Het is te laat om te ontsnappen.

Vogels kunnen niet in een strik vallen als er geen val is (vers 5, Statenvertaling), maar de val zal altijd dichtslaan als er iemand in komt.

De trompet waarschuwt voor naderend gevaar (vers 6), maar hij kan niet klinken als de wachter reeds dood is en de stad ingenomen.

De Heer heeft gedaan wat Hij waarschuwde te doen. Terwijl de dreiging wordt geuit, kan men nog ontsnappen, maar als het oordeel eenmaal begint, is het te laat.

Als een leeuw zijn prooi ziet, zal hij proberen deze te doden. Als de goddelijke Leeuw brult, moeten de mensen hun zelfgenoegzaamheid afschudden, omdat Zijn brullen betekent dat Hij op het punt staat in actie te komen! Hij meent wat Hij zegt over op Zijn manier leven en Hij houdt Zich aan Zijn woord als wij daarvan afwijken.

Sommige mensen raken evenals vogels onbewust in de problemen. Onbewust van hun omgeving lopen ze in de val, zoals bezwendeld worden door oplichters of geslepen bedriegers. Gods volk is vaak net als vogels die niets vermoedend naar hun vernietiging gaan, zich niet bewust van de gevaren rondom hen. Met andere woorden God waarschuwt: "Wees geen onnozele hals!" We moeten nadenken over de richting waarin we gaan. In Zijn barmhartigheid waarschuwt God Zijn volk altijd over naderende rampen, ofwel door Zijn profeten (Amos 3:7), of door steeds in intensiteit toenemende rampen die leiden tot Zijn uiteindelijk oordeel.

In tegenstelling tot de andere zes vragen staat Amos 3:3 alleen zonder dat er een tweede vraag op volgt: "Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn?" Deze vraag beeldt een stel uit dat overeengekomen is elkaar te ontmoeten en samen iets te doen; zij hebben een afspraak. In de taal van de Bijbel is deze overeenkomst een verbond. God beschouwde Zijn verbond met Israël als een huwelijk. (Jesaja 54:5; Jeremia 3:8, 14). Zou het kunnen zijn dat de niet gestelde tweede vraag zou kunnen luiden: "Kan een huwelijk worden hersteld als de scheiding reeds is uitgesproken?"

God koos ervoor Zich van Israël terug te trekken, omdat Hij besefte dat Hij niets gemeenschappelijks met haar had. Ze konden niet langer samen wandelen. Maar in Amos' dagen was de scheiding nog niet definitief; er was nog steeds verzoening mogelijk tussen God en Zijn volk.

Maar er kwam een moment in Israëls geschiedenis dat het te laat was. De teerling was geworpen. Bekering was niet langer mogelijk. De trompet werd geblazen, de val sloeg dicht, de leeuw viel aan.

Door Amos waarschuwt God onze naties in deze tijd dat soortgelijke, vernietigende rampen in het nabije verschiet liggen en dat het nog steeds mogelijk is daaraan te ontsnappen. Tot nu toe heeft de leeuw niet aangevallen — het is nog niet te laat.

Is God rechtvaardig?

Voordat Amos specifieke redenen geeft voor Gods oordeel over Israël, legt hij in Amos 1:3-2:3 Zijn oordeel uit over de omringende naties. Sommigen willen Gods straf over naties aan wie Hij Zich niet heeft geopenbaard, ter discussie stellen. Maar Gods antwoord is dat ieder menselijk wezen — tot op zekere hoogte — weet wat moreel en immoreel is (Romeinen 2:14-15). Abimelech, een heidense koning over de Filistijnen, wist dat het verkeerd was om zich in seksueel opzicht immoreel te gedragen (Genesis 26:10). Op soortgelijke manier houdt God deze omringende naties schuldig.

De mens heeft geleerd de stem van zijn geweten het zwijgen op te leggen (Romeinen 1:18), wat ertoe heeft geleid dat hij helemaal tot verdorvenheid verviel (vers 20-32). Al houdt God de mens niet verantwoordelijk voor het begrijpen van elk detail van Hem en Zijn weg, toch oordeelt God hem voor het onderdrukken van de kennis van Hem die hij heeft.

God beschuldigt iemand niet ten onrechte. Als Hij de heidense naties als schuldig beschouwt, doet Hij dit voor een goede reden. David schrijft in Psalm 19:1-4 op poëtische wijze dat de mens in de schepping overvloedig bewijs heeft om tot de conclusie te komen dat er een grote en ontzagwekkende Schepper bestaat. In Lystra verkondigden Paulus en Barnabas dat God aan de heidenen getuigenis geeft door de vele dingen waarin Hij voor hen voorziet (Handelingen 14:12-17). Paulus schrijft in dezelfde geest in Romeinen 1:19: "Daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard." Als hij naar zijn geweten luistert zou de mens zich in eerbied en ontzag neerbuigen voor zijn Maker. In plaats daarvan heeft de mens dingen aanbeden die God heeft gemaakt.

Onpartijdig oordeel

Gods onpartijdige oordeel is belangrijk in dit boek. De naties rondom het Israël van 760 v.Chr. hadden één negatief gemeenschappelijk kenmerk: Zij kenden geen Openbaring van God of Zijn wet, zij hadden geen priesters of profeten van God. Toch laat Amos hen zien als naties die onder een oordeel vallen. Zelfs zonder speciale Openbaring hadden ze een morele verantwoordelijkheid jegens God en elkaar.

Zij waren jegens God verantwoordelijk om goede mensen te zijn en geen wilde dieren. Hij houdt hen niet verantwoordelijkheid voor hun afschuwelijke en verkeerde religieuze ideeën, maar Hij oordeelt hen voor wat zij deden of nalieten te doen jegens andere mensen. Geen enkel menselijk wezen — zelfs een heiden niet — kan aan de plicht ontsnappen om zich in menselijk opzicht moreel te gedragen zoals God bedoelde. Al heeft God nooit rechtstreeks met hen gehandeld, toch wisten ze genoeg van Zijn morele standaards om rekenschap te moeten afleggen voor God.

Als God dit van mensen verlangt die geen Openbaring over Hem hebben, wat verlangt Hij dan van ons? Het ontnuchterende feit is dat wij verantwoordelijk worden gehouden voor onze relatie met zowel God als mens. Dit onderstreept de noodzaak voor ons om naar Amos te luisteren.

De Vader heeft Christus "macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is" (Johannes 5:27). De Zoon voert het oordeel uit omdat Hij volledig besef heeft van de volmaaktheid van Gods doel met de mensheid. Alleen Hij belichaamt de wet en de volmaakte vervulling ervan. Hoe zal dit in Zijn oordeel over ons uitwerken?

God oordeelt ons omdat we nalaten rechtvaardige mannen en vrouwen te zijn en daardoor geen Godwezens zijn. Jezus leefde als een volmaakt rechtvaardig mens. Hij weet dus hoe moeilijk dat kan zijn. Daarom kan Hij werkelijk een barmhartige Rechter en Hogepriester zijn.

"En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap" (1 Petrus 1:17). Of men nu een heiden is of een Israëliet, een heiden of een christen, iemand die zich tot God wendt, zal door Hem onpartijdig worden geoordeeld.

Gods oordeel over de naties

De Hebreeuwse formule "om drie overtredingen van [een natie], ja om vier" is een manier om te laten zien dat een zaak grondig is bekeken en dat er een volledige lijst van zonden is opgesteld. Het kan ook worden omschreven als rekenschap geven over de zonden van een natie en de ergste tentoon te stellen. God concentreert zich op de vierde overtreding, een zonde die alle zonden van zo'n natie in zich verenigt.

Gods oordeel over Syrië (Amos 1:3-5) richt zich op haar gebruik van totale oorlog — geen gevangenen maken en niets productiefs doen overblijven. Amos zegt tot hen: "Oorlog of geen oorlog, je had niet het recht mensen op die manier te behandelen!" Zo'n behandeling is barbaars, zelfs in een oorlog moeten mensen met respect en goed worden behandeld.

De beschuldiging tegen de steden van de Filistijnen (vers 6-8) verschuift van het slagveld naar de marktplaats. Andere delen van de Bijbel duiden erop dat zij een groot aantal Israëlieten gevangen namen; zij verkochten een hele natie in slavernij vanwege de winst (2 Kronieken 21:16-17; Joël 3:1-6). Amos herinnert hen eraan dat menselijk welzijn belangrijker is dan commerciële winst.

Gods oordeel over Tyrus (vers 9-10) is soortgelijk aan dat over de Filistijnen. Even begerig naar winst als de mensen van Gaza, verbraken de bewoners van Tyrus een overeenkomst tussen Salomo en Hiram om elkaar te beschermen. Als men een overeenkomst met iemand aangaat en zich daar niet aan houdt, is dat voor God hetzelfde als het breken van iemands woord met een broeder. God staat het verbreken van een verbond alleen toe, als het zich eraan houden zonden zal voortbrengen. Over het toegezegde woord van Tyrus viel echter altijd — afhankelijk van haar eigenbelang — te onderhandelen.

Edom, reeds met Gaza en Tyrus betrokken bij slavenhandel, wordt nu rechtstreeks beschuldigd van bittere vijandschap tegen Israël (vers 11-12). Esau's nakomelingen (Genesis 36:1, 9) hebben Jakob nooit vergeven dat hij de zegen en het eerstgeboorterecht stal. Zij lieten hun boosheid in zich smeulen — wakkerden deze af en toe aan tot een vlam om te voorkomen dat hij uitging — en deze brak uit in onredelijke Handelingen van agressie tegen Israël. Dit is misschien de ergste zonde, omdat haat verborgen in het hart een overtreding is zonder angst en een kandidaat voor de onvergeeflijke zonde.

Het volk van Ammon is schuldig aan buitensporige wreedheid tegen de hulpelozen, tegen zwangere vrouwen en het ongeboren kind (vers 13-15). God is de Verdediger van de hulpelozen en de zwakken (Psalm 68:6). Zuivere en onbevlekte godsdienst is het tonen van vriendelijkheid, warmte en edelmoedigheid en te zorgen voor de weduwe en de wees in hun druk (Jacobus 1:27).

Daarna stelt Amos de overtreding van Moab aan de kaak, het resultaat van een lang smeulende vete tussen Moab en Edom (Amos 2:1-3). In wrok en boosheid groeven de Moabieten de beenderen op van een Edomitische koning die al lang dood was en wierpen die in het vuur. Dit is een ander voorbeeld van het uitbuiten van de zwakken en de weerlozen. Kan een lijk terugvechten? Het principe hier is dat elke zonde als een boemerang werkt. God merkte deze zonde, het verbranden van de beenderen van de koning van Edom, op en beloofde deze te wreken (Deuteronomium 32:35).

Op de een of andere manier namen deze heidense naties wraak als represaille voor onrecht dat andere naties — naar zij meenden — hen hadden aangedaan. God belooft hun barbaarsheid te oordelen, maar Hij zegt niet wanneer. Er kunnen vele jaren voorbijgaan voordat Hij in actie komt, omdat Zijn alles overheersend doel bekering is en een verandering in karakter.

Hij zal een juist oordeel uitvoeren — waarachtig recht, en het is onze verantwoordelijkheid daar vertrouwen in te hebben. Er gingen vijftig jaar voorbij voordat God wraak nam wegens de verwoestende Handelingen van Hazaël, koning van Syrië, tegen Gilead (Amos 1:3; 2 Koningen 10:32-33). God wachtte op de juiste tijd en plaats om te handelen. maar Hij handelde met een straf waarop Hij niet terugkomt (2 Koningen 13:22-25). Als Hij besluit tot handelen, komt Hij in actie!

Als Hij zegt dat Hij ons zitten en opstaan kent (Psalm 139:2), spreekt Hij niet metaforisch. Hij is betrokken bij Zijn mensen. Wij moeten leren dat God soms niet in ons leven tot actie zal overgaan, maar als Hij zegt: "Mij komt de wraak toe" (Romeinen 12:19; Deuteronomium 32:35), meent Hij dat ook!

Oog om oog

Wat voor recht past God toe? Is het gebaseerd op een zogenaamde wrede oudtestamentische wet? De "christelijke" kerken van deze wereld zeggen dat Jezus kwam om die wet af te schaffen. Absurd! Zonder wet als basis kan er geen gerechtigheid zijn. Jezus zegt uitdrukkelijk: "Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen" (Mattheüs 5:17).

Sommigen denken dat Jezus het oudtestamentische systeem van recht in Mattheüs 5:38-40 veroordeelt. Hij heft niet op, maar corrigeert een misbruik van het oog om oog principe, dat de Romeinen Lex Taliones noemden. De Joden uit Zijn dagen bepleitten om het toe te passen om persoonlijke geschillen te regelen. In feite nam iedereen het recht in eigen handen, en Jezus zegt dat dat niet de bedoeling was toen Hij dit aan hun voorvaderen voorschreef.

Door velen wordt het oog om oog principe als barbaars en primitief beschouwd. Het is daarentegen de basis voor Gods systeem van oordelen, van burgerlijke wet, voor het besturen van een natie (Exodus 21:22-25; Leviticus 24:19-20). De basis ervan ligt in onpartijdig recht waarin wordt voorzien door gelijkwaardige betaling voor berokkende schade. God stelde dit principe in zodat een rechter barmhartig kon zijn in het evalueren van de omstandigheden van het vergrijp en tot een rechtvaardige en juiste beslissing kon komen in zaken van zonde tegen andere mensen.

Dit betekent niet dat als A de oorzaak is van een neusbloeding bij B, dat B op zijn beurt dan A een klap op de neus moet geven. Lex Taliones vereist evenredige betaling voor berokkende schade, een straf die past bij het vergrijp. Het is de basis voor onpartijdig recht, waarbij een rechtvaardige compensatie wordt verlangd voor berokkende schade. Zoals in Gods wet uitgewerkt, werd Lex Taliones uitgevoerd middels een systeem van boetes — waarbij het geld werd betaald aan de benadeelde partij, niet aan de staat (bijvoorbeeld Exodus 21:22, 28-32).

Al werd dit geacht de basiswet te zijn, toch had een rechter de bevoegdheid genade te verlenen. Bijvoorbeeld als hij vaststelde dat in werkelijkheid A door B werd uitgedaagd hem een klap op de neus te geven, dan stond het hem vrij naast de verlangde betaling barmhartigheid te tonen. In Zijn oordeel over ons doet God hetzelfde. Als wij vanwege zonde de dood verdienen, toont God ons barmhartigheid door toe te staan dat Christus' bloed onze overtredingen bedekt. Hij heeft besloten af te zien van de strikte toepassing van het oog om oog principe en barmhartigheid te verlenen.

Amos zegt Israël dat het te laat is. Het volk was te ver gegaan. Zij hadden te vaak correctie en waarschuwingen verworpen. Als Gods vergelding voor het verwerpen van Zijn Openbaring aan hen van zijn manier van leven, waarschuwt de profeet dat een vijand Israël zou binnenvallen (Amos 3:11; 6:14; 8:2-3). In feite is dit het oog om oog principe overgebracht op de gehele natie.

Israël besteedt geen aandacht aan correctie

Gods volk had het erg druk om geld te verdienen, dingen te verzamelen en hun religie uit te oefenen. Maar God had het ook heel druk — met het sturen van hongersnoden, droogtes, plantenziektes, sprinkhanen, epidemieën, oorlog en mogelijk aardbevingen als oordeel over hun ongerechtigheid (Amos 4:6-11). Hij hoopte dat zij acht zouden slaan op deze "kleinere" waarschuwingen voordat Hij de roede van Zijn toorn op hen zou loslaten (Jesaja 10:5).

Op het ene deel van het land viel regen en op het andere niet. Als het regende regende het te veel, waardoor overstromingen ontstonden. Op andere plaatsen viel net genoeg regen om de mensen voor de gek te houden zodat ze een gevoel van hoop kregen — dat het per slot van rekening nog niet zo erg was.

We zien dit in de Verenigde Staten. Natuurrampen — verzekeringsmaatschappijen noemen ze "force majeur" [letterlijk "Handelingen van God"] — komen steeds vaker en intenser voor, waarbij veel doden vallen en miljarden dollars aan schade wordt aangericht. In 1993 werd de Midwest door overstromingen geteisterd, terwijl in andere gebieden de oogst door droogte werd vernietigd. Na een aantal jaren van voldoende regen, keerde Californië terug naar droogtecondities — alleen maar om een jaar later door overstromingen geteisterd te worden! Na perioden van droogte woeden er branden over gebieden van duizenden hectares, waardoor bossen en huizen worden vernietigd. Plotselinge aardbevingen, stormen, tornado's en extreme temperaturen vernietigen huizen, zaken en levens.

Het lijkt erop dat het nooit zo erg wordt dat de natie instort, maar het is juist genoeg dat we, evenals de Egyptische Farao van de Exodus (Exodus 7:13-14)), ons hart blijven verharden. We bekeren ons niet. Als de houding van geen berouw blijft bestaan, zullen de "natuur"rampen in intensiteit toenemen, waardoor de natie economisch bankroet gaat. Daar geld de belangrijkste god van de natie schijnt te zijn, zal de ware God toeslaan waar het de meeste pijn doet.

De overgrote meerderheid der Amerikanen is zover van God verwijderd geraakt dat ze geen ogen hebben om de waarschuwingen die Hij zendt, te zien en geen oren om deze te horen. Opgevoed binnen een systeem dat in principe het bestaan van God ontkent, ontbreekt het hun aan begrip. Zij interpreteren Gods waarschuwingen als natuurlijke gebeurtenissen — het is gewoon de natuur die zijn gang gaat. Een aardbeving of overstroming of droogte wordt gezien als "iets dat bij de natuur hoort".

In plaats van acht te geven op de waarschuwing en zich te bekeren, wenden de Amerikanen zich tot hun andere valse goden — wetenschap en techniek — om hen uit de problemen te helpen. Ze roepen: "Ontwerp betere dijken om ons tegen overstromingen te beschermen." "Bezaai de wolken om meer regen voort te brengen." "Construeer sterkere gebouwen om krachtiger aardbevingen te weerstaan." "De wetenschap zal ons de een of andere dag de mogelijkheid bieden om aardbevingen te voorspellen — ja, zelfs tegen te houden." Amerikanen hebben ogen die niet zien, oren die niet horen (Jesaja 6:9-10; Mattheüs 13:14-15).

Middels deze rampen zegt God iets heel anders — iets dat van essentieel belang is. Hij waarschuwt het volk dat zij een verantwoordelijkheid hebben en als zij nalaten zich te houden aan hun verbond met Hem dan heeft Hij de macht hen te corrigeren, zodat zij tot bekering zullen komen. In rechtvaardigheid en barmhartigheid legt God hun dus een eenvoudige keus voor: "Daarom zal Ik aldus met u doen, o Israël. Omdat Ik dan dit met u doen zal, — bereid u om uw God te ontmoeten, o Israël" (Amos 4:12). Hun keus is of hun zonde het hoofd te bieden en zich te bekeren, of de wraak van een rechtvaardige God onder ogen te zien.

Om Zijn doel tot stand te brengen is God actief bezig in Zijn schepping, in het bijzonder onder Zijn volk, of dat nu het fysieke of geestelijke Israël is. "Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de HERE die bewerkt?" (Amos 3:6). Is God betrokken bij ons leven? Overkomt het volk van God dingen bij toeval? Deze wereld zou u willen doen geloven dat God Zich niet echt van de dingen bewust is, dat Hij niet voor Zijn schepping zorgt of zelfs dat Hij niet bestaat! Maar Hij zegt: "Die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de HERE, doe dit alles" (Jesaja 45:7).

Is God betrokken? "Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld" (Mattheüs 10:29-30). Zien wij God werken in ons leven? Gods volk, waarvan God Zich heel goed bewust is, overkomt geen gebeurtenissen door toeval. Hij maakt Zich grote zorgen en is dus sterk betrokken.

We moeten ons herinneren dat God, als een bezorgde Vader, actief bezig is in ons leven om zonen en dochters voort te brengen met Zijn karaktertrekken. Als er zich beproevingen en rampen voordoen, moeten we in plaats van te rebelleren, leren ons getuigenis van Hem te verbeteren en ernaar te streven meer op Hem te gaan lijken. Abraham, Isaak, Jakob en Jozef, onze vaders in het geloof (Hebreeën 11:8-22) ondervonden veel beproevingen, maar zij kwamen nooit in opstand tegen Hem.

God maakte Assyrië tot een machtige natie, zodat Hij hen als zijn roede van toorn tegen Israël kon gebruiken. Maar het was nooit Zijn bedoeling Zijn volk volledig te verlaten en te vernietigen — alleen maar hen ter correctie te straffen.

Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten des HEREN en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord des HEREN. (Jesaja 54:17)

Zijn straffen zullen uiteindelijk bekering voortbrengen!

Niets kan Zijn volk scheiden van Zijn liefde. Hij zegt: "Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten" (Hebreeën 13:5). Het kan zijn dat God een natie doet opstaan als Zijn "strijdbijl" om Zijn volk te corrigeren (Jeremia 51:20-23), maar Hij belooft altijd vrede en zegeningen na bekering (Amos 9:11, 14).

De gevolgen van ongerechtigheid

Terwijl Amos in de natie Israël rondtrok, zag hij grote problemen. Als volk had Israël de waarheid die God hun had geopenbaard, verworpen en daarmee hadden ze Hem verworpen. Het zich ontdoen van de waarheid leidde tot corruptie, immoraliteit, onrecht, verdrukking en geweld. Hun houding was zelfgenoegzaam, vervuld van tevredenheid met zichzelf en trots. Zij plaatsten zichzelf op een voetstuk als de belangrijkste van de naties (Amos 6:1) en verachtten de volken rondom hen en maakten die belachelijk. Geen wonder dat God hen dreigde met Zijn ophanden zijnde wraak!

"Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. Hij zelf streed tegen hen" (Jesaja 63:10-11a). Hij die hun Vriend (2 Kronieken 20:7), Man (Jeremia 31:32, Het Boek), Voorziener (Genesis 22:14), Banier (Exodus 17:15) en Schild (Psalm 115:9) was geweest, was nu hun vijand geworden! Hij had daar voldoende redenen toe. Dit gebeurde met Israël toen het volk Gods waarheid verwierp!

De kerk is geen natie, maar bestaat uit individuen binnen een geestelijk lichaam (1 Corinthiërs 12:12-14). Zelfs op die manier kunnen we God tot onze vijand maken. We maken ons vaak zorgen over het onder de macht komen van Satan, maar het is veel waarschijnlijker dat we, evenals Israël, eerst de macht en waarheid van God zullen verwerpen. Als we gewapend zijn met Zijn kracht en waarheid, kunnen we snel de bedreigingen van Satan herkennen en weerstaan. Maar zonder Gods kracht en waarheid zien we niet eens dat Satan ons beproeft. We worden machteloos tegen geestelijke vijanden. Onze verwerping van Gods waarheid en kracht openbaart zich als we er niet in slagen in trouwe gehoorzaamheid aan Hem te leven. Als wij God verwerpen, wordt Hij onze vijand.

Het probleem van Israël was dat ze juist dat had gedaan (Jeremia 7:28). Door de waarheid te verwerpen verviel het volk tot ongerechtigheid en hun zonden begonnen toe te nemen en verdorvener te worden. Uiteindelijk richtten die zonden een barrière op tussen hen en God:

Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort. (Jesaja 59:1-2)

Het oordeel over Israël

Zo zegt de HERE: Om drie overtredingen van Israël, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de arme om een paar schoenen — zij die ernaar snakken, dat stof van de aarde zij op het hoofd der geringen, en die de weg der weerlozen ombuigen; ... op verpande klederen strekken zij zich uit naast elk altaar, en de wijn der beboeten drinken zij in hun godshuizen. (Amos 2:6-8)

De immoraliteit van de Israëlieten uitte zich op drie belangrijke gebieden:

Onverschilligheid voor en verdrukking van de armen.

Begeerte tot uiting komend in het grootste belang hechten aan materiële bezittingen.

Onbeperkte bevordering van eigen voordeel — iedereen van alles aandoen om hun zin te krijgen.

De Hebreeuwse woorden voor armen komen sterk overeen met ons "underdog". Amos gebruikt twee verschillende woorden, 'ebyown en dal, om de armen aan te duiden (Amos 4:1). 'Ebyown duidt gewoonlijk op de heel armen en dal beschrijft de laagste sociale klasse. Beide woorden hebben echter een bijklank van "gebrek lijden vanwege onderdrukking of uitbuiting" en verwijzen naar de zwakkere leden van de maatschappij. Voor God zijn de armen degenen die niet de beschikking hebben over de wereldlijke bronnen of relaties om zich te verdedigen. Als gevolg van hun zwakheid worden de armen door de verdorven mensen beschouwd als een gemakkelijke prooi om uit te buiten (Jesaja 10:1-2). In deze tijd zou "arm" kunnen verwijzen naar de kleine zakenman of de consument die overgeleverd is aan de genade van de grote ondernemingen, of de "kleine jongen" onder de duim van de "grote" regering.

