Ter toerusting van de heiligen

Door John W. Ritenbaugh
1997

Een kerk in de greep van wantrouwen!
Door John W. Ritenbaugh

De meesten van ons zijn zich bewust van een fenomeen dat zich maar al te vaak binnen de kerk van God voordoet. Dat zou niet moeten gebeuren, maar het gebeurt toch. Dit fenomeen is, dat als er zich in de wereld een houding of trend begint te ontwikkelen, we kunnen verwachten dat deze zich spoedig ook in de kerk zal manifesteren. Als dat gebeurt, laat dat zien dat we niet zo sterk op het Koninkrijk van God zijn afgestemd als zou moeten — dat we nog steeds te sterk met de wereld verbonden zijn.

Een artikel in de Washington Post van 23 juli 1995, van de hand van Liz Spayd, vermeldt de bevindingen van het National Opinion Research Center in Chicago:

Geloof in zowel het Congres als in het Witte Huis blijft op het dieptepunt hangen van de laatste 20 jaar. Slechts 12 procent van het publiek zegt een grote mate van vertrouwen te hebben in de uitvoerende macht en iets minder dan 8 procent karakteriseert hun vertrouwen in het Congres als substantieel.

Het vertrouwen in andere instituten neemt ook stapje voor stapje af. De tot uitdrukking gebrachte steun voor wetenschap, geneeskunde, georganiseerde religie, werk en onderwijs staat voor elk van die onderwerpen bijna op het laagste niveau sinds onderzoekers met hun tweejaarlijks onderzoek begonnen in het midden van de zeventiger jaren. Eerdere Lou Harris opiniepeilingen die hetzelfde soort vragen stelden, suggereren dat de afname in feite al in de zestiger jaren begon.

"Dit is een van de meest dramatische ontwikkelingen in de publieke opinie in de periode na de Tweede Wereldoorlog", zegt Darrell West, professor in de politieke wetenschappen aan Brown University. "Er is een diepgeworteld wantrouwen, niet alleen ten opzichte van de regering, maar ten opzichte van allerlei soorten instituten waarin de mensen voorheen een groot vertrouwen hadden."

Het artikel suggereert dat de moord op de Kennedy's, de ontgoocheling over Vietnam, de Watergate-affaire, de Iran-contra affaire onder het bewind van Reagan, het Whitewater-schandaal, de beschuldigingen van buitenechtelijke affaires van President Clinton, de zelfmoord van Vincent Foster, Waco, Ruby Ridge en het opblazen van een gebouw in Oklahoma City de voornaamste drijfkracht vormen achter dit groeiende wantrouwen. In elk van die gevallen wordt de overheid beschouwd als de feitelijke oorzaak van de gebeurtenis, of van het verbergen van de feiten die de schuldigen duidelijk zouden openbaren.

Toevallig publiceerde Time, in zijn editie van 28 augustus 1995, een lang artikel waarin een grote organisatie van psychologen zegt, dat de Amerikaanse levensstijl zelf bij een toenemend aantal mensen angst en depressie voortbrengt. Onze levensstijl heeft de neiging zich te isoleren van gewoonten die voorheen gemeenschapsaangelegenheden waren. Het individu draagt nu gezinslasten die voorheen door veel mensen gezamenlijk werden gedragen. De frustratie en de vermeende uitzichtloosheid van deze situaties brengt depressies tot stand. De psychologen beschuldigen onder andere de auto, het leven in de buitenwijken, de televisie, de computer en het wegtrekken van de familieboerderij als oorzaken van dit probleem. Dit probleem, zeggen zij, kan niet worden opgelost, omdat bijna niemand zijn levensstijl wil opgeven.

Als leden van Gods kerk leven we niet afgeschermd van wat er in het grotere geheel van de maatschappij gaande is. Toen de omvangrijke leerstellige veranderingen in ons voormalige kerkgenootschap plaatsvonden, reageerden velen binnen de kerk op ongeveer dezelfde manier als zij die in de wereld zijn, reageren op verontrustende gebeurtenissen op gebieden die hen sterk aangaan. Zowel van binnenuit als van buitenaf zijn we op meesterlijke wijze gemanipuleerd om ons terug te trekken, te beschuldigen en, wat heel goed mogelijk is, in opstand te komen.

De aartsvijand aan het werk

Ons dilemma is bij lange na niet zo ingewikkeld of uitzichtloos als dat van de wereld. Wij kunnen onfeilbaar de werkelijke oorzaak en het werkelijke instrument aanwijzen van het wantrouwen dat nu in de harten van velen in de kerk heerst. Per slot van rekening begon de duivel deze hele warboel die in de Bijbel "de wereld" wordt genoemd, toen hij in het denken van Adam en Eva wantrouwen in Gods woord teweegbracht.

Door wantrouwen verleidde Satan Adam en Eva zodat ze zich niet langer onderwierpen aan de meest bewonderenswaardige, liefhebbende, gevende, bezorgde, gevoelige en behulpzame Ouder in de gehele schepping — God. Kunt u zich dat voorstellen? De duivel overtuigde hen ervan dat God niet kon worden vertrouwd!

Wantrouwen is een krachtige stimulans die scheiding teweegbrengt. Onze eerste ouders zondigden en er ontstond verdeeldheid. De wereld is sindsdien niet meer verenigd geweest. Als er wantrouwen is, vervliegt geloof. Vrees, angst en depressie nemen toe en de motivatie om persoonlijk veilig te zijn en vrij van het gedoe om het hoofd boven water te houden, neemt almaar toe. Het "vecht of vlucht" mechanisme treedt in werking.

In onze recente geschiedenis kwam de meest vernietigende klap tegen de kerk niet aan binnen het leerstellige gebied. Drastische veranderingen in leerstellingen zijn slechts de middelen geweest waardoor veel ernstiger, onderliggende problemen aan het licht kwamen. Met uitzondering van een beperkt aantal leerstellingen geloven al de hierdoor ontstane kerken van God in principe dezelfde dingen. De belangrijkste verschillen tussen ons liggen op het terrein van beleid en houding. Ondanks de leerstellige verwarring die door de leiding van de moederinstelling werd geïntroduceerd, overleefde de leerstellige basis die door Herbert Armstrong werd vastgesteld, binnen de nieuwe groepen. Naar mijn mening werd de meeste schade aangebracht op het gebied van vertrouwen en loyaliteit.

Leden van de kerk zijn achterdochtig, vreesachtig en wantrouwend geworden. Gealarmeerd en verward door de leerstellige veranderingen zijn we bang nog meer gekwetst en misleid te worden. We zijn er niet zeker van of er nog iemand — in het bijzonder de dienaren — vertrouwd kan worden, zodoende vertrouwen we ook geen gewone leden meer. Als resultaat van dit alles is onze loyaliteit aan God, Zijn waarheid en aan elkaar vernietigd, zelfs terwijl we ontkennen dat het is gebeurd (zie Mattheüs 24:12).

Geestelijke vrije wil

De beroepssport heeft de term "contractvrij" populair gemaakt. Het is een contract waardoor het een beroepsatleet na een aantal jaren onder een contract gediend, gespeeld of opgetreden te hebben, vrij staat over een nieuw contract te onderhandelen met ieder ander team. Als die tijd voorbij is, staat het hem vrij een nieuw contract aan te gaan". Hij "behoort" niet langer tot het team waarvoor hij oorspronkelijk tekende.

