De wereld, de kerk en Laodiceanisme

Door John W. Ritenbaugh
1993

Het zit in de wereld!

In augustus 1987 zei een welbekende evangelist in de Church of God: "U zult er verbaasd over staan hoe vaak het Werk intern een weerspiegeling is van de wereld buiten. Ik denk niet dat we ons realiseren hoe vaak dit waar is." Leden van de kerk moeten deze observatie in overweging nemen, omdat we een dringende en kritieke verantwoordelijkheid hebben om te voorkomen dat de wereld een stempel op ons drukt. Dat was onmogelijk te doen voor onze bekering, toen we volledig onder invloed van de wereld stonden. Voorkomen dat de wereld zich aan ons opdringt, is zelfs onder de beste omstandigheden moeilijk. Al hebben we sinds onze bekering misschien minder contact met de wereld, toch is dit contact niet geheel verdwenen.

Er is praktisch geen manier om de wereld volledig uit te bannen. Zij oefent haar invloed op ons uit door televisie, radio, tijdschriften, kranten, zakelijke contacten en maatschappelijke omgang. Gods volk moet er gewoon mee om gaan. Bekeerd zijn verandert niets aan het feit dat de wereld er altijd is. Pal buiten de deur worden we altijd al met haar geconfronteerd, ze is een voortdurend aanwezige werkelijkheid. Met moderne technologieën zoals televisie is ze rechtstreeks in huis aanwezig! Het is bijna onmogelijk te ontsnappen!

Gelukkig voorziet God Zijn volk van een formule om te ontsnappen. Met die formule moet iedereen naar beste vermogen uit de voeten zien te komen.

Vlucht uit Babylon!

Een profetie tegen Babel in Jeremia 51:6 laat de basisformule zien. Sprekend tot het Israëlitische volk betreffende hun verantwoordelijkheid waarschuwt God: "Vlucht uit Babel, laat ieder zijn leven redden!" Onthoud dat! Om iemands leven te redden, moet men uit Babel vluchten, van haar uitgaan, haar op de een of andere manier verlaten. "Komt niet om in haar ongerechtigheid, want dit is de tijd der wrake voor de HERE." Later zegt Hij: "Trekt eruit weg, mijn volk, en laat ieder zijn leven redden voor de brandende toorn des Heren" (vers 45).

God spoort Zijn volk vaak aan om "uit te komen". Hij gaf Abraham opdracht weg te trekken van zijn volk en familie (Genesis 12:1). Via twee engelen verzoekt Hij Lot dringend Sodom en Gomorra te ontvluchten (Genesis 19:12). Zelfs Noach wordt bij het ontvangen van de instructie om de ark te bouwen, gezegd uit te komen — dat is aan boord van de ark te gaan en de boze maatschappij van die tijd achter zich te laten (Genesis 6:14-18). Tijdens Israëls zwerftochten door de woestijn geeft God Mozes de opdracht de woonplaats van de goddelozen te verlaten (Numeri 16:26). Jesaja echoot Jeremia door te zeggen: "Trekt uit Babel" (Jesaja 48:20).

Zoals de Bijbel vaak laat zien, heeft Zijn instructie in het bijzonder betrekking op hen die in de eindtijd leven. In een nieuwtestamentische profetie die misschien voornamelijk van toepassing is op de christenen die in deze tijd leven, beveelt God Zijn volk — in een echo van Jeremia 51 — de wereld te ontvlieden. De apostel Johannes schrijft: "En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen" (Openbaring 18:4).

Babylon wordt — als vijand van God — op verschillende manieren in de Bijbel gebruikt. Eén daarvan is een letterlijke stad. Een tweede manier is een wereldomvattend systeem van bestuur, handel, vermaak, enzovoort. Een derde manier symboliseert een geestelijke entiteit. Alle drie moeten samen in beschouwing worden genomen om Babylon te begrijpen. In Openbaring 18 is het een stad die de wereldomspannende manier van leven in de eindtijd vertegenwoordigt.

Er zal een tijd komen dat het volk van God letterlijk uit Babylon zal moeten vlieden om hun leven te behouden! Tijdens de dag des Heren zal God in actie komen om Babylon volledig van de aardbodem weg te vagen. Dan zullen de christenen haar lijfelijk, fysiek moeten verlaten.

In andere tijden moet het volk van God geestelijk uit Babylon vluchten om hun leven te behouden — geestelijk ontsnappen om te ontkomen aan de plagen die op haar zullen neerkomen. Dit geldt ook voor de christenen in deze tijd: men moet Babylon geestelijk verlaten. Omdat christenen verantwoordelijkheden hebben zoals in het levensonderhoud voorzien van gezinnen en het draaiend houden van bedrijven, is het zich afzonderen in een klooster geen oplossing. God geeft Zijn volk opdracht met elkaar om te gaan en een voorbeeldig leven te leiden binnen hun omgeving. Verborgen binnen een klooster kan men geen licht in de wereld zijn.

Het zich verzamelen in gemeenschappen, zoals de Mennonieten en de Amish, klinkt aanlokkelijk voor christenen. Veel groepen mensen hebben dit geprobeerd. Het lijkt aantrekkelijk voor ware christenen, omdat we afstand willen nemen van de dingen in de wereld, maar dat is niet wat God in gedachten heeft voor Zijn volk. Hij wil dat we in de wereld zijn, maar er geen deel van uitmaken (Johannes 17:11-18). We zijn geroepen om in de gehele wereld met een boodschap uit te gaan, het evangelie van het Koninkrijk van God. Zolang als Zijn volk in de wereld leeft, moeten ze altijd het gevaar om erin op te gaan het hoofd bieden. Christenen moeten altijd waakzaam, op hun hoede, zijn, zodat de wereld hen niet weer terugtrekt en geheel in haar op doet gaan.

Al is het niet nu de tijd om lijfelijk uit Babylon te vluchten, toch is het zeer zeker de tijd om er geestelijk uit te komen. Uitkomen is een innerlijke transformatie, een verandering of bekering, van wat Babylon vertegenwoordigt tot iets dat veel beter is en in overeenstemming is met God. Daardoor wordt de manier waarop de wereld denkt, gelooft en handelt, vervangen door een betere manier.

De hoer en het gouden hoofd

Openbaring 18:4 is Gods aansporing tot de kerken om de verraderlijke schoonheid en charme van deze theologische en politieke prostituee, Babylon, te mijden. God gebruikt heel specifieke bewoordingen in Zijn beschrijving van haar in Openbaring 17. Hij noemt haar een hoer of een prostituee. Een prostituee kan schoonheid en charme hebben. Er zijn veel eigenschappen van een hoer die de aandacht van een man kunnen trekken en hem van zijn doel kunnen afvoeren. Omdat de wereld hem voor zijn bekering reeds heeft verstrikt, moet een christen geestelijk waakzaam zijn dat hij er niet naar terugkeert. Jammer genoeg wint de wereld een onvoorzichtig iemand al te gemakkelijk terug, daarom geeft de apostel Gods volk het advies ervan weg te vluchten — om de rand van de rots te vermijden.

Maar wat moeten we ontvluchten? In Nebukadnessars visioen in Daniël 2 is Babel het gouden hoofd. Goud is aantrekkelijk. Mensen geven hun leven voor de macht en de aantrekkingskracht van goud. Het gouden hoofd bezit een schoonheid die het oog, het gevoel, het verlangen naar de goede dingen van het leven stimuleert. Daarnaast vertegenwoordigt goud kwaliteit. In het profetische beeld degenereert of vermindert de kwaliteit van het metaal met het verstrijken van de tijd. Babylon vertegenwoordigt een redelijk systeem, maar door de eeuwen heen degenereert het systeem van goud tot zilver tot koper tot ijzer tot uiteindelijk een mengsel van ijzer en modderige klei.

Aan het begin is het systeem, vertegenwoordigd door het gehele beeld, aantrekkelijk. Zoals in Paulus' analogie van het lichaam in 1 Corinthiërs 12 stuurt het hoofd de andere delen van het lichaam en geeft er opdrachten aan. In feite betekent dit dat Babylon, het gouden hoofd, haar systeem, haar ideeën, haar stijl, haar kwaliteiten op alle beschavingen heeft gedrukt. Al is het systeem voor God niet aanvaardbaar, toch heeft het zijn stempel op de gehele wereld gedrukt.

Iedereen heeft eraan deelgenomen. De Amerikaanse cultuur is een Israëlitische aanpassing van het gouden hoofd. Alle andere naties hebben haar kwaliteit in zich opgenomen en hebben hun eigen specifieke draai eraan gegeven. De Duitsers gaven er een Duitse draai aan; de Fransen een Franse draai; de Italianen een Italiaanse draai. In principe doortrekt hetzelfde systeem de wereld — en zoals het wordt toegepast is het anti-Christus. Vanwege haar aantrekkelijkheid, haar magnetisme en omdat iedereen voor zijn bekering geen verdediging heeft, heeft het een stempel gedrukt op Gods volk. Babylon is de wereld waarvoor de christenen moeten vluchten.

De kenmerken van Babylon

Vanuit een theologisch gezichtspunt identificeert Openbaring 18 de kenmerken van Babylon. De tekenen zijn afgodendienst, theologische prostitutie of geestelijk overspel, onafhankelijkheid, zelfverheerlijking, trots, zelfgenoegzaamheid, vertrouwen op luxe en rijkdom, vermijden van lijden en levensbedreigend geweld. Als we Openbaring 17 en 18 zorgvuldig lezen, zien we dat elk van die trekken op de een of andere manier tot uitdrukking worden gebracht.

Interessant genoeg benadrukt God er drie in het bijzonder en Hij geeft deze weer in hoofdstuk 18:7 [Statenvertaling]:

Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.

Door Babylon als een vrouw te personifiëren, laat God haar diepste, geheime gedachten zien en zodoende haar ware karakter.

De eerste van de drie karakteristieken die hier worden benadrukt, is trots, zelfverheerlijking: "zij verheerlijkte zichzelve ... Ik zit als koningin ..." De tweede is vertrouwen op rijkdom, verzadiging, mateloosheid: zij heeft weelde [buitensporigheid, wellust, geen zelfbeheersing] gehad." De derde trek is vermijden van lijden, want ze zegt: "Ik zal geen rouw zien." Omdat vertrouwen op rijkdom heel gemakkelijk kan leiden tot trotse onafhankelijkheid en vermijden van lijden, hangen deze drie met elkaar samen. God maakt Zich er druk over dat haar onafhankelijkheid tegen Hem is gericht. Wie heeft God nodig als hij alles heeft? Vermijden van lijden leidt tot het sluiten van compromissen, zowel met het geweten als met de wet. Dat kan iemands karakter ernstig beschadigen en voor God is dat een ernstige zaak.

Deze karakteristieken hebben veel gemeen met Laodiceanisme. Omdat Laodiceanisme zijn oorsprong in de wereld vindt, is het nodig om het nauwkeurig onder de loep te nemen. Hoe komt die houding in de kerk? Die komt vanuit de wereld! Kerkleden brengen die met hen mee en kunnen zich er nooit voldoende van losmaken.

"Heb de wereld niet lief ..."

Een bekende serie verzen in 1 Johannes 2 begint de relatie tussen Babylon en Laodiceanisme te onderzoeken. "Hebt de wereld niet lief ..." (vers 15). Theologisch is dat heel zinnig nadat we begrijpen wat God in Openbaring 18 zegt over trots, onafhankelijkheid, het vermijden van lijden en dergelijke. Waarom zou hij zoiets moeten zeggen als de wereld niet aantrekkelijk was? De wereld bezit een schoonheid die we vleselijk heel moeilijk vinden te weerstaan. Omdat Laodiceanisme uit deze aantrekkelijkheid voortkomt wordt deze heel beslissend voor een christen. Veel leden van Gods kerk vinden de wereld onweerstaanbaar. Op de een of andere manier kunnen velen haar geestelijk niet ontwijken.

"Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld" (vers 15-16). Johannes gebruikt deze drie geestelijke begrippen om te laten zien dat God Zich geen zorgen maakt over aantrekkelijke dingen, zoals auto's of huizen of kleding, maar een geestelijke macht die de wereld heeft en die door velen aantrekkelijk wordt gevonden. Iets betreffende de wereld is verleidelijk en de meesten vinden dat moeilijk te weerstaan.

In het volgende vers geeft Johannes een belangrijke reden waarom men de wereld niet moet liefhebben. "En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid" (vers 17). God maakt Zich het meest zorgen over de idealen van de wereld, haar standaards, haar concepten van goed en kwaad. Deze beïnvloeden de manier waarop we alles bekijken en brengen neigingen, houdingen, gevoelens voort en de doelen waarvoor we leven. Alles bij elkaar opgeteld zijn de standaards van de wereld kortzichtig en zelfzuchtig, geheel anders dan die van God die eeuwig en uitgaand naar anderen zijn.

Paulus schrijft in Romeinen 12:2: "En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, ..." De Phillips vertaling zegt: "Laat de wereld om u heen u niet in haar eigen vorm persen", een levendig beeld en een uitstekende interpretatie van wat Paulus echt bedoelde. Als men niet waakzaam is en haar verleidingen niet weerstaat, dan heeft de wereld de macht iemand te vormen en naar haar model te voegen. Daar moet weerstand aan worden geboden!

In het daaraan voorafgaande vers zegt Paulus dat we onszelf moeten offeren. Dit impliceert in sterke mate dat dat offeren pijnlijk is. Babylon vermijdt lijden ten koste van alles! Als we er niet in slagen ons zelf op te offeren, dan kan de wereld haar gang gaan en ons naar haar model vormen. De wereld heeft een invloed op ons denken (wat in de Bijbel "het hart" wordt genoemd), op onze gevoelens en op onze houding, en deze invloed komt uiteindelijk in ons gedrag tot uiting. Gedrag begint met onze houding, met onze standpunten, met onze waarden, standaards en idealen. Als die waarden, standaards en idealen in strijd zijn met de weg van God, kunnen we de constante druk van de wereld om ons naar haar model te vormen niet weerstaan.

Wereldlijkheid gedefinieerd

Hier volgt John Ritenbaughs definitie van wereldlijkheid: "de liefde voor schoonheid — dat wat men aantrekkelijk, aanlokkelijk of wenselijk vindt — zonder een daarmee samengaande liefde voor gerechtigheid". Het product van wereldlijkheid is dat de mens zal "gebruiken en misbruiken" in plaats van "bewerken en bewaren" zoals hem door God in de hof van Eden werd opgedragen (Genesis 2:15). Ongetwijfeld was Eden grandioos, de beste en luisterrijkste omgeving waarin wie dan ook op aarde ooit heeft geleefd. Wat deden Adam en Eva? Zij gebruikten en misbruikten die omgeving totdat God gedwongen werd hen eruit te verbannen en cherubs met vlammende zwaarden ervoor te plaatsen om te voorkomen dat zij terugkeerden (Genesis 3:24).

De wereld is van nature aantrekkelijk. Veel van de aarde is nog steeds opvallend schilderachtig. Ondanks alle misbruik van de mens blijft de planeet Aarde buiten haar steden schitterend. De mens houdt ervan te staren naar de grootsheid van de met sneeuw bedekte Alpen of de warme kleurstroken in de Grand Canyon of de oogverblindende stranden van tropische eilanden. Gemagnetiseerd door de optische impact van vibrerende oerwouden of kale woestijnen zal hij duizenden kilometers reizen om naar een prachtig landschap te kijken.

Wat doen wij als we iets schitterends zien? Bewerken we het en bewaren we het? Of gebruiken we het en maken we er misbruik van?

Het algemene verleden van de mens bewijst dat waar hij ook maar aan de slag is gegaan, hij de aarde niet heeft verfraaid, maar gebruikt en misbruikt. God maakt Zich meer zorgen over de geestelijke verfraaiing van de mens dan over die van de fysieke aarde, maar Hij waarschuwt in Openbaring 11:18 heel duidelijk dat Hij "hen die de aarde verderven, zal verderven". De mens heeft niet het juiste concept van schoonheid. Hij heeft de verkeerde standaards en idealen omdat Babylon haar stempel op hem heeft gedrukt. Hij gebruikt en misbruikt praktisch alles en het resultaat is overal op aarde te zien. Deze benadering tot het leven brengt de manier van Babylon tot uiting en laat zien waarom God Zijn volk opdracht geeft uit haar te komen.

