Ter toerusting van de heiligen

Een kerk in de greep van wantrouwen!
Door John W. Ritenbaugh

De meesten van ons zijn zich bewust van een fenomeen dat zich maar al te vaak binnen de kerk van God voordoet. Dat zou niet moeten gebeuren, maar het gebeurt toch. Dit fenomeen is, dat als er zich in de wereld een houding of trend begint te ontwikkelen, we kunnen verwachten dat deze zich spoedig ook in de kerk zal manifesteren. Als dat gebeurt, laat dat zien dat we niet zo sterk op het Koninkrijk van God zijn afgestemd als zou moeten — dat we nog steeds te sterk met de wereld verbonden zijn.

Een artikel in de Washington Post van 23 juli 1995, van de hand van Liz Spayd, vermeldt de bevindingen van het National Opinion Research Center in Chicago:

Geloof in zowel het Congres als in het Witte Huis blijft op het dieptepunt hangen van de laatste 20 jaar. Slechts 12 procent van het publiek zegt een grote mate van vertrouwen te hebben in de uitvoerende macht en iets minder dan 8 procent karakteriseert hun vertrouwen in het Congres als substantieel.

Het vertrouwen in andere instituten neemt ook stapje voor stapje af. De tot uitdrukking gebrachte steun voor wetenschap, geneeskunde, georganiseerde religie, werk en onderwijs staat voor elk van die onderwerpen bijna op het laagste niveau sinds onderzoekers met hun tweejaarlijks onderzoek begonnen in het midden van de zeventiger jaren. Eerdere Lou Harris opiniepeilingen die hetzelfde soort vragen stelden, suggereren dat de afname in feite al in de zestiger jaren begon.

"Dit is een van de meest dramatische ontwikkelingen in de publieke opinie in de periode na de Tweede Wereldoorlog", zegt Darrell West, professor in de politieke wetenschappen aan Brown University. "Er is een diepgeworteld wantrouwen, niet alleen ten opzichte van de regering, maar ten opzichte van allerlei soorten instituten waarin de mensen voorheen een groot vertrouwen hadden."

Het artikel suggereert dat de moord op de Kennedy's, de ontgoocheling over Vietnam, de Watergate-affaire, de Iran-contra affaire onder het bewind van Reagan, het Whitewater-schandaal, de beschuldigingen van buitenechtelijke affaires van President Clinton, de zelfmoord van Vincent Foster, Waco, Ruby Ridge en het opblazen van een gebouw in Oklahoma City de voornaamste drijfkracht vormen achter dit groeiende wantrouwen. In elk van die gevallen wordt de overheid beschouwd als de feitelijke oorzaak van de gebeurtenis, of van het verbergen van de feiten die de schuldigen duidelijk zouden openbaren.

Toevallig publiceerde Time, in zijn editie van 28 augustus 1995, een lang artikel waarin een grote organisatie van psychologen zegt, dat de Amerikaanse levensstijl zelf bij een toenemend aantal mensen angst en depressie voortbrengt. Onze levensstijl heeft de neiging zich te isoleren van gewoonten die voorheen gemeenschapsaangelegenheden waren. Het individu draagt nu gezinslasten die voorheen door veel mensen gezamenlijk werden gedragen. De frustratie en de vermeende uitzichtloosheid van deze situaties brengt depressies tot stand. De psychologen beschuldigen onder andere de auto, het leven in de buitenwijken, de televisie, de computer en het wegtrekken van de familieboerderij als oorzaken van dit probleem. Dit probleem, zeggen zij, kan niet worden opgelost, omdat bijna niemand zijn levensstijl wil opgeven.

Als leden van Gods kerk leven we niet afgeschermd van wat er in het grotere geheel van de maatschappij gaande is. Toen de omvangrijke leerstellige veranderingen in ons voormalige kerkgenootschap plaatsvonden, reageerden velen binnen de kerk op ongeveer dezelfde manier als zij die in de wereld zijn, reageren op verontrustende gebeurtenissen op gebieden die hen sterk aangaan. Zowel van binnenuit als van buitenaf zijn we op meesterlijke wijze gemanipuleerd om ons terug te trekken, te beschuldigen en, wat heel goed mogelijk is, in opstand te komen.

De aartsvijand aan het werk

Ons dilemma is bij lange na niet zo ingewikkeld of uitzichtloos als dat van de wereld. Wij kunnen onfeilbaar de werkelijke oorzaak en het werkelijke instrument aanwijzen van het wantrouwen dat nu in de harten van velen in de kerk heerst. Per slot van rekening begon de duivel deze hele warboel die in de Bijbel "de wereld" wordt genoemd, toen hij in het denken van Adam en Eva wantrouwen in Gods woord teweegbracht.

Door wantrouwen verleidde Satan Adam en Eva zodat ze zich niet langer onderwierpen aan de meest bewonderenswaardige, liefhebbende, gevende, bezorgde, gevoelige en behulpzame Ouder in de gehele schepping — God. Kunt u zich dat voorstellen? De duivel overtuigde hen ervan dat God niet kon worden vertrouwd!

Wantrouwen is een krachtige stimulans die scheiding teweegbrengt. Onze eerste ouders zondigden en er ontstond verdeeldheid. De wereld is sindsdien niet meer verenigd geweest. Als er wantrouwen is, vervliegt geloof. Vrees, angst en depressie nemen toe en de motivatie om persoonlijk veilig te zijn en vrij van het gedoe om het hoofd boven water te houden, neemt almaar toe. Het "vecht of vlucht" mechanisme treedt in werking.

In onze recente geschiedenis kwam de meest vernietigende klap tegen de kerk niet aan binnen het leerstellige gebied. Drastische veranderingen in leerstellingen zijn slechts de middelen geweest waardoor veel ernstiger, onderliggende problemen aan het licht kwamen. Met uitzondering van een beperkt aantal leerstellingen geloven al de hierdoor ontstane kerken van God in principe dezelfde dingen. De belangrijkste verschillen tussen ons liggen op het terrein van beleid en houding. Ondanks de leerstellige verwarring die door de leiding van de moederinstelling werd geïntroduceerd, overleefde de leerstellige basis die door Herbert Armstrong werd vastgesteld, binnen de nieuwe groepen. Naar mijn mening werd de meeste schade aangebracht op het gebied van vertrouwen en loyaliteit.