Al is dit in financieel opzicht heel aantrekkelijk voor de spelers, toch speelt dit concept een belangrijke rol in het vernietigen van de loyaliteit van de fans. Spelers, in het bijzonder de heel goede, worden niet veel meer dan "gehuurde kanonnen" die hun talenten geven aan de hoogste bieder. Zij gaan van team tot team, waar ze het ook maar het financieel aantrekkelijkst vinden om te spelen. Contractvrijheid stelt het publiek bloot aan de hebzucht die ten grondslag ligt aan het denken van elke speler, en doet duizenden mensen de interesse verliezen. Fanloyaliteit voor een team wordt overmand door afschuw.

Dezelfde negatieve kracht is in het spoor van de leerstellige veranderingen binnen de kerk aan het werk. Velen onder de dienaren worden beschouwd als weinig meer dan huurlingen voor wie een vast salaris, een ontslaguitkering of een vast pensioen met alle bijkomende voordelen veel meer betekenen dan de waarheid van God en de geestelijke gezondheid van de schapen. Veel van de schapen voelen zich in de steek gelaten en onbeschermd.

Dit wantrouwen van dienaren brengt een vrij groot aantal "onafhankelijke" christenen voort. Deze mensen willen zich bij geen enkele groep voegen. Ze zullen gaan zwerven of "op zichzelf blijven", omdat naar hun zeggen hun sabbatten zoveel beter zijn nu het hun vrij staat hun eigen studies uit te zoeken en hun eigen gezinnen te onderwijzen. Ze zijn opgelucht dat ze niet langer alle gedoe binnen de gemeente hoeven te slikken of alweer naar een saaie preek te moeten luisteren. Naast dit alles wantrouwen ze het kerkbestuur en zullen geldende gedragslijnen hun een zorg zijn. Ik heb al deze uitingen van onafhankelijkheid vaker horen uiten of geschreven gezien dan me lief is.

Deze benadering zou hen heel goed kunnen vernietigen! Door hen wordt het principe dat de kerk "een geestelijk organisme" is tot het uiterste opgerekt! In feite kan er niet zo iets zijn als een "onafhankelijke" christen als men eenmaal deel is gaan uitmaken van Christus' lichaam bij het ontvangen van de Heilige Geest. Het geestelijke lichaam is één, al bestaat het uit vele leden (1 Corinthiërs 12:20).

De onafhankelijken doen zich graag overkomen als wijs en sterk — sterk genoeg om op zichzelf te staan en onafhankelijk te zijn, om echte leiders te zijn. Maar in werkelijkheid zijn ze even zwaar aangeslagen als alle anderen. In feite kan het zijn dat zij het meest aangeslagen zijn. Hun houding en de daarmee gepaard gaande reactie laat zien wat hun onderliggende problemen zijn. Deze problemen openbaren zich in ongoddelijke houdingen — zoals rebellie, kritiek en apathie — evenzeer als in leerstellige meningsverschillen.

Het echte werk van God

Genesis 1:26 brengt de specifieke doelvermelding van de Bijbel onder woorden. God, de Schepper, de Meester-pottenbakker, is bezig om Zichzelf voort te planten! Dat is HET werk van God. Hij is bezig om de mens naar Zijn beeld te scheppen. Dat project wordt in twee fasen uitgevoerd, een fysieke fase en een geestelijke fase. Toen het fysieke aspect bij de fysieke schepping was voltooid, begon de geestelijke. Dit is het totale project dat Hij overziet.

God is reeds een eenheid: "Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!" (Deuteronomium 6:4). God is één, maar bestaat uit meer dan één Persoon. Toen Jezus op aarde kwam, verkondigde Hij het evangelie van het Koninkrijk van God. Door dit te doen kondigde Hij publiekelijk de uitbreiding van deze eenheid aan door te zeggen dat er anderen dan de twee Wezens die geopenbaard zijn er reeds deel van uit te maken, aan toegevoegd zullen gaan worden.

Een koninkrijk staat synoniem met een natie. Het bestaat uit grote aantallen mensen, maar het is ook één. De kerk wordt inderdaad in 1 Petrus 2:9 "een heilige natie" genoemd, en al bestaat zij over de gehele wereld uit vele leden, toch is het één kerk. Jezus kondigde dus aan dat het Koninkrijk van God uit veel meer persoonlijkheden zal bestaan. Hij zei ons ook hoe we er deel van kunnen gaan uitmaken en hoe dat tot stand zal worden gebracht. Met deze middelen zal het project dat in Genesis 1:26 wordt vermeld, worden uitgevoerd. In Johannes 17:11 en 22 voegt Jezus nog een andere factor toe, waarmee ons begrip van wat er in Gods werk gebeurt, verder wordt bevestigd. Hij verzoekt de Vader dat "zij [de discipelen, inclusief ons] één mogen zijn zoals [op dezelfde manier als] Wij dat zijn." De Vader en de Zoon zijn duidelijk twee verschillende persoonlijkheden, toch vormen ze ook een eenheid, en Jezus vraagt dat anderen aan deze eenheid zullen worden toegevoegd.

Hoe kan iemand, onafhankelijk van een voortdurende omgang met anderen binnen het lichaam van Christus, de kerk, er toch deel van uitmaken? Iemand die op deze manier denkt, glijdt weg van Gods bedoeling, zoals Zijn woord duidelijk laat zien. Het is geheel Zijn bedoeling dat we actief lid zijn van een fysieke organisatie evenals van een geestelijk organisme. Is de kerk alleen maar een geestelijk organisme? Als het geestelijke organisme het enige belangrijke aspect is, waarom hebben we dan gemeenten nodig? Is het mogelijk dat gemeenten een belangrijke rol spelen in het voorbereiden van ons op Gods Koninkrijk?

Laten we er vanuit een ander gezichtspunt naar kijken. Het is Gods bedoeling dat de mens een actieve rol speelt binnen en bijdraagt aan een fysieke gemeenschap. "En de HERE God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. ... Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn." (Genesis 2:18, 24).

Misschien zouden we vers 18 op de volgende manier onder woorden kunnen brengen: "Het is niet goed dat de mens onafhankelijk is." Onze God stelt principes en patronen vast in Zijn woord, waaraan wij wijsheid kunnen ontlenen, de praktische toepassing van waarheid. Enkele van de meest fundamentele patronen voor Zijn doel worden al heel vroeg in Genesis vastgesteld.

Wat laat Hij hier zien? Dat met betrekking tot Gods doel het meeste en beste niet in ons zal worden voortgebracht als we alleen zijn. Als we onafhankelijk zijn, nemen we afstand van de omstandigheden die het meest van nut zijn voor wat betreft Zijn doel. In deze specifieke context beveelt God niet dat iedereen moet trouwen, maar Hij laat duidelijk zien dat het huwelijk in het algemeen beter is dan alleen blijven.

Iedereen begrijpt op basis van zijn eigen ervaring, dat hoe meer mensen deel uitmaken van een eenheid of gemeenschap, hoe groter het aantal en de intensiteit van de problemen zal zijn. Dit gebeurt grotendeels omdat ons werelds denken ons aanzet tot wedijver in plaats van tot samenwerking. Soms verlangt iemand er zo sterk naar onafhankelijk te zijn van dit soort gemeenschapsrelaties dat hij zich afscheidt om volledig vrij te zijn van de achterdocht, het wantrouwen, de ergernissen en andere moeilijkheden die binnen een groep voorkomen. Om het op een andere manier te zeggen, het is net zo iets als een soldaat die van het slagveld wegrent om zichzelf te beschermen.