God maakt Zich de meeste zorgen over hoe we andere mensen behandelen, hoe we binnen onze relaties met onze partner, onze buren en bovenal onze God werken. Gebruiken en misbruiken we onze relaties met God en andere mensen? Doen we alles wat in onze macht ligt om te bewerken en te bewaren? Hebben we liefde voor schoonheid naast een liefde voor gerechtigheid? Al is gerechtigheid inderdaad het onderhouden van Gods geboden, toch verlangt God meer van ons in ons leven. Tenzij we de schoonheid van heiligheid liefhebben, zullen we nooit heilig worden zoals God heilig is (1 Petrus 1:13-16). De liefde voor schoonheid moet gehuld worden in een liefde voor gerechtigheid.

De manier van de wereld is geheel tegengesteld aan de liefde voor schoonheid en gerechtigheid. In 1 Johannes 2 behandelt de apostel deze manier van de wereld binnen het onderwerp liefde. Ondanks dat liefde wordt gedefinieerd als het onderhouden van de geboden, gaat er heel wat meer mee samen. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, ..." (Johannes 3:16). Jezus vermeed het lijden niet, omdat lijden een handeling van liefde is. Hij hield zoveel van schoonheid en gerechtigheid dat Hij bereid was de geboden van God op te volgen, zelfs tot aan het kruis. Schoonheid ondersteunde, sterkte Hem, de schoonheid van heiligheid, de schoonheid van het helpen van menigten van zonen en dochters die in de Familie van God geboren zouden worden.

Babylon zou dat niet doen. Zij op wie het stempel van Babylon is gedrukt, zullen evenveel van schoonheid houden als wij, maar zij zullen het niet vermengen met een liefde voor gerechtigheid. Zij zullen de medemens en God niet "bewerken en bewaren". Het zich almaar herhalende resultaat daarvan is oorlogvoering op het slagveld, in de familie, op het werk en in de maatschappij.

De oorzaak voor de toestand van deze boze wereld is het gebrek aan de liefde voor schoonheid en de liefde voor gerechtigheid. Het is gewoon een gebrek aan de liefde van God. De liefde van God is een keus die openstaat voor alle christenen. Als iemand er niet voor kiest lief te hebben, is het enige alternatief zelfzuchtigheid — zelfgerichtheid. Een zelfzuchtig iemand zal misbruiken. Dat is het systeem van de wereld. Wereldlijkheid is niets meer dan zelfgerichtheid. Men kiest ervoor zelfgericht te zijn of een uitgaande liefde te tonen — wereldlijk of godvruchtig te zijn.

Laodiceanisme is de meest subtiele vorm van zelfgerichtheid of wereldlijkheid. Het is zo subtiel dat het ontsnapt aan de aandacht van hen die er het beste toe in staat zouden moeten zijn het te zien.

De gevaarlijke eindtijd

"Weet wel, dat er in de laatste dagen zware [dreigende, gewelddadige, afschuwelijke, gevaarlijke] tijden zullen komen" (2 Timotheüs 3:1). Waarom? "Want de mensen zullen zelfzuchtig zijn ..." (vers 2). Zelfgerichtheid zal de slotcrisis van de eindtijd teweegbrengen. Het kwaad ervan zal een climax bereiken die vergeleken kan worden met de tijd vlak voor de zondvloed of met Sodom en Gomorra. Zelfgerichtheid — iedereen heeft zijn eigen perceptie van schoonheid en jaagt deze tot in het absurde na — is de drijvende kracht achter de zware tijden in de laatste dagen. Het zal een tijd zijn die voldoet aan de beschrijving in Richteren 21:25 toen "ieder deed wat goed was in zijn ogen". In de periode van de Richteren kon niemand voorzien in centraal leiderschap, omdat het volk zei: "Hier geloof ik in en dit ga ik doen."

Zo zal het ook in de laatste dagen zijn. Mensen zullen elkaar uitbuiten om de dingen waar zij waarde aan hechten, zoals geld of macht in bezit krijgen.

Want de mensen zullen ... geldgierig [zijn], pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede. (2 Timotheüs 3:2-3)

Het concept dat "mensen zelfzuchtig zullen zijn" (vers 2) gaat verder in vers 5: "Die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand" (2 Timotheüs 3:5). Vers 7 identificeert hen in meer detail: voor deze mensen geldt: "die zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te kunnen komen."

Binnen Gods waarschuwing over hoe de toestand in de eindtijd zal zijn, somt Hij de karaktereigenschappen op waartegen de christen moet vechten als de zelfgerichtheid zijn top bereikt. Maar de Laodiceeër biedt geen weerstand zoals hij zou moeten en dat is zijn probleem! Al is hij bekeerd, toch heeft hij een houding van zelfgerichtheid die sterk genoeg is om zijn denken af te leiden van de belangrijkere geestelijke zaken!

Uit zo'n wereld zijn we getrokken en dat heeft ons tot op zekere hoogte beïnvloed. Amerika weerspiegelt deze houding als gehele natie, terwijl het zich steeds verder in de richting van isolationisme begeeft, wat niets meer is dan nationale zelfgerichtheid. Patrick Buchanans belangrijkste onderwerp in zijn gooi naar de Republikeinse nominatie voor het presidentschap was: "Amerika eerst!" Al spraken zijn Democratische tegenstanders er niet openlijk over, toch waren ze het op dit punt met de rechtse Buchanan eens, omdat ook zij wilden dat de Verenigde Staten zich uit haar wereldomvattende verplichtingen zou terugtrekken om de problemen thuis op te lossen. Hetzelfde proces werd voor de Tweede Wereldoorlog doorlopen toen de Verenigde Staten isolationistisch werden. Nu willen veel Amerikanen weer die kant uitgaan. Ze zien een deel van het probleem, maar hun oplossing is zich op zichzelf te gaan richten.

Katholieken doen iets soortgelijks in hun kloosters. Zij denken dat de oplossing ligt in zich isoleren van de rest van de wereld en al haar afstotelijkheid. God heeft betere antwoorden op de problemen van de wereld.

Let op!

Wat heeft dit met christenen in deze tijd vandoen? Lucas' versie van de profetie op de Olijfberg geeft een achtergrond voor de angstaanjagende gebeurtenissen die uitmonden in de wederkomst van Jezus Christus. Christus waarschuwt ons daar ernstig! Hij richt Zich specifiek op Zijn discipelen, maar we zouden dit persoonlijk moeten opvatten, daar we in de eindtijd leven en omringd worden door de uitersten van zelfgerichtheid. Deze uitersten zouden op zichzelf genoeg moeten zijn om waakzaam te worden en ons te ontnuchteren! Toch vond Jezus dat het nodig was ons te waarschuwen.

"Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome als een strik" (Lucas 21:34). Op zichzelf is het geven van een feestje niet verkeerd. Maar wat gebeurt er als Babylon haar toppunt van invloed op het leven van de mens bereikt? De mens vervalt in losbandigheid, in het misbruiken van zijn door God gegeven verantwoordelijkheden. Christus maakt Zich er zorgen over, dat al zeggen we intellectueel dat de wereld vol is van zelfgerichtheid en uitspattingen, we haar toch aantrekkelijk vinden. Daarom waarschuwt Hij ons voorzichtig te zijn, omdat als we dat niet zijn de consequentie is dat die dag ons onverwacht zal overvallen. Dat is ontnuchterend.

Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen. (vers 35-36)

Hij zegt niet dat we altijd moeten bidden: "Vader, red mij!" Dat zou zelfgericht zijn. Hij zegt: "Ontwikkel die schitterende relatie met God die Ik voor u mogelijk heb gemaakt. Blijf in contact met Hem."

Onze gebeden moeten de kwaliteit krijgen van de communicatie die ideaal is als een man en vrouw voorafgaande aan hun huwelijk met elkaar afspreken. Het kan zijn dat ze bij de eerste afspraak niet veel over elkaar weten, maar door blijvend contact neemt hun kennis van elkaar toe. Door met elkaar te praten ontwikkelt de relatie zich. Zij ontdekken gemeenschappelijke interesses. Ze vinden elkaar aantrekkelijk en boeiend. Met het voortgaan van de afspraken werken ze eraan om de relatie te verbeteren zodat ze uiteindelijk kunnen trouwen, de relatie met grotere intimiteit, plezier en rendement kunnen voortzetten. God verlangt ernaar zo'n soort relatie te hebben met Zijn volk.

Jezus Christus waarschuwt dat dezelfde factor die een huwelijk ruïneert — als de een of de ander een ander aantrekkelijker gaat vinden — deze relatie met God kan ruïneren. In deze zware tijden eindigt ruwweg 50 procent van de huwelijken in een echtscheiding. Een instituut dat door God bedoeld is heel schitterend te zijn, wordt vernietigd omdat een liefde voor een schitterende relatie niet samengaat met een liefde voor gerechtigheid. De wereld heeft het stel met succes in haar vorm geperst. Al kan het schitterend zijn begonnen, de relatie heeft toch een verschrikkelijk einde.

Het is Gods bedoeling dat gebed communicatie met Hem is om een schitterende relatie te ontwikkelen, die begonnen is met de aanvaarding van het offer van Christus. Als gevolg van het in leven houden van de relatie, laten we onze betrokkenheid zien door het houden van de afspraken met Hem, door te blijven bij de plechtige belofte die we bij onze doop deden, door Zijn geboden te onderhouden, door te laten zien dat we betrouwbaar zijn door onze zonden te overwinnen.

Terwijl we aan deze relatie werken, waken we! We zijn op onze hoede. We zijn waakzaam zoals een soldaat die op wacht staat, waardoor we ervoor zorgen dat datgene wat we schitterend vinden niet wordt vernietigd. Bedenk eens wat er zou gebeuren als een wacht, terwijl hij op zijn post heen en weer loopt, door iets naar een bepaalde kant werd gelokt. Als hij dat gaat inspecteren, valt de vijand aan! Babylon past dezelfde strategie toe. En jammer genoeg beschrijft de wacht die hiervan het slachtoffer is, precies een Laodiceeër die afgeleid wordt door begeerlijke dingen. De eerste beginselen van de oorzaak van deze afleiding worden in Lucas 21 geïllustreerd. Een Laodiceeër wordt in een geestelijke staat van zelfgenoegzaamheid en apathie gesust door de aantrekkelijkheid van de wereld. Dus de waarschuwing van Christus is: blijf waakzaam, wees op uw hoede en bid!

De boodschap aan de Laodiceeërs

En schrijf aan de engel der gemeente te Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods: Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte, raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. (Openbaring 3:14-22)

Dit is de zevende en laatste van de houdingen binnen de kerk. Laodiceanisme is de houding die het tijdperk van de eindtijd overheerst. Het schijnt natuurlijker om te denken dat deze houding de minst waarschijnlijke is om in zulke verschrikkelijke tijden — waarin het duidelijk zou moeten zijn dat de wederkomst van Christus nabij is — te overheersen. Al schijnt het tegenstrijdig dat de kerk lauw wordt in zo'n stimulerende periode, toch profeteert Christus dat het zal gebeuren. Dat geeft de macht van Babylon aan! Geestelijk is ze erg verleidelijk. Het kan zijn dat de wereld voor het oog lelijk is, maar haar geestelijke charme leidt ons af van belangrijkere dingen. Waarom overheerst Babylon de kerk in de eindtijd? Ze overheerst de wereld en de christen staat toe dat ze hem overheerst!

Denk nog eens aan de aanhaling waarmee hoofdstuk 1 begon: "U zult er verbaasd over staan hoe vaak het Werk intern een weerspiegeling is van de wereld buiten." Waarom? Leden van de kerk brengen de wegen van de wereld in het lichaam [de kerk]. Laodiceanisme is zo subtiel dat zij die schijnbaar het best zijn toegerust om het te ontdekken, er blind voor zijn! Dit is Christus' voornaamste zorg voor wat betreft deze mensen. Het gaat er niet alleen om dat ze Laodiceïsch zijn, maar ook dat ze blind zijn voor hun eigen toestand!

Het oude Laodicea

Het Laodicea van de eerste eeuw lag aan weerskanten van twee belangrijke handelsroutes. De eerste route liep van Rome oostwaarts verder Klein-Azië in en daarna verder naar Cilicië waar Paulus was geboren. Bij Derbe splitste de route zich: één tak ging naar het zuiden naar Damascus en verder naar Egypte; de andere tak voerde door het oosten naar Mesopotamië, de oude bakermat van Babylon. De tweede route verbond Laodicea via Byzantium met het zuiden van Europa en kwam vanuit het noorden uit bij Laodicea en liep daarna verder naar de Middellandse Zee.

De stichters bouwden de stad in de Lycusvallei waar deze routes elkaar kruisten. Dit voorzag Laodicea van onbeperkte mogelijkheden tot handel, maar veroorzaakte andere belangrijke problemen. Idealiter worden welvarende steden dichtbij overvloedige natuurlijke bronnen gebouwd, in het bijzonder dicht bij water. Grote steden worden gewoonlijk gesticht bij diepe natuurlijke havens of op de oevers van bevaarbare rivieren waar een overvloed aan water is. Ongelukkig genoeg werd Laodicea niet dicht bij een geschikte watervoorziening gevestigd. De stichters werden meer gedreven door handelsbelangen en vestigden haar dus daar waar de wegen elkaar kruisten.

De stad had echter vele voordelen en in het bijzonder dienen haar drie hoofdindustrieën te worden vermeld. De Laodiceeërs produceerden een glanzende, zwarte wol die door de rijken in de gehele wereld op prijs werd gesteld. Niemand weet of de volle kleur ervan ontleend werd aan een specifiek ras schapen die in dat gebied werden gefokt, of dat ze de wol verfden. De kwaliteit van de wol was echter onbetwistbaar. In feite beheersten ze de markt op het gebied van deze grondstof waardoor een enorme rijkdom werd voortgebracht.

Hun tweede industrie was medicijnen. Laodicea ging prat op één van de meest beroemde medische scholen in de wereld, en daarmee gingen al de betrokken industrieën samen, zoals de geneesmiddelenindustrie. Zij produceerden een wereldberoemde zalf, die befaamd was daar ze bepaalde oogziekten genas. Een andere zalf genas naar verluid oorproblemen. Mensen kwamen vanuit alle delen van het Romeinse Rijk op zoek naar middelen tegen hun kwalen.

Deze twee industrieën brachten een derde voort die hun reeds enorme rijkdom nog meer deed toenemen — het bankwezen. Laodicea werd een centrum voor het wisselen en lenen van geld. Er wordt gezegd dat Cicero daar geweldig grote bankwissels trok. De activa van de stad waren zo enorm dat toen ze in de eerste eeuw door een aardbeving werd vernietigd, de stad de door Rome aangeboden hulp weigerde en met eigen middelen herbouwde.

Laodicea had dus een monopolie in bepaalde soorten textiel, een wereldvermaarde medische industrie en een welvarend financieel centrum. Schrijvers van de antieke wereld uiten openlijk hun jaloezie op de rijkdom van Laodicea. Verslag na verslag getuigt van hun aanzien.

Hun enige zwakte was hun watervoorziening. Water moest middels een pijpleiding naar Laodicea worden aangevoerd. Koud water kon verkregen worden uit de overvloedige voorraad te Colosse, maar tegen de tijd dat het de vijftien of meer kilometer van de koude bronnen had afgelegd, was het lauwwarm. Zo'n tien kilometer weg in Hiërapolis waren hete bronnen, maar ook dat water was lauwwarm tegen de tijd dat het in Laodicea aankwam. Of het water nu koud of warm werd aangevoerd, het kwam lauwwarm in Laodicea aan.

Wat bedoelt Christus met deze metafoor? Koud water stimuleert en verkwikt. Er is niets verfrissender dan op een warme dag een glas koud water te drinken. En heet water? Dat is nuttig voor de gezondheid. We mengen het niet alleen met thee, kruiden, bouillon en dergelijke, maar het dient ook als een oplosmiddel geschikt voor het reinigen van praktisch alles.

Wat doet lauwwarm water? Christus' klacht tegen de Laodiceeërs wordt hier geopenbaard: het dient nergens toe! De Laodiceeër is nutteloos voor Hem. Lauwwarm water is een braakmiddel; het zorgt ervoor dat iemand gaat overgeven. In termen van Gods werk is een lauwwarme christen nutteloos. De andere trekken van Laodiceanisme ontspringen aan deze karakteristiek van nutteloosheid. Als Hoofd van de kerk kan Christus hen niet gebruiken in de geestelijke toestand waarin Hij hen aantreft. We zouden hieraan moeten denken in termen van bijbelse symboliek: water vertegenwoordigt Gods Geest.

"De getrouwe en waarachtige getuige ..."