Leden van de kerk zijn achterdochtig, vreesachtig en wantrouwend geworden. Gealarmeerd en verward door de leerstellige veranderingen zijn we bang nog meer gekwetst en misleid te worden. We zijn er niet zeker van of er nog iemand — in het bijzonder de dienaren — vertrouwd kan worden, zodoende vertrouwen we ook geen gewone leden meer. Als resultaat van dit alles is onze loyaliteit aan God, Zijn waarheid en aan elkaar vernietigd, zelfs terwijl we ontkennen dat het is gebeurd (zie Mattheüs 24:12).

Geestelijke vrije wil

De beroepssport heeft de term "contractvrij" populair gemaakt. Het is een contract waardoor het een beroepsatleet na een aantal jaren onder een contract gediend, gespeeld of opgetreden te hebben, vrij staat over een nieuw contract te onderhandelen met ieder ander team. Als die tijd voorbij is, staat het hem vrij een nieuw contract aan te gaan". Hij "behoort" niet langer tot het team waarvoor hij oorspronkelijk tekende.

Al is dit in financieel opzicht heel aantrekkelijk voor de spelers, toch speelt dit concept een belangrijke rol in het vernietigen van de loyaliteit van de fans. Spelers, in het bijzonder de heel goede, worden niet veel meer dan "gehuurde kanonnen" die hun talenten geven aan de hoogste bieder. Zij gaan van team tot team, waar ze het ook maar het financieel aantrekkelijkst vinden om te spelen. Contractvrijheid stelt het publiek bloot aan de hebzucht die ten grondslag ligt aan het denken van elke speler, en doet duizenden mensen de interesse verliezen. Fanloyaliteit voor een team wordt overmand door afschuw.

Dezelfde negatieve kracht is in het spoor van de leerstellige veranderingen binnen de kerk aan het werk. Velen onder de dienaren worden beschouwd als weinig meer dan huurlingen voor wie een vast salaris, een ontslaguitkering of een vast pensioen met alle bijkomende voordelen veel meer betekenen dan de waarheid van God en de geestelijke gezondheid van de schapen. Veel van de schapen voelen zich in de steek gelaten en onbeschermd.

Dit wantrouwen van dienaren brengt een vrij groot aantal "onafhankelijke" christenen voort. Deze mensen willen zich bij geen enkele groep voegen. Ze zullen gaan zwerven of "op zichzelf blijven", omdat naar hun zeggen hun sabbatten zoveel beter zijn nu het hun vrij staat hun eigen studies uit te zoeken en hun eigen gezinnen te onderwijzen. Ze zijn opgelucht dat ze niet langer alle gedoe binnen de gemeente hoeven te slikken of alweer naar een saaie preek te moeten luisteren. Naast dit alles wantrouwen ze het kerkbestuur en zullen geldende gedragslijnen hun een zorg zijn. Ik heb al deze uitingen van onafhankelijkheid vaker horen uiten of geschreven gezien dan me lief is.

Deze benadering zou hen heel goed kunnen vernietigen! Door hen wordt het principe dat de kerk "een geestelijk organisme" is tot het uiterste opgerekt! In feite kan er niet zo iets zijn als een "onafhankelijke" christen als men eenmaal deel is gaan uitmaken van Christus' lichaam bij het ontvangen van de Heilige Geest. Het geestelijke lichaam is één, al bestaat het uit vele leden (1 Corinthiërs 12:20).

De onafhankelijken doen zich graag overkomen als wijs en sterk — sterk genoeg om op zichzelf te staan en onafhankelijk te zijn, om echte leiders te zijn. Maar in werkelijkheid zijn ze even zwaar aangeslagen als alle anderen. In feite kan het zijn dat zij het meest aangeslagen zijn. Hun houding en de daarmee gepaard gaande reactie laat zien wat hun onderliggende problemen zijn. Deze problemen openbaren zich in ongoddelijke houdingen — zoals rebellie, kritiek en apathie — evenzeer als in leerstellige meningsverschillen.

Het echte werk van God

Genesis 1:26 brengt de specifieke doelvermelding van de Bijbel onder woorden. God, de Schepper, de Meester-pottenbakker, is bezig om Zichzelf voort te planten! Dat is HET werk van God. Hij is bezig om de mens naar Zijn beeld te scheppen. Dat project wordt in twee fasen uitgevoerd, een fysieke fase en een geestelijke fase. Toen het fysieke aspect bij de fysieke schepping was voltooid, begon de geestelijke. Dit is het totale project dat Hij overziet.

God is reeds een eenheid: "Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!" (Deuteronomium 6:4). God is één, maar bestaat uit meer dan één Persoon. Toen Jezus op aarde kwam, verkondigde Hij het evangelie van het Koninkrijk van God. Door dit te doen kondigde Hij publiekelijk de uitbreiding van deze eenheid aan door te zeggen dat er anderen dan de twee Wezens die geopenbaard zijn er reeds deel van uit te maken, aan toegevoegd zullen gaan worden.

Een koninkrijk staat synoniem met een natie. Het bestaat uit grote aantallen mensen, maar het is ook één. De kerk wordt inderdaad in 1 Petrus 2:9 "een heilige natie" genoemd, en al bestaat zij over de gehele wereld uit vele leden, toch is het één kerk. Jezus kondigde dus aan dat het Koninkrijk van God uit veel meer persoonlijkheden zal bestaan. Hij zei ons ook hoe we er deel van kunnen gaan uitmaken en hoe dat tot stand zal worden gebracht. Met deze middelen zal het project dat in Genesis 1:26 wordt vermeld, worden uitgevoerd. In Johannes 17:11 en 22 voegt Jezus nog een andere factor toe, waarmee ons begrip van wat er in Gods werk gebeurt, verder wordt bevestigd. Hij verzoekt de Vader dat "zij [de discipelen, inclusief ons] één mogen zijn zoals [op dezelfde manier als] Wij dat zijn." De Vader en de Zoon zijn duidelijk twee verschillende persoonlijkheden, toch vormen ze ook een eenheid, en Jezus vraagt dat anderen aan deze eenheid zullen worden toegevoegd.