In zijn meest grove vorm is het zelfgerichtheid en eigenbelang. Het kan een zelfgericht vermijden zijn van nuttig te zijn, trouwe kracht en bemoediging bij te dragen, een juist voorbeeld voor anderen te zijn of blijken het bij het verkeerde eind te hebben en gecorrigeerd te worden. Hoe dan ook, wij maken ons dan los van de eenheid waaraan we naar Gods bedoeling trouw moeten bewijzen en dienstbaar moeten zijn.

Een les uit de geschiedenis

Daniël 8:5-7 geeft een historisch inzicht dat in dit opzicht nuttig is:

Maar terwijl ik nauwkeurig acht gaf, zie, daar kwam een geitebok van uit het westen over de gehele aarde zonder de aarde aan te raken; en de bok had een opvallende horen tussen zijn ogen. En hij kwam tot de ram met de twee horens, die ik voor de stroom had zien staan, en rende op hem toe in zijn grimmige kracht; ik zag, dat hij tot vlak bij de ram kwam; verbitterd stiet hij de ram, brak zijn beide horens, en er was geen kracht in de ram om tegen hem stand te houden; hij wierp hem ter aarde en vertrad hem, en er was niemand die de ram uit zijn macht redde.

Gods beschrijving van Griekenland, hun leger en de manier waarop zij vochten is instructief. Het leger van Griekenland was in zijn tijd onoverwinnelijk. Voor die tijd, en misschien ook wel na die tijd, heeft niemand ooit met zo'n bliksemsnelle gewelddadigheid en sluwheid gevochten. Zij waren de scheppers van de blitzkriegoorlogvoering, waarvan Adolf Hitler openlijk toegaf deze gekopieerd te hebben van de oude Grieken.

Eén geschiedkundige speculeerde dat de gewelddadigheid van het Griekse leger werd voortgebracht door hun benadering van het leven, in het bijzonder in de politiek. Zelfs al kende hun systeem het vervullen van overheidsambten zoals burgemeester door burgers, toch hadden zij geen vertegenwoordigend systeem zoals wij dat hebben. Hun maatschappij was bijna een zuivere democratie. Elke Griekse man werd geleerd dat hij verantwoordelijk was om deel te nemen en bij te dragen aan het bestuur van de gemeenschap. Eén resultaat hiervan was dat individuele burgers zich verantwoordelijk voelden voor de gemeenschap en er werden in hen leiderseigenschappen geproduceerd, waardoor iedere Griekse man zich voelde alsof hij de leider was van zijn gemeenschap, zelfs al was hij dat in werkelijkheid niet.

Deze kwaliteiten kwamen ook in hun oorlogvoering tot uiting. De individuele soldaat aanvaardde niet alleen bevelen van zijn kapitein, hij dacht ook onafhankelijk na om in het voordeel van het regiment te handelen. Dit was vaak nodig in de hitte van de strijd als de leider uitgeschakeld werd door wonden of andere beslommeringen. Iemand anders nam dan snel zijn functie over en daardoor was er geen gebrek aan leiderschap.

Een factor die de Griekse vechtmachine zo onoverwinnelijk maakte, was dus het feit dat als hun "herder" geslagen werd, de "schapen" niet werden verstrooid. De individuele Griekse soldaat zou niet wegrennen om zichzelf te beschermen voor de verwarring en het gevaar van de strijd als zijn commandant viel. In plaats daarvan hielp hij zijn eenheid zich te hergroeperen, omdat hij op verantwoordelijke wijze was toegewijd aan haar welzijn en het bereiken van haar doelen, in plaats van aan zijn persoonlijke welzijn.

Er zijn tijden dat het nodig is te vluchten of voor enige tijd terug te trekken. Jezus zei voor vervolging te vluchten (Mattheüs 10:23). Het is duidelijk dat voorzichtigheid de moeder der wijsheid is. Maar zulke tijden zouden SLECHTS EEN KORTE TUSSENPERIODE moeten zijn in de tijd dat God met iemand of met Zijn kerk werkt.

Aan de andere kant zou ik niet willen dat mensen zich "zomaar" ergens bij aansluiten om toch maar deel uit te maken van een groep. Er zijn even gevaarlijke consequenties verbonden aan het deel uitmaken van de verkeerde groep. We moeten heel grondig en biddend nadenken over de groep waarbij we ons zullen aansluiten.

De kerk is verstrooid

De kerk wordt aangevallen. Er is een sterke vervolging gaande en veel schapen zijn verstrooid. Maar wat ik van de "onafhankelijken" hoor, zijn kreten zoals: "Ik zal nooit meer een mens volgen!", of: "Niemand gaat mij zeggen wat ik moet doen!", of: "Pas op voor alle groepen die een hiërarchieke bestuursstructuur hebben."

Terwijl er een beperkte hoeveelheid wijsheid in zulke opmerkingen kan zitten, is het mogelijk dat deze onafhankelijken een heel reëel probleem niet zien, omdat ze alleen maar in de verkeerde richting kijken. Terwijl ze anderen kritisch onderzoeken, kan het zijn dat er bij hen zelf problemen van gelijke of grotere omvang liggen op het gebied van onwetendheid over Gods woord, of respect voor bestuur of grove onverdraagzaamheid van andermans zwakke punten.

Zij hebben gereageerd door zich van elke groep af te scheiden of onder vele groepen te blijven rondzwerven. Hun houding is van dien aard dat zelfs al wonen ze diensten bij, ze in feite slechts voorbijgangers zijn. Het lijkt sterk op de moderne gang van zaken waarbij een man en vrouw samenleven zonder enige verbintenis. Elk van hen "neemt" wat ze uit de relatie kunnen krijgen, maar men is altijd vrij op te stappen als de zaken niet zo lopen als verwacht.

Daniël schrijft:

Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht [Statenvertaling: het verstrooien van de hand] van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn. (Daniël 12:7)

Zeker de vijand heeft aangevallen en de schapen zijn verstrooid! Jezus zegt:

Wanneer hij [de ware Herder] zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. (Johannes 10:4-5)

Wij hadden een goede reden ons vorige kerkgenootschap te ontvluchten: Daarbinnen werd de stem van een vreemde gehoord en wij konden hem niet volgen. Maar is het mogelijk dat de "onafhankelijken" nog steeds de stem van de ware Herder niet horen? Is het mogelijk dat zij om andere redenen zijn gevlucht? Dit is de reden dat deze mensen duidelijk in gevaar kunnen verkeren. Zij kunnen zich bij geen enkele herder aansluiten omdat hun verwarring en hun bestuursproblemen dit verhinderen.

Herders van Gods kudde

De apostel Petrus noemde Jezus "de Opperherder" (1 Petrus 5:4). Maar deze zelfde Petrus spoorde ook aardse mensen, oudsten binnen de kerk, aan om herders te zijn van de kerk van God:

De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. (1 Petrus 5:1-3)

Veel van de onafhankelijken houden het idee eropna dat ze alleen Christus zullen volgen. De onuitgesproken (en soms wel uitgesproken) beschuldiging is dat men geen behoefte heeft aan dienaren. Als dat zo is, waarom beschouwt God verstrooide schapen dan als verblijvend buiten een schaapskooi? Let op Jeremia 23:1-4:

Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het woord des HEREN. Daarom, zo zegt de HERE, de God van Israël, tot de herders die mijn volk weiden: Gij verstrooit en verstoot mijn schapen, en zoekt ze niet op; zie, Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen, luidt het woord des HEREN. En Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit al de landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden [Statenvertaling: kooien], en zij zullen vruchtbaar zijn en zich vermeerderen. Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord des HEREN.