In vers 14 noemt Christus Zichzelf: "de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige ..." Wij zeggen aan het einde van een gebed "Amen". Wat is "amen"? Het bevestigt dat het gebed waarachtig is en dat men ermee instemt. Hier is Jezus de Amen. Er volgen beschrijvende woorden die ons helpen dit te begrijpen — Hij is een "getrouwe en waarachtige Getuige". Christus is de getrouwe en waarachtige Getuige van God — Zijn voorbeeld is een exacte weergave van wat God zou zijn als Hij mens zou zijn. Hij schetst reeds een tegenstelling tussen Hemzelf en de Laodiceeër en wat Hij zo onaangenaam vindt. Zij zijn ontrouw in het uitvoeren van hun verantwoordelijkheden jegens Christus. Zij zijn lauwwarm — nergens goed voor dan om uit te spuwen.

Wij zijn geroepen om getuigen te zijn. Door de profeet Jesaja zegt God: "Gij zijt Mijn getuigen, ... dat Ik God ben" (Jesaja 43:12, Statenvertaling). Hij heeft getuigenis geven tot onze verantwoordelijkheid gemaakt. Wij getuigen met ons leven, maar de Laodiceeër mislukt volledig als getuige omdat hij zo werelds is. Het enige getuigenis dat Christus van hem krijgt is dat hij werelds is, dat wil zeggen geestelijk nutteloos.

De hier beschreven illustratie doet alsof de Laodiceeërs voor het gerecht staan en Christus, de getrouwe en waarachtige Getuige, een getuigenis tegen hen aflegt. Als de Bron van de gehele schepping wordt Hij niet voor de gek gehouden door hun diplomatie en sluiten van compromissen. Hij ziet dat hun getuigenis ontrouw en onwaarachtig is. In feite betekent het woord "Laodicea" "oordeel van het volk", en de gehele brief is een studie in tegengestelde oordelen, die van de Laodiceeërs en die van God. De fysieke mens kijkt naar zijn materiële en sociale omstandigheden en evalueert zich als geestelijk gezond. Aan de andere kant kijkt de geestelijke God naar dezelfde persoon en ziet zijn geestelijke armoede.

Daarenboven erkent Christus, als de Amen, de waarheid over hen. "Ik weet uw werken [gehoorzaamheid en dienen], dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet!" (Openbaring 3:15) Waarom wenst Hij dit? Omdat als ze koud of heet zouden zijn, ze voor Hem bruikbaar zouden zijn. Lauwe christenen geven verwarrende signalen af. In die toestand, waarin ze niet bruikbaar voor Hem zijn, spuugt Hij hen uit Zijn mond. Al de boodschappen tot deze zeven kerken leggen een bepaalde nadruk op werken, omdat die het bewijs zijn van hoe christenen gestalte geven aan hun relatie met God. Werken laten het hart zien. Zij zijn een maat van iemands getuigenis en geestelijke toestand.

Waar duidt metaforisch gezien lauwheid hier op? Om het tot op dit moment te definiëren kan de volgende globale definitie voldoen: "datgene wat geen verfrissing geeft, of datgene wat noch de reinigende eigenschappen van heet water heeft noch de verfrissende eigenschappen van koud water". Moderne synoniemen van het woord "lauw" geven verhelderende inzichten in het gebruik ervan binnen deze brief: bezieling, enthousiasme of overtuiging missen; gematigd, zacht; niet emotioneel; halfhartig; aarzelend; besluiteloos; weifelend; onzeker; niet-gebonden; niet-ontvankelijk; onverschillig; onbewogen; lusteloos; onverstoorbaar; apathisch; nonchalant; futloos.

Breng u de kenmerken van Babylon in herinnering: trots, zelfverheerlijking, vertrouwen op rijkdom, verzadiging, zelfingenomenheid, vermijden van lijden. Al heeft hij de mogelijkheden en de middelen om een groot getuige te zijn, toch is de Laodiceeër zelfingenomen, tevreden met zichzelf, verveeld over of onverschillig voor de werkelijke zaken van het leven. Voor een christen zijn de werkelijke zaken geloof in Christus en onze christelijke verantwoordelijkheid. En om het Werk te doen waartoe Christus ons geroepen heeft, moet onze loyaliteit en toewijding in de eerste en belangrijkste plaats op Hem zijn gericht!

Een geestelijke conditie

Er doet zich echter een probleem voor om een Laodiceeër te herkennen — deze kwaliteiten vertonen zich niet noodzakelijkerwijs aan de buitenkant. Waarom? Bedenk dat Christus een geestelijke conditie beschrijft. Dit is een zaak van het hart. Wat wil Hij in hem zien? Hij wil dat de Laodiceeër partij kiest — om het een of het ander te zijn, koud of heet. Daartegenover oordeelt de Laodiceeër dat hij gebalanceerd is, precies in het midden staat. Maar zijn concept van balans is verwrongen. Waarom wil hij niet uit zijn middenpositie komen? Hij voelt zich daar goed! Hij is bang dat als hij zich naar links of rechts beweegt, hij zal lijden! Hij heeft dus geen verlangen om in beweging te komen.

Wat gebeurt er daarna? De Laodiceeër moet compromissen sluiten. Dit is interessant in het licht van wat de geschiedenisboeken hebben vastgelegd. De belangrijkste manier van het antieke Laodicea om zich te verdedigen was verzoening en het sluiten van compromissen! Waarom? Nogmaals, het antwoord ligt in de niet toereikende watervoorziening, waardoor ze heel kwetsbaar waren voor het beleg van een binnendringend leger. Als haar beperkte watervoorziening werd afgesloten, was de stad aan de genade van de aanvaller overgeleverd. Zonder water kon het slechts voor korte tijd standhouden. De oplossing van Laodicea? Zij werden meesters in de verzoeningspolitiek, het tot een vergelijk komen, het vreedzaam beslechten van een geschil, kortom diplomatie. Vrede tegen elke prijs! Hoe kwamen ze tot verzoening? Ze kochten hun vijanden af! Laodicea gebruikte haar rijkdom om te verzoenen en compromissen te sluiten.

Christus gebruikt de houding van de omliggende omgeving om te illustreren dat de mensen in de kerk van Laodicea aangetast zijn door de houdingen van de wereld. Zonder het zelfs te beseffen gedragen ze zich precies zoals hun niet-bekeerde buren. Zij zijn werelds. Al gaan ze er niet op uit om banken te beroven, te verkrachten, te plunderen, te doden, oude grootmoeders aan te vallen en te beroven of kinderen te misbruiken, in hun hart hebben ze dezelfde algemene benadering van het leven als Babylon. Theologisch, geestelijk, hanteren ze dezelfde waarden als Babylon en dat blijkt uit hun werken. Geestelijk worden ze heel bedreven in het vermijden van opofferingen die nodig zouden kunnen zijn om te overwinnen en in karakter, wijsheid en begrip te groeien. Met andere woorden ze zijn bekwaam in het tevreden stellen van Satan en hun eigen geweten.

Christus zegt dat Hij de Laodiceeër uit Zijn mond zal spuwen, zal uitkotsen! Zo beziet Hij de houding van het sluiten van compromissen met principes, idealen, standaard en waarheid!

Luie Laodiceeërs?

Sommigen zouden verwachten dat de Laodiceeërs lui zijn, maar dat is vaak niet het geval, ze zijn juist werkverslaafden. Satan heeft de kerk dit valse concept van Laodiceanisme wijsgemaakt. Niemand kan "rijk en verzadigd van goederen" worden door lui te zijn! Hun probleem is het stellen van de verkeerde prioriteiten. Zij zijn heel energieke personen, maar ze zijn energiek op gebieden die totaal geen indruk maken op hun Rechter, Christus. Al zijn ze energiek in het doen van zaken en andere wereldse aangelegenheden, ze zijn lusteloos in het najagen van de schoonheid van heiligheid, waartoe ze geroepen zijn. Ze zijn niet energiek of vurig in het onderhouden van hun gebedsleven met God of in bijbelstudie. Ze zijn niet energiek in het zich getroosten van zelfopofferingen die nodig zijn om hun broeders lief te hebben of in het ontwikkelen van hun relatie met anderen. Ook zijn ze niet enthousiast over het bewaren van de standaards en principes van God. Door de verkeerde prioriteiten te stellen laten ze zichzelf onnodig lijden.

In de laatste vijftien jaar van zijn leven uitte de heer Herbert Armstrong zijn diepe bezorgdheid dat de kerk Laodiceïsch werd. Vanwege de veelheid van activiteiten die deze wereld biedt, zag hij dat die ons uiteindelijk afleiden, veroorzaken dat we de verkeerde prioriteiten gaan stellen en ons afhouden van het besteden van onze tijd, energie en kracht aan goddelijke dingen. Hij haalde vaak Daniël 12:4 aan als een alarmsignaal van de laatste dagen: "... verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen." Hebben we het druk in dit tijdperk? Satan is een uitgeslapen strateeg en hij verleidt werkelijk iedereen die zichzelf toestaat te geloven dat druk bezigzijn en welvaart tekenen zijn van gerechtigheid.

Christus' oordeel

Let op het verschil tussen het oordeel van de Laodiceeërs en dat van Christus:

Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte ... (Openbaring 3:17)

De Laodiceeër zegt deze dingen niet noodzakelijkerwijs bewust, maar hij roept dit uit in zijn werken en manier van leven voor allen die dit zien! Hij denkt dat hij in zijn "gouden jaren" leeft. De werkelijke tragedie van zijn situatie is echter dat hij blind is voor zijn eigen geestelijke armoede. Hij denkt dat hij er bij God goed voor staat. Christus oordeelt anders en is heel bezorgd dat hij zijn geestelijke conditie niet kan zien. Hij is geestelijk beroofd.

Christus beschrijft de Laodiceeër als "arm". Bijbels betekent "arm" niet hetzelfde als ons normale gebruik van dit woord. Het duidt op iemand die zwak is, ongeacht hoe rijk hij mag zijn. Voor God is de Laodiceeër geestelijk zwak, wanneer hij denkt sterk te zijn.

Daarnaast is hij "blind". Natuurlijk is dit geen fysieke blindheid, maar een gebrek aan geestelijk begrip of oordeelsvermogen. Evenals een blind iemand zijn ogen niet kan gebruiken om een omstandigheid te beoordelen, is de Laodiceeër zich niet bewust, is hij onkundig, neemt hij niet waar, begrijpt hij niet en is hij achteloos.

Christus oordeelt ook dat hij "naakt" is. Kleding of het gebrek eraan, illustreert de toestand van gerechtigheid van iemand, en hier laat het die zien van bekeerde mensen die nog vleselijk zijn, zoals Paulus de Corinthiërs noemde (1 Corinthiërs 3:3). De Laodiceeër wordt overheerst door zijn vleselijk gerichte houdingen. Wegens zijn fysiek oriëntatie wordt hij bestuurd door de menselijke natuur en niet door God.

"Ellendig en jammerlijk" geven samen nog meer uitdrukking aan "arm, blind en naakt". Omdat ze arm, blind en naakt zijn, zijn ze ellendig en jammerlijk, zelfs al beseffen ze het niet. "Jammerlijk" is elders vertaald als "beklagenswaardig". "Ellendig" is in het bijzonder interessant. Op andere plaatsen in het Nieuwe Testament duidt het op gebrek vanwege oorlog. God bedoelt dat terwijl ze rijk kunnen zijn, ze de geestelijke oorlog tegen Satan en hun menselijke natuur aan het verliezen zijn.

"Koop van mij ..."

Christus geeft dan de Laodiceeër Zijn advies:

Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. (Openbaring 3:18)

Goud, kleding en ogenzalf vertegenwoordigen de drie belangrijkste industrieën van Laodicea: het bankwezen, textiel en medicijnen.

Goud, geestelijke rijkdom (1 Petrus 1:7), staat in tegenstelling met het woord "arm", en vuur symboliseert beproevingen. God adviseert hen geestelijke rijkdommen te verwerven die worden voortgebracht door beproevingen, die de onafhankelijke Laodiceeër vermijdt door het sluiten van compromissen.

"Witte klederen" is een tegenstelling met hun naaktheid. Kleding helpt mensen en groepen te onderscheiden. Vanwege de verschillen tussen de kleding van man en vrouw kunnen seksuele verschillen tot uiting worden gebracht. Kleding laat status zien: een man in een goed passend kostuum valt in een andere categorie dan een in lompen gehulde bedelaar. Kleding voorziet in een mate van comfort en bescherming tegen de elementen. Het verbergt schaamte en lichamelijke afwijkingen. God gebruikt het in de Bijbel om gerechtigheid te symboliseren. Hij instrueert de Laodiceeër zich te kleden in de heiligheid van God om zijn geestelijke naaktheid, zijn zelfgerechtigheid te bedekken.

Hun behoefte aan ogenzalf accentueert hun blindheid. Volgens commentatoren vertegenwoordigt deze zalf Gods Geest samengaand met gehoorzaamheid. De combinatie van deze twee geeft een christen het vermogen tot zien — tot het begrijpen van geestelijke dingen:

Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. (1 Corinthiërs 2:10-11)

De vreze des HEREN is het begin der wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze betrachten. (Psalm 111:10)

"IJverig" betekent "oprecht, enthousiast; enthousiast zoeken of verlangen naar; een vurige liefde hebben", dit in tegenstelling tot hun geestelijke onverschilligheid. God verlangt dat zij een brandend verlangen naar Hem en Zijn manier van leven hebben. In plaats daarvan schildert Openbaring 3:14-21 een duidelijk beeld van mensen die volgens de standaards van de wereld succes hebben bereikt en toch geestelijk tekortschieten. Het ontbreekt hen aan een geestelijk vermogen tot oordelen terwijl ze rijk zijn aan materiële goederen. Hun probleem is een innerlijke houding: het mechanisme dat hen in beweging brengt is noch goddelijk noch vurig.

De Laodiceeër is niet onverschillig om geld te verdienen of in de wereld succes te hebben. Hij is niet onverschillig om zichzelf door opleiding of ervaring te verbeteren. Zijn probleem is dat hij de verkeerde prioriteiten in zijn leven kiest door grote hoeveelheden van zijn tijd en energie aan het najagen van eigen interesses te besteden. Hij besteedt het meeste van zijn tijd en energie om de verkeerde doeleinden te bereiken.

Dit najagen van de verkeerde doeleinden brengt de feitelijke zonde die de Laodiceeër begaat, op een andere manier onder woorden: deze is afgodendienst, in zijn leven iets boven God plaatsen. Hoe? Hij dient zichzelf binnen de kerk alsof hij het voor God doet. Misschien is hij bij het Werk betrokken, maar niet helemaal van harte. Al woont hij waarschijnlijk de sabbatdiensten trouw bij, toch is hij niet op een van dag tot dag basis persoonlijk betrokken bij God. Het kan zijn dat hij binnen de kerk dient om erkenning te verwerven, gerespecteerd te worden. Misschien wordt hij zelfs geordineerd, vergetende dat God hem riep om een getrouw en waarachtig getuige van Hem te zijn. Omdat hij aan de verkeerde dingen aandacht schenkt, schiet zijn getuigenis in sterke mate tekort. Daar hij zoveel energie en enthousiasme besteedt aan het najagen van zijn eigen interesses, toont hij weinig of geen interesse in God en Zijn doeleinden. Hij is onverschillig en lauw voor wat betreft zijn relatie met God.

Omdat hij zo'n geweldig succes had met het verwerven van rijkdom, beoordeelt de Laodiceeër zichzelf als onafhankelijk, wat laat zien dat zijn geloof ligt in wat hij kan zien, of dat nu zijn eigen bekwaamheden zijn of zijn rijkdom. Hij leeft niet uit geloof, maar bij wat hij ziet (2 Corinthiërs 5:7). Om meer geld in het laatje te krijgen kan hij heel energiek, hardwerkend en vurig worden, maar het schijnt dat hij zich niet in beweging kan brengen voor de dingen van God, de dingen die hij niet kan zien. Zo'n houding zal iedere keer de wraak van God oproepen!

Een waarschuwing van God

In deze aanklacht tegen de Laodiceeërs waarschuwt God ons op Zijn onnavolgbare manier voor wat zich vlak voordat een natie ten val komt, voordoet in het menselijk hart en denken. Daar we zo dicht bij de eindtijd leven, moeten we Zijn waarschuwing en aansporing ter harte nemen.

De geschiedenis heeft de wilde losbandigheid vastgelegd van Rome vlak voor haar schandelijke val. De diepten van haar perversiteiten en uitspattingen vormen fascinerende en afschuwwekkende lectuur. Toch moeten we die in termen van de huidige conditie van Amerika en Canada in beschouwing nemen. Het kan zijn dat we niet toelaten dat onze sportgebeurtenissen zo gewelddadig worden als de krachtmetingen tussen gladiatoren, maar onze nadruk op sport en vermaak doet sterk denken aan die van Rome. De conditie van Amerika's hart en denken wordt tot uitdrukking gebracht in onze smerige en gewelddadige films en muziek. De Verenigde Staten worden voorbereid om ten val te komen!