Hoe kan iemand, onafhankelijk van een voortdurende omgang met anderen binnen het lichaam van Christus, de kerk, er toch deel van uitmaken? Iemand die op deze manier denkt, glijdt weg van Gods bedoeling, zoals Zijn woord duidelijk laat zien. Het is geheel Zijn bedoeling dat we actief lid zijn van een fysieke organisatie evenals van een geestelijk organisme. Is de kerk alleen maar een geestelijk organisme? Als het geestelijke organisme het enige belangrijke aspect is, waarom hebben we dan gemeenten nodig? Is het mogelijk dat gemeenten een belangrijke rol spelen in het voorbereiden van ons op Gods Koninkrijk?

Laten we er vanuit een ander gezichtspunt naar kijken. Het is Gods bedoeling dat de mens een actieve rol speelt binnen en bijdraagt aan een fysieke gemeenschap. "En de HERE God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. ... Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn." (Genesis 2:18, 24).

Misschien zouden we vers 18 op de volgende manier onder woorden kunnen brengen: "Het is niet goed dat de mens onafhankelijk is." Onze God stelt principes en patronen vast in Zijn woord, waaraan wij wijsheid kunnen ontlenen, de praktische toepassing van waarheid. Enkele van de meest fundamentele patronen voor Zijn doel worden al heel vroeg in Genesis vastgesteld.

Wat laat Hij hier zien? Dat met betrekking tot Gods doel het meeste en beste niet in ons zal worden voortgebracht als we alleen zijn. Als we onafhankelijk zijn, nemen we afstand van de omstandigheden die het meest van nut zijn voor wat betreft Zijn doel. In deze specifieke context beveelt God niet dat iedereen moet trouwen, maar Hij laat duidelijk zien dat het huwelijk in het algemeen beter is dan alleen blijven.

Iedereen begrijpt op basis van zijn eigen ervaring, dat hoe meer mensen deel uitmaken van een eenheid of gemeenschap, hoe groter het aantal en de intensiteit van de problemen zal zijn. Dit gebeurt grotendeels omdat ons werelds denken ons aanzet tot wedijver in plaats van tot samenwerking. Soms verlangt iemand er zo sterk naar onafhankelijk te zijn van dit soort gemeenschapsrelaties dat hij zich afscheidt om volledig vrij te zijn van de achterdocht, het wantrouwen, de ergernissen en andere moeilijkheden die binnen een groep voorkomen. Om het op een andere manier te zeggen, het is net zo iets als een soldaat die van het slagveld wegrent om zichzelf te beschermen.

In zijn meest grove vorm is het zelfgerichtheid en eigenbelang. Het kan een zelfgericht vermijden zijn van nuttig te zijn, trouwe kracht en bemoediging bij te dragen, een juist voorbeeld voor anderen te zijn of blijken het bij het verkeerde eind te hebben en gecorrigeerd te worden. Hoe dan ook, wij maken ons dan los van de eenheid waaraan we naar Gods bedoeling trouw moeten bewijzen en dienstbaar moeten zijn.

Een les uit de geschiedenis

Daniël 8:5-7 geeft een historisch inzicht dat in dit opzicht nuttig is:

Maar terwijl ik nauwkeurig acht gaf, zie, daar kwam een geitebok van uit het westen over de gehele aarde zonder de aarde aan te raken; en de bok had een opvallende horen tussen zijn ogen. En hij kwam tot de ram met de twee horens, die ik voor de stroom had zien staan, en rende op hem toe in zijn grimmige kracht; ik zag, dat hij tot vlak bij de ram kwam; verbitterd stiet hij de ram, brak zijn beide horens, en er was geen kracht in de ram om tegen hem stand te houden; hij wierp hem ter aarde en vertrad hem, en er was niemand die de ram uit zijn macht redde.

Gods beschrijving van Griekenland, hun leger en de manier waarop zij vochten is instructief. Het leger van Griekenland was in zijn tijd onoverwinnelijk. Voor die tijd, en misschien ook wel na die tijd, heeft niemand ooit met zo'n bliksemsnelle gewelddadigheid en sluwheid gevochten. Zij waren de scheppers van de blitzkriegoorlogvoering, waarvan Adolf Hitler openlijk toegaf deze gekopieerd te hebben van de oude Grieken.

Eén geschiedkundige speculeerde dat de gewelddadigheid van het Griekse leger werd voortgebracht door hun benadering van het leven, in het bijzonder in de politiek. Zelfs al kende hun systeem het vervullen van overheidsambten zoals burgemeester door burgers, toch hadden zij geen vertegenwoordigend systeem zoals wij dat hebben. Hun maatschappij was bijna een zuivere democratie. Elke Griekse man werd geleerd dat hij verantwoordelijk was om deel te nemen en bij te dragen aan het bestuur van de gemeenschap. Eén resultaat hiervan was dat individuele burgers zich verantwoordelijk voelden voor de gemeenschap en er werden in hen leiderseigenschappen geproduceerd, waardoor iedere Griekse man zich voelde alsof hij de leider was van zijn gemeenschap, zelfs al was hij dat in werkelijkheid niet.

Deze kwaliteiten kwamen ook in hun oorlogvoering tot uiting. De individuele soldaat aanvaardde niet alleen bevelen van zijn kapitein, hij dacht ook onafhankelijk na om in het voordeel van het regiment te handelen. Dit was vaak nodig in de hitte van de strijd als de leider uitgeschakeld werd door wonden of andere beslommeringen. Iemand anders nam dan snel zijn functie over en daardoor was er geen gebrek aan leiderschap.

Een factor die de Griekse vechtmachine zo onoverwinnelijk maakte, was dus het feit dat als hun "herder" geslagen werd, de "schapen" niet werden verstrooid. De individuele Griekse soldaat zou niet wegrennen om zichzelf te beschermen voor de verwarring en het gevaar van de strijd als zijn commandant viel. In plaats daarvan hielp hij zijn eenheid zich te hergroeperen, omdat hij op verantwoordelijke wijze was toegewijd aan haar welzijn en het bereiken van haar doelen, in plaats van aan zijn persoonlijke welzijn.