Hetzelfde principe komt tot uiting in Ezechiël 34.

De onafhankelijken zijn verstrooid, maar zij denken dat zij in de schaapskooi zijn. Als hun vooronderstelling juist is, waarom staat er in de Bijbel dan zoveel instructie over het bijeenbrengen van hen die verstrooid zijn? De Bijbel geeft de indruk dat iemand niet in de schaapskooi is tenzij hij bij de groep behoort. Waarom gaf Jezus anders de gelijkenis van het achterlaten van de negenennegentig schapen om de ene te redden die niet bij de kudde was? Het is interessant dat Jezus het afgescheiden schaap in Zijn gelijkenis in Mattheüs 18:12-14 uitbeeldt als verdwaald, en in Lucas 15:4-7 als verloren.

Jezus heeft in Zijn kerk bepaalde mensen tot herder aangesteld om Zijn kudde onder Hem te hoeden. Ze worden in Efeziërs 4:7, 11-16 beschreven als Zijn gave aan de kerk. In het geven van deze gave aan de kerk gaf hij hun op zijn beurt gaven om hen in staat te stellen hun taak uit te voeren. Zoals in alles voeren sommigen de hun opgedragen taak getrouw uit (Mattheüs 25:21, 23), terwijl anderen onrechtvaardige dienstknechten zijn in de uitvoering van hun verantwoordelijkheden (Handelingen 20:30).

Aan wie veel gegeven is, van hen zal veel worden vereist. De dienaar zal dus rekenschap moeten afleggen voor het gebruik van die gaven. Jacobus maakt het heel duidelijk dat de leraar een strenger oordeel zal ontvangen (Jacobus 3:1). Maar de onafhankelijke heeft de sterke neiging alles over één kam te scheren, waarbij hij misschien vergeet dat ook hij voor de oordeelstroon van Christus zal moeten staan om rekenschap te geven voor het gebruik van zijn gaven en voor het mogelijk te kritisch beoordelen van anderen.

De behoefte aan menselijke leiderschap

Waar kijkt de onafhankelijke naar uit? Kijkt hij uit naar een pastor die in het geheel niet is bevlekt door enige zweem van een tekortkoming in karakter of uitdrukking van persoonlijkheid? Waar zal hij zo iemand vinden? Kijkt hij uit naar een leider met absoluut volmaakte leerstellingen? Wat is het? Kijkt hij uit naar een leraar die een voortreffelijk vermogen heeft het onderwijs met duidelijkheid en schoonheid tot uitdrukking te brengen? Kijkt hij uit naar de vruchten van het werk van die dienaar? Ik denk dat iemand naar zulke dingen moet uitkijken. Het zou schitterend zijn zo iemand te vinden, maar tezelfdertijd moeten we beseffen dat het vinden van al deze dingen in volmaaktheid in één persoon heel moeilijk zal zijn, zo niet onmogelijk. In het bijzonder in deze moeilijke tijd moet men niet zoeken met de houding dat men zich pas bij een groep zal voegen om daar wortel te schieten als men vindt dat de pastor het verdient om hem in zijn gemeente te hebben!

God maakt het heel duidelijk dat er naast Christus andere herders nodig zijn om Zijn mensen te leiden en voor hen te zorgen. Zacharia 10:2 zegt: "Want de terafim spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft." De context maakt het duidelijk dat God het over menselijke leiders heeft.

Mozes begreep de behoefte aan menselijk leiderschap zelfs al moest Israël in de woestijn de wolk volgen. De context laat duidelijk zien dat God instemt met Mozes' voorstel.

Toen sprak Mozes tot de HERE: De HERE, de God der geesten van alle levende schepselen, stelle over de vergadering een man, die voor hun aangezicht uitgaat en die voor hun aangezicht ingaat, en die hen doet uittrekken en hen weer terugbrengt, opdat de vergadering des HEREN niet zij als schapen die geen herder hebben. Toen zeide de HERE tot Mozes: Neem u Jozua, de zoon van Nun, een man, van geest vervuld, en leg hem uw hand op, en stel hem voor de priester Eleazar en voor de gehele vergadering, en geef hem in hun tegenwoordigheid uw bevelen en leg op hem van uw heerlijkheid, opdat de gehele vergadering der Israëlieten het hore. (Numeri 27:15-20)

Het ijverig en eerlijk zoeken naar een ware herder van de kerk van God is de verantwoordelijkheid van iedereen. Het is noodzakelijk dat we een schaapskooi vinden waar we op de juiste wijze worden gevoed en waar we kunnen dienen. De vijand heeft de kudde verstrooid door omvangrijke leerstellige veranderingen, en God heeft dit voor ons bestwil toegelaten.

God doet niets dat niet voor ons bestwil is. Ongetwijfeld vindt er een selectie onder Zijn mensen plaats door de keuzes die we maken betreffende de groep waar we ons bij zullen aansluiten. In de meest algemene zin stelt deze situatie Hem in staat te evalueren wie de waarheid werkelijk liefheeft (2 Thessalonicenzen 2:10). Misschien maakt dit selectieproces het Hem mogelijk om nog veel meer met ons te werken.

In ieder geval is het een intimiderende uitdaging voor ons allemaal om duidelijk de betekenis te gaan inzien van wat er gaande is en waar dit in de onmiddellijke toekomst op zal uitlopen. Eén ding is zeker: Romeinen 8:28 staat nog steeds in de Bijbel en uit dit alles kan alleen maar goeds voortkomen voor hen die God werkelijk liefhebben. Hij zit nog steeds op Zijn troon. Maar bedenk dat het niet Gods wil is dat we los van een groep blijven. Schapen die op zichzelf blijven worden het gemakkelijkst "gepakt" door de roofdieren die in de buurt van de kudde jagen. Veiligheid, dienen, liefde en kracht liggen besloten in de schaapskooi.

Jezus zegt in Mattheüs 16:18: "Ik zal mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen." Juist deze woorden van Christus laten duidelijk zien dat Hij een georganiseerde groep mensen in gedachten had, niet alleen maar een geestelijk organisme. Hij gebruikt ekklesia, duidend op een vergadering van mensen, een groep, en Hij bevestigt dit door het woord dodenrijk [Hades] te gebruiken, een kuil waar dode lichamen in worden geworpen. Hij laat dus zien dat Zijn kerk voortdurend zal blijven bestaan in de vorm van mensen van vlees en bloed.

Het is duidelijk Zijn wil dat allen die de Geest van God hebben op reguliere basis met elkaar zullen omgaan en elkaar zullen dienen (Hebreeën 10:25). Iemand kan zichzelf bedriegen door te denken dat hij Christus beter kan dienen en zich beter op het Koninkrijk van God kan voorbereiden als hij los staat van elke druk binnen een gemeente, maar het woord van God laat anders zien. Het kan zelfs zijn dat hij zichzelf veroordeelt tot de poel des vuurs door God te laten zien dat het hem niet aanstaat om te gaan met Gods eigen zonen en dochters, Zijn heilig volk. De "onafhankelijke" moet zich bekeren van zijn onafhankelijkheid als hij God wil verheerlijken, Zijn volk werkelijk wil dienen en geestelijk volwassen wil worden.