Heel veel in de wereld blijft aantrekkelijk en aanlokkelijk. Als er geen corresponderende liefde is voor gerechtigheid, kunnen die prachtige dingen een christen in de verleidelijke val van Babylon trekken, waar het geestelijke intellect versuft en Laodiceeërs worden gevormd. Alleen een liefde voor gerechtigheid zal voorkomen dat een christen zal toestaan dat zijn hart en denken in Laodiceanisme vervalt. Als een christen in het oude Rome zijn hart niet verankerd had in liefde voor gerechtigheid, zou Rome's losbandigheid die in een verleidelijke verpakking werd gepresenteerd, stapje voor stapje voor hem in zijn eigen leven acceptabel zijn geworden. Zonder die liefde zou de Romeinse christen geen bescherming hebben gehad tegen de misleidende charme van de wereld of er geen weerstand tegen hebben gehad om de Laodiceïsche resultaten te voorkomen.

De macht van rijkdom

Een Laodiceeër heeft vandoen met rijkdom op een schaal die maar weinig mensen in de geschiedenis van de wereld hebben gezien. Rijkdom heeft een macht die een intrigerend resultaat voortbrengt. In een gedeelte van de Schrift beschreef Mozes in de laatste maand voordat Israël het Beloofde Land binnentrok, Gods waarschuwing ertegen: "Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf" (Deuteronomium 8:10). God is er beslist niet tegen dat het Zijn volk goed gaat, of dat ze zelfs rijk worden. Veel van Zijn dienaren, zoals Abraham en David, waren onvoorstelbaar rijk (Genesis 13:2, 1 Kronieken 29:1-5).

In plaats daarvan beschrijft Hij een algemeen principe, een natuurlijke neiging, die de meesten overkomt als ze rijkdom beginnen te verzamelen. De meeste mensen kunnen niet met voorspoed omgaan en ook al wil God dat we goede dingen hebben, verlangt Hij toch van ons dat we ze op zo'n manier bezitten dat ze ons geestelijk niet schaden. Zijn zorg voor de Laodiceeër is dat als de wereld haar hoogtepunt van luxe en rijkdom bereikt, hij niet zal worden afgeleid door de magnetische aantrekkingskracht van al die schitterende dingen. Hij zegt in feite: "Vergeet je eerste prioriteiten niet!"

Neem u ervoor in acht, dat gij de HERE, uw God, niet vergeet door zijn geboden, zijn verordeningen en zijn inzettingen, die ik u heden opleg, te verwaarlozen, opdat, wanneer gij eet en verzadigd wordt, goede huizen bouwt en die bewoont, uw runderen en kleinvee zich vermenigvuldigen en uw zilver en goud zich vermeerderen, ja, al wat gij hebt, zich vermeerdert, uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft, die u deed gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, die u in de woestijn met het manna voedde, dat uw vaderen niet gekend hebben, om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen. Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. Maar gij zult aan de HERE, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft — zoals dit heden het geval is. Maar het zal geschieden, indien gij de HERE, uw God, te enen male vergeet en andere goden achterna loopt, hen dient en u voor hen nederbuigt — ik betuig heden tegen u, dat gij voorzeker zult omkomen; evenals de volken, die de HERE doet omkomen om uwentwil, zult ook gij omkomen, omdat gij naar de stem van de HERE, uw God, niet wildet luisteren. (Deuteronomium 8:11-20)

Elke christen moet zich bewust zijn van dit principe. God veroordeelt rijkdom niet. Hij wil dat het ons goed gaat, maar Hij wil ook dat we ons ervan bewust zijn dat rijkdom ons op een geweldige manier van Hem kan afleiden. In een bepaald opzicht is het gevaarlijk voor Hem om Zijn volk rijkdom te geven, omdat deze ons van Hem kan wegvoeren zonder dat we ons ervan bewust zijn dat het gebeurt. De Laodiceeër kijkt naar zijn rijkdom en denkt, misschien in alle oprechtheid: "God heeft me hiermee gezegend en daarom schept God behagen in de manier waarop ik leef." Maar God schept daar allerminst behagen in! God is ontstemd over het zelfbehagen van de Laodiceeër en niet over het feit dat hij rijk is.

Als God zegt dat Israëls "hart zich verheft" is de betekenis daarvan hetzelfde als wanneer de Laodiceeër zegt: "Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek" (Openbaring 3:17). Hij had evengoed kunnen zeggen: "God, ik heb U niet nodig!" Als hij naar zijn rijkdom kijkt, komt hij tot de conclusie dat God hem liefheeft. Bewijst zijn voorspoed niet dat God met hem is? Christus komt tot de tegenovergestelde conclusie!

Toen werd Jesurun [Israël] vet, en sloeg achteruit [kwam in opstand] — vet werd gij, dik en vet gemest — en hij verwierp God, die hem gemaakt had, hij minachtte de Rots van zijn heil. (Deuteronomium 32:15)

Deze profetie betreffende Israël bevestigt de macht en invloed van rijkdom. Een christen in deze tijd, levend in een maatschappij waarvan de rijkdom de wildste dromen van de meeste mensen op aarde ver te boven gaat, kan deze macht van rijkdom niet negeren. We moeten God danken voor de gelegenheid in een natie te leven die de aan Abraham beloofde zegeningen ontvangt, maar we kunnen niet toestaan dat de invloed daarvan onze houding jegens God verandert.

Heeft rijkdom of armoede een innerlijke, geestelijke waarde? Fysiek is het beter rijk te zijn, maar rijkdom kan iemands denken geestelijk veranderen. Tussen twee haakjes, armoede heeft dezelfde macht, omdat een arm iemand zo druk kan worden met de zorgen voor zijn dagelijks bestaan dat hij God vergeet. Daarom verzoekt Salomo God in Spreuken 30:8-9:

Geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de HERE? noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe.

De rijkdom van de Laodiceeër is niet het probleem. Zijn probleem komt eruit voort dat hij toestaat dat zijn rijkdom hem tot zelfbehagen brengt, tot een gevoel van onafhankelijkheid en zelfingenomenheid. Zijn hart verheft zich. Deze houdingen leiden hem ertoe zelfopofferingen waardoor hij geestelijk zou kunnen groeien, te vermijden. Mensen gebruiken rijkdom normaal om de moeilijkheden van het leven op te vangen en al is daar wezenlijk niets verkeerds mee, toch zal iemand die geestelijk niet scherpzinnig is, toelaten dat het gemak van rijkdom zijn relatie met God uitholt. In zijn fysieke rijkdom is de Laodiceeër arm in de dingen die er werkelijk toe doen en is hij blind voor zijn behoeften. Hij overwint en groeit niet langer. Zijn getuigenis is niet goed en voor Christus nutteloos.

God openbaart Zijn liefde voor de Laodiceeër als Hij hem — in plaats van de hoop voor hem op te geven — een straffende beproeving geeft. Hij laat hem door het vuur gaan, de grote verdrukking, om hem te kastijden voor zijn afgodendienst, om hem aan zijn ware prioriteiten te herinneren en om hem de gelegenheid te geven zich te bekeren.

De maatschappij voor de val van een natie

Net voor Israël en Juda vielen voor de Assyriërs en de Babyloniërs, riep God verscheidene profeten om Zijn volk te waarschuwen en hen aan te sporen zich te bekeren. In het vastleggen van de gebeurtenissen van hun tijd besteedden deze profeten bijzondere aandacht aan de gangbare houdingen binnen de maatschappij. Hierbij werden ze ongetwijfeld door God geïnspireerd ten behoeve van Zijn kerk. Als we hun maatschappij en de daarin gangbare houdingen vergelijken met de onze, kunnen we inzicht verwerven in de problemen die we het hoofd moeten bieden tijdens het ineenstorten van onze natie.

Wat was de overheersende houding van de mensen in Israël en Juda vlak voor hun val? In praktisch elk boek van deze profeten vormen waarschuwingen tegen houdingen van onafhankelijkheid, geestelijke onverschilligheid, zelfgenoegzaamheid en zelfbehagen — Laodiceanisme — een belangrijk deel van Gods boodschap!

Amos en Israël

Een van deze profeten, Amos, profeteerde zo'n veertig jaar voordat de Assyriërs, moe van Israëls voortdurende rebellie, de natie uiteindelijk onder de voet liepen en het volk in ballingschap voerden. Jerobeam II (ca. 793-753 v.Chr.), de koning in de tijd dat Amos predikte, had Israël machtig en heel rijk gemaakt. Tegen het einde van zijn regering was de natie zo machtig als sinds de dagen van Salomo niet meer het geval was geweest, en de economische invloed was in verhouding daarmee gegroeid. Amos laat in zijn profetie zowel de rijkdom van de natie als haar houdingen zien.

Het gedrag van de gemiddelde Israëliet wordt in heldere kleuren geschilderd. In het oude Israël hadden de sociale condities tijdens de regering van Jerobeam II de verhoudingen bereikt van wat in deze tijd ook in de Verenigde Staten van toepassing is. Er bestond een enorme ongelijkheid tussen rijk en arm evenals in het moderne Amerika, waar de meeste rijkdom is geconcentreerd bij slechts twee procent van de bevolking. Als de eliminatie van de middenklasse op dezelfde wijze als nu voortgaat, zullen er spoedig slechts twee klassen mensen in de Verenigde Staten leven, de rijken en de armen. Een soortgelijke situatie was in de tijd van Amos in Israël in ontwikkeling.

Zo zegt de HERE: Om drie overtredingen van Israël, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de arme om een paar schoenen — zij die ernaar snakken, dat stof van de aarde zij op het hoofd der geringen, en die de weg der weerlozen ombuigen; en een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje, om mijn heilige naam te ontwijden; op verpande klederen strekken zij zich uit naast elk altaar, en de wijn der beboeten drinken zij in hun godshuizen. (Amos 2:6-8)

Amos laat zien dat zij die geld en macht hadden, de zwakken, die "de armen" werden genoemd, heel wreed behandelden. Al waren ze niet behoeftig, toch hadden "de armen" geen macht in de maatschappij. Zij hadden niet de macht hun situatie in gunstige zin te veranderen, terwijl de rijken en de machtigen de regering en de rechtbanken in hun voordeel manipuleerden. De rijken persten elke stuiver uit de armen, verlangden zelfs dat ze afstand deden van hun overkleding die vaak als bedekking gebruikt werd bij het slapen. Om de lijst compleet te maken, ze maakten zich ook schuldig aan seksuele verdorvenheden en afgodendienst.

De profeet somt in het boek aanklacht na aanklacht op. Hij zegt in hoofdstuk 3 meer over hun rijkdom. "Dan zal Ik het winterhuis tegelijk met het zomerhuis neerslaan en de ivoren huizen zullen te gronde gaan, ja vele huizen zullen hun einde vinden, luidt het woord des Heren" (Amos 3:15). Sommige van deze mensen bezaten twee of meer huizen, minstens een voor de zomer en een voor de winter. Deze huizen moeten heel luxueus zijn geweest! Ze waren zeker niet geheel uit ivoor gemaakt, maar het houtwerk moet met ivoor zijn ingelegd, een symbool van kostbare dingen die alleen de rijken zich kunnen veroorloven.

Voornamelijk gericht tegen de rijke vrouwen van Israël, begint Amos hoofdstuk 4 met bewoordingen die allesbehalve vleiend voor hen zijn, waarna hij hun dezelfde aanklachten ten laste legt als de mannen. "Hoort dit woord, gij koeien van Basan, die woont op de berg van Samaria, gij, die geringen verdrukt en armen vertrapt, die zegt tot uw heren: Breng aan, dat wij drinken!" (Amos 4:1). Hij beschrijft deze vrouwen als keurig verzorgde, goed gevoede schepselen, die ter bevrediging van hun eigen begeerten voortdurend eisen stellen aan hun echtgenoten. Ze zijn bereid iedereen die hun begeerte naar luxe en een mooi uiterlijk dwarsboomt, te vernietigen en daarom tiranniseren ze hen die reeds machteloos zijn.

Zelfs in hun rijkdom was het volk van Israël geïnteresseerd in religie.

Komt naar Betel en pleegt afval, naar Gilgal — vermeerdert de afval! Brengt des morgens uw slachtoffers, op de derde dag uw tienden! Ontsteekt een lofoffer van het gezuurde en roept vrijwillige offers uit; doet het horen! Zo wilt gij het immers gaarne, o Israëlieten, luidt het woord van de Here HERE. (Amos 4:4-5)

Drie steden van Israël waren religieuze centra geworden en plaatsen waarheen pelgrimstochten werden gemaakt: Betel, Gilgal en Berseba. Het is intrigerend dat de Israëlieten zelfs in hun geestelijke onverschilligheid ervan hielden om naar de kerk te gaan! Daar Amos erop duidt dat hun sociale leven om de kerk zou kunnen hebben gedraaid, is het mogelijk dat hun puur sociale, niet religieuze, motieven het probleem zijn geweest.

Dit is intrigerend in het licht van Laodiceanisme. God zegt: "Het kan zijn dat u regelmatig diensten bijwoont en die op prijs stelt, maar terwijl u daar bent, zondigt u!" De Schriften zijn niet duidelijk over wat de precieze zonden waren. Het kan zijn dat de sabbat op de een of andere manier werd geschonden, of ze stonden onverschillig tegenover de boodschappen die ze hoorden. Wat hun zonden waren doet er niet toe, omdat Gods oordeel over hun show van religie luidt, dat hun hart er niet in is.

Recht veranderd in bitterheid!

Want zo zegt de HERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij en leeft. Maar zoekt Betel toch niet, en komt niet naar Gilgal, en trekt niet naar Berseba. Want Gilgal wordt onherroepelijk weggevoerd en Betel gaat teniet. Zoekt de HERE en leeft, opdat Hij niet vare als een vuur in het huis van Jozef en het vertere, terwijl er geen blusser zal zijn voor Betel. O, zij die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde nederwerpen! (Amos 5:4-7)

Het woord "recht" dat in vers 7 wordt gebruikt, is in bijna elke profetie waar sociale condities worden beschreven binnen een natie op de rand van ineenstorting, geassocieerd met omstandigheden van een eindtijd. Het Hebreeuwse woord is mishpat en wordt vertaald met recht, oordeel of instelling. Omdat hij geestelijk blind is, heeft ook de Laodiceeër zijn vermogen verloren om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Hij kan — zoals de Bijbel het verwoordt — niet langer onderscheid maken "tussen rein en onrein".

God heeft het over dit gebrek aan vermogen tot oordelen in termen van hun verkeringstijd, hun relatie met Hem. Ook voor de situatie in deze tijd in de kerk, heeft de christen onderscheidingsvermogen nodig, het vermogen het juiste van het verkeerde te onderscheiden, om tot een juist oordeel te komen. Het ontbreekt de Laodiceeër aan dit vermogen en dit komt tot uiting in de beslissingen die hij neemt.

Amos illustreert dit principe in zijn toepassing op de maatschappij, in het bijzonder de rechtbanken. "Want Ik weet, dat uw overtredingen vele zijn, en uw zonden talrijk — gij die de rechtvaardige benauwt, die losgeld aanneemt, en die de armen in de poort terzijde dringt. Daarom zwijgt de verstandige in die tijd, want het is een boze tijd" (Amos 5:12-13). De gewone man in de straat, de arme, vindt het nutteloos zijn zaak aan de rechtbank voor te leggen, omdat hij geen eerlijk gehoor zal krijgen — er is geen recht. De rechters hebben een slecht oordeel.

Zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft en aldus de HERE, de God der heerscharen, met u zij, gelijk gij zegt. Haat het kwade en hebt het goede lief, en houdt het recht hoog in de poort; misschien zal de HERE, de God der heerscharen, Jozefs rest genadig zijn. (Amos 5:14-15)

Hier hebben we nog een voorval dat een slecht oordeel laat zien en daarmee verbonden de Laodiceïsche houding. God moet teruggaan tot de meest fundamentele instructie — wat is goed en kwaad — aangezien het volk het vermogen om dit te onderscheiden is kwijt geraakt.