Er zijn tijden dat het nodig is te vluchten of voor enige tijd terug te trekken. Jezus zei voor vervolging te vluchten (Mattheüs 10:23). Het is duidelijk dat voorzichtigheid de moeder der wijsheid is. Maar zulke tijden zouden SLECHTS EEN KORTE TUSSENPERIODE moeten zijn in de tijd dat God met iemand of met Zijn kerk werkt.

Aan de andere kant zou ik niet willen dat mensen zich "zomaar" ergens bij aansluiten om toch maar deel uit te maken van een groep. Er zijn even gevaarlijke consequenties verbonden aan het deel uitmaken van de verkeerde groep. We moeten heel grondig en biddend nadenken over de groep waarbij we ons zullen aansluiten.

De kerk is verstrooid

De kerk wordt aangevallen. Er is een sterke vervolging gaande en veel schapen zijn verstrooid. Maar wat ik van de "onafhankelijken" hoor, zijn kreten zoals: "Ik zal nooit meer een mens volgen!", of: "Niemand gaat mij zeggen wat ik moet doen!", of: "Pas op voor alle groepen die een hiërarchieke bestuursstructuur hebben."

Terwijl er een beperkte hoeveelheid wijsheid in zulke opmerkingen kan zitten, is het mogelijk dat deze onafhankelijken een heel reëel probleem niet zien, omdat ze alleen maar in de verkeerde richting kijken. Terwijl ze anderen kritisch onderzoeken, kan het zijn dat er bij hen zelf problemen van gelijke of grotere omvang liggen op het gebied van onwetendheid over Gods woord, of respect voor bestuur of grove onverdraagzaamheid van andermans zwakke punten.

Zij hebben gereageerd door zich van elke groep af te scheiden of onder vele groepen te blijven rondzwerven. Hun houding is van dien aard dat zelfs al wonen ze diensten bij, ze in feite slechts voorbijgangers zijn. Het lijkt sterk op de moderne gang van zaken waarbij een man en vrouw samenleven zonder enige verbintenis. Elk van hen "neemt" wat ze uit de relatie kunnen krijgen, maar men is altijd vrij op te stappen als de zaken niet zo lopen als verwacht.

Daniël schrijft:

Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht [Statenvertaling: het verstrooien van de hand] van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn. (Daniël 12:7)

Zeker de vijand heeft aangevallen en de schapen zijn verstrooid! Jezus zegt:

Wanneer hij [de ware Herder] zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. (Johannes 10:4-5)

Wij hadden een goede reden ons vorige kerkgenootschap te ontvluchten: Daarbinnen werd de stem van een vreemde gehoord en wij konden hem niet volgen. Maar is het mogelijk dat de "onafhankelijken" nog steeds de stem van de ware Herder niet horen? Is het mogelijk dat zij om andere redenen zijn gevlucht? Dit is de reden dat deze mensen duidelijk in gevaar kunnen verkeren. Zij kunnen zich bij geen enkele herder aansluiten omdat hun verwarring en hun bestuursproblemen dit verhinderen.

Herders van Gods kudde

De apostel Petrus noemde Jezus "de Opperherder" (1 Petrus 5:4). Maar deze zelfde Petrus spoorde ook aardse mensen, oudsten binnen de kerk, aan om herders te zijn van de kerk van God:

De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. (1 Petrus 5:1-3)

Veel van de onafhankelijken houden het idee eropna dat ze alleen Christus zullen volgen. De onuitgesproken (en soms wel uitgesproken) beschuldiging is dat men geen behoefte heeft aan dienaren. Als dat zo is, waarom beschouwt God verstrooide schapen dan als verblijvend buiten een schaapskooi? Let op Jeremia 23:1-4:

Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het woord des HEREN. Daarom, zo zegt de HERE, de God van Israël, tot de herders die mijn volk weiden: Gij verstrooit en verstoot mijn schapen, en zoekt ze niet op; zie, Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen, luidt het woord des HEREN. En Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit al de landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden [Statenvertaling: kooien], en zij zullen vruchtbaar zijn en zich vermeerderen. Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord des HEREN.

Hetzelfde principe komt tot uiting in Ezechiël 34.

De onafhankelijken zijn verstrooid, maar zij denken dat zij in de schaapskooi zijn. Als hun vooronderstelling juist is, waarom staat er in de Bijbel dan zoveel instructie over het bijeenbrengen van hen die verstrooid zijn? De Bijbel geeft de indruk dat iemand niet in de schaapskooi is tenzij hij bij de groep behoort. Waarom gaf Jezus anders de gelijkenis van het achterlaten van de negenennegentig schapen om de ene te redden die niet bij de kudde was? Het is interessant dat Jezus het afgescheiden schaap in Zijn gelijkenis in Mattheüs 18:12-14 uitbeeldt als verdwaald, en in Lucas 15:4-7 als verloren.

Jezus heeft in Zijn kerk bepaalde mensen tot herder aangesteld om Zijn kudde onder Hem te hoeden. Ze worden in Efeziërs 4:7, 11-16 beschreven als Zijn gave aan de kerk. In het geven van deze gave aan de kerk gaf hij hun op zijn beurt gaven om hen in staat te stellen hun taak uit te voeren. Zoals in alles voeren sommigen de hun opgedragen taak getrouw uit (Mattheüs 25:21, 23), terwijl anderen onrechtvaardige dienstknechten zijn in de uitvoering van hun verantwoordelijkheden (Handelingen 20:30).

Aan wie veel gegeven is, van hen zal veel worden vereist. De dienaar zal dus rekenschap moeten afleggen voor het gebruik van die gaven. Jacobus maakt het heel duidelijk dat de leraar een strenger oordeel zal ontvangen (Jacobus 3:1). Maar de onafhankelijke heeft de sterke neiging alles over één kam te scheren, waarbij hij misschien vergeet dat ook hij voor de oordeelstroon van Christus zal moeten staan om rekenschap te geven voor het gebruik van zijn gaven en voor het mogelijk te kritisch beoordelen van anderen.