Evenals Amos roept Jesaja de Israëlieten tot de orde vanwege hun verdrukking van de armen:

De HERE zal in het gericht gaan met de oudsten en de vorsten van zijn volk; gij toch, gij hebt de wijngaard verwoest; wat de ellendige ontroofd is, is in uw huizen. Wat bezielt u, dat gij mijn volk vertrapt en ellendigen mishandelt? luidt het woord van de Here, de HERE der heerscharen. (Jesaja 3:14-15)

Een van de middelen tot verdrukking was het rechts-systeem en Amos laat herhaaldelijk zien hoe de armen "zich moedig staande hielden" binnen het "rechts"-systeem. In een rechtszaak kocht de schuldige partij, een van de "sterken", de rechter om, die daarna de onschuldige persoon — de zwakke — schuldig verklaarde (Jesaja 5:23). Zoals in deze tijd zo vaak gebeurt in Amerika, meden de oude Israëlieten een schikking buiten de rechtbank om. Ze gingen zelfs over kleine zaken naar de rechter, omdat hun kansen op een gunstiger regeling daar groter waren.

Als iemand door de rechtbank schuldig werd bevonden, moest hij natuurlijk een boete betalen. Als hij niet over genoeg geld beschikte om die te betalen, kon hij in natura betalen. Een wijngaardenier kon bijvoorbeeld in wijn betalen. De overwinnaars namen dan hun winst in ontvangst — "de wijn van de veroordeelde" — en hielden een groot feest (Amos 2:8). Zij waren verworden tot zelfgerichte parasieten die leefden naar de regel "neem de ander te pakken voordat hij jou te pakken neemt". Israëlieten kunnen een geldbelust, onbarmhartig stelletje mensen zijn.

Kennelijk was God niet gelukkig met dit rechts-systeem, en het is in deze tijd nog veel erger. De "wijn van de veroordeelde" in deze tijd die aan de 'benadeelde' partij wordt toegewezen — die in de vele miljoenen dollars beloopt — gaat grotendeels op aan buitensporige kosten voor advocaten en tarieven van de rechtbanken. Het burgerlijk bestuur op elk niveau neemt de te verwachten boetes van wetsovertreders op in hun budget.

Daarnaast begeerden de Israëlieten onroerend goed zo sterk en op het belachelijke af, dat de koper het de verkoper zelfs niet gunde een klein beetje stof op zijn hoofd te gooien om zijn verdriet te symboliseren over het verlies van zijn voorouderlijk bezit (Amos 2:7). In dezelfde geest beschuldigt God de Joden ervan de grenzen tussen stukken land te verleggen (Hosea 5:10). In die dagen markeerden landeigenaren de grenzen van hun bezit met hier en daar een stapel stenen in plaats van palen in de grond te slaan. God beeldt de Joden uit als mensen die de grensstenen enkele meters verleggen wanneer niemand het ziet. Ze kunnen het gerechtvaardigd hebben met: "Doet niet iedereen hetzelfde?", maar het was toch je reinste diefstal.

Omdat de sterken de zwakken zo gemakkelijk konden uitbuiten, vielen het land en de rijkdom in Israël in steeds minder handen. God roept: "Wee hun die huis aan huis voegen, akker aan akker trekken, totdat er geen plaats meer is, en gij alleen de gezeten lieden zijt in het land" (Jesaja 5:8).

Het is niet anders dan in deze tijd, waarin grote internationale belangengroepen bouwland opkopen en de boeren vervangen, die dan gewoonlijk in stedelijke gebieden een nieuwe baan moeten zoeken. Hoe snel hebben we niet vergeten dat kleine familieboerderijen generaties lang een grote rol speelden in het economisch en sociaal stabiel houden van de Verenigde Staten? Amerika's agrarische gebieden vormden de ruggengraat van de natie. We moeten ons ervan bewust zijn dat de resulterende instabiliteit ons langs hetzelfde pad van vernietiging zal voeren als waarlangs Israël ging!

"Op verpande klederen strekken zij zich uit naast elk altaar" (Amos 2:8). Onder het Oude Verbond kon iemands opperkleed als zekerheid voor een lening worden ingenomen, maar Exodus 22:26-27 laat zien dat dit iedere avond moest worden teruggegeven als dit 's nachts ook als deken dienst deed. God beschouwt het 's nachts vasthouden van het opperkleed van een arme als het uitbuiten van hem.

Bedenk dat Gods oordeel over ons grotendeels afhangt van hoe wij onze medemens behandelen (Mattheüs 25:33-46). Goede relaties met anderen zijn essentieel voor het onderhouden van een goede relatie met God (Mattheüs 5:23-24). Dit betekent dat we altijd het juiste moeten doen jegens anderen, ongeacht hoe pijnlijk dat is (Psalm 15:4), of hoe zij zouden kunnen reageren (Mattheüs 5:44-45).

Machteloos op het toppunt van macht

In Amos 3:9-10 wordt de profeet gezegd de verwarring, de verdrukking, het geweld en de diefstal in de natie te verkondigen. De man op de straat was niet al te verontrust over het gebrek aan wet en orde. Hij scheen zich niet te realiseren dat deze kankerachtige immoraliteit die het land van binnenuit plaagde, erop zou uitlopen dat het van buitenaf zou worden verpletterd en vernietigd.

Toen echter de tijd aanbrak om Israël tegen een buitenlandse invasie te verdedigen, ontbrak het Israël aan kracht (vers 11). God zegt: "Blaast maar op de trompet en maakt alles gereed, er is echter niemand die ten strijde trekt" (Ezechiël 7:14). Omdat het volk zo in beslag was genomen door hun eigen zelfbelang, reageerden zij niet op de buitenlandse dreiging van een invasie. Als gevolg daarvan werd de natie gemakkelijk onder de voet gelopen.

In onze eigen generatie hebben we gezien dat onze tegenstanders ons op het slagveld niet konden overwinnen als ons algemene niveau van moraliteit hoog was. Maar sinds onze ruggengraat vanaf 1950 begon te verzwakken, begonnen ze ons in de zakenwereld te verslaan. Onze vijanden uit de Tweede Wereldoorlog werden tijdens de Koude Oorlog onze bondgenoten en leerden daardoor onze manieren; in de meeste economische categorieën evenaren zij ons nu of zijn ons zelfs voorbij gegaan — niet alleen op het gebied van de zware industrie, maar ook op het gebied van de hoog ontwikkelde technologie.

Met de uitputting van onze economische macht door morele kanker verdwijnt ook onze energie om te vechten. We zijn niet langer in staat op enig gebied een verenigd front te presenteren. Daarnaast wordt onze militaire kracht uitgebuit en verzwakt doordat de Verenigde Staten de rol van de enige supermacht op zich heeft genomen en onze troepen gebruikt worden om het beleid van de Verenigde Naties uit te voeren. In onze morele en sociale malaise zien we dat het moeilijker en moeilijker wordt om ons als natie in beweging te krijgen. Onze bondgenoten weten dat we een zwakke stok zijn om op te leunen.

En achter dit alles staat God, die onze ontaarding ziet en ons waarschuwt dat de tijd nabij is.

"Daarom, zo zegt de Here HERE: De vijand! En rondom het land! Uw sterkte haalt hij van u neer; en uw burchten worden leeggeplunderd! (Amos 3:11). "Daarom" verbindt de voorafgaande verzen met een conclusie of een resultaat. Verwarring, verdrukking, geweld en diefstal brengen zwakheid en vernietiging voort. Zonde is inherent zelfvernietigend. Het biedt een belofte van plezier en voldoening, maar bevat in zich het zaad van vernietiging. Wat men zaait, zal men oogsten.

Waarom schildert Amos Israël af als een machteloze natie, terwijl ze op het hoogtepunt van haar economische, politieke en militaire macht stond? De religie van de natie was een grote schijnvertoning! Moraliteit en gerechtigheid maken een natie sterk, maar immoraliteit en ongerechtigheid zullen het altijd tot een puinhoop maken (Spreuken 14:34). Waar religie machteloos is, worden bestuur, zaken en gemeenschap ineffectief, omdat hun morele fundament verdwenen is.

"Ja, zij weten niet van recht doen, luidt het woord des Heren" (Amos 3:10). Doordat ze niet langer het verschil konden zien tussen goed en kwaad, bereikten de Israëlieten uiteindelijk het punt waar zij kwaad goed en goed kwaad noemden (Jesaja 5:20). Dit geldt niet alleen voor geestelijke waarheden maar ook voor het marktplein. Terwijl ze ongetwijfeld klaagden over het geweld, konden ze niet inzien dat hun eigen zelfzuchtige ambities in feite het geweld op straat voortbrachten.

Klaarblijkelijk legden zelfs de religieuze mensen niet het verband tussen het morele en sociale ineenstorten van de natie en hun eigen zelfzuchtige ambities. Het kan zijn dat ze dingen van hun bedrijf mee naar huis namen of teveel vroegen aan hun klanten, maar ze gingen iedere week naar de kerk! Daarom zegt God dat Hij het religieuze systeem ook zal vernietigen (Amos 3:14).

Koud, hard, onverschillig, de gemiddelde Israëliet gaf gewoon niets om een ander. "Wat doet het ertoe als hij lijdt terwijl ik mezelf verrijk — zo is het leven in de grotemensenwereld nu eenmaal, jongen!" Het leek er wel op dat alle Israëlieten, of ze nu politicus, zakenman of geestelijke waren, het leven op deze manier bekeken. Het was een kijk op het leven die praktisch geheel geen sociaal geweten had. Hun leefstijl verheerlijkte amoraliteit. Maar wat hen het meest veroordeelde was dat het een leefstijl was die lijnrecht inging tegen die door God via Mozes was geopenbaard.

Ook wij moeten voorzichtig zijn voor deze houding in onze in zichzelf opgaande cultuur. De media noemen de "babyboom"-generatie zelfs de "Ik-generatie" en een populair tijdschrift dat bij de kassa's in de supermarkten te vinden is, heet opvallend Self.

Let in de verzen 9 tot 11 [Statenvertaling] en 15 op de herhaling van "paleizen" en "huizen". God instrueert Amos de koningen van vreemde naties (vers 9) te vertellen over het door de Israëlieten tegen zichzelf (vers 10) opeenhopen van "geweld en diefstal in hun paleizen". Geparafraseerd zegt Hij: "Kijk, Mijn volk heeft zichzelf verzwakt door zonde! Ze zijn rijp voor vernietiging!" God versterkt de heidenen, zodat zij als Zijn strijdbijl Zijn volk zullen straffen. Zijn uiteindelijk doel is natuurlijk hen tot bekering te brengen.

Koeien van Basan

"Koeien van Basan" (Amos 4:1-4) is een beeld of symbool van de Israëlitische vrouwen in Samaria. Amos impliceert dat deze vrouwen de trendsetters en leiders zijn binnen de Israëlitische maatschappij, een koers die ook Juda volgde voordat het ten val kwam (Jesaja 3:12). Blijkbaar worden, als naties tot verval komen, de leiders van de maatschappij, die de standaards zouden moeten zetten, vervangen door vrouwen en kinderen (of de onvolwassenen), die volgens Jesaja [Statenvertaling] "u verleiden en de weg uwer paden inslikken".

In de Verenigde Staten zijn de vrouwen traditioneel de hoeders geweest van morele standaards. In het algemeen hebben de vrouwen hoge standaards gehad, terwijl veel mannen er een dubbele standaard op nahielden. Amos laat echter zien dat de vrouwen uit zijn dagen zover waren gezonken, dat zij voorgingen op het gebied van immoraliteit. En in Amerika geldt hetzelfde: Vrouwen worden net zo immoreel als mannen. Tussen 1990 en 1991 nam volgens het rapport Uniform Crime Reports for the United States het aantal door vrouwen gepleegde misdaden met 15,2 procent toe, terwijl dat van mannen met 17,4 procent toenam.

Blijkbaar heeft God in vrouwen waarborgen ingebouwd om ervoor te zorgen dat er een bepaalde mate van juiste idealen, standaards en praktijken wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Dit geeft een maatschappij een mate van stabiliteit. Mannen met hun agressieve, ambitieuze denken en hun verlangen om te wedijveren en te overwinnen, hebben de neiging zich te richten op prestaties, vaak ten koste van moraliteit en ethiek. In het algemeen zijn vrouwen niet voor deze rol ontworpen en als zij deze beginnen te vervullen, gaat een natie heel snel te gronde.

Daarnaast streeft een groeiend aantal vrouwen in deze tijd om redenen van "vervulling", persoonlijke ambitie en sociale vooruitgang naar een volledige baan, waardoor ze minder betekenis gaan hechten aan hun hoge roeping tot vrouw en moeder. Vrouw zijn, huwelijk en het huishouden doen (Titus 2:5) zijn ondergeschikt geworden aan het zelfzuchtig bijeenbrengen van dingen. Jammer genoeg moeten veel vrouwen in deze tijd werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Amos zegt het voornamelijk tegen de zelfgerichte, naar macht hongerende, meedogenloze vrouwen die we vaak zien afgeschilderd op televisie en in films.

Amos betitelt hen op onhoffelijke wijze met een heel vernederende naam: een troep weldoorvoede koeien. Net als koeien volgen ze gewoon de kudde. Ze zijn tevreden met een dierlijk bestaan, dat wil zeggen dat ze in hun kijk op het leven volledig vleselijk zijn gericht (Romeinen 8:5-7). Hun zorg gaat alleen maar uit naar mooi zijn, het verzorgen en verzadigen van hun eigen lichaam. Zij leven alleen voor zichzelf, niet voor God. Jesaja vat hun houding in één woord samen — zelfgenoegzaam (Jesaja 32:9-11).

Deze koeien van Basan verdrukken — evenals hun mannen — de armen en verpletteren de behoeftigen. Door meer dingen te eisen dwingen ze hun mannen ertoe succes te hebben — ten koste van de zwakken. Met de houding die in deze passage tot uiting komt, was het hun waarschijnlijk allemaal een zorg zolang er aan hun "behoeften" werd voldaan.

Voorwaar, zie, dagen zullen over u komen, dat men u met angels zal optrekken en wie van u overblijven met vishaken. Door de bressen zult gij uitgaan, elk recht voor zich heen, en gij zult weggesleept worden naar Haharmon, luidt het woord des HEREN. (Amos 4:2-3)

Het woord dat met "vishaken" is vertaald, is in het Hebreeuws heel onduidelijk, maar het suggereert dat deze luie vrouwen op smadelijke wijze in ballingschap zouden worden afgevoerd. Sommigen hebben gesuggereerd dat het betekent op de schilden van hun vijanden te worden weggedragen of aan een touw te worden voortgetrokken.

In ieder geval zullen zij die voorheen zichzelf verwennend op ivoren bedden en op pluchen sofa's lagen, in vernedering door Samaria worden gevoerd op weg naar slavernij. Jesaja beschrijft hetzelfde toneel in Jesaja 3:16-26. Vanwege hun verdrukking en hun hooghartige zelfgerichtheid, zal hun hun rijkdom en hun schoonheid ontnomen worden en ze zullen niets overhouden.

De voorzichtigen blijven zwijgen

Zij haten in de poort wie opkomt voor het recht, en verafschuwen wie spreekt in oprechtheid. Daarom, omdat gij de geringe vertrapt en hem geschenken in koren afperst, — ook al hebt gij huizen van gehouwen steen gebouwd, gij zult er niet in wonen; ook al hebt gij kostelijke wijngaarden geplant, gij zult er de wijn niet van drinken. (Amos 5:10-11)

Ondanks hun pelgrimstochten en hun liefde voor religie (Amos 4:4-5) was de werkelijke aandacht van de Israëlieten gericht op krijgen voor zichzelf. Daar het moeilijker was om op wettige wijze rijkdom en macht te verzamelen, bouwden ze hun grote ondernemingen op over de ruggen van de zwakken en armen en vervolgden ze hen die erop stonden op wettige wijze zaken te doen. God belooft dat Hij hen zal wreken.

"Want Ik weet, dat uw overtredingen vele zijn, en uw zonden talrijk, — gij die de rechtvaardige benauwt, die losgeld aanneemt, en die de armen in de poort terzijde dringt" (Amos 5:12). Nogmaals, Amos beschrijft onrecht binnen het rechts-systeem. De rijken en machtigen huurden valse getuigen, net zoals werd gedaan tegen Jezus (Mattheüs 26:59-60) en Stefanus (Handelingen 6:11). De armen die financieel niet in staat waren goede advocaten in de arm te nemen om hun zaak te behandelen, waren hulpeloos tegen hen.

Wat was het gevolg hiervan? "Daarom zwijgt de verstandige in die tijd, want het is een boze tijd" (Amos 5:13). De arme kon slechts rustig wachten op het oordeel van God, daar zij machteloos waren om door middel van de burgerlijke autoriteiten een beroep te doen op het oordeel van mensen.

In deze tijd durven veel mensen de politie niet te helpen, omdat ze bang zijn dat als ze naar de rechtbank gaan om te getuigen, de beschuldigde crimineel of zijn vrienden een of andere vergelding tegen hen of hun gezinnen zullen uitvoeren. Juist om deze reden hebben we snel om zich heen grijpende problemen met bendes in de binnenstad en georganiseerde misdaad.

Ons rechts-systeem tegen criminaliteit is zo nonchalant en onrechtvaardig dat de kansen heel groot zijn dat een beschuldigde misdadiger wegens een technisch detail vrijgesproken zal worden of een korte vrijheidsstraf zal krijgen. In onze natie in deze tijd geldt: misdaad loont! Geen wonder dat getuigen bang zijn!

We hebben in Amerika een heel grote, maar angstige groep die de media "de zwijgende meerderheid" noemen. Al zijn deze mensen hoofdzakelijk conservatief en moreel, toch laten ze zich leiden door een luidruchtige minderheid die achter radicaal liberale opvattingen staat. Ook al hekelen ze onder elkaar hoge belastingen, homoseksualiteit, toenemende misdaad, illegale vreemdelingen, bendes, corrupt bestuur enzovoort, toch blijft "de zwijgende meerderheid" in het openbaar "zwijgen".

Toegeeflijke zelfgerichtheid

"Rennen soms paarden op een rots, of ploegt men met runderen de zee, dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsem" (Amos 6:12). Wat een absurde dingen om te suggereren! Die dingen zijn onmogelijk! Het verdraaien door Israël van recht in venijn en gerechtigheid in bittere en ziekmakende alsem is even absurd. Amos impliceert dat al kunnen we iets technisch of mechanisch doen dat voorheen onmogelijk scheen — zoals het ploegen van de zee — het verbeteren van ons moreel handelen veel en veel belangrijker is.

Amos 6:4-6 vermeldt feestvieren, zich te buiten gaan aan kunstmatige stimulansen, luisteren naar ongewone muziek en het nemen van overdadige en nutteloze maatregelen op het gebied van persoonlijke hygiëne. Het idee achter deze illustraties is dat de uitspattingen van de machtige Israëlieten mogelijk waren vanwege hun verdrukking van de zwakken en armen.

In tegenstelling daarmee laten de verzen 9 en 10 tien gewone Israëlieten zien die in angst voor de door oorlog teweeggebrachte gevaren in één huis dicht opeengepakt zitten. Mensen zullen zo snel sterven dat de overlevenden, die alleen maar voor zichzelf zorgen, niet de tijd zullen nemen de lichamen van hun eigen gezinsleden te begraven, maar ze op grote brandstapels zullen verbranden. Deze overlevenden zullen uiteindelijk erkennen dat God Zich van hen had afgescheiden, en zij zullen zelfs het noemen van Zijn naam beschouwen als iets kwaads! Hoe geweldig bitter! En hoe ver verwijderd van God!

De mensen, of ze nu rijk zijn en zich te buiten gaan, of arm en beroofd, waren zelfgericht. Door heel hoofdstuk zes balanceert Amos tussen zelfgenoegzaamheid en rampen, opscheppen en angst, waardoor hij laat zien dat die dingen voortkomen uit het verwerpen van God en het verafgoden van het eigen ik. Het is onvermijdelijk dat God een oordeel over Israël zal voltrekken.

Slecht graan verkopen

Hoort dit, gij die fel zijt op de arme, om de weerlozen des lands te vernietigen, denkend: Wanneer is de nieuwe maan voorbij, dat wij koren kunnen verkopen, en de sabbat, dat wij graan te koop kunnen bieden, met verkleining van de efa, met vergroting van de sikkel, met bedrieglijk gebruik van een valse weegschaal, ten einde de geringen te kopen voor geld en de arme om een paar schoenen; en wij verkopen afval voor graan! (Amos 8:4-6)

Om meer geld binnen te halen openden kooplieden hun winkels om zaken te gaan doen op de minuut af dat de sabbat en de Heilige Dagen voorbij waren. Om hun klanten te bedriegen gebruikten zij geen geijkte gewichten en maten en gaven daardoor minder graan dan toegezegd. Sommigen bedrogen de mensen zo erg dat die zichzelf als slaaf moesten verkopen om hun schulden te betalen! Aan het einde van de dag zou de zakenman de slechte graankorrels op de grond bijeenvegen om ze als beste kwaliteit graan aan de armen te verkopen als de zaken in de morgen werden hervat!

Hun probleem zat in hun persoonlijke houding jegens zonde en heiligheid. God keek naar hun hart en zag niets van Zijn gerechtigheid en heiligheid. Als Hij een gebrek aan deze elementen in Zijn volk waarneemt, gaat Hij Zich grote zorgen maken. De Israëlieten manifesteerden hun goddeloze houding in hun overheersende manieren van doen, hun neiging om uit te buiten en hun onverzadigbaar voeding geven aan hun eigen genoegens. Al lijkt het erop dat God in het gehele boek voornamelijk de rijken en machtigen aanvalt, hadden de armen en behoeftigen waarschijnlijk dezelfde houding, maar ontbrak het hun aan het vermogen daar uitvoering aan te geven. God zal daarom zowel "het grote huis" — de rijken — als "het kleine huis" — de armen — straffen (Amos 6:11).

Israëls houding ten opzichte van de dingen van God was er een van totaal gebrek aan respect en onverschilligheid. Toen Jezus de tempel reinigde (Johannes 2:13-16) was een van de dingen die Hem boos deed worden, de manier waarop de priesters zonder enige wettige basis de offeranden van het volk diskwalificeerden, en hen daarmee dwong dieren ver boven hun rechtvaardige marktwaarde te kopen. Oprechte aanbidders hadden geen enkele andere keus dan vijftien of twintig keer de normale prijs te betalen voor een ander offerdier dat de priesters reeds hadden verklaard aanvaardbaar te zijn. De Israëlieten uit Amos' dagen toonden dezelfde houdingen in hun normale zakenpraktijken.

De zonde die aan deze houdingen ten grondslag lag, is begeerte, waardoor zij alles in het leven richtten op hun eigen voordeel. Zoals in Amerika was competitie het levensbloed van het volk, de vitaliteit van de natie, en zij vonden dat ze niet anders konden doen dan liegen, bedriegen en stelen om hun "competitieve voordeel" in stand te houden. Hun motto was: "Het doel heiligt de middelen." God zegt dat zij hun zaken niet op deze manier hoefden te benaderen. De natie was heel rijk — er was genoeg voor iedereen.

Recht veranderd in bittere smart

Wat zag God, als Hij naar Israël keek? Hij zag "een gebroed van boosdoeners" of "verdorven kinderen" (Jesaja 1:4). Wat bedoelt Hij? In het algemeen laten kinderen de karaktertrekken van hun ouders zien. In 2 Samuël 23:6 [Statenvertaling] verwijst God dus naar "de mannen Belials", wat duidt op hen die de karaktertrekken van Belial laten zien — nietswaardigheid, dwaasheid, corruptie, opstandigheid. In Hosea 2:3 [Statenvertaling] noemt Hij Zijn volk "kinderen der [geestelijke] hoererijen", omdat zij de trekken van een god weerspiegelden die niet rechtvaardig en moreel was zoals hun Schepper en Vader.

Zij hadden — als Zijn volk — de morele karaktertrekken van God tot uiting moeten laten komen, evenals een kind iets van de karaktertrekken van zijn ouders laat zien. Zij hadden Zijn wet en de leiding van Zijn profeten betreffende Zijn manier van leven. Maar door God en Zijn waarheid te verwerpen, schoten ze tekort in het ontwikkelen van Zijn gerechtigheid. De resultaten in de natie waren welig tierend onrecht en grote immoraliteit.

Want zo zegt de HERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij en leeft. ... Zoekt de HERE en leeft, opdat Hij niet vare als een vuur in het huis van Jozef en het vertere, terwijl er geen blusser zal zijn voor Betel. O, zij die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde nederwerpen! (Amos 5:4, 6-7)

Amos 5:7 verbindt recht en gerechtigheid op soortgelijke manier als Amos 6:12. De vrucht van gerechtigheid is recht. Recht is een eerlijke behandeling, niet alleen voor de rechtbank maar in alle aspecten van het leven. Dit is de basis van een belangrijk deel van Gods oordeel over Israël (Jesaja 59:13-15).

In Amos 5:7 wordt gerechtigheid uitgebeeld als een standaard, vlag of banier die ter aarde wordt neergeworpen. Zij hadden de Thora, de wet van God, het onderwijs van God, "neergeworpen" of terzijde geschoven. In plaats daarvan pasten ze wat wij "situatie-ethiek" noemen, toe — lieten toe dat hun zwakke en niet geoefende geweten hun gids was. Het praktische resultaat daarvan was "dat alles mocht". Wat betekent dit met betrekking tot sociale condities?