"Ik haat ... uw feesten"

Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten. Ja, als gij Mij brandoffers brengt, en uw spijsoffers, heb Ik daaraan geen welgevallen, en uw vredeoffer van mestkalveren wil Ik niet aanzien. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek. (Amos 5:21-24)

Laten we — om aan de veilige kant te blijven — aannemen dat Israël Gods Heilige Dagen hield, of dacht dat ze dat deden. Deze verzen bevatten drie essentiële elementen van eredienst: feesten, offeranden en lofzang. God roept in Zijn walging hierover: "Ik wil niets daarvan!" Hun eredienst — al werd deze ter ere van Hem en in Zijn naam gedaan — werd door Hem afgewezen. Deze was weerzinwekkend voor Hem.

Het begin van hoofdstuk 6 slaat ook in sterke mate op ons: "Wee de zorgelozen op Sion, en die zich veilig voelen op de berg van Samaria, de uitgelezenen van de keur der volken, tot wie het huis Israëls komt!" (Amos 6:1). Sion wordt vaak gebruikt als symbool voor Gods kerk. Voelt de Laodiceeër zich thuis in de kerk? Hij voelt zich er zeker niet thuis als hij een gelegenheid heeft om geld te verdienen! Hij zal dag en nacht werken om meer geld in het laatje te krijgen. Hij houdt ervan om zijn afleidende hobby's en eigen belangen na te jagen. Maar God spuwt hem in afschuw uit! Hij is net zo onaangenaam voor God als lauw water. Hij kan niet gebruikt worden voor enig werkelijk, geestelijk, eeuwig doel! De Laodiceeër stelt volgens Amos zijn vertrouwen op zijn eigen rijkdom en macht, zijn natie en haar leiders. Waar is zijn vertrouwen in God?

De profeet spreekt dan Gods oordeel uit. Let op de vele parallellen tussen Babylon en Laodicea. "Gij, die de boze dag ver weg stelt, en de zetel van het geweld nabij brengt" (Amos 6:3). Let nu op wat Jezus zegt in een gelijkenis betreffende de tijd vlak voor Zijn wederkomst:

Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken, ... (Mattheüs 24:48-49)

Amos en Christus hebben het over dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen. De houding om de dag van Christus' wederkomst uit te stellen bevordert geweld en onrecht jegens iemands naaste. Een verzoeningspolitiek, een "sterke kant" van de Laodiceeër, garandeert feitelijk geweld en oorlog, zoals gebeurde in de jaren die uitliepen op de Tweede Wereldoorlog.

Die nederligt op ivoren bedden, en omhangt op uw divans, die lammeren uit de kudde opeet en kalveren midden uit de stal, die joelt bij het geluid van de harp, die gelijk David muziekinstrumenten voor u uitdenkt, die uit plengvaten drinkt, vol wijn, en met de voortreffelijkste olie u zalft, maar om de verbreking van Jozef u niet bekommert! (Amos 6:4-6)

Wat een beeld van uitspattingen en nutteloosheid! Evenals Babylon leven deze mensen in indolente luxe en omringen ze zich met de laatste gemakken en doen zich overmatig tegoed aan rijk en duur voedsel en drank. Een glas of kop is niet genoeg voor hen — ze moeten wijn drinken uit bokalen om aan hun verslaving te voldoen! Ze zingen liederen die niets betekenen, maar in hun hart denken ze dat hun liederen en muziek op het niveau staan van die van David! Het leven is één groot feest. En wat ze in hun leven kunnen laten zien is alleen maar een gebrek aan gezond oordeel.

"Daarom zullen zij nu in ballingschap gaan aan de spits der ballingen, en uit is het met het getier van wie zo omhangen" (Amos 6:7). De eersten die in ballingschap zullen gaan, zijn degenen die in overdaad leven, die zich niet bewust schijnen te zijn van de tijden. Wat gebeurt er met de Laodiceeër? Hij wordt in het vuur geworpen, een zware beproeving, die heel goed uit ballingschap zou kunnen bestaan (Openbaring 3:18-19; 12:17).

Hosea en Israëls dronkenschap

De profeet Hosea, een jongere tijdgenoot van Amos, profeteerde slechts enkele jaren later tot dezelfde generatie. Omdat Israël zich op de prediking van Amos niet had bekeerd, zond God Hosea om hen opnieuw te waarschuwen daar ze steeds verder wegzonken in hun houdingen en zonden. De jongere profeet benaderde de situatie anders dan Amos en geeft ons daarmee een dieper inzicht in een natie tijdens haar val.

Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. ... Ontucht, wijn en most nemen het verstand weg. Mijn volk raadpleegt zijn hout, en zijn staf moet het voorlichten. Want een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in ontucht aan hun God onttrekken. (Hosea 4:6, 11-12)

Ongetwijfeld waren de Israëlieten uit de dagen van Hosea letterlijk dronken en betrokken bij overspel, maar voor ons is de toepassing geestelijk. God voorspelt dat Zijn volk in de eindtijd verleid zal worden door een macht die bijna demonisch is in zijn vermogen tot misleiding. Vanwege hun nauwe relatie met de wereld zullen ze dezelfde houding hebben als de grote hoer, "dronken van de wijn harer hoererij" (Openbaring 17:2).

Hosea's woordschildering illustreert het effect dat een drug zoals alcohol op iemands denken heeft. Onder invloed van alcohol worden iemands reacties langzamer, zelfs al denkt hij dat hij de zaak beter onder controle heeft. De meeste dodelijke ongelukken in de Verenigde Staten gebeuren met auto's en ruwweg de helft daarvan gebeurt met minstens één chauffeur onder invloed. Als men onder invloed rijdt, wordt iemands vermogen tot het nemen van de juiste beslissingen ernstig belemmerd. Alcohol verduistert het oordeel. Als iemand niet helder kan denken is een gezond oordeel bijna onmogelijk.

Gekoppeld aan dit onvermogen om een gezond oordeel te vellen is de vernietiging van remmingen, ingetogenheid en zelfbeheersing. Daarnaast brengt alcohol een vals gevoel van zekerheid en vertrouwen voort. Mensen doen dus dwaze en zinloze dingen als ze dronken zijn en hebben daar later spijt van evenals van hun kater.

Hetzelfde proces vindt plaats bij iemand die dronken is van de wijn der wrake van deze geestelijke prostituee. De houding van deze wereld berooft mensen van hun geestelijk vermogen tot oordelen en neemt hun geestelijke remmingen weg. Hun weerstand tegen het kwaad verzwakt en ze zullen beginnen dingen te doen die ze zweerden nooit te zullen doen. Net als de trouw van een dronken man aan zijn vrouw door wijn wordt vernietigd, zo wordt de loyaliteit van een christen aan God vernietigd als hij de houdingen van deze wereld in zich opneemt. Zijn vermogen tot oordelen valt in stukken uit elkaar.

Sefanja en Juda

Sefanja, een tijdgenoot van Jeremia, Nahum en Habakuk, predikte tijdens de regering van koning Josia (ca. 640-609 v.Chr.), minder dan veertig jaar voor de vernietiging van Juda door Babylon. Ook hij zag zijn maatschappij in moreel en geestelijk opzicht uit elkaar vallen, en hij legt dit vast in zijn profetie.

Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem, ... die zich nederbuigen en zweren bij de HERE en zweren bij hun Moloch; ... (Sefanja 1:4-5)

Moloch is de nationale godheid van de Ammonieten. De profeet beschrijft een volk dat in hun eredienst geen duidelijke partij kiest. Ze bewijzen lippendienst aan de ware God. Ze leiden hun leven echter op basis van de standaards en waarden van Moloch. De Laodiceeër doet iets wat hier sterk op lijkt, behalve dan dat hij zichzelf en zijn eigen belangen dient in plaats van een afgod.

Het zal te dien tijde geschieden, dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken; Ik zal bezoeking doen over de mannen die dik geworden zijn op hun droesem, en die bij zichzelf denken: De HERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad. (Sefanja 1:12)

Uitgebeeld als iemand die terwijl Hij loopt, een lamp met Zich meedraagt, doorzoekt God de stad — Jeruzalem, Sion — waarbij Hij het licht laat schijnen om iedereen aan Zijn oordeel bloot te stellen. Niemand ontsnapt aan het oordeel van God. Naar wie kijkt Hij in het bijzonder uit? Hij kijkt uit naar zelfgenoegzame mensen, zoals de Laodiceeërs. Evenals Hosea wijn gebruikt om het principe te illustreren, vermeldt ook Sefanja wijn, al is dit in de vertaling niet direct duidelijk. De woorden "dik geworden op hun droesem" duiden op tot rust zijn gekomen, helemaal tevreden zijn met zichzelf, zelfgenoegzaam, zoals het bezinksel [de droesem] in wijn naar de bodem is gezonken en daar tot rust is gekomen!

Nogmaals, de profeet heeft het over een welvarend volk dat zichzelf had wijsgemaakt, dat hun fysieke rijkdom betekende dat ze in dezelfde zin geestelijk rijk waren. Met het voorbijgaan der jaren was hun relatie met God verzwakt tot lippendienst en zelfgenoegzaamheid. Als God hen beschrijft als "bij zichzelf denkend", doelt Hij op een redeneringsproces dat inwendig plaatsvindt. Men kon dat niet met zijn ogen waarnemen, maar de houding kan niet verborgen worden voor de Rechter die met de lamp van waarheid door de stad gaat.

In het hedendaagse spraakgebruik noemen we hun probleem "zonden van niet doen". Evenals de Laodiceeër begaf de Jood uit die tijd zich niet op straat om afschuwelijke misdaden te begaan, zoals moord of verkrachting of gewapende beroving. Deze verzen hebben het over de duizenden en duizenden gewone mensen die stagneerden in en onverschillig waren jegens hun relatie met God. Hun probleem was niet wat zij deden, maar wat zij niet deden.

God beschuldigt ook de Laodiceeër in Openbaring 3 niet van de zonden die veel duidelijker tot uiting komen. Hij is boos op hem vanwege wat hij niet doet! Hij is geen getrouw en waarachtig getuige, en kan dat ook niet zijn vanwege zijn slecht oordeel voor wat betreft het stellen van prioriteiten in zijn leven. Door zich te richten op zijn zelfzuchtige bezigheden en zijn zelfgerichtheid, stelt hij God praktisch geheel buiten zijn leven. Hij draagt nog steeds de naam van God, woont sabbatdiensten bij en dient God op de sabbat tenminste op een oppervlakkige manier. Toch verkoelt de relatie omdat hij nalaat Hem ernstig te zoeken zoals tijdens een verkering.

Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, gij schaamteloos volk, voordat het besluit tot uitvoering komt — als kaf gaat een dag voorbij — voordat over u komt de brandende toorn des HEREN, voordat over u komt de dag van de toorn des HEREN. Zoekt de HERE, alle ootmoedigen des lands, gij die zijn verordening volbrengt; zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen [Statenvertaling: verborgen] worden op de dag van de toorn des HEREN. (Sefanja 2:1-3)

Maar de Laodiceeër zal niet verborgen worden als hij zich niet bekeert, als hij de Heer niet zoekt. God biedt Zijn bescherming terwijl de tijd voortschrijdt naar het einde, en als de Laodiceeër zich op tijd bekeert, zal God Zijn bescherming ook tot hem uitstrekken.

Hij moet de liefde tot gerechtigheid in dezelfde mate of nog meer aan zijn leven toevoegen als zijn liefde voor schoonheid, de dingen waaraan hij het meest van zijn tijd en energie besteedt. Hij zal vinden wat hij zoekt. Hij heeft reeds materiële rijkdom gevonden. Hij moet dus nu zijn aandacht richten op het zoeken van de geestelijke rijkdommen die hem ontbreken.

Haggai en de tempel

Misschien staat de duidelijkste illustratie van de Laodiceïsche houding in het Oude Testament wel in het boek Haggai.

Zo zegt de HERE der heerscharen: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEREN huis herbouwd worde. En het woord des HEREN kwam door de dienst van de profeet Haggai aldus: Is het voor ú de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt? (Haggai 1:2-4)

Voor hen die God op actieve wijze zoeken, is het altijd nu de tijd om het huis van de Heer te bouwen. De mensen uit de tijd van Haggai zeiden, misschien niet mondeling, maar hun niets doen sprak boekdelen: "Laten we op een gunstiger tijd wachten om de tempel te herbouwen." Waardoor was deze specifieke tijd niet geschikt? Ze wilden zich bezighouden met hun eigen projecten! Zij gaven hun eigen materiële comfort een hogere prioriteit dan hun geestelijke verplichting — het Werk van God in hun tijd — om de tempel te herbouwen. Zij ontzegden zich kosten noch moeite om goed voor zichzelf te zorgen (bijvoorbeeld hun "weldoortimmerde huizen" — vers 4), maar de economie was voor hen niet gunstig genoeg om de tempel te herbouwen.

"Nu dan, zo zegt de HERE der heerscharen, bedenkt wat u wedervaren is" (Haggai 1:5). God doet een beroep op hen zorgvuldig na te denken over wat ze deden. Iemands geestelijke verplichting is geen onbelangrijke zaak.

God gaat verder met de beschrijving van wat zij deden (vers 6). De mensen waren harde werkers en hadden geprobeerd een goed inkomen te verwerven, maar iedere keer dat ze dachten dat het hun goed zou gaan, werd hun hoop de bodem ingeslagen. Blijkbaar legden ze nooit het verband tussen hun verwaarlozing van God en hun constante frustratie. God moet Zijn advies herhalen: "Bedenkt wat u wedervaren is" (vers 7). Daarna geeft Hij hun het antwoord:

Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan hebben en verheerlijkt worden, zegt de HERE. Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis. (vers 8-9).

God ordende dit deel van de Schrift om Zijn volk op een heel gemakkelijke en logische manier te helpen het verband te begrijpen tussen het stellen van onze prioriteiten en Gods oordeel.

Rein en onrein

In hoofdstuk 2 komt een soortgelijke logische serie vragen en antwoorden voor.

Zo zegt de HERE der heerscharen: Vraag toch de priesters om onderricht in de wet, en zeg: wanneer iemand heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt en hij raakt met zijn slip brood, moes, wijn, olie of enige andere spijs aan, wordt dit dan heilig? De priesters antwoordden: Neen. En Haggai zeide: Indien iemand onrein geworden door een lijk, iets van al deze dingen aanraakt, wordt het dan onrein? De priesters antwoordden: Het wordt onrein. Toen antwoordde Haggai: Zo staat het met dit volk en zo staat het met deze natie voor mijn aangezicht, luidt het woord des HEREN, en zo staat het met al het werk van hun handen, en wat zij daar offeren, dat is onrein. (Haggai 2:11-14)

Op beide vragen geven de priesters een juist antwoord. Gebruik makend van de wetten betreffende rein en onrein, maakt God een principe duidelijk dat ook voor christenen in deze tijd van toepassing is. God zegt heel eenvoudig dat het onmogelijk is dat Gods heiligheid, die in ons is vanwege onze relatie met Hem en het inwonen van Zijn Geest, van ons op de wereld overgaat. Met andere woorden als een heilig iets in aanraking komt met een profaan iets, zal het profane voorwerp niet heilig worden.

Aan de andere kant kan de houding van de wereld, als die in aanraking komt met Zijn volk, van de wereld op ons overgaan. Gebruik makend van de bovenstaande bewoordingen kunnen we dus zeggen, dat als een profaan iets in aanraking komt met een heilig iets, het heilige voorwerp verontreinigd wordt. Het geestelijke principe voor de christen in deze tijd is duidelijk: de wereld zal onze heiligheid verontreinigen als we er niet voor op onze hoede zijn.

Als we deze verzen vanuit Het Boek lezen, wordt Gods bedoeling heel duidelijk. Al is dit geen exacte vertaling, maar een weergave van de gedachten die het Hebreeuws overbrengt, toch is het gemaakte punt juist.

Stel de priesters deze vraag over de wet: 'Als één van u een stuk heilig offervlees in zijn kleren draagt en zijn kleren strijken toevallig langs wat brood, wijn of vlees, wordt dat dan ook heilig? Nee, natuurlijk niet," antwoordden de priesters. "Heiligheid gaat niet zomaar van het ene op het andere over." Toen vroeg Haggaï: "Maar als iemand een lijk aanraakt en zo volgens de wet onrein wordt en dan iets aanraakt, wordt dat dan onrein?" "Ja, inderdaad," antwoordden de priesters. Haggaï maakte toen zijn bedoeling duidelijk: "U maakt uw offers onrein, zei hij namens de HERE, "doordat u egoïstische motieven en een zondig hart hebt. En die onreinheid geldt niet alleen voor uw offers, maar ook voor alle andere dingen die u deed om Mij zogenaamd een dienst te bewijzen." (Haggai 2:12-15)

Het volk dat de gangbare houding van de wereld in zich opgenomen had, werd erdoor besmet. Zoals we herhaaldelijk hebben gezien, degenereerde hun relatie met God snel naar vervreemding — evenals dat bij de Laodiceeër het geval is.