De behoefte aan menselijke leiderschap

Waar kijkt de onafhankelijke naar uit? Kijkt hij uit naar een pastor die in het geheel niet is bevlekt door enige zweem van een tekortkoming in karakter of uitdrukking van persoonlijkheid? Waar zal hij zo iemand vinden? Kijkt hij uit naar een leider met absoluut volmaakte leerstellingen? Wat is het? Kijkt hij uit naar een leraar die een voortreffelijk vermogen heeft het onderwijs met duidelijkheid en schoonheid tot uitdrukking te brengen? Kijkt hij uit naar de vruchten van het werk van die dienaar? Ik denk dat iemand naar zulke dingen moet uitkijken. Het zou schitterend zijn zo iemand te vinden, maar tezelfdertijd moeten we beseffen dat het vinden van al deze dingen in volmaaktheid in één persoon heel moeilijk zal zijn, zo niet onmogelijk. In het bijzonder in deze moeilijke tijd moet men niet zoeken met de houding dat men zich pas bij een groep zal voegen om daar wortel te schieten als men vindt dat de pastor het verdient om hem in zijn gemeente te hebben!

God maakt het heel duidelijk dat er naast Christus andere herders nodig zijn om Zijn mensen te leiden en voor hen te zorgen. Zacharia 10:2 zegt: "Want de terafim spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft." De context maakt het duidelijk dat God het over menselijke leiders heeft.

Mozes begreep de behoefte aan menselijk leiderschap zelfs al moest Israël in de woestijn de wolk volgen. De context laat duidelijk zien dat God instemt met Mozes' voorstel.

Toen sprak Mozes tot de HERE: De HERE, de God der geesten van alle levende schepselen, stelle over de vergadering een man, die voor hun aangezicht uitgaat en die voor hun aangezicht ingaat, en die hen doet uittrekken en hen weer terugbrengt, opdat de vergadering des HEREN niet zij als schapen die geen herder hebben. Toen zeide de HERE tot Mozes: Neem u Jozua, de zoon van Nun, een man, van geest vervuld, en leg hem uw hand op, en stel hem voor de priester Eleazar en voor de gehele vergadering, en geef hem in hun tegenwoordigheid uw bevelen en leg op hem van uw heerlijkheid, opdat de gehele vergadering der Israëlieten het hore. (Numeri 27:15-20)

Het ijverig en eerlijk zoeken naar een ware herder van de kerk van God is de verantwoordelijkheid van iedereen. Het is noodzakelijk dat we een schaapskooi vinden waar we op de juiste wijze worden gevoed en waar we kunnen dienen. De vijand heeft de kudde verstrooid door omvangrijke leerstellige veranderingen, en God heeft dit voor ons bestwil toegelaten.

God doet niets dat niet voor ons bestwil is. Ongetwijfeld vindt er een selectie onder Zijn mensen plaats door de keuzes die we maken betreffende de groep waar we ons bij zullen aansluiten. In de meest algemene zin stelt deze situatie Hem in staat te evalueren wie de waarheid werkelijk liefheeft (2 Thessalonicenzen 2:10). Misschien maakt dit selectieproces het Hem mogelijk om nog veel meer met ons te werken.

In ieder geval is het een intimiderende uitdaging voor ons allemaal om duidelijk de betekenis te gaan inzien van wat er gaande is en waar dit in de onmiddellijke toekomst op zal uitlopen. Eén ding is zeker: Romeinen 8:28 staat nog steeds in de Bijbel en uit dit alles kan alleen maar goeds voortkomen voor hen die God werkelijk liefhebben. Hij zit nog steeds op Zijn troon. Maar bedenk dat het niet Gods wil is dat we los van een groep blijven. Schapen die op zichzelf blijven worden het gemakkelijkst "gepakt" door de roofdieren die in de buurt van de kudde jagen. Veiligheid, dienen, liefde en kracht liggen besloten in de schaapskooi.

Jezus zegt in Mattheüs 16:18: "Ik zal mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen." Juist deze woorden van Christus laten duidelijk zien dat Hij een georganiseerde groep mensen in gedachten had, niet alleen maar een geestelijk organisme. Hij gebruikt ekklesia, duidend op een vergadering van mensen, een groep, en Hij bevestigt dit door het woord dodenrijk [Hades] te gebruiken, een kuil waar dode lichamen in worden geworpen. Hij laat dus zien dat Zijn kerk voortdurend zal blijven bestaan in de vorm van mensen van vlees en bloed.

Het is duidelijk Zijn wil dat allen die de Geest van God hebben op reguliere basis met elkaar zullen omgaan en elkaar zullen dienen (Hebreeën 10:25). Iemand kan zichzelf bedriegen door te denken dat hij Christus beter kan dienen en zich beter op het Koninkrijk van God kan voorbereiden als hij los staat van elke druk binnen een gemeente, maar het woord van God laat anders zien. Het kan zelfs zijn dat hij zichzelf veroordeelt tot de poel des vuurs door God te laten zien dat het hem niet aanstaat om te gaan met Gods eigen zonen en dochters, Zijn heilig volk. De "onafhankelijke" moet zich bekeren van zijn onafhankelijkheid als hij God wil verheerlijken, Zijn volk werkelijk wil dienen en geestelijk volwassen wil worden.

Hebben we leraren nodig?
Door Earl L Henn
(1934-1997)

In de laatste paar jaar is de kerk van God in sterke mate beheerst door opschudding en verwarring. Velen voelden zich misleid door mensen die leerstellingen onderwezen, waarvan ze later tot de conclusie kwamen dat die onwaar waren. Sommigen hebben zich overgegeven aan de neiging cynisch en achterdochtig te worden ten opzichte van bijna iedereen die beweert een leraar van Gods woord te zijn.

Toen de kerk in kleinere groepen uiteenviel, zijn sommigen tot de conclusie gekomen dat ze niemand nodig hebben om hun te onderwijzen. Door te geloven dat ze onafhankelijk in staat zijn zich Gods waarheid eigen te maken, zijn ze niet langer actief binnen enige kerkorganisatie. Velen wonen geen sabbatdiensten meer bij, bij wie dan ook.

Sommigen van deze "onafhankelijken" gebruiken 1 Johannes 2:27 om hun bewering dat ze geen leraar nodig hebben, te staven.

En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.

Op basis van dit schriftgedeelte zijn zij van mening dat christenen helemaal geen leraren nodig hebben; iedereen met de Heilige Geest kan op zichzelf heel goed uit de voeten.