Hebben we leraren nodig?
Door Earl L Henn
(1934-1997)

In de laatste paar jaar is de kerk van God in sterke mate beheerst door opschudding en verwarring. Velen voelden zich misleid door mensen die leerstellingen onderwezen, waarvan ze later tot de conclusie kwamen dat die onwaar waren. Sommigen hebben zich overgegeven aan de neiging cynisch en achterdochtig te worden ten opzichte van bijna iedereen die beweert een leraar van Gods woord te zijn.

Toen de kerk in kleinere groepen uiteenviel, zijn sommigen tot de conclusie gekomen dat ze niemand nodig hebben om hun te onderwijzen. Door te geloven dat ze onafhankelijk in staat zijn zich Gods waarheid eigen te maken, zijn ze niet langer actief binnen enige kerkorganisatie. Velen wonen geen sabbatdiensten meer bij, bij wie dan ook.

Sommigen van deze "onafhankelijken" gebruiken 1 Johannes 2:27 om hun bewering dat ze geen leraar nodig hebben, te staven.

En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.

Op basis van dit schriftgedeelte zijn zij van mening dat christenen helemaal geen leraren nodig hebben; iedereen met de Heilige Geest kan op zichzelf heel goed uit de voeten.

Wat is hier van waar? Hebben christenen leraren nodig? Is het belangrijk om dienaren, oudsten, diakenen en andere leiders te hebben om preken en korte preken te geven en het woord van God uit te leggen? Is het belangrijk om andere gemeenteleden te hebben met wie we kunnen omgaan en met wie we ons geestelijk leven kunnen delen? Of kunnen we op de sabbat gewoon thuis blijven, in onze Bijbels lezen en gaat het ons dan goed? Zegt de apostel Johannes dat in dit vers? Zo niet, wat zegt hij dan?

Problemen in de kerk

Om te begrijpen wat Johannes in dit schriftgedeelte zegt, moeten we zijn woorden binnen de context van zijn brief bekijken en begrijpen wat de belangrijkste problemen waren in de kerk toen hij dit schreef. Johannes schreef zijn brief tegen het einde van de eerste eeuw n.Chr. De kerk werd geteisterd door een ongehoord hevige aanval van ketterse opvattingen, waarvan er één het gnosticisme was.

Een hoofdbeginsel van het gnosticisme was, dat al het materiële slecht was. Toen enkele van de gnostici eenmaal in de kerk kwamen en in Christus begonnen te geloven, probeerden zij dit gnostische concept te verzoenen met het feit dat Jezus Christus een menselijk wezen was en desondanks ook God. Daar ze hun filosofische visie, dat alle materie slecht was, niet wilden opgeven, ontwikkelden ze een ketterse visie op de natuur van Christus en begonnen ze te onderwijzen dat Hij geen fysiek menselijk wezen van vlees en bloed was geweest.

Dit was de oorsprong van een ketterse leerstelling die het docetisme werd genoemd. Onder de aanhangers van het docetisme bestonden er diverse gedachtescholen betreffende de natuur van Christus.

De school van het docetisme die het verst ging, nam het standpunt in dat Christus was geboren zonder dat daar enige materie aan te pas kwam, en dat alle Handelingen en al het lijden in Zijn menselijk leven, inclusief de kruisiging, alleen maar schijnbaar waren. ... Een andere school van het docetisme die niet zover ging, kende Christus een etherisch en hemels lichaam toe in plaats van een werkelijk menselijk lichaam. (The Encyclopedia Britannica, Eleventh Edition, vol. VIII, p. 353)

Een ander gezichtspunt was dat Jezus mens was, maar Christus was een hemels wezen. In zijn commentaar op 1 Johannes 2:22 zegt The Interpreter's Bible:

Het docetisme maakte onderscheid tussen de aardse Jezus en de hemelse Christus. Er waren verscheidene theorieën over de Christus of de Zoon van God in relatie met Jezus, en de oudste [Johannes] wijst ongetwijfeld meer dan één soort af als hij een beroep doet op de vroegchristelijke geloofsbelijdenissen. (Vol. 12, pp. 246-247)

Met dit als achtergrond in ons denken kunnen we beter begrijpen wat er in Johannes' hoofd omging, toen hij zijn brieven schreef. Hij verspilde geen tijd om met zijn onderwerp te beginnen, want in het allereerste vers van 1 Johannes wijst hij onmiddellijk de ketterij van het docetisme af. "Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens" (1 Johannes 1:1). Als getuige van het gehele optreden op aarde van Jezus, laat Johannes zien dat Hij geen verschijning of hallucinatie was. De apostelen hadden Zijn stem met eigen oren gehoord, Hem met eigen ogen gezien en Hem met eigen handen aangeraakt. Hij schrijft om er geen twijfel over te laten bestaan dat Jezus Christus een fysiek menselijk wezen was, maar tegelijkertijd ook het woord van God.

In hoofdstuk 2 begint Johannes met de bespreking van deze ketterij (het docetisme) die de kerk was binnengeslopen en blijkbaar veel leden had beïnvloed.

Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn. (1 Johannes 2:18-19)

Johannes noemt de verschillende personen die deze ketterij onderwezen "anti-Christussen". Op een bepaalde tijd hadden deze mensen omgang gehad met de ware gelovigen, maar hadden daarna de kerk verlaten en probeerden nu anderen weg te lokken om hun ketterse leerstellingen te volgen. Johannes betoogt dat ze nooit echt bekeerd waren, anders zouden ze bij de groep van gelovigen zijn gebleven.

Johannes maakt het in de verzen 20-21 duidelijk dat zijn gehoor bestaat uit diepgaand bekeerde mensen, mensen die Gods Heilige Geest hebben en diepgeworteld en goed onderlegd zijn in de waarheid. "Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen [letterlijk naar het Grieks, zoals in de Statenvertaling: gij weet alle dingen]. Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij haar weet en omdat geen leugen uit de waarheid is." De "zalving" is de gave van de Heilige Geest, zoals we in 2 Corinthiërs 1:21-22 kunnen zien. "Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft." De woorden "gij weet alle dingen" van Johannes verwijzen gewoon naar het feit dat deze mensen de basisleerstellingen van de kerk kenden en begrepen.

In 1 Johannes 2:22-23 richt Johannes zich op de leugens die het docetisme onderwees:

Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader.

De ontkenning "dat Jezus de Christus is", impliceert niet dat het docetisme dacht dat Jezus niet de Messias was. Het docetisme beweerde veeleer dat Jezus — de Mens die Johannes had gehoord, gezien en aangeraakt — niet werkelijk God in het vlees was en dat de ware Christus een etherisch wezen in de hemel was. Johannes bepleit dat zulk onderwijs de familierelatie tussen de Vader en de Zoon ontkent en daarmee de ware natuur van God verduistert.