Gerechtigheid is datgene wat volgens God juist is. "Want al uw geboden zijn gerechtigheid" (Psalm 119:172). Gerechtigheid is het aankweken van juiste morele principes in onszelf. Als natie zouden we moreel handelen moeten aanleren om geestelijke en sociale groei teweeg te brengen. Gerechtigheid — moreel handelen — is daarom het fundament van recht. Recht bestaat uit juiste morele gewoonten, de praktische toepassing van moreel besef.

De Israëlieten leerden zichzelf Gods geboden niet aan, de morele standaards waarop iedere natie zich moet baseren als ze een goed draaiende maatschappij wil voortbrengen. In plaats daarvan hadden zij een misleidende manier van leven ontwikkeld, die niet overeenkwam met het woord van God. Daar de juiste morele principes niet werden aangeleerd, was er in de maatschappij geen recht en heerste er immoraliteit.

Terwijl gerechtigheid een innerlijk iets is, is recht een uitgaand iets, zelfs in relatie met zulke "alledaagse" dingen als netjes en ordelijk zijn. Let er eens op hoeveel rotzooi er langs onze snelwegen ligt en hoeveel graffiti onze steden ontsieren. Misschien is er geen specifieke wet van God die onze manier van rijden reglementeert, maar is het niet eerlijk en juist om voorkomend te zijn jegens anderen op de weg? Gods wet heeft zeker vandoen met attent, hoffelijk, tactvol en bescheiden zijn, welke eigenschappen allemaal zijn gebaseerd op een van de basisprincipes van die wet, de Gulden Regel (Mattheüs 7:12).

Als deze "kleine dingen" eenmaal niet meer worden ontwikkeld, dan begint zich onrecht op ernstiger gebieden te openbaren, zoals een toename van misdaad, echtscheiding, abortus, zelfmoord en dergelijke. Het moreel handelen neemt drastisch af en het volk komt steeds verder en verder af te staan van goddelijke zeden en waarden. En als God geen uitzicht heeft op bekering, zal het niet lang duren voordat Hij Zijn wraak uitstort.

Een typische dag in de USA.

Vergelijk de nieuwsberichten hieronder, ontleend aan een willekeurig nummer van USA Today (8 februari 1995), met de daaronder geplaatste geselecteerde verzen vanuit het boek Amos. De culturen van de naties zijn verschillend, evenals hun technologie, rechts-systeem ter bestrijding van misdaad en maatschappelijke problemen. De resultaten van zonden en verwerpen van God — onrecht, verdrukking, geweld, verslaving, bedrog, diefstal, trots — zijn echter hetzelfde.

? Farmington [Utah] — De eerwaarde Raymond Sarter, die vrijwillig als geestelijke van de Weber County Jail [de districtsgevangenis] fungeert, heeft opdracht gekregen zich vrijdag te melden in de Davis County Jail om 180 dagen te zitten wegens het vervalsen van 66 postwissels.

Dat gij ... verkeert ... de vrucht der gerechtigheid in alsem. (Amos 6:12)

? Johnson City [Tennessee] — David Bala, 31, en zijn vrouw Ellisha, 23, moeten terecht staan wegens een aanklacht van kindermishandeling, specifiek het toebrengen van schokken met elektrische draden aan hun kinderen van 7 en 5, waarbij ze sokken in hun mond stopten om — zo zeggen de ambtenaren — het schreeuwen te smoren.

Ja, zij weten niet van recht doen, luidt het woord des HEREN, zij, die geweld en onderdrukking opstapelen in hun burchten. (Amos 3:10)

? Tot de dood toe verwaarlozen

Een jury in Moore Haven, Fla, verklaarde Cheryl Mickler, 39, schuldig aan het niet fatsoenlijk verzorgen van haar verlamde man. Scott Mickler, 31, stierf 10 september 1990. Verpleegkundigen vonden hem met ernstige wonden wegens doorliggen en zijn voeten volkomen aangetast door gangreen (koudvuur). Zij verklaarde dat ze de toestand van zijn voeten niet had opgemerkt totdat er op de dag voor hij stierf een stuk afviel.

Hoort dit woord, gij koeien van Basan, die woont op de berg van Samaria, gij, die geringen verdrukt en armen vertrapt, ... (Amos 4:1)

? Failliet district

Orange Count, Calif., stelt voor schooldistricten, steden en instellingen 77 cent uit te keren voor iedere dollar die zij investeerden in het geflopte gezamenlijke investeringsfonds. Dat is wat er over is, nadat de gok van de laatste penningmeester Robert Citron op lage rentepercentages mislukte, waardoor er 1,69 miljard dollar verlies werd geleden.

Met verkleining van de efa, met vergroting van de sikkel, met bedrieglijk gebruik van een valse weegschaal, ten einde de geringen te kopen voor geld en de arme om een paar schoenen; en wij verkopen afval voor graan! (Amos 8:5-6)

? Oorlog tegen drugs aan de verliezende hand

Er is iets in de oorlog van de USA tegen drugs dat niet klopt. Het lijkt erop dat niemand wil winnen.

Dinsdag pronkte de regering van Clinton met een nieuw plan ter bestrijding van drugs in 1996. De regering stelt voor om een recordbedrag van $ 14,6 miljard — $ 1,3 miljard meer dan dit jaar — uit te geven.

Er bestaat inderdaad geen twijfel aan dat de natie een kolossaal drugsprobleem heeft. Eén op de acht Amerikanen gebruikte vorig jaar drugs. Er zijn bijna 2,7 miljoen verslaafden. En de kosten van dat gebruik en die verslaving zijn reusachtig groot — $ 70 miljard per jaar.

[Wee] Gij, die de boze dag ver weg stelt, en de zetel van het geweld nabij brengt, ... die uit plengvaten drinkt, vol wijn, ... maar om de verbreking van Jozef u niet bekommert! (Amos 6:3, 6)

Religie en heiligheid

"De Here HERE heeft gezworen bij zijn heiligheid" (Amos 4:2). Al heeft Hij niet de gewoonte om te zweren — Zijn woord is voldoende — doet God het soms toch om de aandacht te vestigen op de ernst van een uitspraak. De schrijver van Hebreeën zegt: "Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf" (Hebreeën 6:13).

Wat ziet God in Israël dat Hem zo beledigt dat Hij "bij Zijn heiligheid" moet zweren? Israël kreeg kansen die de heidenen niet kregen: Zijn roeping, Zijn beloften, Zijn woord, Zijn wetten. Hij gaf de Israëlieten deze gaven om hen te helpen zich tot Zijn zonen en dochters te ontwikkelen, maar God ziet hen als totaal tegengesteld aan Hemzelf. Zou God niet verwachten iets van Zijn karaktertrekken in Zijn zonen te zien?

Een eenvoudige illustratie uit de ervaring van de auteur in het bezoeken van een gezin kan helpen om dit punt te begrijpen. Ouders laten vaak hun trots zien door een foto van hun kinderen op een opvallende plaats te zetten, en deze ouders waren niet anders. In dit geval hadden drie van de vier kinderen een sterke gelijkenis met hun ouders, maar het vierde kind was zo zichtbaar anders dat het duidelijk of een geadopteerd kind was, of het resultaat van overspel.

God zegt: "Ik heb kinderen die geen geestelijke gelijkenis met Mij tonen." Hij laat zien dat de oorzaak geestelijk overspel is geweest — het achter andere goden en andere manieren van leven aangaan.

Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden. Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht. Wee het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de HERE verlaten, de Heilige Israëls versmaad, zich achterwaarts gewend. (Jesaja 1:2-4)

Een domme os en ezel laten meer verstand en waardering voor hun meester zien dan Israël deed ten opzichte van hun Vader! In plaats daarvan kwamen ze tegen Hem in opstand!

God gaf Israël veel voordelen — Zijn wet, Zijn voorzienigheid, Zijn bescherming — om Zijn volk in staat te stellen het leven op Zijn manier te leiden, maar zij keerden Hem de rug toe en volgden de wegen van andere goden. Paulus laat zien hoe onlogisch dit is:

Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde — en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte — voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem. (1 Corinthiërs 8:5-6)

Aangezien we voor ons leven volledig afhankelijk zijn van God als Ontwerper, Levengever en Onderhouder, heeft Hij de volledige zeggenschap over hoe wij zouden moeten leven. Onder alles wat met god wordt aangeduid, leeft alleen God op de manier waarop een God behoort te leven. Deze specifieke God — de God van Israël — is heilig, dat wil zeggen Hij alleen is transcendentaal anders, superieur en op Zichzelf staand. Hij heeft Zijn volk geroepen heilig te zijn (1 Petrus 1:15-16). Daaruit volgt dat een heilig iemand anders moet zijn op de manier waarop God anders is.

Gods liefde komt vanuit Zijn heiligheid voort — een uitgaande bezorgdheid voor anderen, een opmerkelijke eigenschap van Hem. Als God echter naar Israël keek, zag Hij een hele natie die van haar cultuur tot haar regering tot haar religie, was georganiseerd op basis van menselijke zelfgerichtheid. God wilde duidelijk bewijs zien van een goddelijke manier van leven, waardoor Hij hun beweringen Zijn volk te zijn, kon verifiëren. In Israël zag Hij niet zulk bewijs, maar in plaats daarvan een volk dat op elk gebied van het leven precies tegengesteld aan Hem was. Zij hadden geestelijk overspel gepleegd.

Vorm zonder inhoud

Gods klacht tegen Israëls religie is dat het wel de vorm had, maar geen inhoud. Het volk maakte pelgrimstochten naar hun heiligdommen, maar zij treurden niet om de zonden van de natie (Amos 6:6). Ze gingen naar de kerk, maar ze bleven bedriegen, stelen en liegen (Amos 8:5-6). Ze maakten er een grote show van religieus te zijn, maar hun religie veroorzaakte geen verandering in hun gedrag.

Gods woord laat zien dat ware religie bestaat uit het bezorgd zijn voor en het helpen van de zwakken, evenals het gastvrij en vrijgevig zijn voor hen die deze gunst niet kunnen beantwoorden (Jacobus 1:27). Ware religie is het zichzelf opofferen in dienen. Christus zei: "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden" (Johannes 15:13). Ware religie is het spreken van de waarheid en eerlijk zijn — zelfs als je tot eigen schade hebt gezworen (Psalm 15:4) — niet kwaadspreken of roddelen. Ware religie is niet tot op de laatste cent onderhandelen of ongeduldig wachten op het ondergaan van de zon aan het eind van de sabbat om de eigen zaken of pleziertjes weer op te pakken. Ware religie vordert geen woekerrente, enzovoort. Om een cliché te gebruiken, bij Israël was het: wel woorden, maar geen daden.

Zelfs nadat Hij hun Zijn wet gegeven had, liet God het volk Israël niet zonder een getuigenis — een juist voorbeeld — hoe te leven. Terwijl zij afdwaalden gaf Hij hun de nazireeërs, mensen die zichzelf aan God hadden gewijd (Amos 2:11; Numeri 6:1-21). Een nazireeër, een "afgescheiden" iemand, was iedereen van een andere stam dan Levi die zich voor een bepaalde periode aan God wijdde. Nazireeërs waren afgescheiden vanwege hun heiligheid; zij legden een gelofte af geen wijn te drinken, hun haar niet te knippen of geen dode lichamen aan te raken.

God riep binnen Israël blijkbaar voldoende nazireeërs om aan Zijn volk voorbeelden van een zuiver leven te geven. Daarnaast zond Hij profeten om tegen de natie te getuigen en de richting waarin zij ging aan de kaak te stellen. Hoe reageerde Israël? Waarschijnlijk dwongen ze met een of andere vervolging de nazireeërs hun gelofte te breken en snoerden ze de profeten de mond (Amos 2:12).

Hoe heiliger we worden, hoe groter het contrast tussen ons en de wereld — en hoe waarschijnlijker het is dat de wereld zover zal komen dat ze ons wil gaan vervolgen. Toen Jezus Christus, het heiligste, meest morele en afwijkende menselijke wezen dat ooit leefde, op aarde wandelde, werd Hij door Zijn eigen volk gedood. Zij konden Zijn heiligheid niet verdragen. Daarom waarschuwde Hij Zijn discipelen: "Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen" (Johannes 15:20).

Een waarschuwing voor de kerk

Evenals het oude Israël kunnen wij gemakkelijk terugvallen in onze oude manier van doen. De Israëlieten verwierpen de wet van God en baseerden zich op de tradities van heidense naties. Elia moest drastische maatregelen nemen om te voorkomen dat door de Baäldienst het dienen van de ware God volledig zou worden uitgeroeid (1 Koningen 18:20-40). Sommigen van Juda's koningen besteedden jaren aan het afbreken van heiligdommen en hoogten gewijd aan vreemde goden (2 Kronieken 34:1-7).

Christus waarschuwde de Farizeeën: "Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen" (Marcus 7:8). Bijvoorbeeld Kerstmis en Pasen zijn tradities van mensen, maar het zijn leugens. Wat gebeurt er als iemand die een religie probeert op te bouwen, leugens vermengt met de waarheid van God? Denk aan Gods wraak toen Aäron na het aandringen van de Israëlieten in de woestijn een gouden kalf maakte en een feest uitriep voor de Heer (Exodus 32:1-5). Het vieren van Kerstmis en Pasen is niet anders.

Het vermengen van de leugens van deze wereld met de waarheid van God brengt een smerig mengsel voort dat syncretisme wordt genoemd (Jacobus 3:10-13). "Christelijke" religies van deze wereld hebben de tradities van het heidendom vermengd met iets van de waarheid van Gods woord. Dit is niet anders dan wat Israël deed toen Amos in 760 v.Chr. schreef. Sinds ze onder Jerobeam I het huis van David verwierpen, hadden de Israëlieten een syncretische religie uitgeoefend (Amos 5:21-26; 8:14; 1 Koningen 12:25-33).

In deze tijd zitten de religieuze problemen waarmee we te maken hebben, in het algemeen meer in de subtielere aspecten van het christendom van deze wereld. Als de apostel Johannes ons zegt dat we uit de wereld moeten komen (1 Johannes 2:15-17), heeft hij het niet alleen over Kerstmis en Pasen, maar over houdingen, benaderingen, ideeën en neigingen die we met ons meenemen en mengen met de waarheid van God. Hoeveel hebben we daar nog steeds van? Het kan zijn dat we niet veel ervan hebben geïdentificeerd, maar als we doorgaan te groeien in genade en kennis, gaan we ons er bewust van worden en bekeren we ons ervan.

Door de menselijke natuur probeert Satan voortdurend de waarheid van God te vervangen door leugens. Gewoonlijk vindt het verlies aan waarheid subtiel en geleidelijk plaats; het lijkt sterk op het effect van de spreekwoordelijke kikker in water dat langzaam aan de kook wordt gebracht. In een religieuze organisatie ontbreekt het de tweede generatie van aanhangers meestal aan de energie en de dynamiek van hen die de religie stichtten. De kerk van God volgt in deze tijd hetzelfde patroon nu één van haar grootste takken de ene valse leerstelling na de andere aanneemt (Openbaring 2:18-29). Haar bestuurlijke organisatie, haar dienaren en leden glijden snel terug naar de wereld. Syncretisme is zeer zeker in de twintigste eeuw nog in leven.

Paulus waarschuwt Timotheüs, een leider van de tweede generatie christenen: "Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde, die in Christus Jezus is. Bewaar door de Heilige Geest, die in ons woont, het goede, dat u is toevertrouwd" (2 Timotheüs 1:13-14). Het is de verantwoordelijkheid van Gods kerk om uitzonderlijk voorzichtig te zijn om niet van de waarheid af te dwalen. (Voor meer informatie over dit onderwerp verwijzen we u naar ons boekje Behoed de waarheid!) Het oude Israël hield niet vast aan de waarheid die God hun gegeven had en tegen de tijd dat Amos op het toneel verscheen liet het volk duidelijk zien dat ze ver verwijderd waren van de manier van leven die aan hun vaderen was geopenbaard.

Rechtvaardig karakter opbouwen

Hoort, en betuigt aan het huis van Jakob, luidt het woord van de Here HERE, de God der heerscharen: Voorwaar, ten dage dat Ik Israëls overtredingen aan hem bezoek, zal Ik ook bezoeking doen aan Betels altaren, zodat de altaarhoornen afgehouwen worden en ter aarde vallen. (Amos 3:13-14)

Israëls valse religie, vertegenwoordigd door de altaren te Betel, ligt ten grondslag aan haar problemen. Het geweld en onrecht in de Israëlitische maatschappij kwam uiteindelijk voort uit het valse onderwijs dat vanaf de kansels werd verkondigd.

Om deze reden laat God zien dat de prediker, niet de burgerlijke autoriteit, het meest vitale onderdeel is van de gemeenschap. God stelde in Israël de Levieten aan als de leraren van Zijn manier van leven, en Hij zond de profeten als waakhonden voor de Levieten en de burgerlijke leiders. In veel gevallen werden de profeten gezonden om de koning of de natie te corrigeren als ze van de weg waren afgedwaald (bijvoorbeeld: 2 Samuël 12:1-15; 1 Koningen 18:17-19; 2 Koningen 21:10-15).

Aan de basis van iedere gemeenschap ligt een manier van leven die door het volk wordt gevolgd en aan hun kinderen wordt onderwezen. Is die manier van leven in overeenstemming met de God van de Bijbel, of is die aan het denken van de mens ontsproten? Als die naar de mens is, zal hij niet lang werken. Zo ging dat in Israël. De religie van Israël begon met een man, Jerobeam I, die de ware eredienst van God veranderde (1 Koningen 12:26-33).

? Hij stelde een feest in de achtste maand in om het echte Loofhuttenfeest in de zevende maand te vervangen.
? Het kan zijn dat hij de sabbat door zondagsviering verving.
? Hij verving de levitische priesters door mensen naar eigen keuze.
? Tenslotte verving hij God door gouden kalveren in Betel en Dan.

Een religie met zo'n begin was gedoemd tot mislukken en zou de natie daarin meetrekken.

Als religie niet goddelijk is, is de kracht ervan vernietigend en elk instituut in de natie zal daaronder lijden. Bijvoorbeeld, Amos 2:7 beschrijft een moedwillige handeling van rituele prostitutie in een heidense tempel: "Een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje, om mijn heilige naam te ontwijden." Wat was de beweegreden achter deze verdorven, immorele handeling?

Omdat Baäl niet leefde en ook geen morele kracht was, meenden zijn aanbidders dat zij alleen maar met hem konden communiceren door rituele Handelingen die uitbeeldden wat zij hem vroegen te doen. Daar Baäl, evenals bijna alle goden uit de oudheid, een vruchtbaarheidsgod was, liet de menselijke handeling van seksuele gemeenschap zien dat zij wilden dat Baäl het hun goed liet gaan. Maar wat was het werkelijke effect daarvan op de deelnemers en de natie? Rituele prostitutie diende er slechts toe het gezin uit elkaar te laten vallen, wat uiteindelijk leidde tot de vernietiging van de natie.

Baäl was slechts in die zin anders dan zijn aanhangers, dat hij boven hen stond. Gods verschil met ons is dat Hij heilig is; Hij is moreel en wij zijn immoreel. Nadat we Zijn roeping aannemen, draagt Hij ons op net zo moreel te worden als Hij dat is.

De basis van alle immoraliteit is zelfgerichtheid, precies het tegendeel van wat God is. God wil ons veranderen van mensen die uit zijn op het behagen van zichzelf, in mensen die bezorgdheid laten zien voor anderen. Dit is de essentie van ons behoud door Jezus Christus. God bouwt in hen die Hij uit de wereld roept — zij die door geloof zich uit vrije wil naar Hem willen voegen — een karakter gebaseerd op uitgaande liefde.

Immoraliteit ligt opgesloten in het verlangen van de mens om een zelfgericht leven te leiden onafhankelijk van God, zoals toen Adam en Eva een vrucht van de verboden boom aten (Genesis 3:1-19). Om moreel te worden moeten we ons zelfgericht ego doden door het gebruik en de leiding van Gods Heilige Geest. Als we zien dat onze gedachten en manieren niet de Zijne zijn, zouden we moeten veranderen en ons bekeren. Door ons aan Hem te onderwerpen zetten we een kleine stap op weg naar verandering in wat Hij is.

Dit proces — het opbouwen van karakter en heilig worden — vindt plaats in de periode waarin iemand geoordeeld wordt. Het oordeel ligt nu op het huis van God (1 Petrus 4:17). Uiteindelijk zal God in het Millennium en de daarop volgende algemene opstanding de gehele wereld overtuigen van zonde (Johannes 16:8-9) en proberen alle mensen tot bekering te brengen (2 Petrus 3:9)

Heilig worden

Als iemand zweert bij iets dat groter is dan hijzelf, verleent dat gewicht aan wat hij zegt. Hij bedoelt dat zijn woord even zeker is als het bestaan en de macht van degene bij wie hij zweert. Als iemand bij God of op de Bijbel zweert, zoals voor een rechtbank, erkent de mens dat God Zelf de eed bindend maakt.

God zwoer bij Zijn heiligheid. "Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel" (1 Petrus 1:15; Leviticus 19:2). We zien hier dat wij heilig moeten zijn, omdat Hij heilig is. Heiligheid wordt evenals gerechtigheid zowel door God toegerekend als door ons tot stand gebracht. Evenals de vaten van de tabernakel en de tempel heilig waren, zo zijn wij heilig als we bij onze bekering voor Gods gebruik worden gewijd, apart gezet (1 Corinthiërs 3:16; Colossenzen 1:22). Heiligheid is echter meer dan een toegerekende toestand waarin we verkeren. Het is een proces dat we door ons hele christelijke leven moeten najagen (Hebreeën 12:14). Daarom spoort God ons aan heilig te worden, heilig te zijn in ons gedrag (Romeinen 12:1; 2 Corinthiërs 7:1; Efeziërs 4:24; 2 Petrus 3:11; 1 Johannes 3:3).

De wetten die in Leviticus 19 staan, die door Petrus werden aangehaald, zijn uitdrukkelijke bevelen tegen het verontreinigen van het denken, het karakter, de persoonlijkheid en de houdingen van iemand door zonden zoals afgodendienst en het overtreden van het sabbatsgebod. God heeft het ook over zorgen voor de arme, over het niet oogsten van de hoeken van de akkers en het rechtvaardig zijn in het oordelen. Hij waarschuwt tegen aanzien des persoons en het altijd de kant kiezen van de minder bevoordeelde (die het in zijn zaak bij het verkeerde eind kan hebben). Hij vermeldt ook niets te eten waarin het bloed nog aanwezig is, het beoefenen van wichelarij of waarzeggerij, enzovoort. Deze en andere verontreinigingen maken iemand onheilig, onzuiver en verontreinigd.

Hij wil dat wij heilig zijn, omdat Hij met ons is en in ons is. Hij wil niet besmet worden door de onzuiverheden van Zijn volk. God wil nauw contact hebben met Zijn volk: "Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn" (2 Corinthiërs 6:16). Als wij omgang met Hem willen hebben, moeten we ermee beginnen heilig te worden zoals Hij heilig is. "Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine en Ik zal u aannemen" (2 Corinthiërs 6:17).

De Israëlieten, Gods volk, wordt geadviseerd om op zichzelf te staan, zodat ze elke mogelijkheid van verontreiniging kunnen vermijden: "Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods" (2 Corinthiërs 7:1). Vlees en geest duidt op "fysiek en geestelijk" of "lichaam en denken" — iemands totale persoonlijkheid — uitwendig en inwendig in alle relaties met God en medemens. Onze heiliging, waarvan wij een deel zelf doen, zet ons apart om de weg der heiliging te bewandelen.

Gods heiligheid

Heiligheid maakt God tot wat Hij is. Het is geen eigenschap van God zoals liefde, vreugde of almacht. Heiligheid is de grond, de basis en het fundament van God. Het is Zijn uniek-zijn en totaliteit, Zijn God-zijn en goddelijkheid zelf. Het is de volmaakte zuiverheid van God.

Zijn heiligheid wordt gesymboliseerd in de constructie van de tabernakel: "..., zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen" (Exodus 26:33). Een gordijn scheidde de twee ruimtes en alleen de hogepriester kon achter het gordijn gaan — en dan nog maar eens per jaar. De woorden heilige der heiligen zijn letterlijk "heiligheid der heiligheden". Het vertegenwoordigt het hoogste, de top, het toppunt van moraliteit. God was afgescheiden van Israël, niet omdat Hij onbenaderbaar was, maar omdat Hij wilde dat wij het verschil tussen Hem en ons zouden zien. Hij is echt benaderbaar; niemand in het universum is meer benaderbaar dan God. Maar Hij is in alles buitengewoon superieur.

Door de uitoefening van Zijn wil bleef Hij afgescheiden van Zijn volk om hen — en ons — ervan te doordringen dat het verschil een moreel verschil is. Hij gaf Zijn volk de tafels der wet, de code van een volmaakt morele God, zodat zij moreel konden worden zoals Hij dat is. Hij gaf hun ook het verzoendeksel, waarop bloed werd gesprenkeld, zodat ze met Hem verzoend konden worden. Zowel het verzoendeksel als de stenen tafelen bevonden zich in het heilige der heiligen.

Adam en Eva verborgen zich pas voor God na hun zonde. Daarvoor waren ze niet bang voor Hem. Wij beven voor God, niet omdat we bang zijn voor Zijn goddelijke macht, maar omdat we weten dat we zondaars zijn. Als zondaars behoren we niet in de nabijheid van een absoluut morele en zuivere God. Vanwege een schuldgevoel voelen we ons vervreemd, angstig en afgescheiden van God.