Wat is hier van waar? Hebben christenen leraren nodig? Is het belangrijk om dienaren, oudsten, diakenen en andere leiders te hebben om preken en korte preken te geven en het woord van God uit te leggen? Is het belangrijk om andere gemeenteleden te hebben met wie we kunnen omgaan en met wie we ons geestelijk leven kunnen delen? Of kunnen we op de sabbat gewoon thuis blijven, in onze Bijbels lezen en gaat het ons dan goed? Zegt de apostel Johannes dat in dit vers? Zo niet, wat zegt hij dan?

Problemen in de kerk

Om te begrijpen wat Johannes in dit schriftgedeelte zegt, moeten we zijn woorden binnen de context van zijn brief bekijken en begrijpen wat de belangrijkste problemen waren in de kerk toen hij dit schreef. Johannes schreef zijn brief tegen het einde van de eerste eeuw n.Chr. De kerk werd geteisterd door een ongehoord hevige aanval van ketterse opvattingen, waarvan er één het gnosticisme was.

Een hoofdbeginsel van het gnosticisme was, dat al het materiële slecht was. Toen enkele van de gnostici eenmaal in de kerk kwamen en in Christus begonnen te geloven, probeerden zij dit gnostische concept te verzoenen met het feit dat Jezus Christus een menselijk wezen was en desondanks ook God. Daar ze hun filosofische visie, dat alle materie slecht was, niet wilden opgeven, ontwikkelden ze een ketterse visie op de natuur van Christus en begonnen ze te onderwijzen dat Hij geen fysiek menselijk wezen van vlees en bloed was geweest.

Dit was de oorsprong van een ketterse leerstelling die het docetisme werd genoemd. Onder de aanhangers van het docetisme bestonden er diverse gedachtescholen betreffende de natuur van Christus.

De school van het docetisme die het verst ging, nam het standpunt in dat Christus was geboren zonder dat daar enige materie aan te pas kwam, en dat alle Handelingen en al het lijden in Zijn menselijk leven, inclusief de kruisiging, alleen maar schijnbaar waren. ... Een andere school van het docetisme die niet zover ging, kende Christus een etherisch en hemels lichaam toe in plaats van een werkelijk menselijk lichaam. (The Encyclopedia Britannica, Eleventh Edition, vol. VIII, p. 353)

Een ander gezichtspunt was dat Jezus mens was, maar Christus was een hemels wezen. In zijn commentaar op 1 Johannes 2:22 zegt The Interpreter's Bible:

Het docetisme maakte onderscheid tussen de aardse Jezus en de hemelse Christus. Er waren verscheidene theorieën over de Christus of de Zoon van God in relatie met Jezus, en de oudste [Johannes] wijst ongetwijfeld meer dan één soort af als hij een beroep doet op de vroegchristelijke geloofsbelijdenissen. (Vol. 12, pp. 246-247)

Met dit als achtergrond in ons denken kunnen we beter begrijpen wat er in Johannes' hoofd omging, toen hij zijn brieven schreef. Hij verspilde geen tijd om met zijn onderwerp te beginnen, want in het allereerste vers van 1 Johannes wijst hij onmiddellijk de ketterij van het docetisme af. "Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens" (1 Johannes 1:1). Als getuige van het gehele optreden op aarde van Jezus, laat Johannes zien dat Hij geen verschijning of hallucinatie was. De apostelen hadden Zijn stem met eigen oren gehoord, Hem met eigen ogen gezien en Hem met eigen handen aangeraakt. Hij schrijft om er geen twijfel over te laten bestaan dat Jezus Christus een fysiek menselijk wezen was, maar tegelijkertijd ook het woord van God.

In hoofdstuk 2 begint Johannes met de bespreking van deze ketterij (het docetisme) die de kerk was binnengeslopen en blijkbaar veel leden had beïnvloed.

Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn. (1 Johannes 2:18-19)

Johannes noemt de verschillende personen die deze ketterij onderwezen "anti-Christussen". Op een bepaalde tijd hadden deze mensen omgang gehad met de ware gelovigen, maar hadden daarna de kerk verlaten en probeerden nu anderen weg te lokken om hun ketterse leerstellingen te volgen. Johannes betoogt dat ze nooit echt bekeerd waren, anders zouden ze bij de groep van gelovigen zijn gebleven.

Johannes maakt het in de verzen 20-21 duidelijk dat zijn gehoor bestaat uit diepgaand bekeerde mensen, mensen die Gods Heilige Geest hebben en diepgeworteld en goed onderlegd zijn in de waarheid. "Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen [letterlijk naar het Grieks, zoals in de Statenvertaling: gij weet alle dingen]. Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij haar weet en omdat geen leugen uit de waarheid is." De "zalving" is de gave van de Heilige Geest, zoals we in 2 Corinthiërs 1:21-22 kunnen zien. "Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft." De woorden "gij weet alle dingen" van Johannes verwijzen gewoon naar het feit dat deze mensen de basisleerstellingen van de kerk kenden en begrepen.

In 1 Johannes 2:22-23 richt Johannes zich op de leugens die het docetisme onderwees:

Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader.

De ontkenning "dat Jezus de Christus is", impliceert niet dat het docetisme dacht dat Jezus niet de Messias was. Het docetisme beweerde veeleer dat Jezus — de Mens die Johannes had gehoord, gezien en aangeraakt — niet werkelijk God in het vlees was en dat de ware Christus een etherisch wezen in de hemel was. Johannes bepleit dat zulk onderwijs de familierelatie tussen de Vader en de Zoon ontkent en daarmee de ware natuur van God verduistert.

Verder schrijft Johannes dat iedereen die ontkent dat Jezus God in het vlees was, en ontkent dat Hij evenals alle menselijke wezens blootstond aan verzoeking, "ook de Vader niet heeft". Zo iemand begrijpt gewoon de evangelieboodschap niet, dat wij de gelegenheid hebben om deel te gaan uitmaken van de Godfamilie (1 Johannes 3:1-2). Jezus zegt: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Johannes 14:9). Als wij het beeld van Jezus Christus en wie Hij was, verdraaien, is het resultaat daarvan dat we ook ons concept van de Vader gaan verdraaien.