Verder schrijft Johannes dat iedereen die ontkent dat Jezus God in het vlees was, en ontkent dat Hij evenals alle menselijke wezens blootstond aan verzoeking, "ook de Vader niet heeft". Zo iemand begrijpt gewoon de evangelieboodschap niet, dat wij de gelegenheid hebben om deel te gaan uitmaken van de Godfamilie (1 Johannes 3:1-2). Jezus zegt: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien" (Johannes 14:9). Als wij het beeld van Jezus Christus en wie Hij was, verdraaien, is het resultaat daarvan dat we ook ons concept van de Vader gaan verdraaien.

Johannes doet daarna een beroep op de gemeente om vast te houden aan de waarheid die hun sinds hun roeping geleerd was. "Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven" (1 Johannes 2:24). In de Zoon en de Vader "blijven" betekent trouw blijven aan Gods manier van leven, geestelijk groeien en meer en meer op God gaan lijken (Johannes 15:4-6). De enige manier waarop we dit kunnen doen, is door trouw te blijven aan de waarheid van God die de apostelen onderwezen hebben vanaf de oprichting van de kerk. Hun die trouw blijven aan Zijn weg, heeft God eeuwig leven beloofd (1 Johannes 2:25).

Vers 26 functioneert als specifieke doelvermelding voor de gehele brief: "Dit heb ik u geschreven over hen, die u misleiden." In dit cruciale vers legt Johannes zijn doel uit waarom hij deze brief heeft geschreven: om ware gelovigen te waarschuwen tegen deze valse leraren die hen van de waarheid probeerden af te brengen. Als zij toestonden zich te laten misleiden aangaande de natuur van Christus en de Godfamilie, zo schrijft Johannes, dan zou hun dat het eeuwige leven kunnen kosten!

Geen behoefte aan valse leraren

Nu kunnen we duidelijker begrijpen wat Johannes in vers 27 bedoelt: "En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere." Het is duidelijk dat hij niet zegt dat deze mensen geen behoefte hadden aan iemand om hun het verschil tussen waarheid en dwaling te onderwijzen. Zo iemand hadden ze wel nodig! Daarom schreef Johannes deze brief! Het was wel zo dat ze niemand nodig hadden om hun de basisleerstellingen van de kerk te onderwijzen. Ook hadden ze geen behoefte aan menselijke logica of filosofie om hen te helpen Gods natuur te begrijpen.

Johannes had Jezus Christus persoonlijk gekend, gezien, gehoord en aangeraakt. Christus had hem drieënhalf jaar lang intensief onderwezen, en op zijn beurt had de oude apostel hen gedurende zijn gehele leven dezelfde waarheid onderwezen. De leden van Gods kerk hadden aan geen enkele ketter behoefte om hun te onderwijzen.

Als ware zonen van God hadden zij Zijn Heilige Geest ontvangen, die hun denken had geopend en hen in de waarheid had geleid (Johannes 16:13). Zij waren grondig onderlegd in de waarheid betreffende de natuur van Christus en God en het specifieke doel van het leven zelf. Gods waarheid was niet veranderd, wat voor behoefte hadden zij dan om deze opnieuw te leren?

In de rest van 1 Johannes 2:27 moedigt Johannes hen aan zich door de Heilige Geest te laten leiden en te laten helpen trouw te blijven aan wat ze vanaf het begin onderwezen hadden gekregen. Hun oorspronkelijk kennis was waar en geen leugen. "Maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.

De apostel herhaalt deze gedachte en waarschuwing later in de brief.

En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft. Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld. (1 Johannes 3:24-4:3)

Een moderne analogie

Een analogie vanuit onze eigen tijd kan ons helpen beter te begrijpen wat Johannes in deze schriftgedeelten bedoelt. Toen Herbert W. Armstrong nog leefde, werden we grondig onderlegd in de waarheid dat God een Familie is. We wisten dat de Vader en de Zoon twee aparte persoonlijkheden zijn, maar Ze zijn één evenals een gezin één eenheid is. De kerk had de Schriften voor wat betreft deze leerstelling grondig bestudeerd en kon deze gemakkelijk vanuit de Bijbel bewijzen aan hen die Gods Geest hadden.

In de laatste tijd hebben sommigen echter geprobeerd een andere leerstelling aangaande de natuur van God te onderwijzen, waardoor ze veel stof deden opwaaien binnen de kerk. De "nieuwe" leerstelling is niet gebaseerd op Gods woord, maar op menselijke logica en redenering. Hij kan niet vanuit de Bijbel bewezen worden!

Als wij een brief zouden moeten schrijven aan hen die met deze leerstelling worstelden, zouden we ongetwijfeld sommige van dezelfde dingen vermelden als die Johannes in zijn brief vermeldt:

We zouden hen aanmoedigen trouw te blijven aan de waarheden die God door Zijn apostelen had geopenbaard (1 Johannes 2:24).

We zouden hen waarschuwen dat de nieuwe leerstelling een leugen is, niet gebaseerd op de waarheid van de Bijbel (de verzen 21 en 27).

We zouden benadrukken dat het nieuwe onderwijs hun eeuwig leven bedreigt, omdat het hun een verwrongen beeld geeft van de natuur van God en het doel van het leven zelf — waar het om gaat — verduistert (de verzen 22-23 en 25).

We zouden hen aansporen de Heilige Geest te gebruiken om hen te leiden in het met gebed bestuderen van de Schriften en hun geloof te baseren op de dingen die daarin geschreven staan. Ze zouden niemand moeten toestaan hun iets nieuws te onderwijzen dat op de een of andere nieuwe benadering was gebaseerd (de verzen 20 en 26-27).

We zouden hen eraan herinneren dat zij jaren geleden grondig onderlegd werden in die leerstelling door een man die God op krachtige wijze had gebruikt om veel bijbelse waarheden terug te brengen (de verzen 24 en 27).

Waarom we leraren nodig hebben

Hebben wij leraren nodig? Natuurlijk! De brief van Johannes is een uitstekend voorbeeld van waarom er leraren nodig zijn in de kerk. Toen de leden van de ware groep van gelovigen door valse leerstellingen werden bedreigd, vond Johannes het nodig nauwkeurig de gevaren die daarmee samengingen uit te leggen, zelfs al was de gemeente grondig onderlegd in de waarheid. Om hen ervan te verzekeren dat hun fundamentele geloofsopvattingen waar waren, vond hij het nodig hun de waarheid opnieuw uit te leggen. Hij zag ook in dat zij wel enige bemoediging konden gebruiken om op de Heilige Geest te vertrouwen hen in de waarheid te leiden.

Dit is precies wat een ware dienaar van God moet doen! De auteur van Hebreeën instrueert ons respect te hebben voor de dienaren, omdat zij ons gegeven zijn om ons te beschermen. "Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen." (Hebreeën 13:17a).

Veel nieuwtestamentische voorbeelden laten ons onze behoefte aan leraren zien. De ervaring van Filippus met de Ethiopische eunuch illustreert duidelijk hoe we ervaren en opgeleide leraren nodig hebben om het woord van God te verklaren en uit te leggen (Handelingen 8:26-38). Als Filippus hem benadert, leest de eunuch een oudtestamentische profetie die het lijden van Christus voorzegde. Toen hem werd gevraagd of hij die passage begreep, had de eunuch de nederigheid toe te geven dat hij hulp nodig had. Hij antwoordt: "Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?" (vers 31). Filippus legt hem daarna uit hoe deze profetie werd vervuld in het lijden en de dood van Jezus van Nazaret. Dit resulteert in de doop van de eunuch (vers 38).