We kunnen dit gemakkelijk zien in Jesaja's ervaring met onze heilige God (Jesaja 6:1-5). De profeet schrijft dat hij "de Heer zag zitten op een troon" (vers 1), waarboven een onvermeld aantal serafs stonden, elk met zes vleugels. Een van deze engelen riep: "Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol" (vers 3).

Jesaja's reactie is leerzaam. Hij klaagt: "Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is, — en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen, gezien" (vers 5). In de tegenwoordigheid van een transcendent heilige God voelde deze man van God zich volledig verbrijzeld! Elke cel van zijn lichaam schreeuwde zijn verdorvenheid uit! Petrus voelde ook iets van dit soort zondigheid in de tegenwoordigheid van Jezus (Lucas 5:8).

Heiligheid maakt God tot wat Hij is. Niemand is heilig op de manier waarop onze God dat is. Hij is heiligheid, de God van absolute, morele volmaaktheid. Geen mens of god kan dit beweren. Hij is absoluut uniek en anders. God zweert bij wat Hij is, bij Zijn karakter. Dat is de allersterkste eed.

De zonde van Samaria

Israël daarentegen zweerde bij "de zonde van Samaria" (Amos 8:14), wat in feite verwijst naar een naam, Ashima, een Kanaänitische moedergodin. Deze Ashima vertegenwoordigt de invoer van vreemde culten en goden. Historisch gezien leende Israël goden vanuit de omringende naties en combineerde hun eredienst met die van de ware God. Door Zijn natuur te veranderen vernietigden zij het juiste beeld van de ware God. Dit veranderde op zijn beurt de bron van geloofsopvattingen, idealen, wetten, standaards, ethiek en moraliteit. Als er dan een honger naar Gods woord ontstaat (Amos 8:11), begint er snel immoraliteit op te komen.

Dan was de plaats van een van de heiligdommen die Jerobeam I oprichtte ter vervanging van de tempel in Jeruzalem (1 Koningen 12:29). Zijn namaakheiligdom bestond uit een namaak heilige der heiligen. In plaats van cherubs stonden er twee gouden kalveren zo opgesteld dat ze de basis vormden van een namaakverzoendeksel. Door de jaren heen werd de zichtbare aanwezigheid van de kalveren heel vertrouwd voor de Israëlieten, die spoedig de kalveren als God gingen vereren. Na het verstrijken van nog wat meer tijd werd de natuur van de kalveren de natuur van God.

Berseba met zijn valse heiligdom en geassocieerd met de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob, lag in het zuidelijk deel van Juda. Er waren mensen die pelgrimstochten naar Berseba ondernamen, een heel lange en zware tocht. Door de tijd heen kwamen ze ertoe te geloven dat hun gerechtigheid zou worden toegerekend door alleen maar daar heen te gaan. Zij maakten een "bedevaart naar Berseba" (Amos 8:14) en dachten dat God daarmee bij hen in de schuld kwam te staan.

Maar God is niemand iets schuldig! Hij zegent hen die de juiste houding hebben, hen die Zijn weg volgen en die groeien en overwinnen.

Amos waarschuwt ook het moderne Israël voor een toekomstige hongersnood voor wat betreft het Woord (vers 11), voor de tijd dat er een heel sterke beweging zal ontstaan om alle religies met elkaar tot één religie te syncretiseren of samen te voegen. Er zijn al oecumenische bewegingen, zoals het "Parliament of the World's Religions" [Parlement der wereldreligies] dat in augustus en september 1993 in Chicago werd gehouden, die eraan werken om "religieuze tolerantie en samenwerking tussen de verschillende geloven te bevorderen en aan te moedigen". Tijdens de zitting van het "Parliament" bespraken 6.000 vertegenwoordigers van alle belangrijke religies van deze wereld wat ze gemeenschappelijk hadden, en ondertekenden "The Global Ethic" [De wereldomvattende ethiek], een code die milieumisbruik, seksuele discriminatie, sociale wanorde en militaire agressie veroordeelt. De aanwezigen keken naar of namen deel aan New Age, bahai, boeddhistische, confucianistische, moslim, oorspronkelijk Amerikaanse, shinto, sikh, taoïstische en christelijke rituelen.

God waarschuwt dat zij die deze walgelijke dingen vereren, "zullen vallen en niet weer opstaan" (vers 14). Hoe definitief! Het past ons werkelijk nu Gods woord op te gaan slaan, voordat deze geestelijke hongersnood — die reeds in de beginfase aanwezig is — zijn hoogtepunt bereikt, zodat we ondersteund zullen worden om de zware tijden die pal in het verschiet liggen, te doorstaan.

Zuurdesem in religie

"Komt naar Betel en pleegt afval, naar Gilgal [Statenvertaling: overtreedt te Gilgal] — vermeerdert de afval! Brengt des morgens uw slachtoffers, op de derde dag uw tienden!" (Amos 4:4). Afval plegen, overtreden duidt op rebellie, niet gewoon op zonde. Zoals we hebben gezien, beschouwde God Israëls syncretische benadering tot religie als een totale verwerping van Zijn manier van leven.

Amos spreekt sarcastisch als hij suggereert dat het volk vaker zou moeten offeren en tienden geven. Hij zegt: "Als u uw tienden elke drie dagen brengt in plaats van elke drie jaar, zal uw god, Baäl, misschien reageren." Dit klinkt enigszins als Elia's sarcastische commentaar in 1 Koningen 18:27.

"Ontsteekt een lofoffer van het gezuurde en roept vrijwillige offers uit; doet het horen! Zo wilt gij het immers gaarne, o Israëlieten, luidt het woord van de Here HERE" (Amos 4:5). Geen enkele offerande mocht iets gezuurds bevatten. "Geen spijsoffer, dat gij de HERE brengt, zal gezuurd bereid worden, want van zuurdeeg noch honig zult gij iets als een vuuroffer voor de HERE in rook doen opgaan" (Leviticus 2:11). Slechts één offerande, de beweegbroden met Pinksteren, werd met zuurdesem gebracht (Leviticus 23:17). Aan het offer van de beweegbroden ging een zondoffer vooraf; de zuurdesem in de beweegbroden stelde de zonden voor die nog steeds in de gemeente van Israël aanwezig waren.

In Amos 4:5 gaat zijn sarcasme verder. De Israëlieten hadden net zo goed al hun offeranden met zuurdesem kunnen brengen, omdat al hun tradities, leerstellingen, gewoonten en religieuze plichten niets anders waren dan leegheid, ijdelheid. Zelfs al waren ze oprecht in het uitvoeren van al die dingen, desondanks waren ze een zuurdesem dat vanuit de wereld was binnengebracht. Op soortgelijke manier zegt Jezus ons op te passen voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën (Mattheüs 16:6-12), dat wil zeggen voor hun leerstellingen en hun tradities.

Zelfs een snelle blik op moderne religieuze praktijken laat zien hoe gedachteloos de mensen de leerstellingen en tradities aanvaarden die ze hebben geleerd — zonder ze te bewijzen. Miljoenen oprechte mensen gaan iedere week naar de kerk, vieren de feesten en sturen hun kinderen naar christelijke scholen zonder ooit hun geloofsopvattingen te bewijzen. Ze zingen in het koor en geven royaal als de schaal langskomt, maar ze kennen de god die ze vereren niet werkelijk — ze hebben geen intieme relatie met hem. Ze aanvaarden gewoon blindweg de zuurdesem die hun, toen ze opgroeiden, werd onderwezen.

God verandert ons

God dreigt vanwege haar valse religie (Amos 5:6) vuur naar Israël te zenden, vuur dat goddelijke verwerping en zuivering vertegenwoordigt (Maleachi 4:1). Ook al is de Bijbel uiteindelijk geschreven voor Zijn geestelijke kinderen, toch richt deze zich op het oude Israël, omdat zij bestaat uit Gods uitverkoren volk. We kunnen ons eigen leven terugzien in hun voorbeeld. Amos bewijst op basis van de ongehoorzaamheid en de verdorvenheid van de Israëlieten, dat zij geen relatie hadden met God. Zij hadden hun bevoorrechte positie onder het verbond niet gebruikt om zich te veranderen in een goddelijk volk. Daarom moest God een zuiverende vernietiging op hen loslaten.

Betel, Gilgal en Berseba waren pelgrimsplaatsen, plaatsen waar de mensen heengingen om de feesten te vieren. Maar God zegt: "Ik haat, Ik veracht uw feesten" (Amos 5:21)! Vers 22-23 laat zien dat de Israëlieten van al de rituelen en het amusement van de feesten hielden, maar na afloop van de feesten waren ze geen betere mensen (vers 24). Ze gingen terug naar huis zonder dat ze veranderd waren, zonder dat ze een houding van bekering hadden aangenomen, na wat verondersteld werd een gelegenheid te zijn geweest waar ze hun leven opnieuw aan God hadden gewijd!

Onze houding in het bijwonen van de feesten in deze tijd zegt God net zoveel als die van de Israëlieten tijdens de periode waarin Amos optrad. Gaan wij naar het Loofhuttenfeest om God te zoeken en Hem te leren vrezen, zoals Hij in Deuteronomium 14:23 zegt? Onze redenen om Gods feesten bij te wonen zijn heel belangrijk. Gaan we om liefde te krijgen en onszelf te vermaken? De feesten moeten plezierig zijn, maar zij die erheen gaan om liefde te geven en anderen te dienen profiteren er het meest van. Zij die erheen gaan om liefde te krijgen, voelen zich gewoonlijk gekwetst en keren terug van het feest om iedereen die wil luisteren, te vertellen hoe "koud" anderen zich ten opzichte van hen gedroegen.

Gebaseerd op de bijbelse gebeurtenissen die in deze plaatsen voorvielen, zien we dat Betel heroriëntatie en hoop uitbeeldt; Gilgal het ontvangen van de beloften; en Berseba omgang met God. Wij kunnen deze dingen in Christus hebben, als we ons houden aan de termen van ons verbond met Hem. In het voorbeeld van Israël kunnen we zien dat het horen over de weg van God en deze intellectueel kennen niet genoeg is. Het leven van het volk van Israël kwam niet overeen met wat zij wisten.

De lessen die wij kunnen leren uit de gebeurtenissen in Betel, zijn in het bijzonder illustratief over de invloed van God die verandering teweegbrengt. In Betel had Jakob zijn droom over een ladder die tot in de hemel reikte, en engelen klommen via die ladder op en daalden af (Genesis 28:12). Toen hij na die droom wakker werd, hield Jakob er rekening mee dat God zeer zeker op die plaats aanwezig was en noemde die "Betel" of "huis van God". De opklimmende en afdalende engelen, boodschappers van God, beelden uit dat God, niet de mens, de communicatie begint. Met andere woorden de ladder bracht God naar Betel. Als God op het toneel arriveert en afdaalt om met een mens te communiceren, veroorzaakt Hij een verandering in zijn leven.

Jakobs leven begon inderdaad snel te veranderen, in het bijzonder zijn houding. Hij was op de vlucht om in leven te blijven, maar toen hij in Betel aankwam, veranderde zijn toekomst dramatisch, omdat God contact met hem zocht. God bevestigde Jakob Zijn beloften aan Abraham en Isaak. Er begon toen een verandering die doorging zolang hij leefde.

Toen hij op de vlucht was voor Esau, een man om bang voor te zijn, dacht Jakob dat zijn broer op elk moment vanachter een rots te voorschijn zou kunnen komen. Hij kwam wanhopig in Betel aan, maar hij vertrok als iemand met een toekomst — God zei dat Hij met hem zou zijn. Jakob stond dus op en sloot een verbond met God dat als Hij hem zou zegenen, dan zou hij de tienden aan God geven (Genesis 28:18-22).

Toen Jakob in Betel terugkeerde na zo'n twintig jaar Laban te hebben gediend, verscheen God opnieuw aan hem, waarbij Hij zijn naam veranderde in Israël (Genesis 35:1-15). In het bijbelse verslag duidt een naamsverandering, die normaal plaatsvindt in een crisisperiode tijdens iemands bekering, op een verandering van hart. Ongetwijfeld vond hier een belangrijke verandering plaats en nog één te Pniël, waar Jakob met Christus worstelde (Genesis 32:24-30). Pniël was een springplank naar wat er bij zijn terugkeer naar Betel plaatsvond, en tussen deze twee plaatsen zien we Jakobs geestelijke bekering.

Voor Israël en Amos vertegenwoordigde Betel toen heroriëntatie en hoop. Daar werden het oude leven en de oude mens nieuw. Dit idee wordt later in het nieuwtestamentische onderwijs over onze geestelijke verandering naar het beeld van God weerspiegeld (2 Corinthiërs 3:18; Efeziërs 4:12-15, 20-24; 1 Johannes 3:2).

Contact met God veroorzaakt verandering en Betel vertegenwoordigt deze veelbelovende heroriëntatie. Israëlieten kunnen wel naar Betel hebben gereisd, maar Amos laat zien dat er geen verandering plaatsvond. Er was geen verandering in heiligheid en moraliteit. Zij genoten van de omgang met elkaar en van de mooie tijd op de feesten, maar zij gingen naar huis terug en vatten de draad weer op alsof er niets was gebeurd. Anders dan Jakob hadden zij zich niet bekeerd.

De illustraties in Amos 5:8-9 beelden het proces uit van verandering en transformatie van karakter waar God naar uitkijkt. De Pleiaden en Orion vertegenwoordigen de verandering der seizoenen waarin andere constellaties de hemel domineren. Al verandert Hij de Pleiaden en Orion niet echt, toch doet God het erop lijken alsof ze langs de hemel schuiven vanwege de omwenteling van de aarde om de zon. "Doodsschaduw in morgenstond" [Statenvertaling] betekent dat Hij de duisternis in licht verandert. "Het water der zee" beschrijft het proces van verdamping en condensatie dat regen op de aarde voortbrengt.

Let op de verandering in deze paren: van Pleiaden in Orion, doodsschaduw in morgenstond, dag in nacht, water van de zee in aarde, verwoesting in sterkte en verwoesting in vesting. God is een God die dingen transformeert; Hij verandert mensen ten goede. Als we God zoeken zal Hij een verandering in ons leven brengen.

Ware religie

Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten. Ja, als gij Mij brandoffers brengt, en uw spijsoffers, heb Ik daaraan geen welgevallen, en uw vredeoffer van mestkalveren wil Ik niet aanzien. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek. (Amos 5:21-24)

Israëls religie was nergens op gericht. De mensen waren niet rechtvaardig, moreel of juist in hun handelen met elkaar. Hun spelen met religie was dus, ook al was het oprecht, verachtelijk voor God.

Toen Noach na de zondvloed een offer bracht, was de reuk aangenaam voor God (Genesis 8:20-21). Maar de Israëlieten brachten offers die Hem niet behaagden. Zij brachten dezelfde offeranden, maar er was een enorm verschil tussen hen die de offeranden brachten, tussen Noach en de Israëlieten uit Amos' tijd. Ezechiël 14:14 vermeldt Noach als één van de meest rechtvaardige mensen die ooit hebben geleefd. Maar deze Israëlieten waren verdorven, onrechtvaardig, onbarmhartig en schijnheilig.

In de lijst van offeranden in Amos 5:22 wordt het zondoffer niet vermeld, waarmee wordt gesuggereerd dat de Israëlieten meenden dat ze geen zonde hadden begaan waarvoor vergeving nodig was. Dit laat zien dat ze niet in contact met God stonden; ze hadden geen relatie met Hem. Als zij die hadden gehad, dan zouden ze hebben beseft waar ze tekort waren geschoten, en hadden ze zich kunnen bekeren.

Amos neemt drie andere offeranden op die de Israëlieten brachten, maar die God niet wilde aanvaarden. Als we weten wat die voorstellen, geeft ons dat inzicht in hoe het volk in zijn geestelijk leven tekortschoot.

Het brandoffer onderwijst totale toewijding aan de Schepper. Het werd volledig op het altaar verbrand, waarmee de volledige toewijding in dienst aan God werd getypeerd van degene die het offer bracht. Deze offerande correspondeert met de eerste vier geboden, die liefde en toewijding aan God laten zien.

Op soortgelijke wijze onderwijst het spijsoffer totale toewijding en dienst aan de mens. Het werd samen met het brandoffer gebracht. Het spijsoffer typeert de laatste zes geboden, die onze relatie en liefde jegens onze medemens ordenen.

Het vredeoffer vertegenwoordigt iemands omgang naar boven met God en uitgaand naar de mens. Het werd voornamelijk gegeven als dank voor Gods zegeningen. Als dit offer werd gebracht deelden God, de priester, de offeraar en zijn gezin en vrienden in een gemeenschappelijke maaltijd en omgang met elkaar, terwijl al deze partijen een deel aten van het offerdier.

Maar uit Gods reactie op hun offeranden is het duidelijk dat de mensen van het oude Israël niet aan God of aan hun medemens waren toegewijd. Ook hadden ze geen echte omgang met God of mens en daarom konden ze hun zonden niet zien. Zij zagen de heiligheid van God niet en konden zich daarom niet daarmee vergelijken. Als zij die wel hadden gezien, hadden ze ingezien dat zij veranderingen in hun leven moesten aanbrengen, maar door zichzelf alleen maar tegen andere mensen te beoordelen — iets wat niet verstandig is om te doen (2 Corinthiërs 10:12) — hadden ze geen behoefte aan bekering.

Zij begrepen niet wat God echt van hen verlangde. Ze kunnen hun eigen geweten tevreden hebben gesteld door naar de kerk te gaan, liederen te zingen en offeranden te brengen, maar ze gingen naar huis om gewoon door te gaan met verdrukken, bedriegen en liegen. Ware religie is:

1) Een relatie met God (Mattheüs 22:37). Zonder een relatie met Hem kunnen we Hem niet kennen of Zijn doel met ons begrijpen.

2) Onderwerping en gehoorzaamheid aan God als ons deel van de relatie (Jacobus 4:7-8). Door de Israëlieten aan te bieden een verbond met hen te sluiten (Exodus 20-24), deed Hij in feite een huwelijksaanzoek. Zij aanvaardden hun verplichting — Hem te gehoorzamen — maar zij waren ontrouw in de vervulling ervan. Als het Israël van God (Galaten 6:16) en de toekomstige Bruid van Christus (Openbaring 19:7-9) moet de kerk het niet laten afweten zoals het oude Israël deed.

3) Werkelijke liefde voor Gods waarheid (2 Thessalonicenzen 2:10). Israël had Gods waarheid niet lief en zocht deze ook niet.

4) Morele integriteit (1 Petrus 3:8-12). In rechtvaardigheid en heiligheid leven laat liefde zien jegens God en mens.

5) Sociale verantwoordelijkheid (Jacobus 1:27). Israël, als natie van de wereld, had een verantwoordelijkheid om te garanderen dat hun zorg voor hun mede-Israëliet aanvaardbaar was in Gods ogen. De kerk, een geestelijk organisme, is niet van deze wereld en heeft in deze tijd als organisatie geen verantwoordelijkheid de maatschappij te veranderen — alleen onszelf. We moeten nu zorgdragen voor onze medebroeders binnen de kerk; we zullen in Gods Koninkrijk onze kans krijgen deze wereld te helpen.

Deze vijf punten zullen ons niet het recht geven in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, maar ze zijn veeleer vijf bewijzen dat we de ware religie aanhangen. Denk aan Jakobs droom. God kiest ons en ontmoet ons aan de voet van de ladder om een verandering in ons leven aan te brengen. Hij geeft ons een manier van leven om ons aan te houden en wij beloven die te volgen. Ware religie is dus geen weg naar God, maar een manier van leven ontvangen van God.

Genade en wet

Het geven van de wet op de berg Sinaï was het hoogtepunt van een serie gebeurtenissen die begon met het Pascha, het moment en het middel tot de verlossing der Israëlieten. Bij het Pascha doodden zij een lam en brachten het bloed aan op hun deurposten. Toen de doodsengel doortrok om de eerstgeborenen te doden, werden zij die bloed aan hun deurposten hadden, gespaard. God redde, verloste, kocht Zijn volk terug.

De berg Sinaï voegt het andere deel van die verlossing toe. Al bevrijdde de verlossing door het bloed van het lam (Christus) hen van de overheersing door zonde en dood, laat het geven van de wet op de berg Sinaï zien dat hen bevrijden niet alles was wat God in gedachten had. Israël kwam naar de berg Sinaï na te zijn bevrijd, hoorde daar de wet en stemde ermee in die te onderhouden. God gaf de wet om het patroon van leven, de principes van rechtvaardigheid voor de verlosten te laten zien.

Aan de ene kant van de medaille hebben we genade en aan de andere kant hebben we wet en gehoorzaamheid. Zij zijn in harmonie met elkaar, ze kunnen niet van elkaar gescheiden worden. Ze zijn beide essentiële onderdelen van het proces van heiliging dat uitloopt op behoud. Genade wordt gegeven bij bekering van zonde, maar wat moet een christen na zijn bekering met zijn leven doen? Gehoorzaamheid aan God en het leiden van een leven van heiligheid worden zijn eerste prioriteiten, en deze werken eraan om een karakter naar het beeld van God voort te brengen (2 Corinthiërs 3:18).

Amos 5:25 bevestigt opnieuw dat het slachtoffer, het offeren en het vergieten van bloed een fundamentele noodzaak is voor een relatie met God. "Brachten jullie Mij veertig jaar in de woestijn brand- en slachtoffers, huis Israëls"? Het antwoord is "Ja". Het volk bracht offers, maar was dat alles wat ze deden? Hij impliceert dat al brachten zij offers, er iets ontbrak — gehoorzaamheid aan de wet.

God zei Israël dat Hij in de tabernakel zou wonen, specifiek in het heilige der heiligen, waarvan we de symboliek moeten begrijpen. Het belangrijkste meubelstuk binnen het heilige der heiligen was de ark, waarvan het deksel aangeduid werd als verzoendeksel, een houten deksel overtrokken met bladgoud. Dit deksel diende als zetel voor God. Binnen de ark, onder de zetel, lagen de twee stenen tafelen, waarmee gesymboliseerd wordt dat God op Zijn wet zit, de basis van Zijn oordeel.

Als iemand zondigt, gaat hij zich afscheiden van de omgang met God (Jesaja 59:1-2). Hij wordt als het ware niet langer toegelaten in het heilige der heiligen. Welk middel verschafte God om de verbroken relatie, de omgang, weer te herstellen?

Men zou kunnen denken dat het brengen van een zondoffer God zou doen bedaren en dat Hij de zonde zou vergeven. Hebreeën 10:4 is echter heel duidelijk: "Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen" (Hebreeën 10:4). Waarom liet God de Israëlieten deze offeranden dan brengen? "Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht" (vers 3). Daar Amos het zondoffer in Amos 5:22 niet vermeldt, schijnt het dat Israël zelfs geen poging deed om aan zonde te worden herinnerd.

Hoe werd de omgang dan hersteld? Op de Verzoendag ging de hogepriester eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen om het verzoendeksel met bloed te besprenkelen. Gods bedoeling met dit ritueel was het volk te laten zien dat hun overtredingen van Zijn wet door het bloed werden bedekt. De verlosten konden opnieuw omgang hebben met God.

Het bloed en de wet zijn essentiële onderdelen voor het instandhouden van de juiste relatie met God. De wet is permanent en codificeert de natuur van God in voorschriften om ons te helpen Hem goed te begrijpen. Gehoorzaamheid aan Zijn wet is een eeuwigdurend vereiste, waarbij bloed beschikbaar is om elke overtreding ervan te bedekken.

Toepassing voor deze tijd

De nieuwtestamentische toepassing wordt gevonden in 1 Johannes 2:1-2:

Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.

Verzoening is "een genoegdoeninggevende kracht". De wet omschrijft nauwkeurig wat de eeuwigdurende vereisten zijn van gehoorzaamheid aan God, en bloed betaalt voor zonde.

God verlangt offeranden en gehoorzaamheid, geen religieus spelletje. Het moet worden benadrukt dat onze gehoorzaamheid niet ten doel heeft ons behoud te geven — behoud is door genade — maar om ons te helpen heiligheid te vervolmaken (2 Corinthiërs 7:1) en een getuigenis te geven dat God in ons leven werkzaam is (Mattheüs 5:16).

Israëls puur ceremoniële religie kon de waarheid nooit waarborgen, omdat het volk er niet naar leefde. Door de rituelen in hun heiligdommen te gebruiken in het aanbidden van door de mens gemaakte goden, niet de Schepper God, kwamen ze volledig los te staan van de waarheid die in de wet gevonden wordt. God laat niet met Zich spotten (Galaten 6:7). Het bewijs van ware religie is dat door Zijn correctie in barmhartigheid en liefde elk gebied van het leven aangeraakt en gezuiverd zal worden. Als we echt in contact staan met de ware God, zal er bij ons groeien stapje voor stapje een verandering plaatsvinden.

Om te bepalen of ons belijden en toepassen van religie aangenaam is voor God, moeten we twee vragen in beschouwing nemen: 1) Zijn wij bedekt met het bloed van Jezus Christus? en 2) Gehoorzamen we God naar het beste van ons begrip?