Het beste van twee werelden

Als Gods volk in deze tijd willen we de koers die het oude Israël en Juda volgden, vermijden. Een beknopte uitspraak over hun blijvende probleem komt overeen met een soortgelijk probleem van de Samaritanen: "Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen naar de gewoonte van de volken waaruit men hen had weggevoerd" (2 Koningen 17:33).

Van het begin tot het einde van haar geschiedenis was Israëls grote zonde dat ze het beste van beide werelden wilde hebben. Zij beleden dat God hun god was, maar zij bewezen hun onoprechtheid door Hem niet met hun aandacht, hun tijd en hun energie te vereren. Hij stond laag op hun prioriteitenlijstje. God werd om zo te zeggen altijd ver op de achtergrond weggeschoven. Dat is afgodendienst.

Met betrekking tot Laodiceanisme moeten we bezorgd zijn over dezelfde zonde. Laodiceanisme is de meest subtiele vorm van afgodendienst. Een Laodiceeër is een christen die binnenwaarts is gericht. Al maakt hij deel uit van de kerk van God, toch is zijn eredienst zelfgericht. Hij dient in Gods naam zichzelf en zijn eigen belangen, terwijl hij alle uiterlijke dingen doet die met het dienen van God samengaan. Dat is afgodendienst. Welke zonde staat God het meeste tegen? Ongetwijfeld is dat afgodendienst! En als Hij ziet dat die zonde zo vakkundig ingebed is in de Laodiceeër, spuwt Hij hem uit Zijn mond!

Laodiceanisme is ook de meest verfijnde vorm van wereldlijkheid. Daar maakt God zich zorgen om. Te beginnen met het openstaan voor de aantrekkingskracht van de wereld en het steeds sterker laten inwerken van die kracht door zelfgerichtheid worden geestelijke belangen overmand en gaat de Laodiceeër onbewust zichzelf dienen in plaats van God. De Laodiceeër heeft wat belangrijk is in het leven verkeerd beoordeeld en daarom stelt hij verkeerde prioriteiten. Hij geeft zijn aandacht aan bezigheden die van zichzelf niet verkeerd zijn, dingen waarmee God Zijn volk wil zegenen, maar omdat zijn prioriteiten verkeerd liggen, roept hij Gods vernietigende verwerping over zich af.

Waarschijnlijk zijn we allemaal min of meer in Laodiceanisme terecht gekomen. Omdat het in de wereld zo overheersend is, is het bijna onmogelijk te vermijden. Maar we kunnen er weerstand tegen bieden! We hebben nog tijd om tot bekering te komen. Elk van ons kan een grotere inspanning leveren om te studeren, te bidden, te vasten, in liefde voor elkaar te groeien, onze naaste op onzelfzuchtige wijze te helpen en de aansporingen van de Heilige Geest op te volgen zolang we daartoe nog de tijd en gelegenheid hebben. We moeten niet toestaan dat deze gelegenheid ons ongemerkt voorbijgaat.

Gelijkenissen voor de eindtijd

Profetieën op veel plaatsen in de Bijbel laten keer op keer zien dat de Laodiceïsche conditie, die vanuit de wereld het lichaam wordt binnengebracht, een overheersende houding is binnen de kerk van de eindtijd. Herhaaldelijk waarschuwt God Zijn volk om zich ervan bewust te zijn en zich voor de bedreiging ervan te hoeden. Het zou het toppunt van arrogantie zijn om te denken dat wij op de een of andere manier gevrijwaard zijn om deze houding van geestelijke onverschilligheid op te lopen. Maar wat zou Zijn volk moeten doen om dit te vermijden? Liet Jezus Zijn kerk enige instructie na over wat ze zou moeten doen als deze houding en de tweede komst bij elkaar komen?

Dat deed Hij zeer zeker.

Na de preek die bekend staat als de profetie op de Olijfberg, die een overzicht geeft van de gebeurtenissen die uitlopen op Zijn wederkomst (Mattheüs 24, Marcus 13 en Lucas 21), gaf Jezus een serie gelijkenissen die sterk profetisch georiënteerd waren. Deze gelijkenissen vormen een soepele overgang van de profetieën over de laatste dagen naar de instructie van onze Verlosser over wat we wel of niet zouden moeten doen bij het naderen van Zijn wederkomst. Als we Laodiceanisme willen vermijden en voorbereid willen zijn op Zijn wederkomst, zullen we naar Zijn woord luisteren en doen wat Hij zegt.

De gelijkenis van de vijgenboom

Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. (Mattheüs 24:32-34)

De val van Jeruzalem in 70 n.Chr. vervulde deze profetie als type. De geschiedenis bewijst dat de generatie waarover Hij het had — die van Zijn discipelen — niet gestorven was voordat Jeruzalem viel voor de Romeinse legers onder Titus. Het grotere geheel omvat echter de gehele profetie van Mattheüs 24, uitlopend op Zijn tweede komst. Als mensen deze profetieën, uitmondend in Christus' wederkomst om Gods Koninkrijk op te richten, gaan begrijpen, zal die generatie niet sterven voordat Hij weer op aarde staat.

Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen. Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. (Mattheüs 24:36-39)

In de verzen 38 en 39 beschrijft Jezus mensen die zich met de normale dingen van het leven bezighouden: eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven. Geen van deze activiteiten is slecht — in feite zijn ze noodzakelijk. Hij impliceert echter dat hun, doordat ze zich richten op de dagelijkse activiteiten van het leven, de tekenen, de aanduidingen, ontgaan, die duiden op de nadering van Christus' wederkomst. Het droeve resultaat is dat zij zich daar niet van bewust worden, totdat het te laat is.

Zoals eerder besproken is Laodiceanisme geen zaak van luiheid, maar van geestelijke onverschilligheid die veroorzaakt wordt door aandacht te geven aan de verkeerde dingen. Een Laodiceeër begaat een subtiele vorm van afgodendienst, door overmatige aandacht te schenken aan zelfgerichte belangen in plaats van aan de belangen van onze Heer. Hij zet de verantwoordelijkheden waartoe hij geroepen is terzijde en geeft de voorkeur aan activiteiten en belangen die Jezus eenvoudigweg beschrijft als eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven. Hij heeft voor wereldlijke prioriteiten gekozen boven de geestelijke.

Het verlies van het vermogen tot een juist oordeel is zowel een belangrijke vrucht als een oorzaak van Laodiceanisme. Zonder juist oordeel kan hij niet onderscheiden dat hij zo dicht bij de eindtijd leeft. Een Laodiceeër kan de tekenen der tijden niet onderscheiden (Mattheüs 16:3). En hij verliest natuurlijk het vermogen te onderscheiden tussen goed en kwaad.

De bijbelse instructie is in een voortdurende staat van gereedheid te zijn. Niet noodzakelijkerwijze de mentaliteit van de eindsprint, maar er zou een gevoel van urgentie in ons leven moeten zijn betreffende onze roeping en onze relatie met God.

"Het onderkennen van de tijden"

Ongeveer twintig jaar nadat Jezus de profetie op de Olijfberg gaf, schreef de apostel Paulus over hetzelfde onderwerp aan de Thessalonicenzen om niet verrast te worden als het bewijs van Christus' komst onloochenbaar is. In tegenstelling tot Mattheüs 24 zegt Paulus dat de Thessalonicenzen niet herinnerd behoeven te worden aan de tijden waarin ze leven. Geldt dat ook voor ons? Als wij geen besef hebben van de tijden waarin we leven, is het heel waarschijnlijk dat we tot Laodiceanisme vervallen. Een besef hebben van de tijden is essentieel om te begrijpen hoe de houding van de wereld te vermijden. Een Laodiceeër wordt als blind gekarakteriseerd, is zich dus niet bewust van wat er om hem heen gebeurt, die houding besluipt hem en krijgt hem te pakken voordat hij het beseft!

Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen. (1 Thessalonicenzen 5:1-3)

De apostel heeft het over hen ("zij") die zich niet van deze dingen bewust zijn, die geen aandacht schenken aan de tekenen der tijden. Een zwangere vrouw laat duidelijk zien dat ze op het punt staat te bevallen. Al is haar toestand bekend, toch kan niemand de exacte tijd aangeven waarop de weeën zullen beginnen. De pijn van een bevalling komt overeen met de tekenen der tijden. Niemand zal in staat zijn de precieze tijd aan te geven waarop Christus terugkomt, maar we kunnen weten dat die tijd nabij is en er dus op voorbereid zijn.

Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus, (1 Thessalonicenzen 5:4-9)

Er bestaat een geweldige tegenstelling tussen wat de Bijbel over de eindtijd laat zien en de reactie van de meeste mensen die in deze tijd op aarde leven. Al wordt men omgeven door intens menselijk lijden, door natuurrampen, oorlogen, ziekten en geweld op een schaal die zich tot nu toe nooit heeft voorgedaan, hebben de meeste mensen een zelfvoldaan gevoel van veiligheid. Waarom? Hun denken is op andere dingen gericht! Hun aandacht wordt afgeleid van de belangrijke zaken!

Hier hebben we de sleutel tot de Laodiceïsche conditie: Wat heeft onze aandacht? Waar we ons op richten bepaalt hoe we onze prioriteiten stellen.

Het nieuws in de krant en op de televisie bewijst elke dag dat we precies in die dagen leven, die Jezus beschreef in Zijn profetie op de Olijfberg en die Hij in veel oudtestamentische profetieën over de eindtijd inspireerde. Nooit tevoren is er in de geschiedenis van de mens een tijd geweest als deze tijd, behalve in de dagen van Noach. Toch zijn de meeste mensen zich niet bewust van de ernst hiervan.

De Laodiceeër is zich even onbewust van deze dingen als de mensen van deze wereld. Zijn eigen oordeel over zijn conditie laat zien dat hij blind is voor zijn geestelijke toestand. "Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek" (Openbaring 3:17). In feite zegt hij: "Mij ontbreekt niets. Alles is prima in orde!" Zijn oordeel is in vergelijking met dat van God geheel anders. De Laodiceeër is het vermogen om een juist oordeel te vellen kwijtgeraakt.

Op de deur kloppen

De illustratie aan het eind van de brief aan Laodicea is treffend. Onze Heer staat aan de deur te kloppen (Openbaring 3:20). Christus zegt dan: "Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij." Maar waar duidt dit gedeelte op dit moment op voor wat betreft de Laodiceeër? Daar hij de stem van Zijn Verlosser niet kan horen, moet zijn denken ergens anders op zijn gericht!

Zoiets is heel gebruikelijk in ons leven in deze tijd. Als we diepgaand zijn geconcentreerd op een klus of een project, kan ons denken geluiden en bewegingen om ons heen afschermen. Het schijnt dat sommige mensen nooit iemand horen als ze met hun neus in de boeken zitten!

Jezus beschrijft dit vermogen gewoon op een andere manier door te oordelen dat de Laodiceeër blind is. Paulus gebruikt in 1 Thessalonicenzen 5 een andere metafoor door te zeggen dat hij in de duisternis is. In geestelijk opzicht zijn blindheid en leven in duisternis praktisch hetzelfde. Hoe goed is iemands oordeel als hij niet kan zien? In duisternis leven is het equivalent van moreel ongevoelig zijn of onstabiel zijn, dat wil zeggen goed niet van kwaad kunnen onderscheiden.

Het advies dat aan de christen gegeven wordt, is wakker te zijn: "Laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker [Statenvertaling: waken] en nuchter zijn" (1 Thessalonicenzen 5:6). Als we slapen kunnen we niet waken. Het Griekse woord voor "waken" kan beter worden vertaald met "op zijn hoede zijn" en het woord voor "nuchter" kan beter worden vertaald met "jezelf beheersen". Paulus adviseert dus: "Laten we op onze hoede zijn en onszelf beheersen." Met andere woorden terwijl alle afleidingen van deze wereld op duizelingwekkende wijze rondom ons heen draaien, moeten we op onze hoede zijn voor hun aantrekkingskracht en onszelf voldoende beheersen om de discipline te hebben de juiste prioriteiten te stellen.

Al is zoiets niet gemakkelijk, toch moeten we onze wil ertoe dwingen aandacht te schenken aan de eeuwige dingen die belangrijker zijn. Als we dat niet kunnen, kan het zijn dat we in duisternis gaan leven, en leven in duisternis leidt uiteindelijk tot geestelijke blindheid. Het is van levensbelang voor onze geestelijke gezondheid om op onze hoede te blijven en onszelf te blijven beheersen!

Paulus gebruikt een militaire metafoor van een schildwacht in functie (vers 8). Hij schrijft over "het harnas van geloof en liefde en de helm van de hoop der zaligheid", militaire uitrusting. Aan de schildwacht die op zijn hoede is en zichzelf beheerst, die waakzaam is voor tekenen van de vijand, wordt de veiligheid van degenen die in de legerplaats zijn, toevertrouwd. Normaal is hij niet lusteloos, noch wild opgewonden. Zijn harnas en wapens geven hem een mate van controle en vermogen als de behoefte zich voordoet.

Op gelijke wijze zou een christen nooit lusteloos noch wild opgewonden moeten worden over de eindtijd zonder de factoren van geloof, hoop en liefde die de zaak onder controle houden. Er is niets verkeerds met speculeren over de tijd van Christus' wederkomst. Speculatie is een natuurlijk resultaat van waken en de tijden evalueren. Echter sinds zelfs Christus de tijd van Zijn wederkomst niet wist, zouden wij heel arrogant zijn te denken dat het aan ons geopenbaard zou zijn. In werkelijkheid is het, als iemand beweert te weten wanneer Christus komt, op het godslasterlijke af! Die persoon noemt God een leugenaar! Jezus Christus zegt dat niemand het weet, zelfs de Zoon niet (Marcus 13:32), en de implicatie is dat de Vader het de Zoon niet zal zeggen totdat het bijna tijd is dat Hij wederkeert.

Als wij de tijd van Zijn wederkomst zouden weten, zou het praktisch zeker zijn dat dat ons geloof zou vernietigen, dat zou bijna hetzelfde effect hebben als Laodiceanisme. In feite moeten we God dankbaar zijn voor de voortdurende verwachting van Christus' wederkomst, die op subtiele wijze druk op ons uitoefent om dicht bij Hem te blijven. God weet wat het beste is. Hij doet altijd alles voor het bestwil van Zijn kinderen.

Hoe belangrijk de tweede komst ook is voor Gods plan, de principes die Christus bespreekt in de gelijkenissen die volgen op de profetie gegeven op de Olijfberg, zijn belangrijker voor onze persoonlijke groei en ontwikkeling. Binnen de illustraties die in de gelijkenissen worden gebruikt, geeft Christus van pas komende instructie voor Zijn kerk in de eindtijd.

Een dief in de nacht

Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt. Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en in zijn huis niet hebben laten inbreken. Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen. (Mattheüs 24:42-44)

In essentie zijn deze verzen Christus' openingssalvo over hoe we voorbereid kunnen zijn en hoe we onze tijd en energie moeten gebruiken als er zich aanduidingen van Zijn wederkomst beginnen voor te doen.

Al weten we zeker dat we in de eindtijd leven, toch weten we niet precies wanneer Christus zal weerkeren. We moeten dus zo leven dat we elke dag gereed zijn. Het onderwerp van deze korte gelijkenis is verwachting. Terwijl we de algemene tekenen van Zijn komst kennen, leven we in verwachting van het onverwachte.

Hij illustreert dit door Zijn komst te vergelijken met die van een dief. We kijken normaal niet uit naar dieven. Begrijpelijkerwijs kondigen dieven hun komst niet aan, maar door het nemen van voorzorgsmaatregelen bereiden we ons voor op hun komst. We sluiten allemaal onze huizen af en bergen onze waardevolle bezittingen op in veilige plaatsen. Sommigen van ons hebben een veiligheidsalarm geïnstalleerd en buitenverlichting om nachtelijke inbraak te ontmoedigen.

In dezelfde geest spoort Jezus Zijn volk aan waakzaam, op hun hoede te zijn, omdat het belangrijkste wapen van een dief verrassing is. Zelfs voor hen die zich ervan bewust zijn, zal Zijn wederkomst met een verrassende onverhoedsheid plaatsvinden. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor hen die afgeleid zijn door gewone bezigheden: "eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven". Het onderwijs van deze gelijkenis is dat leven zonder waakzaam te zijn, een leven is dat een ramp uitnodigt.