In het omgaan met de vele problemen binnen de kerk te Corinthe, moest Paulus Timotheüs sturen om hun geheugen op te frissen voor wat betreft de waarheid die Paulus verkondigd had.

Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld. Juist hierom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus [Jezus] indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer. (1 Corinthiërs 4:16-17)

In zijn brieven aan Timotheüs instrueert Paulus de jonge evangelist over verschillende principes die hij de mensen moest onderwijzen. "Beveel en leer dit. ... Leer en vermaan in deze zin" (1 Timotheüs 4:11; 6:2).

Daarnaast zegt de apostel hem anderen op te leiden om leraren te worden. "En wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten" (2 Timotheüs 2:2). Daarnaast geldt dat een oudste "bekwaam om te onderwijzen" moet zijn (1 Timotheüs 3:2). Het doel van de dienaren is te helpen om de heiligen toe te rusten (Efeziërs 4:11-12) [Statenvertaling: tot de volmaking der heiligen].

Door het gehele Nieuwe Testament heen benadrukt God voortdurend de noodzaak om de kerk van geestelijk voedsel te voorzien. Jezus zegt dat Zijn dienaren Zijn mensen "op tijd van voedsel" zullen voorzien (Mattheüs 24:45). "Weid Mijn schapen" is een van de laatste dingen die Jezus tegen Petrus zegt (Johannes 21:17). Paulus schrijft Timotheüs: "Verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting" (2 Timotheüs 4:2).

Paulus verwijst naar zijn instructie van de Corinthiërs in de basisleerstellingen als melk: "Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet" (1 Corinthiërs 3:2). De auteur van Hebreeën gebruikt een soortgelijke analogie toen de gemeente het nodig had om Gods waarheid opnieuw te leren: "Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs" (Hebreeën 5:12).

Christenen hebben behoefte aan broederlijke omgang

Het Nieuwe Testament benadrukt ook dat christenen behoefte hebben aan omgang met gelijkgezinden. Een kenmerk dat de ware kerk identificeert is dat de leden liefde hebben voor elkaar (Johannes 13:35). Inderdaad zal een van de criteria waartegen Christus ons zal oordelen, zijn hoe we onze medebroeders in de kerk behandelen (Mattheüs 25:31-46). Hoe kunnen we elkaar liefhebben en dienen als we geen omgang met elkaar hebben en elkaar niet leren kennen?

God heeft ons rijkelijk van instructie voorzien over hoe we met andere christenen moeten omgaan. Het is Zijn doel ons te onderwijzen hoe het met elkaar te kunnen vinden, zodat wij anderen in het Millennium over deze dingen kunnen onderwijzen. We moeten onzelfzuchtig zijn en bezorgd om de behoeften van anderen (Filippenzen 2:4). God wil dat wij geduld leren en leren vergevensgezind te zijn (Colossenzen 3:13), ernaar streven "in broederliefde elkaar genegen" te zijn, nederig en onszelf wegcijferend in het omgaan met elkaar (Romeinen 12:10). We moeten gevende en gastvrij zijn jegens onze medebroeders (vers 13).

Het Nieuwe Testament staat vol met verschillende waarschuwingen hoe we met onze medebroeders en —zusters in de kerk moeten omgaan. Het is duidelijk dat God onze omgang met andere christenen als van vitaal belang beschouwt voor onze voorbereiding om leden van de Godfamilie te worden en te kwalificeren voor een functie in Zijn Koninkrijk. Hij wil dat we intermenselijke vaardigheden ontwikkelen, die ons toerusten om te gaan met zo nu en dan voorkomende verschillen van mening en ergernissen.

Daarnaast verbiedt God ons rechtstreeks om niet langer met andere christenen om te gaan:

En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. (Hebreeën 10:24-25)

Onze omgang met elkaar moet een bron van bemoediging zijn voor ons allemaal. We zouden deze tijd moeten gebruiken om onze liefde voor onze medebroeders te tonen en hen te motiveren tot vriendelijke en dienstverlenende Handelingen voor anderen. Al deze aansporingen laten zien dat wij er duidelijk behoefte aan hebben deel uit te maken van een organisatie van Gods volk. Gods sabbatdiensten zijn een wekelijkse training voor christenen. Het geestelijke voedsel dat Gods ware dienaren voor ons voorbereiden is van levensbelang voor onze geestelijke groei en ontwikkeling. Toen hij de relatie van de dienaren met de leden van de kerk besprak, legde Paulus uit dat de dienaren gegeven zijn

om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. (Efeziërs 4:12-13)

De omgang die we met elkaar hebben voor en na de kerkdiensten, helpt ons de vrucht van Gods Geest te ontwikkelen — liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Galaten 5:22). Paulus laat zien dat de kerk waarlijk Christus' lichaam is, en evenals in het menselijk lichaam hangt elk deel af van de andere delen.

Maar nu zijn er wel vele leden, doch slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, (1 Corinthiërs 12:20-22)

De apostel illustreert ook hoe we allemaal afhankelijk van elkaar moeten werken om elkaar te helpen: "Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde" (1 Corinthiërs 12:26). In Efeziërs 4:15-16 beschrijft hij hoe de verschillende leden van het lichaam van Christus op een synergetische manier samenwerken om de groei tot stand te brengen die anders onmogelijk zou zijn geweest.

..., maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde. (Efeziërs 4:15-16)

Waarom zullen we ons al deze voordelen ontzeggen? Als we dat doen, verliezen we fantastische mogelijkheden voor kameraadschap, hulp en groei!

Maak uzelf niet kwetsbaar

Ja, we hebben leraren nodig! We hebben elkaar nodig! Het Nieuwe Testament laat ons duidelijk zien dat God verlangt dat we leraren hebben, om op een wekelijkse basis tijdens de sabbatdiensten geestelijk voedsel tot ons te nemen en om te gaan met gelijkgezinden die Gods Geest hebben. Als we opzettelijk afzien van het deelnemen in een organisatie van ware gelovigen, verspillen we veel door God gegeven mogelijkheden om ons karakter te ontwikkelen, in begrip te groeien en andere kinderen van God te leren kennen.

Daarnaast plaatsen we onszelf in een kwetsbare, gevaarlijke positie. Petrus beschrijft Satan als "rondgaande als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden" (1 Petrus 5:8). Het dierenrijk leert ons dat roofdieren zoals leeuwen gewoonlijk op zoek zijn naar dieren die alleen zijn, afgedwaald van de kudde, om deze aan te vallen. Zulke afgedwaalde dieren verkeren in een positie waarin ze aan zulke aanvallen zijn blootgesteld, omdat ze de bescherming ontberen die ligt in de grote aantallen van anderen van dezelfde soort. Onze tegenstander doet niets liever dan onverwacht schapen aanvallen die proberen "op hun eentje verder te gaan".

We hoeven niet zo kwetsbaar te zijn! De bescherming van de kudde is beschikbaar. We vinden onze plaats en onze bescherming in het samen dienen van God en het omgaan met andere mensen van God in "het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid" (1 Timotheüs 3:15).

Ik stel bestuur zeer op prijs!

Het schijnt dat mensen meestal een hekel hebben aan, zich storen aan en klagen over bestuur. Misschien is dat zo, omdat de meeste vormen van bestuur meestal de meeste mensen proberen te bedriegen. Maar we moeten ook een andere belangrijke reden behandelen.