We gehoorzamen nooit naar de mate van onze kennis, omdat kennis, weten wat God verwacht, altijd ons vermogen te boven gaat. We verzamelen kennis voordat we het vermogen hebben ernaar te leven, en dat zorgt ervoor dat we ons schuldig voelen omdat we beseffen dat we niet toepassen wat we weten. Dit schuldgevoel is niet echt verkeerd, want zonder schuld zouden we niet veranderen. Het is goed als het ons doet veranderen, maar als schuld neurotisch wordt, wordt het vernietigend en verkeerd.

In deze tijd proberen psychologen schuld vanuit elke gedachte, woord en daad te verwijderen — een duidelijk teken van wijdverspreide geestelijke armoede en zelfgenoegzaamheid. Maar God zegt dat we Hem met een zuiver geweten kunnen aanbidden, omdat we weten dat we door Christus' offer gereinigd zijn van onze in het verleden begane zonden, en omdat we weten dat God getrouw is aan ons zolang we uit geloof leven (Hebreeën 10:19-23).

Vurigheid zonder waarheid

Amos was zich ervan bewust een boodschap van God te hebben. Hij wilde dat zijn boodschap een zo krachtig mogelijke indruk zou maken. Hij wilde de volledige waarheid aan deze mensen overbrengen, zodat zij zich konden bekeren. De apostel Paulus had een soortgelijk verlangen:

Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen. (Romeinen 10:1-3)

De Israëlieten waren vurig religieus. Zij maakten echter een fout door oprechtheid en ceremonie los te koppelen van de waarheid zoals die in Gods woord wordt geopenbaard. Oprechtheid en ceremonie zijn slechts onderdelen van een religie. Het volk woonde diensten bij, verzamelde zich in de heiligdommen, voerde de rituelen uit en bracht de offeranden. Maar ze dienden God niet in overeenstemming met hun kennis en ze bevorderden niet de gerechtigheid van God. David schrijft: "De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God" (Psalm 51:19). God verachtte Israëls offeranden, omdat het volk ze niet bracht in geest en waarheid (Johannes 4:21-24).

In de Verenigde Staten zijn de mensen ook algemeen religieus. Het Amerikaanse geld draagt het motto: "We vertrouwen op God." Het schijnt dat er bijna op elke kruising een kerk wordt gebouwd en er wordt heel wat over religie gepraat. Velen gaan op in de "geest van de feestdagen". Radiostations spelen voortdurend kerstmuziek in de weken voorafgaand aan de feestdagen. Opiniepeilingen geven aan dat een groot percentage Amerikanen zich als religieus beschouwt. Vierentachtig procent van de Amerikanen ziet God als de hemelse Vader van de Bijbel die door gebed benaderd kan worden (Het Princeton Religieus Onderzoekcentrum, "Religion in America: 1992-1993"). Maar als geheel dienen we God niet in geest en waarheid.

God dienen in geest en waarheid is het kennen en volgen van Gods manier van leven. God dienen in de geest kan in principe twee dingen betekenen: 1) door en met hulp van de Geest van God, en ook 2) in oprechtheid, enthousiasme en vurigheid. Jezus heeft de bedoeling dat we Zijn woorden in Johannes 4 in dezelfde zin begrijpen. Zij die God dienen moeten dit in waarheid doen door Zijn Geest in oprechtheid en vurigheid. Zij leiden een manier van leven en passen een religie toe die God behaagt. En hun leven weerspiegelt de grote, veranderingen teweegbrengende macht van God.

Zelfgenoegzaamheid en Laodiceanisme

"Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (1 Corinthiërs 10:12). In enigszins andere bewoordingen gaf Amos dezelfde waarschuwing aan de Israëlieten van zijn tijd. Een overheersend thema in zijn boek is dat prestaties uit het verleden geen compensatie kunnen zijn voor een huidig gebrek aan geestelijke en morele toewijding. Al waren ze aan de buitenkant religieus, toch zocht het volk van Israël God niet, maar vertrouwden ze uitsluitend op hun bevoorrechte positie onder het Oude Verbond.

In zijn tijd viel Johannes de Doper hetzelfde probleem aan in de houding van de Farizeeën, een groep die aan de buitenkant heel religieus was, maar aan de binnenkant verdorven en zelfgericht (Mattheüs 23:25, 27-28).

Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. (Mattheüs 3:7-9)

Christus bekritiseerde de Farizeeën vaak scherp om hun schijnheilige religie die tot uiting kwam in een voorliefde voor ritueel en praal met weinig of geen aandacht voor ware gerechtigheid. Een soortgelijke houding van het verwaarlozen van iemands geestelijke conditie kroop al vrij vroeg de kerk binnen; dit spoorde de apostelen aan de christenen voor de gevaren ervan te waarschuwen (Hebreeën 2:1-3; 5:12). Deze waarschuwingen passen evengoed op onze tijd. Met zo'n heersende zelfgenoegzame houding in de maatschappij om ons heen — en de wederkomst van Jezus Christus in het nabije verschiet — moeten ook wij acht slaan op deze waarschuwingen.

God en de profeet

Amos, een veehouder van het platteland van Juda, wist zeker dat hij voor zijn boodschap verwerping en vervolging het hoofd zou moeten bieden, toch hekelde hij de Israëlieten in zijn boek vanaf het begin tot het einde. Voorzichtige mensen waren bang zich uit te spreken uit angst voor vergelding (Amos 5:13), maar Amos was voor niemand bang, behalve voor God. Toen het volk schreeuwde: "Wie ben jij om naar Betel en Samaria te komen om tegen ons te preken?", antwoordde hij vrijmoedig: "De Here HERE heeft gesproken, — wie zou niet profeteren?" (Amos 3:8). Hij had goede redenen om hun verdorvenheid en zelfgenoegzaamheid te ontmaskeren, en God had hem de autoriteit gegeven hen terecht te wijzen.

De brullende leeuw (vers 8) had de stem der profetie in Amos gestimuleerd, omdat het voor het volk Israël nog steeds mogelijk was zich te bekeren. Het is zodoende de verantwoordelijkheid van de profeet op de bres te gaan staan — om een duidelijke waarschuwingsboodschap te geven om het volk met God te verzoenen. Op overeenkomstige manier heeft een pastor dezelfde verantwoordelijkheid jegens zijn gemeente. Hij moet: "Luidkeels roepen, zich niet inhouden, zijn stem verheffen als een bazuin en mijn volk zijn overtreding bekendmaken", zodat ze zich met God kunnen verzoenen (Jesaja 58:1).

De profeet moet zich op het heden richten, terwijl hij de toekomst in overweging neemt. Zoals God in Deuteronomium 32:29 zegt: "Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan, zij zouden op hun einde letten." God houdt de profeet verantwoordelijk voor de verkondiging hiervan, waarmee hij Zijn volk voorziet van een getuigenis voor wat betreft de consequenties van hun daden.

Hoe weet de profeet wat voor getuigenis hij aan Gods volk moet geven? "Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten" (Amos 3:7), hen met wie Hij een bijzondere, nauwe relatie heeft. God wandelde en sprak met Abraham, die Hij Zijn vriend noemde. Mozes' omgang met God was zo intiem dat Hij Zich van achteren aan hem liet zien. Hij openbaarde Zich ook aan andere profeten door deze intieme omgang en zij leerden daardoor het denken en de wil van God kennen.

God legde Zijn relatie niet op aan Zijn profeten zodat hun persoonlijkheid verdween vanuit wat ze zeiden of schreven. In het geval van Amos begint het boek met "De woorden van Amos" [Statenvertaling], maar hij schrijft onmiddellijk daarna: "De HERE brult uit Sion" (vers 2) en "Zo zegt de HERE" (vers 3). God en de profeet werken samen.

God inspireert, maar legt niet op alsof de profeet niet meer was dan een stuk gereedschap, zoals een schrijfmachine of een luidspreker. Hij zorgt ervoor dat de profeet zich van Hem bewust wordt, en helpt hem zijn omgeving te observeren en herinnert hem aan zijn eigen ervaringen in samenhang met Zijn weg. Zodoende komt de persoonlijkheid van de profeet aan de oppervlakte in wat hij spreekt en schrijft.

Amos' terechtwijzende benadering doet enkele vragen opkomen: Is het altijd de plicht van een profeet (of een prediker) mensen met geloof, vertrouwen en een positieve gezindheid te bezielen? Nee. Is er ooit een tijd of een omstandigheid waarin het juist is om mensen met twijfel over hun leven te vervullen? Ja! Wat voor soort omstandigheid? Als mensen verkeerd handelen en zich er niet van bewust zijn.

Hoe moet hij hen dan corrigeren? Normaal is de beste manier om vriendelijk te zijn en vragen te stellen. Hij zaait twijfel door hen te doen denken dat de toekomst — als ze in de richting doorgaan waarin ze gaan — misschien niet zo rozig en zeker is als zij zich voorstellen. Dan geeft hij hun de tijd om daarover na te denken.

Denk nu eens aan het moderne Amerika. Zijn wij niet de grootste "christelijke" natie die ooit op aarde heeft bestaan? Hebben wij niet overal ter wereld Bijbels verspreid? Hebben wij niet meer geld aan liefdadige doeleinden gegeven dan praktisch alle naties in de wereld bij elkaar? Wij denken dat wij een aparte, onderscheiden en grotere natie zijn dan andere. De Bijbel had het denken van ons volk tot ongeveer de vorige generatie diep doortrokken. Het is zeker dat de Heer met deze natie is!

Maar Amos introduceert een element van twijfel in deze lijn van redeneren voor zowel ons als het oude Israël. "Misschien zal de HERE, de God der heerscharen, Jozefs rest genadig zijn" (Amos 5:15). God was met hun vader Jozef, maar was Hij met zijn nakomelingen? Zij gingen naar de kerk en hielden de feesten, maar zulke Handelingen maken niet noodzakelijkerwijze indruk op God.

Vanwege zijn eerdere verwijzing naar Berseba (vers 5), noemt Amos Jozef, die zelfs in slavernij door God gezegend werd. God zei Abraham, Isaak en Jakob in Berseba: "Ik zal met u zijn." Voor Israël vertegenwoordigde het heiligdom in Berseba dat God met hen was, een idee dat even belangrijk voor ons is. Wandelt God echt zo met ons als met Abraham, Isaak, Jakob en Jozef? Kunnen wij met grote hoop naar de toekomst kijken? Zullen wij een gemakkelijk leven hebben om daarna het Koninkrijk van God binnen te gaan en de grote verdrukking te vermijden? Als God echt met ons is, hebben we dan niet Zijn belofte: "Ik zal u bewaren voor de ure der verzoeking" (Openbaring 3:10)?

Of veronderstellen we als natie of als kerk op zelfvoldane wijze dat Hij met ons wandelt? Hebben we overwogen dat dit niet het geval zou kunnen zijn? Het volk van Israël veronderstelde dit en Amos kondigde heel onomwonden aan dat God niet met hen wandelde. Ze waren misleid!

De Israëlieten wentelden zich in rijkdom en macht. Zij ondersteunden hun religieuze instituten en woonden diensten en feesten bij. Maar in Gods ogen waren zij "ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt" — evenals de kerk te Laodicea (Openbaring 3:17). In werkelijkheid was God niet in hun leven, al wilde Hij dit wel. Middels Amos klopte Hij bij hen aan op de deur (vers 20).

Moeten we ons toestaan te ontspannen, omdat we deel uitmaken van Gods ware kerk? De Joden in de tijd van Jeremia vertrouwden op de aanwezigheid van de tempel om hen zekerheid te geven (Jeremia 7:1-4). Niet lang daarna voerde het leger van Nebukadnessar de natie in slavernij naar Babylon. De Joden uit Jezus' tijd voelden zich veilig, omdat zij onder het Oude Verbond geboren waren en hun afstamming konden terugbrengen tot Abraham (Johannes 8:33). Binnen veertig jaar lieten de Romeinen niets van Jeruzalem over dan een hoop puin.

Is het dan mogelijk dat zelfs als beschouwen we onszelf als christenen, onze toekomst geen tijd van kalmte en hoop zal zijn, maar een van zware beproevingen? Naderen we niet in snel tempo "de tijd van benauwdheid voor Jakob" (Jeremia 30:7)? Het is nu geen tijd om uit te blazen of op onze lauweren te rusten!

Eerste onder de naties

Amos 6 is op een interessante manier geschreven. Het eerste vers komt overeen met het laatste vers (vers 14), vers 2 met vers 13, enzovoort. Deze overeenkomst is niet exact, maar vanuit Gods perspectief laat het oorzaak en gevolg zien. We zullen naar diverse verzen in dit hoofdstuk kijken, verzen die de zelfvoldane houding in Israël weerspiegelen, in het bijzonder onder de leiders.

Wee de zorgelozen op Sion, en die zich veilig voelen op de berg van Samaria, de uitgelezenen van de keur der volken, tot wie het huis Israëls komt! ... Voorwaar, zie, Ik verwek over u, huis Israëls, luidt het woord van de HERE, de God der heerscharen, een volk dat u zal verdrukken van de weg naar Hamat tot de beek der Araba. (Amos 6:1, 14)

In deze twee verzen richt Amos zich tot de leiders van de natie wegens de manier waarop zij leven. Keur betekent "eerste". Zij meenden dat Israël de eerste onder de volken op aarde was en niemand kon hen tegenstand bieden. Maar God zegt dat de leiders van Israël zelfvoldaan waren, "zorgeloos", en de natie volgde hun voorbeeld.

De gewone Israëliet keek naar de mensen met rijkdom, macht en invloed als model voor hun eigen gedrag, en zij zagen zelfgenoegzaamheid, ongegronde trots, morele achteruitgang en een voldoen aan eigen verlangens. Een andere natie, de echte "eerste natie" zou Israël zijn ware toestand laten zien door het te vernietigen. Israël zou vanuit Hamat in het noorden tot Araba in het zuiden worden aangevallen.

Trekt over naar Kalne en ziet, en gaat vandaar naar het grote Hamat en daalt af naar Gat der Filistijnen. Zijn zij beter dan deze koninkrijken? Is hun gebied groter dan het uwe? ... gij, die u verheugt over Lo-Debar, die zegt: Hebben wij niet door onze kracht Karnaïm voor ons veroverd? (Amos 6:2, 13)

Israëls leiders pochten dat deze naties geen partij waren voor de macht en rijkdom van Israël. "Het kan zijn dat zij hun tijd van grootheid hebben gehad", zeiden ze, "maar Israël zal door hen niet langer worden lastiggevallen." Zij voelden zich veilig in zichzelf!

Tweemaal gebruikt Amos in vers 13 een woordspeling. Omdat deze steden recente veroveringen van Jerobeam II waren, hemelde de Israëlieten hun militaire macht hoog op. In het Hebreeuws betekent Lo-Debar echter "geen ding" of "niets". Zij verheugden zich over niets! Karnaïm betekent "hoornen", een symbool van kracht. Vrij weergegeven zeggen ze: "Hebben wij niet kracht overwonnen door grotere kracht?" Gods zienswijze is echter dat hun kracht, waar zij trots op zijn, van weinig betekenis is. Een natie van nog grotere kracht zal hen volledig overwinnen.

Gij, die de boze dag ver weg stelt, en de zetel van het geweld nabij brengt, ... Rennen soms paarden op een rots, of ploegt men met runderen de zee, dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsem. (Amos 6:3, 12)

In hun ongerechtvaardigd gevoel van veiligheid maakte niemand van het volk zich zorgen over de ondergang van de natie, zelfs al waren de tekenen daarvan overal om hen heen te zien. In feite betekent ver weg stellen letterlijk "uitdrijven" of "verstoten" (Jesaja 66:5). Ze schonken niet alleen geen aandacht aan de signalen die op gevaar duidden, zij verwierpen elke notie van een ophanden zijnde ondergang volledig. Door dat te doen deden zij een heel dom iets, even dwaas als rennende paarden op steile rotsen of proberen de zee te ploegen. Zij hadden toegelaten dat geweld, corruptie en uitbuiting in hun midden voortdurend toenamen (vers 12).

De verzen 4 tot 6 en 9 tot 11 vormen nog een ander stel overeenkomende passages. De eerste verzen laten zien hoe het volk op onverantwoorde wijze gebruik maakt van hun voorspoed en hun totale onwetendheid over en achteloosheid betreffende de komende vernietiging van Israël. De laatste verzen laten hetzelfde volk zien nadat een plaag, één van Gods oordelen, hele gezinnen heeft gedood. Amos contrasteert en verbindt hun lichtzinnige zelfgenoegzaamheid met hun toekomstige, ellendige wanhoop.

"De eerste van de ballingen"

Daarom zullen zij nu in ballingschap gaan aan de spits der ballingen, en uit is het met het getier van wie zo omhangen. De Here HERE heeft gezworen bij Zichzelf, luidt het woord van de HERE, de God der heerscharen: Ik verafschuw de hoogmoed van Jakob en haat zijn paleizen; ja prijsgeven zal Ik de stad met al wat erin is. (Amos 6:7-8)

God maakt nu de principiële oorzaak bekend: Trots bracht hun zichzelf behagende religie voort, hun overmatig zelfvertrouwen in hun kracht en hun levensstijl van in alles aan hun eigen verlangens toe te geven. Waar waren hun vertrouwen en geloof in God? Trots is er de oorzaak van dat mensen Hem weerstaan en verwerpen.

God zag deze ongerechtvaardigde trots in de ergste mate bij de leiders van Israël. Zoals we hebben gezien is het grootste deel van dit hoofdstuk rechtstreeks gericht op de leiders, op hen van wier gedrag de toekomst van de natie grotendeels afhankelijk is. God laat in de Bijbel zien dat de leider van een instituut — of dat nu een natie, een kerk, een bedrijf of een gezin is — dit kan maken of breken. Als een leider vanwege gerechtigheid onder Gods zegen komt te staan, dan wordt ook het volk gezegend. Maar als de leider door God wordt vervloekt vanwege zijn verdorvenheid, zal het volk eveneens onder de vloek komen.

Toen Juda een goede en rechtvaardige koning zoals Josia had (2 Kronieken 34-35), had de natie welvaart, maar onder de slechte Manasse (2 Kronieken 33) ging de natie achteruit. In deze eeuw ondervond Engeland in 1936 een jaar van beroering wegens het besluit van Edward VIII om met de Amerikaanse gescheiden vrouw Wallis Simpson in het huwelijk te treden. Desondanks wist zijn broer, George VI, die tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde Londen te verlaten, de natie tijdens haar donkerste uur achter zich te scharen. Dit principe van leiderschap geldt binnen elke onderneming van klein tot groot.

We kunnen dit ook zien in het tweede gebod: "Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen" (Exodus 20:5). De vaders — de leiders — en de kinderen lijden allebei. Als de vaders door God gezegend of vervloekt worden, geldt dit ook voor de kinderen. Het verschil ligt alleen in de mate van verantwoordelijkheid die elk draagt.

In het leven is iedereen — afhankelijk van de omstandigheid — zowel een leider als een volgeling. Amos laat zien dat een leider nooit zelfgenoegzaam en tevreden zou moeten zijn met de manier waarop alles gaat, omdat daar trots op volgt — en kort daarna een val (Spreuken 16:18). Leiders van naties dragen een grote verantwoordelijkheid, omdat als zij toestaan dat het moreel besef in elkaar stort, al hun militaire bekwaamheid en hun technologie waar ze trots op zijn, hen niet zal redden. Boven alles moet een leider in de eerste plaats moreel zijn.

Maar de Israëlitische leiders uit de tijd van Amos waren mensen die eerst op hun eigen reputatie en toestand letten. Zij vergeleken zichzelf met anderen in plaats van met God (2 Corinthiërs 10:12). Door geen aandacht te schenken aan hun geestelijke gezondheid, konden ze de natie niet leiden en sturen, en evenmin konden ze anderen helpen en raad geven. Daar zij in zo erge mate in hun plicht tekortschoten, zei God dat de leiders tot de eersten zouden behoren die in ballingschap zouden worden gevoerd.

Laodiceanisme — toen en nu

Amos vermijdt het om de Israëlieten "Gods volk" te noemen, om er zeker van te zijn dat zij begrijpen in welk gevaar ze verkeren door het verbond te breken. In tegenstelling daarmee noemt hij God "de Here HERE" (Amos 6:8), erop duidend dat Hij de soevereine God van het verbond is, Die redt. Om hen te redden zal Hij of de zelfgenoegzaamheid vernietigen of bekering teweegbrengen.

Evenals de oude Israëlieten voeren sommige mensen in deze tijd Gods belofte om te redden, te ver door. Deze mensen geloven in "eeuwige zekerheid", of in protestantse termen "eenmaal behouden, altijd behouden". Zij denken dat ze praktisch alles kunnen doen en toch onder Gods "genade" zullen blijven vallen. Sommigen geloven dat ze "zonder probleem een moord kunnen begaan"! Maar dat hebben ze bij het verkeerde eind! Ja, God zal Zijn aandeel in het verbond nakomen, want Hij heeft beloofd Zijn volk nooit te zullen verlaten (Hebreeën 13:5). Maar er is een punt waarop geen terugkeer meer mogelijk is.

Weten dat Hij belooft bij ons te blijven in alle rampen, veranderingen, gelegenheden en zelfs de mislukkingen die we meemaken, is heel bemoedigend. Hij is er, vastbesloten Zijn beloften te zullen nakomen (1 Petrus 1:3-9). Hij verlangt er vurig naar Zijn schepping voor alle eeuwigheid met ons te delen. Maar wij hebben een verantwoordelijkheid om de voorrechten van Gods roeping niet te misbruiken, want Zijn roeping vereist van ons dat wij gehoorzamen en ons aan Hem onderwerpen en groeien in heiligheid; zonder deze dingen kunnen we niet door Hem worden aanvaard (Efeziërs 1:3-6; Hebreeën 12:14). De Israëlieten misbruikten hun roeping echter, schoten tekort om heilig te zijn en bevonden zich op de rand van groot gevaar.

Jezus kreeg met een soortgelijke houding te maken in het Romeinse Judea. In een discussie met de Joden uit Zijn tijd zei Jezus: "En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest" (Johannes 8:32-33). Zij geloofden dat zij veilig waren in God, ondanks hun manier van leven waarin ze het verbond als vanzelfsprekend aannamen en op hun voorgeslacht vertrouwden om God gunstig te stemmen.

In dezelfde geest zouden wij kunnen zeggen: "Ik ben een lid van de ware kerk. Zijn wij niet het zaad van Abraham, de mensen met wie God een verbond heeft gesloten?" Het kan zijn dat we sabbatdiensten bijwonen en op de feesten aanwezig zijn, in het koor zingen en tienden geven — allemaal goede dingen — maar God wil meer. Hij wil dat wij een vurig verlangen hebben naar gehoorzaamheid aan Hem, omdat dat Zijn manier van denken, Zijn hart en karakter in ons zal voortbrengen.

Amos verkondigt dat het gehele huis Israëls zelfgenoegzaam is, net als onze natie. God profeteert dat de kerk in de eindtijd ook geestelijk zelfgenoegzaam zal zijn (Openbaring 3:14-22. Lees ons boekje De wereld, de kerk en Laodiceanisme voor verdere informatie). Nieuwe leden brengen het met zich mee de kerk in als iets vanuit de wereld dat zij moeten overwinnen, maar mensen die al langer lid zijn kunnen het ook de kerk binnenbrengen door het stapje voor stapje als manier van leven in zich op te nemen.

Aanklacht tegen Amos

Klaarblijkelijk was het onderwijs van Amos effectief, omdat het volk reageerde — het veroorzaakte tenminste een reactie (Amos 7:10-17). Hij was een goede strateeg; hij predikte bij de heiligdommen waar de mensen kwamen. Zijn invloed verspreidde zich naarmate het gerucht ging dat er een profeet uit Juda was gekomen die het noodlot voor de natie verkondigde. De mensen luisterden en spraken met elkaar over zijn boodschap. Toen Amos de religieuze leiders van Israël beschuldigde tekort te schieten om Gods manier van leven te onderwijzen, meende Amasja, een hoge religieuze functionaris van het heiligdom te Betel, dat hij moest reageren.

Zoals we in het geval van Amos zien, is het mogelijk dat iemand God gehoorzaamt en toch publiekelijk wordt vervolgd. God zal ons niet tegen alle vervolging beschermen, deels omdat het een gelegenheid biedt om voor Hem te getuigen en Hem te verheerlijken. Amos' antwoord op Amasja's beschuldigingen vormt dit getuigenis en deze geven hem de gelegenheid nog meer te profeteren. Daarnaast instrueert zijn reactie ons over de aard en de functie van een profeet.

Dit laat ook een duidelijk voorbeeld zien van het bijbelse gebruik van een paslood, een hulpmiddel in de bouw om vast te stellen of iets loodrecht staat (vers 7-9). Houdt God het paslood tegen Amasja of tegen Amos? In feite oordeelt Hij hen beiden. Amasja vertegenwoordigt de valse religies en Amos vertegenwoordigt de ware religie. De inhoud van hun gesprek openbaart hoe God hen zou oordelen. God evalueerde echter voornamelijk Amos.

Wij moeten het paslood op onszelf toepassen. Nemen wij de genade van God als iets vanzelfsprekends aan? Is het mogelijk dat God boos is op enkelen van ons in Zijn ware kerk? Openbaring 3:14-22 laat zien dat de Laodiceeërs oprecht zijn als zij beweren dat ze geestelijk klaar zijn, maar God staat op het punt hen uit te spuwen! Klaarblijkelijk beoordelen de Laodiceeërs zich niet tegen Gods paslood, anders zouden zij hebben geweten dat zij niet langer in de pas met Zijn wil liepen.