Een aantal verzen eerder verwijst Christus naar de dagen van Noach (vers 37). God zei Noach dat Hij de aarde door een watervloed zou vernietigen en Hij gaf hem instructies hoe hij daarop voorbereid kon zijn zodat hij en zijn gezin kon overleven. God zei hem wat Hij zou doen, maar niet wanneer. Wat deed Noach? Hij bereidde zich voor, ook al deed niemand anders dat. Noach geloofde God en handelde in overeenstemming met zijn geloof. Toen de zondvloed kwam, was hij gereed, zelfs al wist hij niet wanneer die zou komen (Genesis 6:5-7:23).

De parallel met deze tijd is verbazingwekkend. Noachs Handelingen definiëren de verantwoordelijkheden van een christen. Door deze les in zijn leven ter harte te nemen, kan men ook: "door ... geloof ... door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien worden, ... bevreesd [worden] ... en ... een erfgenaam [worden] der rechtvaardigheid, die naar het geloof is" (Hebreeën 11:7, Statenvertaling). Het niet ter harte nemen van deze les getuigt van de houding die leidt tot een geestelijke ramp, die in iemands gedrag tot uiting laat komen dat men denkt dat er voldoende tijd is.

In een bizarre karakterschets ontbood Satan drie demonen en belastte hen met een project. Hij gaf de opdracht: "Jullie moeten de gehele aarde doortrekken en ik wil dat jullie zoveel mogelijk mensen op zo'n manier misleiden, dat ze verloren gaan. Maar voordat jullie vertrekken, wil ik horen hoe jullie van plan zijn hen te misleiden."

De eerste demon stapte voorwaarts en zei: "Ik zal al die mensen zeggen dat er geen God bestaat." Satan schudde zijn hoofd en zei: "Dat zou op enkele mensen de beoogde uitwerking hebben, maar de meesten zullen het niet slikken. Er is teveel bewijs dat er een Schepper God bestaat. Ik verwerp je plan omdat het niet veel mensen zal misleiden."

De tweede demon verscheen voor hem en zei zelfbewust: "Ik zal iedereen onderwijzen dat er geen hel is." Satan moest lachen. "De mensen weten wel beter! Ze weten dat er een plaats is waar verstokte zondaren zullen branden om nooit meer tot leven te komen. Jouw plan zal ook nooit werken. Het kan zijn dat er enkele mensen door misleid worden, maar uiteindelijk zal het niet aanslaan."

De derde demon stond op en zei: "Ik zal hen zeggen dat er geen reden is om zich te haasten!" Satan zei: "Ga eropuit! Jij zal iedereen misleiden!"

De strategie van een dief is toe te slaan als iemand niet thuis is, slaapt en onbeschermd is, of zo opgaat in iets dat hij verrast wordt. Op dezelfde manier slagen oplichters, omdat hun slachtoffers er zo op gericht zijn zelf een grote financiële klapper te maken dat ze gemakkelijk bedrogen worden. Dat is de les van deze gelijkenis: "Demp de put voordat het kalf verdronken is. Wees gereed."

Gelijkenis van de trouwe en slechte slaven

Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen. Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars. (Mattheüs 24:45-51)

Al is het algemene onderwerp van deze gelijkenis voorbereid zijn, toch verschilt de les van de vorige. De gelijkenis van de trouwe en slechte slaven spoort ons aan trouw te zijn en wijs in het uitvoeren van onze verantwoordelijkheden en relaties met onze medeslaven, onze broeders in het lichaam van Christus.

Synoniemen van "trouw" zijn onder andere loyaal, standvastig, solide, vastberaden, plichtsgetrouw, betrouwbaar, gestaag in de uitvoering van zijn taken, onwankelbaar, hechten aan overeenkomsten en beloften, stevig weerstand bieden aan desertie of verraad, standvastig in liefde, loyaliteit en overtuiging. Een trouw iemand is betrouwbaar, nauwgezet, eerlijk, oprecht en waarheidlievend. Zonder het specifiek onder woorden te brengen, zegt Christus dat wij het eerste van de twee grote geboden moeten onderhouden: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand" (Mattheüs 22:37).

In deze context betekent "wijs" verstandig, voorzichtig, zinnig, gezond oordeel laten zien. Het suggereert een begrip van mensen en situaties, waarin een ongewoon onderscheidingsvermogen en oordeelsvermogen tot uiting komt om met hen om te gaan. Evenals Paulus in 1 Thessalonicenzen 5:6 schrijft over jezelf onder controle hebben (nuchter zijn), duidt Christus' gebruik van "wijs" op het uitoefenen van zelfbeperking en het gebruiken van gezonde, praktische wijsheid en onderscheidingsvermogen en het op verstandige wijze in goddelijke redelijkheid handelen. Om kort te gaan, Christus bedoelt het uitoefenen van liefde. Hij zegt ons dat we trouw zouden moeten zijn in het onderhouden van het tweede van de twee grote geboden: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Mattheüs 22:39).

Deze gelijkenis is voornamelijk gericht tot leiders, tot de dienaren. Als we het daarbij zouden laten en het dus niet ruimer zouden toepassen, zouden we essentiële instructie missen. Als we de Schriften benaderen met de veronderstelling dat de lessen persoonlijk zijn, kunnen we vollediger bij ieder woord van God leven. En in dit geval zouden we dat zeer zeker moeten doen, omdat we op een bepaald punt van ons leven, allemaal leiden. Als ouders of managers of plaatsaanwijzers, enzovoort, geven we allemaal voorbeelden voor anderen om te volgen.

Daar deze gelijkenis op iedereen van toepassing is, spoort Christus ons aan op een manier te leiden die verenigt en anderen inspireert trouw te zijn. We doen dit door hun de waarheid te verschaffen, een goed voorbeeld en bemoediging. Op deze manier worden we wijze en trouwe slaven van datgene wat God ons heeft toevertrouwd.

In deze verzen koppelt Christus in beide voorbeelden op krachtige wijze geloof aan gedrag. Als we in Zijn wederkomst geloven, zullen we niet leven zoals de vleselijk georiënteerde mensen doen. Zo eenvoudig is dat. Als we werkelijk geloven dat Hij spoedig zal wederkeren, laat deze gelijkenis zien dat ons geloof ons leven zal beïnvloeden en ons van uitersten in gedrag zal weerhouden.

Deze trouwe houding staat tegenover die van de minachtende slaaf, die zegt dat zijn meester Zijn komst uitstelt en daarom zijn medeslaven gaat slaan. Zijn gedrag wordt steeds erger daar hij gaat eten en drinken met de dronkaards. Uit de beschrijving die Christus geeft, zien we dat de slechte slaaf een arrogante, gewelddadige, genotzuchtige, gulzige en huichelachtige houding heeft. Omdat hij gelooft dat hij tijd genoeg heeft om zijn relatie met God in orde te brengen, wordt zijn gedrag slecht.

Samengevat: Wie taken zijn toevertrouwd, moet deze trouw uitvoeren en te allen tijde bereid zijn rekenschap te geven voor wat hij heeft gedaan. De sleutelwoorden in deze gelijkenis zijn: trouw, wijs en gereed.

De gelijkenis van de tien maagden

Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie; doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen. Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf. Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten. Later kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur. (Mattheüs 25:1-13)

Het laatste vers gaat verder met een onderwerp dat door al deze gelijkenissen loopt. Christus koppelt elk van hen aan een leven in urgente verwachting van Zijn wederkomst, en als wij die hebben, zal deze ons ertoe aanzetten de lessen die ze bevatten, te gebruiken. De gelijkenis van de tien maagden beeldt de kerk uit die wacht op de wederkomst van de Bruidegom. Wegens een onverwacht lang uitstel vindt Hij de helft van de maagden onvoorbereid als Hij uiteindelijk arriveert.

Bij bruiloften in die tijd leidde de bruidegom traditioneel een processie van bruidsmeisjes van de plaats waar zij wachtten naar zijn huis. Aangezien de processie onveranderlijk 's nachts plaatsvond werd er van ieder bruidsmeisje verwacht dat ze haar eigen toorts of lamp meebracht. Als de bruidegom later kwam dan verwacht, moest het bruidsmeisje daarop middels extra toortsen of extra olie voor haar lamp op voorbereid zijn.

Het verschil tussen de wijze en dwaze maagden in de gelijkenis is niet dat de ene groep geen olie had, maar dat één groep niet genoeg olie had voor een onverwacht lang uitstel. Toen de roep uitging brandden hun lampen nog steeds, maar ze sputterden en stonden op het punt uit te gaan. Olie vertegenwoordigt natuurlijk Gods Heilige Geest. De wijze maagden zijn evenals de trouwe en wijze slaaf gereed. Zij zorgden ervoor in contact te blijven met de olieverkopers, zoals we kunnen opmaken als ze tot de dwaze maagden zeggen: "Neen, ... gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf" (vers 9). De wijzen hadden recent contact gehad met de olieverkoper, terwijl de anderen blijkbaar rondgelummeld hadden. Door vaak naar de verkoper te gaan hadden de wijzen, toen de bruidegom arriveerde, een toereikende hoeveelheid olie om hun lampen in orde te brengen en binnen te gaan voor de bruidsmaaltijd. De les is: gereed zijn door visie en vooruitzien.

Daar het een interne toestand is kan gereedheid niet worden overgedragen. Dat is duidelijk uit de reactie van de maagden. Het is een zaak van het hart, een ongrijpbaar iets dat bijeen wordt verzameld door onder veel omstandigheden veel tijd door te brengen bij de Verstrekker van de Heilige Geest. Het zijn zaken van houding, karakter, vaardigheid, kennis, begrip en wijsheid die niet kunnen worden overgebracht op hen die niet gereed zijn. Dat zijn persoonlijke eigenschappen die over de maanden en jaren worden opgebouwd en gescherpt.

Als iemand een vaardigheid onmiddellijk nodig heeft, hoe lang duurt het dan om die onder de knie te krijgen? Als iemand plotseling de vaardigheid nodig zou hebben een auto te repareren en hij had nooit aan auto's gewerkt, had hij net zo goed geen handen kunnen hebben! Het werkt op precies dezelfde manier met geestelijke eigenschappen. Voorbereiding op mogelijke gebeurtenissen is de essentie van deze gelijkenis. De wijze maagden bereidden zich voor op de mogelijkheid dat het langer zou kunnen duren dat de bruidgom kwam — zij toonden vooruitziendheid en visie, en zij gingen binnen voor het bruiloftsfeest. De anderen werden niet meer binnengelaten, ze waren te laat.

De olie kan ook niet worden geleend. Die kan op geen enkele manier van de een op de ander worden overgedragen. We kunnen geen karakter lenen of een relatie met God. De gelijkenis onderwijst ons dat de gelegenheid zich aandient, op de deur klopt en dan verdergaat. De dwazen hielden er geen rekening mee dat de bruidegom later zou kunnen komen dan verwacht, en toen zij werden gewekt, hadden ze geen tijd olie te halen en hun lampen bij te vullen.

Niemand kan zijn broeder verlossen. Iedereen bepaalt zijn eigen bestemming. Ongeacht hoe nauw we met elkaar verbonden zijn, zelfs al zijn we één vlees zoals in een huwelijk, een man kan zijn vrouw niet verlossen, en een vrouw kan haar man niet verlossen. Ook kunnen we onze kinderen niet verlossen. Iedereen staat in zijn relatie met God op eigen benen. God maakt dit duidelijk in Ezechiël 14:14: "En er zouden daar deze drie mannen zijn: Noach, Daniël en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden, luidt het woord van de Here HERE." Al is dit een harde les, toch zou deze ons moeten motiveren onszelf in bedwang te houden, zelfbeheersing uit te oefenen, waakzaam te zijn en onze aandacht te geven aan onze geestelijke prioriteiten. Dus iedereen bepaalt zijn eigen bestemming.

We kunnen de dwaze maagden gelijkstellen aan hun moderne tegenhangers, hun geloof is plichtmatig. Hun kerklidmaatschap is routine, ze doen gewoon uiterlijk mee met de dingen die gedaan worden. Ze hebben genoeg geloof om in ieder geval op de diensten van de kerk te verschijnen. Zij hebben geloofsopvattingen en karakter en motivatie — maar niet genoeg!

De weigering van de Bruidegom om de vijf dwaze maagden toe te laten, als Hij zegt: "Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet" (vers 12) moet niet worden opgevat als een gevoelloze verwerping van hun levenslang verlangen het Koninkrijk binnen te gaan. Bijna iedereen heeft het verlangen het Koninkrijk binnen te gaan. Wie bij zijn volle verstand zou dat niet willen? We hebben een geweldig aanbod van God ontvangen! Christus' verwerping is beslist niet gevoelloos, maar volledig gerechtvaardigd omdat deze mensen zich nooit op hun huwelijk met Hem hebben voorbereid. In de analogie zien we, dat zelfs al beseffen ze dat ze hun toekomstige Partner hebben ontmoet en al bewonderen ze Hem, ze nooit toekomen aan het ontwikkelen van de relatie. In zekere zin hebben zij Hem reeds verworpen. Een extra les uit deze gelijkenis is dus dat we voortdurend moeten werken aan onze relatie met God.

De gelijkenis van de talenten

Want het is als een mens, die bij zijn vertrek naar het buitenland zijn slaven riep en hun zijn bezit toevertrouwde. En de een gaf hij vijf talenten, een ander twee, een derde één, een ieder naar zijn bekwaamheid, en hij reisde buitenslands. Terstond ging hij, die de vijf talenten ontvangen had, op weg, en hij deed er zaken mede en verdiende er vijf bij. Evenzo verdiende hij, die de twee talenten had, er twee bij. Maar hij, die het ene talent ontvangen had, ging heen en groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn heer. En na lange tijd kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen. En die de vijf talenten ontvangen had, trad toe en bracht nog vijf talenten bovendien, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd: zie, ik heb er vijf talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem. Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer. Die met de twee talenten trad ook toe en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; zie, ik heb er twee talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem: Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer. Nu kwam ook hij, die het ene talent ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid. En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de grond verborgen; hier hebt gij het uwe. En zijn heer antwoordde en zeide tot hem: Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid? Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven en ik zou bij mijn komst mijn eigendom met rente opgevraagd hebben. Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars. (Mattheüs 25:14-30)

Thematisch gaat de gelijkenis van de talenten verder dan de vorige. Christus verwacht niet alleen trouw in uitvoering van taken en gereed zijn zelfs na een periode van lang uitstel, maar Hij verwacht ook een verbetering van datgene wat Hij initieel toevertrouwde. Nog sterker, Hij verwacht verbetering vanaf het moment van schenking tot de dag van afrekening.

Er ontwikkelt zich een logische volgorde van lessen in deze gelijkenissen. De middelste gelijkenis is de gelijkenis van de tien maagden, die de innerlijke toestand van de volgelingen uitbeeldt. De gelijkenissen daarvoor en daarna laten de volgelingen aan het werk zien, een uiterlijke bezigheid. De voorafgaande gelijkenis duidt op trouw, de daarop volgende duidt op verbetering. Het kan zijn dat Hij ons zegt dat een ijverig, innerlijk geestelijk onderhoud de basis is van een winstgevende uitwendige bezigheid. Een mens is wat uit zijn hart voortkomt (Mattheüs 15:18-19; Lucas 6:45).

Wat is een talent?

In het oude Midden-Oosten was een talent een eenheid van gewicht en later ook van geld. Jezus bedoelde waarschijnlijk niet meer dan een hoeveelheid, een meetbare hoeveelheid, waaruit we een les kunnen trekken. We moeten dus verbeteren of groeien op gebieden die gemeten kunnen worden. Talenten kunnen daarom het best vergeleken worden met geestelijke gaven.

Jezus illustreert de verschillende niveaus van verantwoordelijkheid en de verschillende hoeveelheden gaven. In de gelijkenis worden de gaven gegeven in overeenstemming met natuurlijke capaciteiten, maar allen die in gelijke zin toenemen worden in gelijke mate beloond. Hun omgaan met de talenten duidt op het trouw gebruik dat men behoort te maken van gaven en gelegenheden om God te dienen.

In de natuurlijke wereld is er verschil in talenten. Iemand kan een kerkgebouw, een kathedraal, ontwerpen. Een ander heeft het talent om het houtsnijwerk te vervaardigen of de tegels te snijden en te leggen. Een ander heeft het talent vanaf de preekstoel te spreken. Weer een ander heeft het talent om muziek te schrijven die op het orgel of de piano in die kerk wordt gespeeld. Iedereen heeft talenten die verschillen van die van zijn naasten; toch zijn ze allemaal afhankelijk van elkaar voor het bouwen en het juiste gebruik van de kathedraal.