Johannes doet daarna een beroep op de gemeente om vast te houden aan de waarheid die hun sinds hun roeping geleerd was. "Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven" (1 Johannes 2:24). In de Zoon en de Vader "blijven" betekent trouw blijven aan Gods manier van leven, geestelijk groeien en meer en meer op God gaan lijken (Johannes 15:4-6). De enige manier waarop we dit kunnen doen, is door trouw te blijven aan de waarheid van God die de apostelen onderwezen hebben vanaf de oprichting van de kerk. Hun die trouw blijven aan Zijn weg, heeft God eeuwig leven beloofd (1 Johannes 2:25).

Vers 26 functioneert als specifieke doelvermelding voor de gehele brief: "Dit heb ik u geschreven over hen, die u misleiden." In dit cruciale vers legt Johannes zijn doel uit waarom hij deze brief heeft geschreven: om ware gelovigen te waarschuwen tegen deze valse leraren die hen van de waarheid probeerden af te brengen. Als zij toestonden zich te laten misleiden aangaande de natuur van Christus en de Godfamilie, zo schrijft Johannes, dan zou hun dat het eeuwige leven kunnen kosten!

Geen behoefte aan valse leraren

Nu kunnen we duidelijker begrijpen wat Johannes in vers 27 bedoelt: "En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere." Het is duidelijk dat hij niet zegt dat deze mensen geen behoefte hadden aan iemand om hun het verschil tussen waarheid en dwaling te onderwijzen. Zo iemand hadden ze wel nodig! Daarom schreef Johannes deze brief! Het was wel zo dat ze niemand nodig hadden om hun de basisleerstellingen van de kerk te onderwijzen. Ook hadden ze geen behoefte aan menselijke logica of filosofie om hen te helpen Gods natuur te begrijpen.

Johannes had Jezus Christus persoonlijk gekend, gezien, gehoord en aangeraakt. Christus had hem drieënhalf jaar lang intensief onderwezen, en op zijn beurt had de oude apostel hen gedurende zijn gehele leven dezelfde waarheid onderwezen. De leden van Gods kerk hadden aan geen enkele ketter behoefte om hun te onderwijzen.

Als ware zonen van God hadden zij Zijn Heilige Geest ontvangen, die hun denken had geopend en hen in de waarheid had geleid (Johannes 16:13). Zij waren grondig onderlegd in de waarheid betreffende de natuur van Christus en God en het specifieke doel van het leven zelf. Gods waarheid was niet veranderd, wat voor behoefte hadden zij dan om deze opnieuw te leren?

In de rest van 1 Johannes 2:27 moedigt Johannes hen aan zich door de Heilige Geest te laten leiden en te laten helpen trouw te blijven aan wat ze vanaf het begin onderwezen hadden gekregen. Hun oorspronkelijk kennis was waar en geen leugen. "Maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.

De apostel herhaalt deze gedachte en waarschuwing later in de brief.

En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft. Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld. (1 Johannes 3:24-4:3)

Een moderne analogie

Een analogie vanuit onze eigen tijd kan ons helpen beter te begrijpen wat Johannes in deze schriftgedeelten bedoelt. Toen Herbert W. Armstrong nog leefde, werden we grondig onderlegd in de waarheid dat God een Familie is. We wisten dat de Vader en de Zoon twee aparte persoonlijkheden zijn, maar Ze zijn één evenals een gezin één eenheid is. De kerk had de Schriften voor wat betreft deze leerstelling grondig bestudeerd en kon deze gemakkelijk vanuit de Bijbel bewijzen aan hen die Gods Geest hadden.

In de laatste tijd hebben sommigen echter geprobeerd een andere leerstelling aangaande de natuur van God te onderwijzen, waardoor ze veel stof deden opwaaien binnen de kerk. De "nieuwe" leerstelling is niet gebaseerd op Gods woord, maar op menselijke logica en redenering. Hij kan niet vanuit de Bijbel bewezen worden!

Als wij een brief zouden moeten schrijven aan hen die met deze leerstelling worstelden, zouden we ongetwijfeld sommige van dezelfde dingen vermelden als die Johannes in zijn brief vermeldt:

We zouden hen aanmoedigen trouw te blijven aan de waarheden die God door Zijn apostelen had geopenbaard (1 Johannes 2:24).

We zouden hen waarschuwen dat de nieuwe leerstelling een leugen is, niet gebaseerd op de waarheid van de Bijbel (de verzen 21 en 27).

We zouden benadrukken dat het nieuwe onderwijs hun eeuwig leven bedreigt, omdat het hun een verwrongen beeld geeft van de natuur van God en het doel van het leven zelf — waar het om gaat — verduistert (de verzen 22-23 en 25).

We zouden hen aansporen de Heilige Geest te gebruiken om hen te leiden in het met gebed bestuderen van de Schriften en hun geloof te baseren op de dingen die daarin geschreven staan. Ze zouden niemand moeten toestaan hun iets nieuws te onderwijzen dat op de een of andere nieuwe benadering was gebaseerd (de verzen 20 en 26-27).

We zouden hen eraan herinneren dat zij jaren geleden grondig onderlegd werden in die leerstelling door een man die God op krachtige wijze had gebruikt om veel bijbelse waarheden terug te brengen (de verzen 24 en 27).

Waarom we leraren nodig hebben

Hebben wij leraren nodig? Natuurlijk! De brief van Johannes is een uitstekend voorbeeld van waarom er leraren nodig zijn in de kerk. Toen de leden van de ware groep van gelovigen door valse leerstellingen werden bedreigd, vond Johannes het nodig nauwkeurig de gevaren die daarmee samengingen uit te leggen, zelfs al was de gemeente grondig onderlegd in de waarheid. Om hen ervan te verzekeren dat hun fundamentele geloofsopvattingen waar waren, vond hij het nodig hun de waarheid opnieuw uit te leggen. Hij zag ook in dat zij wel enige bemoediging konden gebruiken om op de Heilige Geest te vertrouwen hen in de waarheid te leiden.

Dit is precies wat een ware dienaar van God moet doen! De auteur van Hebreeën instrueert ons respect te hebben voor de dienaren, omdat zij ons gegeven zijn om ons te beschermen. "Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen." (Hebreeën 13:17a).