Omdat zij zich zo zeker voelen in hun eigen vroomheid, denken ze waarschijnlijk dat het ongeloofwaardig is dat God hen zou uitkiezen om te straffen. Het is echter duidelijk dat God hen straft die hun aandeel in het verbond met Hem niet nakomen. Openbaring 12:17 laat zien dat aan de andere kant Satan hen vervolgt die de geboden van God onderhouden en een godvruchtig leven leiden.

Gods religie is meer dan het onderhouden van de fundamentele tien geboden. De Farizeeën onderhielden die, maar onze gerechtigheid moet méér zijn dan die van hen (Mattheüs 5:20). Eén verschil tussen Christus en de Farizeeën was dat Christus' gerechtigheid positief was, terwijl die van de Farizeeën negatief. Al onderhielden beiden de geboden, de oprechte Farizeeër was rechtvaardig door het vermijden van zonde, maar Christus was rechtvaardig door daarnaast altijd goed te doen.

Het probleem van de Laodiceeër is zelfzuchtigheid, bezorgdheid voor het eigen ik. Zijn tegenpool, de Filadelfiër (wat "broederlijke liefde" betekent), wordt door God aanbevolen wegens zijn gehoorzaamheid en goeddoen. Zijn religie is naar buiten gericht in praktijk, omdat hij zichzelf voorbereid heeft om door zijn relatie met God te geven en te dienen. De Laodiceeër is te druk met het verzamelen van zijn rijkdom en zich het leven aangenaam te maken om zich veel aan zijn medemens gelegen te laten liggen.

Evenals de Laodiceeërs concentreerden de oude Israëlieten zich op eigen voordeel, zelfbehagen en begeerte. Dit resulteerde erin dat ze heel hardvochtig waren jegens de behoeftigen en de armen. Zij schonken geen aandacht aan het doen van goede werken en het dienen van hun broeders. Amasja vond blijkbaar dat hij zich tegen de aanval van Amos moest uitspreken en "die oude religie" moest verdedigen.

De profeet getest

In Amasja's beschuldigingen tegen hem, werd Amos op diverse manieren getest. De beschuldigingen waren heel scherp, bedoeld om zijn boosheid en haat op te wekken, zodat hij op een manier zou reageren die "zijn ware gedaante zou laten zien". Amos' ware gedaante kwam inderdaad naar voren — hij was een echte man Gods!

Amasja schilderde hem ten onrechte af als iemand die niet loyaal was, vaak de eerste beschuldiging die tegen een ware dienaar van God wordt geuit. De Joden beschuldigden Jezus van rebellie tegen het Romeinse bestuur, een volledig ongefundeerde beschuldiging. In het geval van Amos was de beschuldiging eveneens ongefundeerd.

De priester beschuldigde Amos ervan te zeggen dat Jerobeam in de oorlog zou sneuvelen (Amos 7:11). Hij was echt heel sluw. Om te bewijzen dat Amos dit had gezegd, haalde hij iets aan dat de profeet echt had gezegd: "Israël zal zeer zeker in ballingschap worden weggevoerd" (Amos 5:27; 6:7). In werkelijkheid noemde de profetie Jerobeam niet specifiek. Amasja's valse beschuldiging werd onderbouwd met iets dat waar was.

De Joden probeerden dit ook met Jezus. Zij gebruikten Zijn woorden: "Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen" (Johannes 2:19) als bewijs dat Hij de tempel zou afbreken (Marcus 14:58). Zij schilderden wat Hij zei verkeerd af, omdat Hij niet verwees naar de fysieke tempel. Dit is een van Satans vaak gebruikte tactieken.

Een tweede manier waarop Amos werd getest, was in zijn motivatie om God te dienen. Amasja beschuldigt Amos ervan om zelfzuchtige redenen, voor geld, te prediken; dit kwam tot uiting in: "Vlucht naar het land van Juda; eet daar brood" (Amos 7:12). Amos, een Jood, predikte in Israël. Met andere woorden gezegd zei Amasja: "Als je terug gaat naar Juda en hen vertelt wat je tegen Israël hebt gepredikt, zullen ze je liefhebben. Ze houden ervan slechte dingen over Israël te horen! Ze zullen je mand met grote offeranden vullen en je zult rijk worden!" Als Amos geen waarachtige man Gods zou zijn geweest, zou hij misschien op deze verleiding zijn ingegaan.

Ten derde, Amos werd getest in zijn persoonlijk gevoel van veiligheid. Een bedreiging impliceerde dat als hij Israël niet zou verlaten, het wel eens minder goed met hem zou kunnen aflopen. "Maar in Betel moogt gij voortaan niet meer profeteren, want dit is een koninklijk heiligdom en het is een rijkstempel" (Amos 7:13). Deze test evalueerde Amos' vermogen om autoriteit het hoofd te bieden. Door te verwijzen naar "een koninklijk heiligdom en een rijkstempel" waarschuwt Amasja hem: "Dit is de nationale kathedraal! Wat jij zegt, zou niet gezegd mogen worden in een gewijde, heilige plaats als deze. Deze plaats is gewijd aan het welzijn van Israël. Door zulke dingen te zeggen, daag je de autoriteit van de koning uit." Zijn tactiek mislukte echter, daar het schijnt dat Jerobeam geen actie tegen Amos heeft ondernomen.

De profeet reageert

Als Amos antwoordt: "Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en kweker van moerbeivijgen" (Amos 7:14), betoogt hij dat God Zelf hem opdracht had gegeven om "tegen Mijn volk Israël te profeteren" (vers 15). Amos was gewoon een trouwe dienstknecht van God, zonder formele opleiding voor de taak die God hem had gegeven. Hij zegt: "Zeg me dus niet dat ik niet moet profeteren als God mij zegt dat wel te doen!" De apostelen zeiden praktisch hetzelfde tegen het Sanhedrin (Handelingen 5:29).

Daarna spreekt hij zijn profetische veroordeling over Amasja uit:

Daarom, zo zegt de HERE: Uw vrouw zal in de stad overspel bedrijven, uw zonen en uw dochters zullen vallen door het zwaard, uw akker zal met het meetsnoer verdeeld worden, gij zelf zult op onreine bodem sterven, en Israël zal voorzeker in ballingschap wegtrekken uit zijn land. (Amos 7:17)

Amasja's vrouw en kinderen vallen om twee redenen ook onder deze vloek. Ten eerste bepaalt, zoals eerder gezien, een leider de weg voor hen die onder hem staan. Elke vloek die Amasja trof, zou tot op zekere hoogte ook zijn gezin treffen.

Ten tweede, het is een bijbels principe dat gezinnen vaak dezelfde geloofsopvattingen hebben. Het gezegde "Het hemd is nader dan de rok" erkent dat familiebanden vaak sterker blijken te zijn dan de invloed van Gods Heilige Geest. Het komt vaak voor dat als iemand de kerk verlaat, ook anderen uit de familie zullen vertrekken.

Als één lid van de familie opklimt of ten val komt, doen anderen dat ook. Vanwege zijn vrijpostige beschuldiging van Gods profeet, zou Amasja moeten lijden en zijn gezin zou met hem meelijden. God zou erop toezien dat deze priester van Betel op een persoonlijke manier getuigenis zou geven van de komende vernietiging van de natie in de manier waarop die hem zou overkomen.

Dit voorbeeld, het enige verhalende deel uit het gehele boek, illustreert treffend de vruchten van zelfgenoegzaamheid en trots. God zendt Zijn profeten om zoveel mogelijk alarmbellen te luiden om Zijn volk wakker te maken voor de druk der tijden. De tijdsruimte die men krijgt om de geprofeteerde ramp af te wenden is beperkt, en God wil dat Zijn volk die tijd gebruikt om Hem te zoeken en hun manier van leven te veranderen.

De profeet beschrijft een Laodiceïsche maatschappij, zoals de Verenigde Staten in deze tijd, vanaf het hoogste niveau van de topfiguren tot het laagste niveau van bedelaars (Jesaja 1:5-6). Zo'n natie geeft de voorkeur aan uiterlijk vertoon boven inhoud, woorden boven daden en tolerantie boven gerechtigheid.

Een ernstig rondkijken in deze natie spreekt boekdelen over de neergaande spiraal die reeds is ingezet. De misdaad grijpt in onze straten en gezinnen snel om zich heen. Schandalen en corruptie in de regering zijn normaal nieuws. Onze gezinnen vallen uiteen, terwijl we toespraken houden over "familiewaarden".

We zien ook Laodiceanisme de kerk binnensluipen, terwijl de mensen de levensstijl en de houding van de wereld beginnen over te nemen. Als zij materiële welvaart gelijkstellen aan geestelijke aanvaarding, worden ze tevreden met zichzelf en hun geestelijke vooruitgang (Openbaring 3:17). Als we zien wat Laodiceanisme voortbrengt, zouden we nooit moeten toestaan dat we geestelijk zelfgenoegzaam worden.

De tekenen der tijden zijn aan alle kanten om ons heen te zien (Lucas 12:54-56). Het is echter niet goed genoeg ze alleen maar te zien. We moeten op basis van deze kennis handelen en God echt zoeken. Jesaja schrijft:

Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen — en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. (Jesaja 55:6-7)

Het is nu de tijd!

De geprofeteerde klap wordt uitgedeeld

Door te weigeren zich te bekeren van het zich afkeren van Gods manier van leven konden de Israëlieten niets anders verwachten dan de komst van Gods afschrikwekkende bestraffing.

Hoort dit woord, dat Ik over u aanhef, een klaaglied, huis Israëls: Gevallen is zij, zij zal niet weer opstaan de jonkvrouw Israëls, nedergeworpen ligt zij op haar bodem, niemand richt haar op. Want zo zegt de Here HERE: De stad die met duizend uittrekt, zal er honderd overhouden, en die met honderd uittrekt, zal er tien overhouden voor het huis Israëls. (Amos 5:1-3)

Het volk van Israël zou deze woorden herkennen als een klaagzang bij een begrafenis, een klaaglied uitgesproken over de doden. Amos spreekt niet alsof het nog moet gebeuren, maar alsof het reeds is gebeurd. Deze dood kwam toen Assyrië Israël tussen 721 en 718 v.Chr. overwon en de mensen naar vreemde landen deporteerde.

Israël wordt uitgebeeld als een jonkvrouw. Het betreffende Hebreeuwse woord wordt ook vaak met maagd vertaald. Israël was echter beslist geen geestelijke maagd. God noemt haar vaak een overspeelster, een hoer en echtbreekster (Jeremia 3:1-13; Ezechiël 16; Hosea 2:2-13), maar Hij gebruikt hier "jonkvrouw" [maagd], omdat Israël schijnbaar in de bloei van haar jeugd werd afgesneden — voordat ze datgene kon voortbrengen waartoe ze het potentieel had. In een letterlijke familie zou God een gelukkig huwelijk en kinderen van haar hebben kunnen verwachten (Jesaja 5:1-2). Israël zou, omgeven door luxe en welvaart, Gods persoonlijkheid en karakter hebben voortgebracht, maar ze schoot geweldig tekort.

Bewijs van hun verwoesting

Zo zegt de HERE: Zoals een herder uit de muil van een leeuw twee schenkels redt of een lapje van een oor, zo zullen de Israëlieten gered worden, zij die daar in Samaria zitten in de hoek van het rustbed en op het zachte kleed van de divan. (Amos 3:12)

Amos verwijst naar een deel van het Oude Verbond: "Indien het zonder meer verscheurd is, zal hij het als bewijsstuk overleggen. Het verscheurde zal hij niet vergoeden" (Exodus 22:13). Als een lam van de kudde werd gestolen, moest de herder de eigenaar ervoor betalen. Als een lam door een dier werd aangevallen en verscheurd, moest hij echter bewijs meebrengen dat hij het niet zelf gestolen had. Hij moest bewijs laten zien dat wat voordien had bestaan, was verwoest.

Wanneer Israël ook maar verwoest zou worden, dan zal het bewijs van haar overlijden niet bestaan uit een been of een deel van een oor, maar delen van meubels zoals divans en bedden. Als anderen zoeken naar bewijs van het lot van deze grote natie, zullen ze al de kenmerken vinden van overvloed, luxe, zelfgerichte genoegens, onverschilligheid — voortbrengselen van hun zelfgerichtheid en bevrediging van eigen verlangens. Maar ze zullen geen gevolgen vinden van godgerichte godsvrucht — gerechtigheid, recht en barmhartigheid.

De illustratie van het bed en de divan kunnen een ironische verwijzing zijn naar de Israëlitische seksuele uitspattingen met tempelprostituees en andere rituele seksuele praktijken (Jesaja 57:3-9). Daarnaast laat God zien dat Israël geestelijk overspel beging door op andere naties te vertrouwen in plaats van op God (Jesaja 31:1-3), en het vernietigde bed en divan zouden Zijn vernietiging van de natie omwille van haar ontrouw uitbeelden.

"Want zie, de HERE geeft bevel — dan slaat men het grote huis aan puin en het kleine huis aan splinters" (Amos 6:11). "Het grote huis" verwijst naar de aanzienlijke of rijke families binnen de maatschappij, en deze "grote namen" zullen zeker vernietigd worden samen met het gewone volk. De rijke en machtige zal niet in staat zijn te ontsnappen aan de vreselijke straf die God belooft. God maakt het duidelijk dat Hij opdracht heeft gegeven hen te vernietigen.

We zouden nooit moeten vergeten dat Gods straf over Israël komt vanwege ongehoorzaamheid, rebellie en zonde. Amerika en de Britse naties volgen snel het voorbeeld van het oude Israël in hun neerwaartse spiraal op weg naar hun vernietiging. We kunnen dit patroon zien in het moorden op straat, bloedige misdaden zoals verkrachting en verminking in onze eens vredige steden, AIDS en andere seksuele ziekten die snel om zich heen grijpen in alle sectoren van de maatschappij, evenals seksuele afwijkingen, verdorven muziek, zelfgericht vermaak, drugs- en alcoholmisbruik. Rijkdom komt meer en meer in handen van de weinigen, en de armen en zwakken blijven maar armer en zwakker worden. Deze naties kunnen er aan de buitenkant goed uitzien, maar de kanker heeft zich van het hoofd tot aan de tenen verspreid, en het zal niet lang meer duren voordat de ziekte fataal zal blijken te zijn (Jesaja 1:5-6).

Visioenen van totale vernietiging

Amos waarschuwt Israël in drie visioenen die in Amos 7 zijn vastgelegd, over de komende vernietiging:

1) Het visioen over de sprinkhanen.
2) Het visioen over het vuur.
3) Het visioen over het paslood.

De eerste twee hebben twee gemeenschappelijke punten: Israëls totale vernietiging en Amos' bemiddeling.

Aldus deed de Here HERE mij aanschouwen: Zie, Hij was bezig sprinkhanen te vormen, toen het nagras begon op te komen. En zie, het was het nagras na de afmaaiing voor de koning. En toen zij op het punt stonden het kruid des lands volledig af te vreten, zeide ik: Here HERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein! Dit berouwde de HERE. Het zal niet geschieden, zeide de HERE. Aldus deed de Here HERE mij aanschouwen: Zie, de Here HERE riep een vuur op om te straffen. Dat verteerde de grote vloed en zou ook het bouwland verteren. Doch ik zeide: Here HERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein! Dit berouwde de HERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Here HERE. (Amos 7:1-6)

Daar hij inzicht had gekregen in wat God spoedig zou gaan doen, was Amos bang dat Israël niet zou kunnen overleven. God gaf in beide gevallen enigszins toe, waarschijnlijk als resultaat van Amos' gebed. Maar vanwege Zijn eerdere uitspraken en het gebrek aan bekering bij het volk, is er een betekenis aan verbonden dat God de straf over Israël niet veel langer zou uitstellen.

Het eerste visioen in Amos 7 kan een natuurramp van sprinkhanen zijn geweest, sprinkhanen die uit de aarde voortkwamen en de oogst en het gras vernietigden "na de afmaaiing voor de koning", een praktijk verwant aan onze inkomstenbelasting. Zonder de late oogst, zou de eerste oogst voor de koning karig zijn en zonder opbrengst voor hun persoonlijke behoeften zou het volk omkomen van de honger. God besloot dat het merendeel van Israël tegen natuurrampen beschermd zou worden, maar enkele mensen zouden daaronder toch zwaar moeten lijden en misschien zelfs wel sterven.

Het tweede visioen, een goddelijk vuur, zou letterlijk vuur op aarde kunnen zijn. "Want de HERE, uw God, is een verterend vuur, een naijverig God" (Deuteronomium 4:24; 29:20). Vuur in de bijbelse symboliek is een zuiverende en reinigende straf voor zonde (Maleachi 3:2-3; Hebreeën 12:29). Om de mensen te redden en terug te brengen tot moreel gedrag en gehoorzaamheid, besluit God dat er een reinigend vuur over Israël moet komen, waarschijnlijk in de vorm van een goddelijk geïnspireerde oorlog. God geeft al weer toe, waarmee Hij de natie nog een kans geeft zich te bekeren.

Deze gedachtewisseling tussen Amos en God illustreert een schitterende methode die Hij gebruikt om ons te leren wat we nodig hebben. God brengt ons soms in situaties die ons dwingen te besluiten wat we echt nodig hebben. We vragen Hem erom en Hij geeft het ons dan. We denken dat Hij ons gebed verhoorde — en dat deed Hij ook — maar Hij bracht ons er ook toe dat gebed uit te spreken (Romeinen 8:26)! Hij stuurt deze situaties zo dat wij gaan denken zoals Hij! Als Hij karakter in ons wil voortbrengen, zal Hij op elke manier die maar nodig mag zijn werken om dat in ons op te bouwen.

We kunnen veel van deze techniek leren. In onze serieuze gebeden roepen we tot Hem, omdat we geloven dat we datgene waarom we vragen werkelijk nodig hebben. We zouden ook moeten bidden om te begrijpen hoe God werkt, vormt, kneedt en ons tot groei en overwinnen brengt. Als we de dingen tenslotte vanuit Zijn perspectief zien en dat gebed uitspreken, zal Hij reageren.

Dat wilde Hij met Israël: Hij verlangde dat de Israëlieten zouden begrijpen dat ze tot Hem moesten terugkeren. Amos 7:9; 8:3, 10 en 9:1 duiden er echter op dat hun vernietiging totaal zou zijn omdat het volk niet reageerde.

Het voorbeeld van de kortzichtigheid van het oude Israël heeft implicaties in de huidige tijd voor geestelijk Israël — God wil dat Zijn volk door de komende crisis heen kijkt en ziet dat Hij die teweegbrengt, deze volledig beheerst en de grenzen ervan heeft vastgesteld. Hij zal die crisis gebruiken om Zijn doelen tot stand te brengen in individuele levens of in het leven van de natie. In de nabije toekomst zullen de omstandigheden zo moeilijk worden dat indien het mogelijk was, zelfs de uitverkorenen misleid zouden worden — "doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort" (Mattheüs 24:24, 22)

Het paslood

De twee vorige visioenen die de verwoesting van Israël uitbeeldden, boden het volk geen test. God laat een derde visioen zien dat een test bevat om vast te stellen of ze werkelijk Zijn volk zijn.

Aldus deed Hij mij aanschouwen: Zie, de Here stond bij een loodrechte muur, met een paslood in zijn hand. Toen zeide de HERE tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Daarop zeide de Here: Zie, Ik ga het paslood aanleggen in het midden van Israël, mijn volk; Ik zal het voortaan niet meer sparen. Isaaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen vernield worden, en tegen Jerobeams huis zal Ik optreden met het zwaard. (Amos 7:7-9)

In de bouw test het paslood of datgene wat is gebouwd, wel in alle opzichten loodrecht staat. Het voorziet in een standaard waartegen men datgene wat men gebouwd heeft kan meten. Als God met het paslood aankomt, kijkt Hij metaforisch uit naar die mensen die in Zijn genade en volgens Zijn wet leven en daarin blijven. De morele standaards van de Israëlieten waren ontaard; hun religieuze belijdenis werd dus niet ondersteund door het juiste soort werken. Zij waren niet oprecht; zij voldeden niet aan de test.

Amos heeft op dit punt niet de gelegenheid tussenbeide te komen. God zal niet langer toegeven. "Ik zal hen voortaan niet meer sparen [Statenvertaling: voorbijgaan]" betekent dat God hun zonden niet langer over het hoofd zal zien. En als Hij hen niet meer zal voorbijgaan, zal Hij tussen hen doortrekken. Het paslood laat zien dat Hij "met het zwaard" ten oordeel zal doortrekken; Zijn geduld en vergeving zijn tenslotte uitgeput. Hij kon de straf voor hun zonden niet langer uitstellen — de tijd was gekomen om hen te vernietigen.

Gods doortrekken bestaat eruit dat Hij "Isaaks hoogten" verwoest, de altaren en afgoden van de valse religies die verantwoordelijk zijn voor het morele, geestelijke en ethische verval van het volk. Zij vereerden Baäl en een menigte andere vreemde goden (Richteren 10:6). Zij richtten door het hele land gewijde palen en afgoden op (1 Koningen 14:23; 2 Koningen 17:10-13). Sommigen van hen verbrandden zelfs hun zonen in het vuur voor Moloch (Ezechiël 16:20-21). Door hun geestelijke hoererij, misbruikten ze genade — de niet verdiende vergeving van God die om niet werd gegeven — en verwierpen ze Zijn wet.

"Israëls heiligdommen", de religieuze heiligdommen van Betel, Dan, Gilgal en Berseba, zouden ook behoren tot de eerste die zouden vallen. Zij waren de bronnen van de houdingen van de natie. Daar werd het volk onderwezen de materiële welvaart na te jagen die de natie karakteriseerde, en deels zochten ze fysieke overvloed door cultische ontucht en vruchtbaarheidsriten die in de naam van de eeuwige God werden uitgeoefend. De religies onderwezen het volk hoe te zondigen en dat op een religieuze manier te doen.

Als volgende wordt "het huis van Jerobeam" genoemd dat door de oorlog ten val zou komen. Amos verwijst naar Jerobeam I, naar wie Jerobeam II was vernoemd en die hij in zijn zonden navolgde. God koos Jerobeam I om na Salomo koning te worden over de noordelijke tien stammen van Israël (1 Koning 11:29-31). Hij stelde de voortzetting van Jerobeams dynastie echter afhankelijk van zijn gehoorzaamheid (vers 38).

Maar Jerobeam vertrouwde God niet. Hij dacht dat de religieuze feesten en offeranden Israël ertoe zouden verleiden terug te keren naar Davids dynastieke lijn in Juda (1 Koning 12:25-27). Om die mogelijkheid tegen te gaan richtte hij namaakheiligdommen op in Betel en Dan, en verplaatste het Loofhuttenfeest van de zevende maand naar de achtste (1 Koning 12:27-33). Jerobeam keerde zich af van de wet van God, wat de oorzaak was dat het volk zondigde.

Geschiedkundigen onderzoeken de economie, sociale condities en militaire kracht om vast te stellen wat de oorzaak is van het opkomen en neergaan van naties, maar God laat zien dat Zijn doel en het moreel handelen van het volk de ware oorzaken zijn. God zorgde er dus voor dat de twee belangrijkste aanleidingen tot de geestelijke neergang van Israël, de religieuze en politieke leiders, als eersten Zijn wraak zouden ondergaan (Jesaja 9:13-16).

Een mand met rijpe vruchten

Amos 8 begint met een vierde visioen:

Aldus deed de Here HERE mij aanschouwen: Zie, een korf met rijpe vruchten. Toen zeide Hij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een korf met rijpe vruchten. Daarop zeide de HERE tot mij: Rijp is het einde voor Israël, mijn volk. Ik zal het voortaan niet meer sparen. (Amos 8:1-2)

Omdat we de Bijbel in het Nederlands lezen, gaan woordspelingen en ander woordenspel in de vertaling verloren. Het begrijpen van dit visioen is afhankelijk van een spel met de Hebreeuwse woorden die vertaald zijn met "rijpe vruchten" en "einde". Amos beantwoordt Gods vraag door te zeggen dat hij rijpe vruchten zag. Maar als God daarop reageert, gebruikt Hij een ongeveer gelijkluidend woord dat suggereert dat de tijd rijp was voor Zijn volk.

De vruchten vertegenwoordigen mensen. Als ze rijp zijn, zijn ze ofwel gereed om te worden gebruikt of om te gaan rotten. God zegt dat de tijd rijp is om Israël te plukken. God had geprobeerd het volk tot bekering te brengen, maar met hun koppige en hardvochtige houding wilden ze niet. Johannes de Doper gebruikt een andere metafoor voor de Joden uit zijn tijd: De bijl ligt aan de wortel van de boom (Mattheüs 3:10). Gods geduld was ten einde gekomen. Hij zou "hen niet meer voorbijgaan". In hun geestelijke, zich van niets bewust zijnde toestand zou de ramp hen bij verrassing overvallen.

Is het mogelijk dat wij bij verrassing worden overvallen?

Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen. Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. (1 Thessalonicenzen 5:1-6)

Deze passage lijkt opvallend veel op Amos 8. Zou het mogelijk zijn dat wij door zelfgenoegzaamheid in slaap zijn gesust. Is Gods hand betrokken bij de gebeurtenissen in de wereld, terwijl wij denken dat we nog volop tijd hebben voor het einde? Zijn wij gemotiveerd om gebruik te maken van de tijd die we nog hebben? God zegt dat de tijd rijp is. Hij geeft ons tijd om ons te bekeren, maar die tijd wordt met de dag korter.

Vreugde veranderd in smart

Nu Hij de ophanden zijnde rampspoed over Israël heeft aangekondigd, begint God te laten zien hoe Zijn bestraffing het leven van het volk zou veranderen. "De tempelzangen worden tot weeklacht op die dag, ... Talrijk zijn de lijken! Allerwegen werpt Hij ze neder! Stil!" (Amos 8:3). Let op de spectaculaire verandering in houding bij het volk. De tempelzangen zouden normaal gelukkige en vreugdevolle lofliederen zijn voor God, maar Hij zal hun tempelzangen — in de naam van de Heer gezongen tot Baäl — in weeklachten veranderen, want de aantallen doden zullen onvoorstelbaar zijn.

Vanwege hun in zichzelf opgaan zal Gods "plotselinge" bestraffing de volken van de Verenigde Staten, Canada, Engeland, Australië en de andere naties van het moderne Israël, inclusief sommige leden van de ware kerk, versteld doen staan. In hun geestelijke toestand waarin ze zich van niets bewust zijn, zullen ze niet begrijpen waarom Gods bestraffing komt voor "zo'n klein beetje zonde". Maar God heeft een ander perspectief; Hij zegt dat ze ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt zijn (Openbaring 3:17).

Vanwege hun zelfverkregen rijkdom en overvloed denken ze dat ze gezegend zijn met materiële dingen. Zij denken van zichzelf dat ze Gods weg volgen, maar hun religie heeft hen misleid door na te laten hun Zijn waarheid te onderwijzen. Zij denken dat wat zij doen juist is, maar ze zijn misleid. God houdt hen echter nog steeds verantwoordelijk omdat de waarheid beschikbaar is. Hij vindt dat ze persoonlijk Hem en Zijn woord verwerpen.

In deze tijd proberen sommige evangelische groepen de mensen voor te bereiden op wat komen gaat, maar hun onderwijs is een mengsel van waarheid en leugen. Jezus zegt: "Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen" (Mattheüs 15:14). In hun onwetendheid beseffen de mensen niet wat voor afschuwelijke rampspoed spoedig over het moderne Israël zal komen. Deze zal veel afschuwelijker zijn dan wat ooit op deze aarde is gezien!

Trots en instabiliteit in Israël

God plaatst de schuld voor hun bestraffing regelrecht waar deze hoort, bij Israëls trots:

Gezworen heeft de HERE bij Jakobs heerlijkheid: Voorwaar, Ik zal in eeuwigheid niet een van hun daden vergeten! Zou hiervan de aarde niet beven, zodat al wie erop woont rouw bedrijft? Zou ze niet geheel en al oprijzen als de Nijl en opgezweept worden en weder inzinken als de rivier van Egypte? (Amos 8:7-8)

In Amos 4:2 zwoer God bij Zijn heiligheid, Zijn gehele integriteit, Zijn totale karakter. Hij zwoer ook bij Zichzelf (Amos 6:8), duidend op alles wat Hij is en Zijn soevereiniteit over de gehele schepping. Dat maakte totaal geen indruk op Israël. God zegt dus: "Kijk, Ik heb bij Mijn heiligheid en bij Mijzelf gezworen en dat maakte geen enkele indruk op jullie. Nu zal Ik dus bij iets zweren dat zo groot is — jullie eigen trots — dat jullie het niet kunnen afwijzen!" Wat een ironie! God zegt dat als Hij bij iets van hen zweert, dat meer voor hen kan betekenen dan als Hij zweert bij iets van Zichzelf!

Deze passage laat ook zien dat als de mens niet langer in de pas loopt met God, de natuur ook begint te lijden. Men gaat schoonheid vervangen door lelijkheid. We gaan grote bergen mijn- en fabrieksafval zien, vervuilde rivieren, viesruikende afvalstortplaatsen, zich uitbreidende woestijnen en ontboste oerwouden. Tenslotte, als het land de mensen begint uit te spuwen (Leviticus 18:24-28), kan het zijn dat ze een late belangstelling voor God en Zijn waarheid tonen, maar dat zal te laat zijn om de vernietiging tegen te houden. Het is de juiste tijd — de vruchten zijn rijp, God zal hen dus straffen.

Neem eens in overweging wat er momenteel in onze westerse naties van Israël gebeurt. God laat een verband zien tussen de natuur en menselijk moreel besef; "natuurlijke" rampen zijn Handelingen van God in reactie op de morele toestand van het volk. Als de mens andere mensen, geschapen naar het beeld van God, op een immorele manier behandelt, hoe zullen ze dan het land, de bossen, rivieren, meren en oceanen behandelen? Omdat deze dingen schijnbaar niet kunnen terugvechten, zal de mens ze zonder angst voor vergelding misbruiken. Maar God zegt dat de natuurlijke omgeving zal terugvechten en hen zal uitspuwen!

In plaats van regen die valt in een zachte nevel, zal deze bulderen als een lawine totdat de bewoners zich niet langer weten te redden. De rivieren zullen aanzwellen en in boosheid het land overstromen, waarbij de toplaag van het land in de zee zal worden weggespoeld. In andere gebieden zal vuur door de bossen en over het bouwland razen, waarbij alles op zijn pad vernietigd wordt. Stormen zoals orkanen en tornado's zullen de steden en het platteland verwoesten, waardoor het leven en het levensonderhoud van de mens gevaar zal lopen. Aardbevingen zullen zowel in frequentie als kracht toenemen. Zij zullen duizenden levens eisen en miljarden dollars aan schade aanrichten. Deze rampen zullen zo'n intensiteit gaan krijgen dat het mogelijk is dat het volk van het moderne Israël bekering gaat zoeken, maar het zal te laat zijn. God zal niet langer voorbijgaan.

Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. En Ik zal het maken als de rouw over een eniggeborene en het einde ervan als een bittere dag. (Amos 8:9-10)

Dit zijn subtiele tekenen van een "rijpe" maatschappij. Als er een aardbeving toeslaat voelt men zich onevenwichtig, omdat men er niet zeker van is of het gebouw zal instorten en men daarbij zal omkomen. Een soortgelijke onevenwichtigheid treedt op als de maatschappij wordt geteisterd door misdaad, geweld, immoraliteit en onrecht. Amos beschrijft de onzekerheid, bitterheid en dood die het resultaat is van nalaten zich te houden aan de absolute standaards van God.

Een van de eerste tekenen van rijpheid die de maatschappij laat zien, is onevenwichtigheid. Nog maar enkele tientallen jaren geleden konden de meesten van ons ons huis onafgesloten achterlaten. Maar toen de maatschappij onevenwichtig begon te worden, moesten we beginnen onze deuren op slot te doen. In het recente verleden lazen we niet veel over geweld op straat. Nu is de maatschappij zo onevenwichtig dat het nieuws boordevol geweld zit, en deze voortdurende bron van zorg brengt meer onevenwichtigheid voort.

In zo'n natie nemen allerlei soorten onevenwichtige factoren voortdurend toe, omdat iedereen in verwarring alle kanten uitrent. De verwarring is het resultaat van het gebrek aan absolute standaards voor wat betreft goed en kwaad, moreel en immoreel, ethisch en onethisch. Iedereen doet dus maar wat hij wil. Geweld, echtscheiding en mentale ziekten nemen toe. We zien dit iedere dag in onze maatschappij plaatsvinden.

Verschrikkingen van de dag des oordeels

Hoe zal de tijd van Jakobs benauwdheid — de grote verdrukking — er werkelijk uitzien? Amos beschrijft hun reactie op de komende bestraffing om de oude Israëlieten bewust te maken van wat hun mentale toestand zal zijn — kwelling, angst en hopeloosheid. Dit maakte het vooruitzicht om Gods oordeel te moeten ervaren een stuk angstaanjagender dan alleen maar weten wat er zal gebeuren.

Daarom, zo zegt de HERE, de God der heerscharen, de HERE: Op alle pleinen rouwklacht, en op alle straten zegt men: Ach, ach! Men roept de landman op tot rouw en (verlangt) misbaar van hen die klaagzangen kennen. En in alle wijngaarden zal weeklage zijn, wanneer Ik door uw midden heen ga, — zegt de HERE. (Amos 5:16-17)

De boer die gewend is alle grillen en onzekerheden van de natuur, zoals overstromingen en droogte, het hoofd te bieden, zal waarschijnlijk minder geneigd zijn te huilen en te treuren. De professionele rouwklagers, die bij de minste aanleiding jammeren, zijn het type van het andere uiterste. In hun verdriet en wanhoop zullen de mensen van de ene naar de andere plaats trekken op zoek naar water, voedsel, stabiliteit, hoop, een goed georganiseerde stad of een goed functionerende maatschappij. Ze zullen echter niets anders dan anarchie vinden. Zal God met hen oplopen? Nee, Hij inspireerde Amos te zeggen dat Hij pal door hen heen zou trekken!

Amos heeft er geen behoefte aan met hen in discussie te gaan; hij probeert hun niet langer iets te bewijzen. Hij laat hun slechts zien hoe de dag des Heren eruit zal zien. Hij schildert een levendig en grimmig beeld van de verschrikkingen in hun toekomst om hen ertoe te brengen de huidige toestand van hun relatie met God te evalueren.

"Wee hun, die verlangen naar de dag des HEREN! Wat toch zal de dag des HEREN voor u zijn? Duisternis is hij, en geen licht!" (Amos 5:18) Het is altijd de verantwoordelijkheid van een profeet om het volk eraan te herinneren dat de toekomst onlosmakelijk is verbonden met het heden. Wat iemand vandaag doet heeft invloed op de loop der gebeurtenissen bij het voortschrijden van de tijd.

Maleachi vraagt: "Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt?" (Maleachi 3:2). Zulke twijfels overvielen die mensen helemaal niet. Zij waren vol vertrouwen dat het allemaal goed zou gaan. Zij meenden dat zij ongeschonden door hun dag van oordeel zouden heenkomen, omdat zij Zijn uitverkoren volk waren.

Maar toen Amos naar zijn tijd keek, werd hij bang. "Duisternis is hij, en geen licht! Zoals wanneer iemand vlucht voor een leeuw, en een beer overvalt hem; en hij komt naar huis en leunt met zijn hand aan de muur, en hem bijt een slang!" (Amos 5:18-19)

Er is geen ontkomen aan! Mensen, levend in hun zelfgenoegzaamheid, denken dat alles goed gaat. Maar de dag des oordeels zal onverwacht over hen komen en in totale hopeloosheid zullen ze gaan rennen voor hun leven. Ze zullen aan de ene verschrikking ontkomen om tegenover een andere te komen staan! En precies als ze denken dat ze uiteindelijk veilig zijn, zullen ze dodelijk gewond raken!

Maar de profeet is nog niet klaar! "Duisternis zal immers de dag des HEREN zijn en geen licht, ja donker en zonder glans" (Amos 5:20). Jammeren en een onontkoombaar oordeel zullen door duisternis worden gevolgd. In hun zelfgenoegzaamheid denken de mensen dat het logisch is tot de conclusie te komen — daar alles op dit moment in orde is — dat ze alle dingen die hen plaagden te boven moeten zijn gekomen. Met datgene achter hen denken ze dat hun toekomst vol vreugde en een goede tijd zal zijn. Amos is het daar niet mee eens. Hij beschuldigt hen ervan zich met valse hoop te voeden. Hij zegt, dat als God komt, Hij hun vijand zal zijn!

Honger naar het woord

Jammer genoeg zal in deze tijden, als er de grootste behoefte bestaat aan Gods woord om de mensen te helpen tot bekering te komen, dat bijna onmogelijk te vinden zijn. "Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik een honger in het land zal zenden — geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen" (Amos 8:11).

Als de mensen uiteindelijk beseffen dat God wil dat ze tot bekering komen, zal het te laat zijn. Het zaad van hun vernietiging is gezaaid en de oogst is al rijp. De enige waarheid die hen in het tumult van Gods oordeel ter beschikking staat, is dat wat ze zich kunnen herinneren. Om deze reden waarschuwt God ons in deze tijd "de gelegenheid ten nutte te maken, want de dagen zijn kwaad" (Efeziërs 5:16).

Als onze hoop op het Koninkrijk van God, de opstanding uit de doden en een eeuwig delen van het leven met God niet voldoende zijn om ons tot bekering aan te zetten, zal misschien angst voor een verschrikkelijke ramp, de grote verdrukking, de dag des Heren of als Laodiceeër uit Gods mond te worden gespuwd ons ertoe aanzetten de huidige tijd te gebruiken om de toekomst zeker te stellen. God profeteert om ons er nu toe aan te zetten ons aan Hem en Zijn woord vast te klampen, en Hij is bereid ons doodsbang te maken om ons te behouden.

Tijdens deze hongersnood "zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet" (Amos 8:12). Amos verwijst waarschijnlijk naar de Dode en Middellandse Zee, van het oosten naar het westen, en hij voegt toe "van het noorden naar het oosten" waarmee hij een driehoek beschrijft waaruit de zuidelijke richting is weggelaten. Waarom zou hij dit doen?

Op een kaart van Palestina ligt de Dode Zee ten oosten, de Middellandse Zee ten westen en de natie Israël ten noorden. Wat ligt er ten zuiden? Jeruzalem, waar de waarheid was! In de tijd van Amos werd de waarheid onderwezen in Gods tempel in Jeruzalem.

De Israëlieten wilden bekend staan als waarheidzoekers, maar in werkelijkheid wilden ze de waarheid niet vinden. Hun trots liet hun niet toe om voor de waarheid een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken, want dat betekende dat zij zich voor het woord van God zouden moeten vernederen.

Zwerven kan weergegeven worden als "wankelen" als een dronkaard, of "trillen" zoals trillende lippen van opwinding, omdat iemand zo boos of zo bang is dat hij niet kan spreken. Dit beeld laat het volk zien in een toestand van paniek en intense opwinding. Ze zoeken wanhopig naar datgene waar ze zo lichtvaardig aan voorbij zijn gegaan: God, de Bijbel, Zijn waarheid. Maar ze kunnen dat nergens vinden!

Dus zullen ze op zoek gaan naar een religie, het doet er niet toe welke, en velen zullen aan valse religies ten prooi vallen. Dit scenario vindt reeds plaats in het moderne Israël. New Age, mystieke en oosterse religies groeien gestaag en veel "christenen" vinden dat het hun vrij staat "waarheid" te lenen van andere religies. Daarnaast hebben de laatste jaren binnen een breed spectrum aan religieuze organisaties de groei van oecumenische bewegingen laten zien.

Te dien dage zullen de schone maagden en de strijdbare jongelingen in onmacht vallen van dorst, die zweren bij wat de schuld van Samaria is, die zeggen: Zo waar uw god leeft, o Dan! en: Zo waar de bedevaart naar Berseba leeft! Ja, zij zullen vallen en niet weer opstaan. (Amos 8:13-14)

Als de hongersnood naar het woord van God zich voordoet zal de jeugd van Israël het gemakkelijkst in de val lopen. Er zal een geweldige opleving zijn aan valse religies, in het bijzonder van de grote valse kerk. Waar kunnen de jongeren anders heen? Zij zullen ontvankelijker zijn omdat hun ouders nalieten te voorzien in een degelijk fundament van waarheid om wijze, geestelijke besluiten op te baseren. De jongeren weten alleen maar wat de oudere generatie hun heeft geleerd.

De bestraffing daalt neer

Het visioen in Amos 9 is verschillend van de vier visioenen in de hoofdstukken 7 en 8. Er is geen gesprek tussen God en de profeet. De tijd voor spreken is voorbij; God handelt gewoon. De situatie gaat het vermogen van Amos om tussenbeide te komen te boven — Gods tijd om te handelen is aangebroken en Hij zal daar niet op terugkomen.

De achtergrond van dit laatste visioen is interessant. Om zijn heerschappij zekerder te stellen bedacht Jerobeam I datgene wat de Bijbel "de zonde van Jerobeam" noemt, het gebruik van religie ten dienste van de politiek. Gebruikmakend van het systeem dat van kracht was in Juda, bootste hij de Heilige Dagen na, alsmede het priesterschap en de tempelrituelen. Op zijn altaar brachten zijn priesters offeranden aan de twee gouden kalveren en de koning stond bij het altaar om wierook te branden (1 Koningen 12:26-13:1). Het werd blijkbaar een gewoonte voor de koning om op zijn namaakfeest in de achtste maand aan de rechterkant van het altaar te staan.

Wie staat er naast het altaar in Amos 9? Niet Jerobeam, maar de Heer!

Ik zag de Here staan bij het altaar, en Hij zeide: Sla het kapiteel, zodat de drempels beven, en breek ze stuk op hun aller hoofd, en wie van hen overblijven, zal Ik doden met het zwaard. Niet één van hen zal ontvluchten, niemand van hen zal ontkomen. (Amos 9:1)

In plaats van mee te doen aan de offerrituelen, vernietigt God alles wat in het zicht daarvan aanwezig is!

Amos ontleent ook een en ander aan het verhaal waarin Simson de tempel van Dagon vernietigt door de ondersteunende pilaren omver te werpen. Als iemand een huis met de blote hand wil neerhalen, moet hij het aan de onderkant ondermijnen, maar God is niet beperkt zoals de mens. Hij slaat het huis van bovenaf in elkaar! God, als de Allerhoogste, de Almachtige en de soevereine Heer, heeft het volste recht om het huis Israëls te verpletteren. Daar het volk geen aandacht had geschonken aan al de talrijke waarschuwingen die Hij gegeven had om zich te bekeren, vervult Hij nu Zijn belofte.

In het type viel de tempel van Dagon op ieders hoofd; niemand overleefde (Richteren 16:30). Hetzelfde geldt voor deze vernietiging. Ongeacht waar het volk van Israël in de dag van rampspoed heen vlucht, ze zullen nergens rust, comfort, veiligheid of zekerheid vinden (Amos 9:2-6). Ze hadden geprobeerd zekerheid te verwerven door tal van huizen voor zichzelf te bouwen, maar God zal deze zekerheid wegvagen door hun huizen aan stukken te slaan. Alles waarvan zij dachten dat het hun zekerheid zou bieden in de periode van bestraffing, zal door God vernietigd worden.

God is almachtig. Als Hij besluit Zijn volk op deze heel pijnlijke manier te oordelen, is daar geen ontsnappen aan. Hij herinnert Zijn volk aan het verbond dat zij met Hem hebben gesloten, dat Hij hen in Zijn dienst riep, en toch is Hij ook de God van de gehele aarde en Heer over iedere natie (vers 7). Met andere woorden Hij heeft jegens hen dezelfde verantwoordelijkheid om te oordelen en te straffen als voor de andere naties van de wereld. De Filistijnen en Syriërs zijn tussen twee haakjes twee van de naties die Hij in Amos 1 oordeelt. God oordeelt Israël op dezelfde manier.

We vinden een uiting van Israëls probleem — een ongerechtvaardigd vertrouwen dat het verbond hun behoud zou geven — terug in het "christendom" van deze tijd. Veel belijdende christenen geloven in eeuwige zekerheid, gewoonlijk aangeduid met "eens behouden, altijd behouden", een verschrikkelijk subtiele misleiding van Satan de duivel. Het is een geloof dat men nooit uit de gunst van God kan raken, ongeacht iemands houding of gedrag.

Als leden van de ware kerk moeten we oppassen dat we dit verkeerde idee niet met ons in de kerk brengen. Toen God ons riep, ons koos en ons berouw en bekering verleende, werden we gedoopt. Maar dat sluit ons niet uit van Zijn nauwkeurig onderzoek. Hij doet niet aan aanzien des persoons. Hij zal ons even rechtvaardig oordelen als Hij ieder ander op aarde oordeelt.

Dat we ervoor kozen Gods manier van leven te volgen is goed, maar het feit dat dat op ons geestelijk curriculum vitae staat, is niet genoeg. God is niet geïnteresseerd in Handelingen uit het verleden, maar in huidige prestaties. Wat gebeurt er vandaag? Leven wij elke dag rechtvaardig? Of voldoen we niet meer aan onze prestaties en ons belijden uit het verleden? Wat God in het verleden deed om ons de gelegenheid tot behoud te geven, bindt Hem niet absoluut om alles in ons voordeel te laten verlopen, als we niet de daarmee samenhangende goede werken, karaktergroei en gehoorzaamheid die Hij verwacht, voortbrengen (Ezechiël 18).

Hij wil dat wij inzien dat we niet dezelfde vergissing moeten begaan die het oude Israël beging — dat wil zeggen Zijn behoud als vanzelfsprekend aannemen. We kunnen van Hem op aan en we kunnen Hem vertrouwen, maar we hebben ook de verantwoordelijkheid ons aan Hem te onderwerpen en Hem te gehoorzamen. We moeten ernaar streven het best mogelijke karakter voort te brengen en een licht te zijn, zodat Hij van elk van ons kan zeggen: "Dat is Mijn zoon! Hij lijkt op Mij en handelt zoals Ik! Hij maakt beslist deel uit van Mijn Familie."

De haag verwijderd

Een profetie in Jesaja 5:5 loopt parallel aan dit laatste visioen van Amos: "Nu dan, Ik wil u doen weten, wat Ik met mijn wijngaard ga doen: zijn doornhaag wegnemen, opdat hij verwoest worde; zijn muur doorbreken, opdat hij vertrapt worde." De wijngaard is Israël en "zijn doornhaag" is datgene wat hen beschermt, uiteenlopend van allerlei materiële bronnen tot Gods woord. Wat gebeurt er met een natie als het zijn verdediging kwijtraakt? Ze komt bloot te staan aan invasie, daar de muur die haar tegen plunderaars, wilde beesten en kwade invloeden beschermde, nu verdwenen is. De Bijbel schildert de heidense naties af als beesten die komen aanstormen als Gods volk er zwak uitziet (Jesaja 30:6-7; Jeremia 50:17).

Amos schildert een grimmig en angstaanjagend beeld van het leven in de tijd van Jakobs verdrukking. Aan de ene kant verwoesten natuurrampen het land totaal en de maatschappij wordt onevenwichtig. Aan de andere kant dringen buitenlandse legers binnen, vernietigen steden, doden zonder enig onderscheid en voeren de overlevenden in ballingschap. Al zijn de fysieke levensbehoeften schaars, de werkelijke hongersnood betreft het woord van God — er kan geen waarheid gevonden worden en bekering is praktisch onmogelijk.

Het lijkt een totaal hopeloze situatie. God passeert door het land en Zijn toorn is rechtvaardig en verschrikkelijk. Maar Hij belooft een einde — er zal een einde komen aan Zijn toorn en Hij zal een rest sparen. Hij "zal genadig zijn, wie [Hij] genadig [is]" (Exodus 33:19).

Het paslood: Een test tegen de standaard

Een belangrijk bewijs van valse religie is dat het zijn effectiviteit voor het getuigenis van de mens niet kan waarmaken, maar God kan en zal de ware religie waarmaken. Hij brengt in velerlei vormen bewijs voort van Zijn gerechtigheid, macht, doel en weg. God heeft wonderen en tekenen gedaan in het zicht van duizenden getuigen.

Zonder van tijd tot tijd een objectieve garantie, zouden we leven in een wereld van religieuze schijn. God bevestigt Zichzelf soms voor de mens door Zijn macht bekend te maken door middel van een onloochenbare gebeurtenis zoals de opstanding van Jezus (1 Corinthiërs 15:1-8). De mens heeft de waarheden van God geverifieerd middels observatie en experimenten (1 Koningen 18:30-39). De mens kan zich dus niet verontschuldigen (Romeinen 1:18-25).

Bij gelegenheid bevestigt God ook onze persoonlijke relatie met Hem door een onmiddellijk beantwoorden van een gebed of een op wonderbaarlijke wijze behoeden voor schade. Aan de andere kant zal Hij, als Hij onze aandacht wil trekken, ons wakker schudden door een test of beproeving toe te laten om ons te waarschuwen dat de relatie achteruitgaat. Omdat we ervan verzekerd zijn dat God met ons is, is getest worden goed. Dat voorkomt dat we wegzakken in zelfgenoegzaamheid en trots, twee houdingen die ons van Hem zullen scheiden.

Dit is het punt dat God wil overbrengen in het principe van het paslood. Amos begreep dat God het gebruikte om de geestelijke gezindheid, de moraliteit en de echtheid van het volk tegen de standaard te testen. De test beantwoordt de vraag: "Zijn zij werkelijk Gods volk?" God wil weten of zij blijkgeven van Zijn karaktertrekken.

Dit idee van een geestelijke standaard waartegen gemeten wordt, werd rechtstreeks overgeheveld op de nieuwtestamentische kerk. God gebruikt soortgelijke beeldspraak, een meetriet, in Openbaring 11:1. Voor de Laodiceïsche kerk gebruikt God vuur om te verwijzen naar een test, in plaats van een paslood.

Zoals we uit deze voorbeelden kunnen zien, zal de eindtijdkerk worden getest. Hoe gaan we bouwen? Wat zal de test openbaren over onze groei als christen (1 Corinthiërs 3:9-16)? We hebben de opdracht gekregen te groeien "tot de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Efeziërs 4:13). Hieruit kunnen we opmaken dat het paslood Gods Openbaring over Zichzelf is als de standaard.