Dus de ene persoon is niet beter of belangrijker dan de ander, al kan de ene een grotere natuurlijke capaciteit hebben. God laat duidelijk zien dat hoe groter de capaciteit, hoe groter de verantwoordelijkheid. Maar we zien ook dat al is er een gelijkheid in gelegenheid, er verschillen zijn in talenten.

Met Gods gaven zit het precies zo in elkaar. Het gaat er niet om hoeveel talenten iemand heeft, maar hoe hij ze gebruikt, dat is belangrijk voor God. Het gaat niet om hoeveel talenten God aan iemand geeft, het gaat om wat iemand ermee doet. Daarom laat Christus een gelijkheid zien tussen de persoon met de vijf talenten en de persoon met de twee talenten. Beiden vermeerderden een gelijke hoeveelheid, 100%, en ze werden beide gelijkelijk beloond. Dit is een belangrijk punt in de gelijkenis.

In de eerste plaats behoren alle talenten toe aan God. Het staat aan Hem aan wie Hij ze wil geven. Deze talenten, gaven, zijn geen dingen die we van nature bezitten, maar zijn het bezit, capaciteiten, van Christus, die Hij ons uitleent om te gebruiken. Talenten kunnen echt worden opgevat als dingen zoals Gods woord, het evangelie van het Koninkrijk van God, de vergeving van zonden, Zijn Heilige Geest, enzovoort.

De apostel Paulus vermeldt er heel wat in 1 Corinthiërs 12: wijsheid, kennis, geloof, genezing, wonderen, profetie, onderscheiden van geesten, tongen en de uitleg van tongen. Het zijn geen natuurlijke schenkingen. Sommigen ontvangen meer dan anderen, en de overgrote meerderheid van ons behoort waarschijnlijk tot hen die er één of twee ontvangen. Maar of we er nu één, twee of vijf hebben, we zijn allemaal verantwoordelijk om deze gaven, die van Christus zijn, te gebruiken, gaven die aan ons zijn uitgeleend om Hem te dienen. En wij moeten groeien.

En ik geef op dit punt mijn mening, want dit is voor u nuttig; gij hebt immers reeds vroeger, het vorige jaar, een begin gemaakt, niet alleen met de uitvoering, maar ook met het willen; voltooit thans dan ook de uitvoering, opdat met de maat van uw bereidwilligheid ook de voltooiing uit hetgeen gij hebt overeenstemme. Want als de bereidvaardigheid aanwezig is, is zij welkom naar hetgeen zij heeft, niet naar hetgeen zij niet heeft. (2 Corinthiërs 8:10-12)

God oordeelt naar wat we hebben. Daar Hij een volmaakte Rechter is, is Hij de enige die gekwalificeerd is om te bepalen of wij onze gaven gebruiken en doen toenemen, of dat we datgene wat Hij ons ter beschikking heeft gesteld, verbergen en verspillen.

Is God rechtvaardig met Zijn gaven?

Daar deze gaven om te beginnen niet van ons zijn, moeten we ons denken aanpassen. We moeten onze beperkingen aanvaarden als onderdeel van Gods goddelijke doel en daar niet tegen in gaan. Hij wil dat we eenvoudig gebruiken wat we ontvangen hebben. En het juiste gebruik van onze gaven zal er voor zorgen dat ze toenemen. Paulus verklaart: "Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild" (1 Corinthiërs 12:18).

Hij onderzoekt de vraag betreffende Gods rechtvaardigheid in Romeinen 9:14-21. Is er enige onrechtvaardigheid bij God, om als het ware de ene lief te hebben en de ander niet? Roep de analogie van het bouwen van een kathedraal weer in gedachten. God bouwt een grote tempel (zie 1 Petrus 2:4-10; 1 Corinthiërs 3:9-17). Zijn tempel is Zijn Familie en Hij weet of iemand gebruikmakend van zijn natuurlijke bekwaamheden plus Zijn gaven, daarin een houtsnijder zal zijn, een steenhouwer, een prediker, een musicus of wat dan ook. God weet het. Hij wil dat wij de rol die Hij ons gegeven heeft, vervullen waar we ook zijn.

We zouden niet moeten vergeten dat God ons overeenkomstig onze groei zal belonen. Hij houdt ons alleen maar verantwoordelijk voor wat we gekregen hebben en dit feit doet ons ertoe neigen onze gaven te benaderen met de "houding van een poortwachter". "Ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloosheid" (Psalm 84:11). Als God ons één gave zou geven, wat die dan ook is, zouden we ernaar moeten streven die te verdubbelen. Als we dat doen, zullen we slagen evenals de persoon die er vijf kreeg en ze verdubbelde. Hij heeft meer om rekenschap over af te leggen, maar de last die op hem drukt is feitelijk even zwaar als die op de persoon die er één heeft. Er is geen verschil in Gods oordeel.

Wat wordt door God geprezen? Wat behaagt Hem volgens Zijn zeggen? Is dat genialiteit? Nee, Hij zegt dat kennis opblaast (1 Corinthiërs 8:1). Is het spreekvaardigheid? Nee, God liet een domme ezel spreken (Numeri 22:28-30). Is het een vermogen om te zingen, of om te schrijven? Het is geen van die dingen. Hij kijkt uit naar iemand die trouw is. Iemand kan trouw zijn met één talent, of twee, vijf of tien. Dat doet er niet toe, omdat God gaven geeft in overeenstemming met natuurlijke bekwaamheid. En het is heel waarschijnlijk dat als God meer of grotere gaven zou geven aan hen die minder natuurlijke bekwaamheden hebben, zij zouden mislukken omdat ze er niet mee zouden kunnen omgaan. God oordeelt in Zijn barmhartigheid dus wat iemand aan kan.

Terzake komen

De vertalers van de Statenvertaling plaatsten in Mattheüs 25:15 het woord "terstond" op de verkeerde plaats. De manier waarop zij het vertalen geeft de indruk dat de meester van het huis terstond wegging, maar het woord slaat niet op de meester. "Terstond" slaat op de persoon die de vijf talenten ontvangen had (zie Mattheüs 25:15-16 in de NBG, Het Boek of de Nieuwe Bijbelvertaling). Hij ging zich niet te buiten aan dagdromen of gaf zich niet over aan allerlei angsten. Hij ging er onmiddellijk op uit om ermee te werken. Hij geloofde dat werken goed voor hem was en hij kwam direct terzake, dat wil zeggen hij ging onmiddellijk aan de slag.

De tragedie van het verhaal en het punt waarop de gelijkenis zich richt is de man die zijn talent verborg. We leren van hem waarschijnlijk het meest. Ten eerste, het talent was niet van hem; het was hem in leen verstrekt. Ten tweede, Christus laat zien dat mensen hun gaven voornamelijk uit angst verbergen. Ten derde, de hele gelijkenis illustreert dat men voor wat betreft geestelijke gaven nooit verliest wat men gebruikt. Dat is een krachtige les: als wij de gaven die God ons geeft, gebruiken, kunnen we ze niet verliezen! Degene die werd gestraft, probeerde de gave zelfs niet eens te gebruiken. God noemde hem dus slecht en lui. Zijn passiviteit betreffende geestelijke dingen leidde tot zijn ondergang.

Als we deze gelijkenis vergelijken met de gelijkenis van de tien maagden, zien we een aantal interessante tegenstellingen. De vijf dwaze maagden moesten boeten omdat zij toelieten dat wat ze hadden, werd verbruikt. Deze slaaf met het ene talent gebruikte blijkbaar zelfs nooit wat hij had. De maagden mislukten omdat ze dachten dat hun taak te gemakkelijk was, terwijl deze slaaf mislukte omdat hij dacht dat zijn taak te moeilijk was. In veel opzichten schijnen ze elkaars tegengestelde te zijn.

Het ware karakter van de slaaf komt in zijn verdediging voor de meester naar voren en in de veroordeling die de meester uitspreekt. In vers 24 beweert hij: "Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid." Dat is een leugen! De twee andere slaven hadden deze overtuiging niet en gingen onmiddellijk aan het werk en suggereerden nooit dat zij dachten dat hun meester hard en hebzuchtig was. De slechte slaaf rechtvaardigt zijn gebrek aan groei door de schuld bij God te leggen. "Heer, het was te moeilijk." Hij beschuldigt God van een ongevoelige en veeleisende evaluatie. Daarom noemt Christus hem slecht. Hij noemt God een leugenaar en beschuldigt zijn meester van uitbuiting en gierigheid. Als hij gewerkt zou hebben, had hij, naar zijn zeggen, weinig of niets van de winst gezien, en als hij niet slaagde, zou hij niets anders dan de toorn van de meester hebben ontvangen. De meester vraagt dan: "Waarom heb je mijn geld niet minstens geïnvesteerd, zodat ik rente zou hebben ontvangen?" De slaaf vergeet in zijn rechtvaardiging en angst te kijken naar zijn eigen verantwoordelijkheid om zijn taak tot zelfs in de kleinste details uit te voeren.

Deze slaaf met het ene talent viel voor de verzoeking van wrok en angst en legt daarom de schuld bij de meester en verontschuldigt zichzelf. Tezamen vormen wrok en angst een dodelijke combinatie. De kerk heeft evenzeer behoefte aan mensen met één talent als aan de persoon die veel talenten heeft. Ter illustratie, William Shakespeare was heel getalenteerd met woorden en hij wordt door de meesten beschouwd als de grootste schrijver in de Engelse taal. Heel weinig mensen hadden de gaven van Shakespeare. Maar waar zou Shakespeare zijn zonder de drukkers, de boekbinders, de leraren, de acteurs en dergelijke die zijn werken naar het publiek brengen? Hieruit zien we de onderlinge afhankelijkheid van gaven. Zelfs zij die weinig talenten schijnen te hebben, zijn even belangrijk in het lichaam als zij die er veel hebben (1 Corinthiërs 12:22).

Deze gelijkenis maakt duidelijk dat waakzaamheid niet moet leiden tot passiviteit, maar tot het uitvoeren van de door God gegeven taken. We moeten leren, groeien, onze verantwoordelijkheden uitvoeren en de hulpmiddelen ontwikkelen die God ons toevertrouwt totdat Hij wederkeert en rekenschap vraagt af te leggen. Zoals in de andere gelijkenissen zien we een voortgang in het thema van gereed zijn voor Christus' wederkomst, waarbij iedere gelijkenis een andere nuance heeft voor wat betreft de les die hij ons wil leren.

De gelijkenis van de schapen en de geiten

Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven. (Mattheüs 25:31-46)

Het begrijpen van de gelijkenis van de schapen en de geiten ligt in hun verbaasde reacties. Zowel de schapen als de geiten reageren: "Wanneer zagen wij u in nood en hebben u [niet] geholpen?" (vers 37-39, 44). Deze gelijkenis bevat twee lessen.

De eerste les is dat noch de schapen noch de geiten verbaasd zijn over de plaats die Christus hun toewijst. Een zorgvuldige lezing van de gelijkenis laat dat duidelijk zien. Zij reageren niet op de plaats die Christus hun toewijst, maar zij brengen hun verrassing tot uiting over de redenen die Hij geeft voor Zijn oordeel. Een essentiële vraag voor christenen is, waarop baseert Hij Zijn oordeel? De basis van Zijn oordeel is hoe zij Christus hebben behandeld! Natuurlijk komt hun behandeling van Christus tot uiting in de manier waarop zij hen in wie Christus leefde, behandelden, zij die Zijn Geest hadden.

De tweede les is niet minder belangrijk dan de eerste. Jezus, onze Rechter, sluit de mogelijkheid uit dat huichelarij Zijn oordeel over de schapen en geiten zal verduisteren. Als de geiten hadden gedacht dat de manier waarop ze hun broeders in het geloof zouden behandelen hen in het Koninkrijk zou brengen, dan hadden ze hen goed behandeld. Wat is de les? Jezus is geïnteresseerd in liefde vanuit het hart, niet in een valse liefde.

De ware liefde van God komt tot uiting in de schapen. Als de schapen reageren op de nood van hun broeders, zijn ze verenigd in hun tegenspoed en tegelijkertijd sluiten ze zich onwetend, onbewust, zonder huichelarij aan bij Christus. Blijkbaar zijn ze zich niet eens bewust van wat ze doen. Dit is een soort liefde die niet kan worden geveinsd of voorgewend. "Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander" (Johannes 13:35).

De reactie van de geiten is werkelijk heel anders. Zij hebben weinig sympathie voor Gods weg en blijven onverschillig, Laodiceïsch, jegens hun broeders. Door dit te doen verwerpen ze hun Messias, hun Koning, daar Hij leefde in de mensen die zij niet wilden dienen. De geiten worden veroordeeld vanwege hun zonden van nalatigheid.

Omdat zij hun relatie met Christus door gebed, bijbelstudie, vasten en gehoorzaamheid hadden ontwikkeld, bezaten de schapen liefde door een geregeld infuus van de Geest van God. "De liefde Gods is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is" (Romeinen 5:5). Een goddelijk leven komt altijd neer op fundamentele dingen. De schapen zijn gewoon onbewust en ongekunsteld goed, vriendelijk, meevoelend en bezorgd, eigenschappen van een karakter dat niet kan worden gesimuleerd.

Gelijkenissen van de profetie op de Olijfberg

Gelijkenis

Verzen

Les

Vijgenboom

Mattheüs 24:32-35

Al weet alleen God de exacte tijd, toch kan men de tekenen van Christus' wederkomst kennen.

Dief

Mattheüs 24:36-44

Wees altijd bereid voor Zijn komst.

Getrouwe en waarachtige dienaren

Mattheüs 24:45-51

Gods dienaren moeten trouw en wijs zijn in het uitvoeren van hun verantwoordelijkheden en het onderhouden van relaties binnen het Lichaam van Christus.

Tien maagden

Mattheüs 25:1-13

Christenen moeten voortdurend contact hebben met God om hun relatie met Hem te verdiepen.

Talenten

Mattheüs 25:14-30

Christenen moeten voortdurend werken met de gaven die God heeft gegeven en die verbeteren.

Schapen en geiten

Mattheüs 25:31-46

Door zijn mede-christenen te dienen, dient men zijn Verlosser.

Samenvatting

De zes gelijkenissen kunnen in de volgende zes principes worden samengevat:

Ook al weten we niet de dag en het uur van Christus' wederkomst, toch kunnen we de tekenen kennen.

God verlangt van ons dat we in verwachting leven met oplettendheid en voortdurende waakzaamheid.

God verlangt trouw aan onze taak en wijsheid in het omgaan met onze medemens.

God verlangt voorbereiding door geestelijke ontwikkeling, werken aan onze relatie met Hem en het toenemen van de Heilige Geest in ons.

God verlangt dat we groeien in de genade en kennis van Jezus Christus (2 Petrus 3:18).

Christus zal ons oordelen op basis van hoe we Hem en onze broeders behandelen. We kunnen de Koning niet voor de gek houden — Hij kan ware liefde onderscheiden van valse liefde. Niemand zal door huichelarij onder de staf doorgaan.

Jezus begreep hoe de eindtijd zou zijn, en daarom gaf Hij geschikte instructie hoe die te overwinnen en hoe niet meegetrokken te worden met de afleidingen van de wereld. Een christen kan het zich niet veroorloven te bezwijken voor deze met spanning doortrokken, verzwakkende en afleidende tijden waarin we leven. Deze door God gegeven principes zijn van toepassing op een veelheid van specifieke omstandigheden: hoe we ons gedragen in ons huwelijk en onze baan, hoe we onze kinderen opvoeden, hoe we onze huishoudelijke taken uitvoeren, hoe we autorijden, hoe we ons kleden, hoe we spreken, hoe we onszelf vermaken. In elk geval — altijd — speelt het Koninkrijk van God een rol in alle aspecten van ons leven. Het speelt altijd in alle dingen een rol voor hen die in deze tijd geroepen zijn.

We kijken uit naar de toekomst, maar we leven in het heden. Leven we op basis van wat we geloven? Leven we werkelijk uit geloof? We kijken uit naar een stad waarvan God de bouwmeester is en als Zijn vertegenwoordigers getuigen wij voor Hem in de manier waarop we ons leven leiden. De Laodiceeër wordt afgeleid — hij leeft bij wat hij ziet — en is nutteloos voor Christus, omdat hij geen getrouw en waarachtig getuige is. De rechtvaardige leeft uit geloof en niet bij wat hij ziet (2 Corinthiërs 5:7). Wij moeten dus leven en groeien terwijl de wederkomst van Christus dag na dag dichterbij komt.

Elia die in de negende eeuw v.Chr. naar het volk Israël werd gezonden, daagde hen uit: "Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de HERE God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na" (1 Koningen 18:21). Het is nu de tijd voor ons om op die vraag te reageren. Het is nu de tijd!

© 1993 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)