Veel nieuwtestamentische voorbeelden laten ons onze behoefte aan leraren zien. De ervaring van Filippus met de Ethiopische eunuch illustreert duidelijk hoe we ervaren en opgeleide leraren nodig hebben om het woord van God te verklaren en uit te leggen (Handelingen 8:26-38). Als Filippus hem benadert, leest de eunuch een oudtestamentische profetie die het lijden van Christus voorzegde. Toen hem werd gevraagd of hij die passage begreep, had de eunuch de nederigheid toe te geven dat hij hulp nodig had. Hij antwoordt: "Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?" (vers 31). Filippus legt hem daarna uit hoe deze profetie werd vervuld in het lijden en de dood van Jezus van Nazaret. Dit resulteert in de doop van de eunuch (vers 38).

In het omgaan met de vele problemen binnen de kerk te Corinthe, moest Paulus Timotheüs sturen om hun geheugen op te frissen voor wat betreft de waarheid die Paulus verkondigd had.

Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld. Juist hierom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus [Jezus] indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer. (1 Corinthiërs 4:16-17)

In zijn brieven aan Timotheüs instrueert Paulus de jonge evangelist over verschillende principes die hij de mensen moest onderwijzen. "Beveel en leer dit. ... Leer en vermaan in deze zin" (1 Timotheüs 4:11; 6:2).

Daarnaast zegt de apostel hem anderen op te leiden om leraren te worden. "En wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten" (2 Timotheüs 2:2). Daarnaast geldt dat een oudste "bekwaam om te onderwijzen" moet zijn (1 Timotheüs 3:2). Het doel van de dienaren is te helpen om de heiligen toe te rusten (Efeziërs 4:11-12) [Statenvertaling: tot de volmaking der heiligen].

Door het gehele Nieuwe Testament heen benadrukt God voortdurend de noodzaak om de kerk van geestelijk voedsel te voorzien. Jezus zegt dat Zijn dienaren Zijn mensen "op tijd van voedsel" zullen voorzien (Mattheüs 24:45). "Weid Mijn schapen" is een van de laatste dingen die Jezus tegen Petrus zegt (Johannes 21:17). Paulus schrijft Timotheüs: "Verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting" (2 Timotheüs 4:2).

Paulus verwijst naar zijn instructie van de Corinthiërs in de basisleerstellingen als melk: "Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet" (1 Corinthiërs 3:2). De auteur van Hebreeën gebruikt een soortgelijke analogie toen de gemeente het nodig had om Gods waarheid opnieuw te leren: "Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs" (Hebreeën 5:12).

Christenen hebben behoefte aan broederlijke omgang

Het Nieuwe Testament benadrukt ook dat christenen behoefte hebben aan omgang met gelijkgezinden. Een kenmerk dat de ware kerk identificeert is dat de leden liefde hebben voor elkaar (Johannes 13:35). Inderdaad zal een van de criteria waartegen Christus ons zal oordelen, zijn hoe we onze medebroeders in de kerk behandelen (Mattheüs 25:31-46). Hoe kunnen we elkaar liefhebben en dienen als we geen omgang met elkaar hebben en elkaar niet leren kennen?

God heeft ons rijkelijk van instructie voorzien over hoe we met andere christenen moeten omgaan. Het is Zijn doel ons te onderwijzen hoe het met elkaar te kunnen vinden, zodat wij anderen in het Millennium over deze dingen kunnen onderwijzen. We moeten onzelfzuchtig zijn en bezorgd om de behoeften van anderen (Filippenzen 2:4). God wil dat wij geduld leren en leren vergevensgezind te zijn (Colossenzen 3:13), ernaar streven "in broederliefde elkaar genegen" te zijn, nederig en onszelf wegcijferend in het omgaan met elkaar (Romeinen 12:10). We moeten gevende en gastvrij zijn jegens onze medebroeders (vers 13).

Het Nieuwe Testament staat vol met verschillende waarschuwingen hoe we met onze medebroeders en —zusters in de kerk moeten omgaan. Het is duidelijk dat God onze omgang met andere christenen als van vitaal belang beschouwt voor onze voorbereiding om leden van de Godfamilie te worden en te kwalificeren voor een functie in Zijn Koninkrijk. Hij wil dat we intermenselijke vaardigheden ontwikkelen, die ons toerusten om te gaan met zo nu en dan voorkomende verschillen van mening en ergernissen.

Daarnaast verbiedt God ons rechtstreeks om niet langer met andere christenen om te gaan:

En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. (Hebreeën 10:24-25)

Onze omgang met elkaar moet een bron van bemoediging zijn voor ons allemaal. We zouden deze tijd moeten gebruiken om onze liefde voor onze medebroeders te tonen en hen te motiveren tot vriendelijke en dienstverlenende Handelingen voor anderen. Al deze aansporingen laten zien dat wij er duidelijk behoefte aan hebben deel uit te maken van een organisatie van Gods volk. Gods sabbatdiensten zijn een wekelijkse training voor christenen. Het geestelijke voedsel dat Gods ware dienaren voor ons voorbereiden is van levensbelang voor onze geestelijke groei en ontwikkeling. Toen hij de relatie van de dienaren met de leden van de kerk besprak, legde Paulus uit dat de dienaren gegeven zijn

om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. (Efeziërs 4:12-13)

De omgang die we met elkaar hebben voor en na de kerkdiensten, helpt ons de vrucht van Gods Geest te ontwikkelen — liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Galaten 5:22). Paulus laat zien dat de kerk waarlijk Christus' lichaam is, en evenals in het menselijk lichaam hangt elk deel af van de andere delen.

Maar nu zijn er wel vele leden, doch slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, (1 Corinthiërs 12:20-22)

De apostel illustreert ook hoe we allemaal afhankelijk van elkaar moeten werken om elkaar te helpen: "Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde" (1 Corinthiërs 12:26). In Efeziërs 4:15-16 beschrijft hij hoe de verschillende leden van het lichaam van Christus op een synergetische manier samenwerken om de groei tot stand te brengen die anders onmogelijk zou zijn geweest.

..., maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Chri

© 1997 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC  28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)