Eerst was Gods Openbaring over Zichzelf direct, zichtbaar en persoonlijk, maar later, toen Israël uitgroeide, openbaarde Hij Zich meer mondeling via de profeten. Zij legden Zijn Openbaring voor alle tijden en volken vast, en wij lezen die in deze tijd in de Bijbel.

Gods wet is het voornaamste middel dat Hij gebruikt om ons Zijn natuur te openbaren. Die wet definieert hoe Hij leeft. Als wij in Zijn Koninkrijk willen zijn en leven zoals Hij, dan moeten we Zijn wet gehoorzamen, maar het gehoorzamen van Gods wet doet niets aan genade af. God openbaarde Zichzelf eerst aan Israël als Verlosser en daarna als Wetgever. Hij bevrijdde Zijn volk uit hun slavernij in Egypte voordat Hij hun de standaard van Zijn wet gaf. Genade gaat aan wet vooraf. God geeft eerst genade, maar Hij laat Zijn volk niet onwetend over het leven dat Hem behaagt, dat wordt in Zijn wet geopenbaard.

Het paslood combineert genade en wet, en God zal ons tegen beide testen. Als we zonder wet op Zijn genade vertrouwen, of op Zijn wet zonder genade, zullen we niet slagen voor de test. Als een van beide wordt misbruikt, zullen we niet aan de standaard voldoen.

Leviticus 19 laat zien dat de Openbaring van de wet belangrijk is, omdat het een mondelinge beschrijving is van Gods natuur. Onze God is een heilige God (vers 2) en Hij verwacht dat Zijn vertegenwoordigers heilig zijn zoals Hij. Maar hoe worden we heilig?

Nadat God ons van zonde bevrijdt en ons Zijn Geest en genade verleent — Zijn vrijwillig gegeven, onverdiende verkiezing — verwacht Hij van ons dat we Zijn instructies opvolgen. De rest van Leviticus 19 vult de details in — we worden heilig door deze dingen te doen. Deze Handelingen weerspiegelen Gods natuur. Daar God heilig is, is Zijn wet heilig, en als wij Zijn heilige wet navolgen, kunnen we — als Zijn Heilige Geest in ons woont — uitgroeien tot een heilig-zijn als onze heilige God.

God koos Israël en deed hun een aanbod tot een relatie met Hem, om met Hem te wandelen en om te gaan. Na Israëls verwerping daarvan, heeft Hij nu dit aanbod gedaan aan hen die Hij specifiek heeft geroepen en uitverkoren (Johannes 6:44; 1 Corinthiërs 1:26-29).

God heeft Zijn volk lief en geeft hun behoud, genade. Hij verwacht dat dit zal resulteren in gehoorzaamheid aan Zijn wet, de weerspiegeling van Zijn natuur. Daarom gebruikt Hij dus af en toe een paslood jegens hen om hun voortgang te meten. Maar als Hij ziet dat zij Zijn manier van leven hebben verworpen, heeft Hij geen andere keus dan te proberen hen tot bekering te brengen — door elk mogelijk middel dat maar nodig is.

"Zoek Mij en leef!"

De naam Amos betekent "last" of "lastdrager" en de boodschap die hij aan Israël verkondigt is er zeker één van ondergang en verwoesting. In die zwaarmoedige, sombere waarschuwing is weinig ruimte voor hoop, voor goed nieuws, voor gelukkige dagen. Toch legt Amos aan het eind van zijn profetie zijn deprimerende last van zich af en beschrijft de schitterende toekomst die Israël kan hebben als het volk tot God terugkeert.

We zien in het laatste hoofdstuk dat de vernietiging van de natie niet volledig zal zijn: "Zie, de ogen des Heren HEREN zijn tegen het zondige koninkrijk, en Ik zal het verdelgen van de aardbodem. Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen, luidt het woord des Heren" (Amos 9:8). Al is Hij niet meer gebonden door Zijn belofte uit het verleden, daar Israël het verbond had verbroken, toch zal Hij de natie niet volledig wegvagen. Hij zal aan enkelen barmhartigheid tonen (Micha 7:18). Hij zal een "rest van Jozef" (Amos 5:15) genadig zijn.

Andere profeten diepen het idee verder uit van een rest die behouden zal worden om Gods manier van leven op nieuwe generaties over te dragen. Rest kan ook met coupon worden vertaald en dat woord doet denken aan een stuk stof dat uit een grotere lap stof is geknipt. Het basisidee is klein. Een rest is een uiterst kleine vertegenwoordiging van het oorspronkelijke geheel, in dit geval van de gehele natie Israël.

Ezechiël beeldt een rest uit als enkele haren die verborgen worden in de slippen van zijn kleding (Ezechiël 5:1-4). Jesaja toont de rest van Israël verstrooid naar "de vier einden der aarde" en die een voor een bijeen verzameld moeten worden (Jesaja 11:11-12; Jeremia 23:3; 31:7-11; Micha 2:12). Zij zijn slechts enkele korreltjes zand vergeleken met al "het zand der zee" (Jesaja 10:22), misschien slechts een tiende van de oorspronkelijke bevolking van de natie (Jesaja 6:13).

Toen Israël in 721-718 v.Chr. door Assyrië werd overwonnen en in slavernij gevoerd, werden veel van de overlevenden gevestigd "in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden" (2 Koningen 17:5-6); deze gebieden lagen in het noorden van Mesopotamië. Als er ooit enigen van deze gedeporteerde Israëlieten naar Palestina terugkeerden, waren het er maar weinigen. In plaats daarvan emigreerden ze voornamelijk naar het noorden en westen van Europa en vandaar verspreidden ze zich over de gehele wereld (Jesaja 43:5-6; 49:12; Jeremia 3:12, 18; 31:8; Zacharia 2:6; 8:7). De geprofeteerde terugkeer van het overblijfsel is dus nog toekomst.

Het bijeenverzamelde overblijfsel van een toekomstige vernietiging zal als een geslagen, gebroken, nederig volk naar Israël terugkeren, nadat ze overal ter wereld verschrikkelijk hebben geleden door de hand van hun veroveraars en onderdrukkers (Jeremia 31:8-9; Micha 4:6). Door hun lijden zullen ze de redenen voor hun slavernij en gevangenschap zijn gaan begrijpen: ze hebben God en Zijn manier van leven verlaten. Zij zullen nu gereed zijn en bereid om te luisteren en de instructies van hun God te gehoorzamen (Jesaja 10:22; Sefanja 3:13), en dan de schitterende voordelen van het volgen van Hem plukken (Jesaja 37:31; Zacharia 8:4-8, 11-15).

Jeremia laat zien wat voor een schitterende, vreugdevolle tijd dit zal zijn:

Hoort het woord des HEREN, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. Want de HERE maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij. Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des HEREN, naar koren, most en olie, naar schapen en runderen; hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten. Dan verheugt zich het meisje in de reidans, jongelingen en grijsaards tezamen. Ik verander hun rouw in vreugde. Ik troost en verblijd hen na hun smart. Ik laaf de ziel der priesters met het vette en mijn volk wordt met het goede van Mij verzadigd, luidt het woord des HEREN. (Jeremia 31:10-14)

"Geschud met een zeef"

God verlangt er werkelijk naar dat Zijn volk zo'n overvloedig, gelukkig leven heeft. Toch is de verschrikkelijke straf — oorlog, hongersnood, epidemieën, gevangenschap, slavernij, ballingschap — die Hij over het volk Israël brengt op zichzelf een noodzakelijke en pijnlijke test van hun beleden trouw. "Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen" (Amos 9:9). Dit komt overeen met Romeinen 11:26, waar Paulus zegt: "Aldus zal gans Israël behouden worden." God wil behoud geven aan alle Israëlieten en deze rampen vormen Zijn laatste 'wanhopige' poging om hun aandacht te trekken om hen tot Hem te doen terugkeren.

God laat Zijn volk door een proces van zeven heen gaan en de zeef is ontworpen om de stenen en andere dingen die geen graan zijn, vast te houden. In de metafoor zal datgene wat door de zeef heen gaat — het graan — behouden worden. De steentjes die in de zeef gevangen raken, zijn degenen die God zal vernietigen.

"Door het zwaard zullen zij sterven, al de zondaren van mijn volk, die zeggen: Gij moogt het kwaad niet nader brengen en het ons niet tegemoet voeren" (Amos 9:10). Hun woorden zijn een echo van de woorden van de Laodiceeërs in Openbaring 3, die uit Gods mond gespuwd zullen worden. Zij die in de zeef achterblijven zien geen reden voor alarm, geen reden dat God hen zou oordelen. Zij zijn er zich blijkbaar niet van bewust wat zonde is, van de straf die de zondaar treft of van de behoefte aan een geneesmiddel. Zij zijn zelfgenoegzame, onverschillige zondaars, die leven in een fantasiewereld die ze zelf verzonnen hebben.

Zich tot God keren in geloof en metterdaad

Hoe kan deze ramp vermeden worden? De oplossing is zo eenvoudig en voor de hand liggend dat God er in het boek Amos heel weinig tijd aan schijnt te besteden. In werkelijkheid roept ieder woord van het boek uit wat Israël toen zou hebben moeten doen — en wat het in deze tijd zou moeten doen.

"Zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft en aldus de HERE, de God der heerscharen, met u zij, gelijk gij zegt. Haat het kwade en hebt het goede lief, en houdt het recht hoog in de poort" (Amos 5:14-15). Iemand hoeft God niet te zoeken als Hij Zich reeds aan hem heeft geopenbaard. Zoeken betekent dus zich in berouw tot Hem "keren", niet noodzakelijkerwijs "naar Hem uitkijken". Dit is een manier om te zeggen: "Besteed je tijd en leven aan God."

Zoeken is in het Hebreeuws in de gebiedende wijs geschreven en heeft de kracht van een opdracht. Het goede zoeken of God zoeken (vers 4) is een handeling waar we ons toe moeten zetten; dat is geen natuurlijke neiging (Romeinen 8:7). Maar het is de inspanning waard, want het resultaat ervan is leven — niet slechts een fysiek bestaan, maar een leven zoals God het leidt (Johannes 17:3). Als we besluiten het goede te zoeken en dat blijven doen, zal het resultaat — werkelijk leven — er het gevolg van zijn. De Heer zoeken brengt een goddelijk leven voort.

Door bij elk woord van God te leven, zouden we erop moeten letten in welke volgorde Hij deze opdrachten plaatst: "Zoekt het goede en niet het kwade, ... Haat het kwade en hebt het goede lief" (Amos 5:14-15). De handeling van tot het goede keren gaat vooraf aan de emoties van het kwade haten en het goede liefhebben. Heiligheid gaat gepaard met actie en emotie: zoeken en schuwen, het goede liefhebben en het kwade haten. Hij wil dat we ons naar het goede wenden en dat ons in ons dagelijks leven ten doel stellen. Als we wachten op God om ons met het juiste gevoel te bezielen voordat we gaan proberen goed te doen, dan zullen we lang moeten wachten omdat dat nooit zal komen. We moeten eerst in geloof tot handelen overgaan en het daarbij behorende gevoel zal dan komen.

Als heiligheid niet gepaard gaat met zowel actie als emotie, wordt het iets dat we kunnen aannemen en afleggen. We zouden door de week op huichelachtige manier het ene soort leven kunnen leiden en op sabbat onze heilige aanblik aandoen om naar de bijeenkomsten te gaan. Actie en emotie gaan samen om tot een gezonde manier van leven te komen.

Heiligheid is niet alleen maar een manier van leven of een regel om naar te leven. Het brengt ook de allerbeste kwaliteit van leven voort — de manier waarop God eeuwig leeft. Gods volk moet voortdurend aan heiligheid denken en waarderen dat Hij ons uit deze wereld heeft uitverkoren en ons de genade heeft gegeven om heilig te zijn.

Een belangrijk onderwerp in het boek Amos is dat we de genade van God niet als iets vanzelfsprekends kunnen aannemen (zie hoofdstuk 1, "De verantwoordelijkheid van het verbondsvolk"). De Israëlieten veronderstelden op een zelfgenoegzame manier dat God naar hun gezelschap uitkeek, maar wij moeten ons ertoe zetten Hem dagelijks te zoeken, niet slechts eenmaal per jaar tijdens een pelgrimstocht of een feest. Van nature zouden we liever het tegengestelde doen en erop wachten dat God ons met een verlangen vervult om Zijn wil te doen. Maar alleen iemand die zichzelf ertoe zet de Heer en Zijn heiligheid te zoeken zal de bezieling van genade door Zijn Geest van Hem ontvangen. Ondersteund door de Geest van God (Efeziërs 3:16) kan hij God in geest en waarheid (Johannes 4:24) zoeken en echt leven.

Petrus zegt in Handelingen 5:32: "En wij zijn getuigen van deze dingen en ook de Heilige Geest, die God hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn." De Schrift maakt duidelijk bekend dat God Zijn Geest geeft aan hen die Hem gehoorzamen! Iemand gehoorzaamt eerst en daarna wordt de Geest gegeven. God leidt ons tot bekering door middel van Zijn Geest, maar als we Hem niet gaan gehoorzamen zal Hij Zijn Geest niet in ons plaatsen.

Wat is het nut van geloof als we niet eerst het onbekende moeten binnentrekken voordat Hij antwoordt? Als we God werkelijk vertrouwen, dan is het in zekere zin niet het onbekende. Maar we moeten eerst in geloof handelen, God vertrouwen dat het het juiste is om te doen, daarna geeft Hij het antwoord of de zegening. Op die manier vindt groei plaats. Hij voedt ons op door ons te zeggen wat het juiste is om te doen. Hij verwacht van ons dat we dat doen en als we het doen, zal Hij Zijn beloften nakomen. Als we het doen, geeft Hij ons de kracht om het te voltooien.

Genade en gehoorzaamheid werken dus samen, ze kunnen niet losgekoppeld worden. God roept en verlost ons door genade door geloof (Efeziërs 2:8), maar verlangt gehoorzaamheid in geloof (2 Corinthiërs 5:7; Hebreeën 11) — een leven bij elk woord van God (Mattheüs 4:4) — om onze bevoorrechte positie te behouden (Hebreeën 6:4-8; 10:26-31). Door rechtvaardig te leven en God te zoeken, geeft Hij ons meer van Zijn Geest om ons te helpen in genade te groeien en zonde te overwinnen door de kennis van God (2 Petrus 3:18).

Onze soevereine, almachtige God

"Zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft en aldus de HERE, de God der heerscharen, met u zij, gelijk gij zegt" (Amos 5:14). Amos introduceert "Yahweh, de almachtige God", aan zijn gehoor, de God der legerscharen, of van de legers der engelen. In de Bijbel raakte iemand vaak geheel van zijn stuk, stond op zijn benen te beven en te trillen, als hij met een geestelijk wezen werd geconfronteerd (Jesaja 6:5; Daniël 10:7-8). Amos wil dat zijn gehoor erover gaat nadenken hoe een confrontatie met God Zelf eruit zou zien.

Om dit te doen gebruikt hij een bepaalde tactiek om hun trots te vernietigen, de trots die de werkelijke oorzaak is van hun lauwe houding in hun relatie met God. In de verzen 14 tot 20 herhaalt hij Gods naam elf keer om Degene die zij nalieten te leren kennen, meer te doen uitkomen.

Amos vestigt zoveel aandacht op God als hem mogelijk is zonder zijn gehoor om de oren te slaan. In de achtergrond ligt de retorische vraag: "Kan iemand met God wandelen en zich niet werkelijk bewust zijn van Zijn heiligheid, grootheid en majesteit?" Deze mensen veronderstelden achteloos dat zij vrede hadden met God, maar hoe konden ze werkelijk weten of dat zo was, als ze er geen idee van hadden hoe Hij in elkaar zat? Amos' uiteindelijke doel is hen te laten zien dat degene die zij aanbidden helemaal niet de ware God is. Als zij de ware God zouden kennen, zou dat voor hen zonneklaar zijn! En dan zouden ze zich bekeren.

Een ander voorbeeld van herhaling is Amos' gebruik van "Here HERE", en wel eenentwintig keer in het hele boek. Eén commentator vertaalt Here HERE als "soevereine Yahweh". Als "soeverein", dat eigenaar en meester suggereert, wordt gecombineerd met "Yahweh", duidend op de God van het verbond, betekent het dat Hij geheel in Zijn recht staat als Hij gehoorzaamheid van het verbondsvolk verwacht, en dat Hij Zijn beloften aan hen zal houden, of dat nu zegeningen of vervloekingen zijn (Leviticus 26, Deuteronomium 28).

Amos wil dat wij geloof hebben in God en begrijpen dat Hij het recht heeft te doen wat Hem behaagt. Ons behoud is belangrijk voor Hem. Hij is een barmhartige Heerser die de beloften, vastgelegd in Zijn verbond, met ons tot stand zal brengen zelfs al is daar een pijnlijk pak slaag voor nodig.

In Romeinen 11:11-36, een sectie die in de New King James de titel "Israëls verwerping niet definitief" heeft, legt Paulus uit hoe de heidenen in de natuurlijke olijfboom (Israël) zijn geënt. In de verzen 25 tot 29 laat hij zien dat de soevereine Yahweh aan het werk is — Hij heeft Zijn volk niet vergeten. Ook al straft Hij hen wegens hun rebellie, is Zijn plan voor hen uiteindelijk toch om hun behoud te geven.

We moeten dit begrip op onszelf toepassen. Soms strekt Zijn doel zich over duizenden jaren uit.

Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. (2 Petrus 3:8-9)

De uitwerking van Zijn doel met ons bestrijkt ons gehele bekeerde leven. Gods wil is ons behoud te geven nadat Hij Zijn manier van denken en karakter in ons heeft geschapen. Als Hij door beproevingen van ons geloof pijn en lijden moet veroorzaken om Zijn karakter in ons tot stand te brengen, zal Hij dat doen. Maar Hij geeft er de voorkeur aan dat wij zoeken wat goed en juist is, zodat het niet nodig is dat Hij ons zwaar beproeft.

De wereld onder Gods regering

Tenslotte, na zoveel bedreigingen met straf en vernietiging, herinnert God Zijn volk eraan dat er na die donkere tijd een schitterend en overvloedig leven in het verschiet ligt. Na hun bekering zal Hij hen naar het land der belofte terugvoeren en hen helpen hun verwoeste steden te herbouwen en hun volledig verstoorde leven weer op orde te brengen. Dit heeft na hun verdrijving uit Palestina door de Assyriërs in 718 v.Chr. nog nooit plaatsgevonden. Dit schitterende Millennium van herbouw en welvaart ligt dus nog in het verschiet (vergelijk Jeremia 30-31 en Micha 4:1-7 met Openbaring 19:1-20:6). In deze toekomstige tijd zullen de Israëlieten snel hun superioriteit in de wereld herwinnen en zullen ze nooit weer vernietigd en verdreven worden. Ze zullen voor altijd in echte vrede en zekerheid onder God leven.

Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de HERE, die dit doet. (Amos 9:11-12)

In 2 Samuël 7:1-17 sluit God een verbond met David, waarin zijn huis, koninkrijk en troon voor altijd worden vastgesteld. Hij voegt in Jeremia 33:17 toe: "Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is." Deze laatste belofte wordt gegeven aan het einde van een profetie over "een Spruit der gerechtigheid" die uit de lijn van David zal voortkomen (vers 15). Een soortgelijke profetie in Jesaja 11:1-5 laat er geen twijfel over bestaan dat de "Spruit" de Messias, Jezus Christus, is.

Veel schriftgedeelten laten zien dat als Christus wederkeert, Hij voor altijd als Koning der koningen op de troon van David zal regeren (Jesaja 9:6-7; Openbaring 19:16). Hij zal de opgestane David koning maken over Israël, en elk van de twaalf apostelen zal onder hem over een stam regeren (Mattheüs 19:28; Lucas 22:29-30).

Deze verwijzing naar David zou de "gouden eeuw" van Israël in het denken van een Israëliet moeten oproepen. Dit was de tijd voordat Israël zich van Juda en de dynastie van David afscheidde, toen haar rijkdom, vrede en macht op een hoogtepunt stonden. God verkondigt dat het volk niet in verlangen naar het verleden zou hoeven terug te kijken naar de gouden eeuw van Israël — de tijd waar Hij op duidt is nog steeds toekomst en zal in alle opzichten boven die gouden eeuw uitgaan!

Edom (Amos 9:12) vertegenwoordigt voor Israël wat Babylon doet voor de kerk, dat wil zeggen alles wat vijandig staat tegenover God. Het vertegenwoordigt de wereld, de gehele mensheid. Het schijnt dat Edom Jakob nooit vergaf dat hij het geboorterecht van Esau stal (Genesis 27). Door de gehele geschiedenis heen werkt ze dus Israël voortdurend tegen. Als Edom, Israëls aartsvijand, en de rest van de wereld bij Christus' wederkomst onder Gods hand vernederd zijn, dan zal de gehele mensheid tot bekering komen.

In Handelingen 15:16-17 haalt Jacobus Amos 9:11-12 aan als de autoriteit van de kerk om aan de bekering van de heidenen te werken, en dat is er inderdaad de betekenis van. Amos gebruikt beërven in de betekenis van "overwinnen". De dynastie van David, en in algemenere zin Israël, zal de rest van de wereld overwinnen, niet door wapens, maar door het woord van God (Jesaja 49:6), waardoor voor die krijgsgevangen naties een gelijkheid met Israël ontstaat. Israël kan het overblijfsel van Edom en alle heidenen beërven, omdat, als de Koning uit de dynastie van David op het toneel verschijnt, Hij de algehele bekering van de heidenen tot stand zal brengen (Jesaja 11:10). Zij zullen ook Zijn volk zijn.

Dit is het grote doel waar God naar toe werkt! Hij organiseert zorgvuldig de gebeurtenissen, zodat eens in de toekomst de gehele mensheid — allen die ooit hebben geleefd — de gelegenheid aangeboden zal krijgen om lid van Zijn Familie te worden! Hij wil dat al Zijn kinderen in staat zullen zijn het heerlijke, vervullende, schitterende leven te hebben dat Hij leidt. Er kan geen groter en hoger doel bestaan!

Vrede en overvloed

Die tijd ligt in het nabije verschiet!

Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God. (Amos 9:13-15)

Jezus Christus keert weer in macht en grote heerlijkheid om de teugels van het bestuur over Zijn volk op te nemen. In tegenstelling tot de rampzalige, natuurlijke rampen die de overhand hebben onder de heerschappij van de mens (Amos 4:6-10: 8:8), zal de natuur positief reageren op de heerschappij en regering van God! De vloek der zonde wordt weggenomen en de mens begint over de gehele aarde een paradijs zoals Eden was, voort te brengen. De Israëlieten keren terug van de naties waar ze in ballingschap verkeerden, en herbouwen het Beloofde Land in schoonheid en pracht.

Dit is het einde van onzekerheid. Vrede zal het resultaat zijn als de mens aan Gods bestuur gehoorzaamt (Jesaja 9:6-7). Nooit zal een mens meer beroofd, gedood, verdrukt worden of zijn erfdeel verliezen, niet alleen in Israël, maar als Christus' heerschappij zich uitbreidt uiteindelijk in alle naties. We kunnen uitkijken naar zo'n schitterende wereld van morgen!

In hun trotse overvloed en op zichzelf steunende macht probeerden de Israëlieten zekerheid te vinden in hun huizen en bezittingen, in hun oprechte maar onjuiste religieuze vurigheid, in hun verkeerde begrip van hun positie voor God. Maar God zegt dat de ware zekerheid van Hem komt. Alle zegeningen vloeien bij Hem vandaan (Jacobus 1:17) en Hij is begerig die te geven. Hij heeft alleen de prioriteiten anders gesteld dan de mens: "Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden" (Mattheüs 6:33).

Bent u — persoonlijk — erop voorbereid uw God te ontmoeten (Amos 4:12)? Als u vandaag voor Zijn oordeelstroon geroepen zou worden, zou Hij dan een positief of een negatief oordeel over uw leven uitspreken? Zou Hij zeggen: "Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij" (Mattheüs 7:23)? Of zou Hij zeggen: "Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf" (Mattheüs 25:21)?

Dat is de essentie van Amos' krachtige en urgente boodschap! Hoe goed bent u nu, op dit moment, voorbereid op Gods oordeel?

Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? (1 Petrus 4:17-18)

Amos heeft deze vragen beantwoord. In de verzen van zijn boek kunnen we het einde zien van hen die niet geloven, en we krijgen ook een korte blik op de ontzagwekkende zegeningen van hen die wel geloven. Hoe lang moeten we God laten zien of we wel of niet geloven? Dat weet God alleen — maar elk van ons kan op ieder moment sterven. Dan zal onze oordeelsperiode voorbij zijn. Ezechiël schrijft:

Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls? Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van de Here HERE; daarom bekeert u, opdat gij leeft. (Ezechiël 18:31-32)

Nu we de boodschap hebben gehoord, hebben we de tijd deze toe te passen. Al zijn soortgelijke condities als in Amos' tijd zichtbaar in onze eigen naties, de straffen voor zonde zijn nog niet op hen gevallen. De waarschuwingen nemen echter in intensiteit en frequentie toe. Benut de gelegenheid tot handelen terwijl die nog aanwezig is!

"Zoek de Heer en leef!"

© 1995 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)