Denk eens aan een kind, wiens hersenen hem zeggen dat hij zou moeten lopen als een volwassene. Zijn hersenen bevelen zijn handen de stoel los te laten en geven zijn voeten en benen opdracht naar papa te lopen. De handen reageren aarzelend, maar de voeten en benen aarzelen nog veel sterker en doen hem op zijn luier of zijn hoofd belanden. Dit frustreert de hersenen en jaagt ze angst aan, waardoor ze onmiddellijk een dringende boodschap sturen naar de lichaamsdelen waar ze reeds een stevige werkrelatie mee hebben opgebouwd. Het resultaat daarvan is heel wat geluid en tranen. Dit proces herhaalt zich totdat de ledematen voldoende ontwikkeld zijn om hun bevelen uit te voeren. Ouders maken zich zorgen totdat de coördinatie tussen hersenen en lichaam van het kind voldoende ontwikkeld is om hun zorgen over verwondingen tot rust te doen komen.

Een aantal jaren is het kind vrij goed gecoördineerd. Als de snelle groei eenmaal inzet op elf- of twaalfjarige leeftijd, komt er weer een periode waarin de hersenen en de voeten zich op verschillende golflengten bevinden. Voetbalteams bestaande uit leerlingen van groep zeven vallen niet altijd elkaar aan, daar ze vaak over hun eigen voeten struikelen!

Geweldig, nu beginnen de tienerjaren! Koordirigenten ergeren zich aan jongens die tenor en bas zingen op dezelfde toonhoogte. De stem heeft niet precies in de gaten wie de baas is, de jongen of de man! Hormonale ontwikkeling en blozen veroorzaken heel wat verwarring tussen de hersenen en zijn dienaren, de ogen, oren, neus en handen.

Zelfs als volwassene heeft het denken bepaalde idealen en doelen die het wil bereiken. De overige lichaamsdelen trekken in verschillende richtingen waardoor het denken in verwarring raakt. Evenals de baby die op zijn luier neerkomt, bevinden we ons dan op ons achterste — lijdend aan verslavingen, echtscheidingen en mislukkingen in onze carrières.

Tegen de tijd dat we alles op een rijtje zouden moeten hebben, als dat ooit het geval wordt, worden we lastig gevallen door de aftakeling van het ouder worden. Ogen, oren, armen en benen worden moe en weigeren op efficiënte wijze bevelen van de hersenen uit te voeren. De hersenen zelf beginnen kortsluiting te maken, waardoor er gaten in ons geheugen vallen en de andere versleten lichaamsdelen nog maar zwak worden aangestuurd. We komen alweer op ons achterste terecht — deze keer met gebroken heupen. Uiteindelijk raken onze lichaamsdelen door zwakke signalen vanuit de hersenen en zwakke reacties van het lichaam geheel onbestuurbaar. We sterven.

Waarom we bestuur zeer op prijs zouden moeten stellen

Ik stel bestuur zeer op prijs. Ik waardeer het als mijn denken en mijn lichaam reageren op verheven, waardige idealen en zich schitterend coördineren in het bereiken ervan!

Ik ben heel dankbaar dat God mijn hersenen verantwoordelijk stelde voor de rest van mijn lichaam. Het is erg genoeg als mijn denken afdwaalt, maar wat als mijn voeten onafhankelijk van elkaar gaan dwalen? Ik zou rondjes lopen of in een spagaat terechtkomen!

Wat te denken van mijn tong? Sommigen hebben me bij tijden beschuldigd deze onafhankelijk van mijn hersenen te laten praten. Iedere keer kom ik in de problemen! Met volmaakt bestuur van dat orgaan, zou ik volmaakt zijn (Jacobus 3:2).

Nog niet zo lang geleden liep ik 's morgens de keuken in, in de veronderstelling dat ik klaarwakker was en alles onder controle had, maar ik kwam tot de ontdekking dat mijn weerspannige hand een lege koffiekop in de magnetron plaatste! Mijn hersenen zonden nog geen duidelijke signalen naar mijn gedeeltelijk onafhankelijke lichaamsdelen. Als ik op dat moment aan mijn ochtendrit was begonnen, zou men medelijden moeten hebben met de andere autobestuurders op de weg!

Met zwak, besluiteloos bestuur leef ik "gehandicapt". Volledig zonder bestuur ben ik dood. Daarom stel ik bestuur zeer op prijs.

Dat was een lange inleiding.

Het kind, de tiener, de volwassene, de bejaarde — ze zoeken allemaal wanhopig naar volledige beheersing van al hun functies. Basketball-ster Shaquille O'Neal verlangt wanhopig terug naar de tijd dat hij al zijn lichaamsdelen voldoende kon besturen om op consequente wijze een vrije worp te nemen.

Daar sterk, centraal bestuur, zoals tot nu besproken, zo goed is, waar komt dan de moeilijkheid vandaan? Waarom hebben de mensen een hekel aan bestuur en storen ze zich eraan?

De baby wil dat zijn hersenen zijn voeten zeggen wat te doen. Het sleutelwoord is "zijn". Zijn hersenen, zijn voeten. Papa's en mama's hersenen worden niet geaccepteerd. Hij wil dat zijn hersenen zijn voeten zeggen waarheen te gaan en wanneer dat te doen. Hij wil niet dat papa en mama in beeld komen. Hij wil zeer zeker niet dat hun hand van achteren, zo'n dertig centimeter boven de grond, een rol gaat spelen.

Dit is simpel gezegd het probleem dat mensen hebben met bestuur. Met ouders. Met leraren op school. Met bestuur van de stad, de streek, de staat, het land of op internationaal niveau. Met kerkbestuur. Met God Zelf. Of zelfs met onszelf als ons geweten de overhand probeert te krijgen op de verlangens van het lichaam.

Van nature willen we niet dat IEMAND anders dan ons eigen denken en onze eigen gevoelens ons zeggen wat te doen! Ik stel bestuur als concept zeer op prijs. U stelt bestuur zeer op prijs. Dat is zo als we onszelf ervan kunnen overtuigen om te reageren op zelfbestuur!

Als ons eigen geweten het ons moeilijk maakt, hebben onze hersenen en andere lichaamsdelen de neiging in opstand te komen. Het is zoals de televisiespot over kippen zei: "Stukken zijn stukken, delen zijn delen." Er is geen enkel deel dat door een ander deel gezegd wil worden wat te doen. Een kip bestaat uit delen, maar een stapel delen is geen kip. Een kip kan kakelen en eieren leggen. Een stapel kippendelen kan niets behalve wegrotten.

Mijn lichaam kan, volledig samengesteld en gecoördineerd, doelen bereiken als alle delen aan de hersenen gehoorzamen. Los van het lichaam kunnen mijn lichaamsdelen niet reageren en waardevolle taken uitvoeren. Ze worden waardeloos voor het lichaam. Misschien klinkt dit simplistisch. Paulus gebruikt echter door heel 1 Corinthiërs 12 dezelfde "simplistische" analogie van het lichaam om God en bestuur uit te leggen. Ondanks dit alles zijn er echter weinigen die het niet eens zijn met dit concept voor zover dit nu is uitgelegd. Tot op een bepaald niveau koesteren we bestuur.

Wat te zeggen van de kerk?

Al is iedereen het er tot op dit moment mee eens, het onderwerp kerk zal emotionele reacties oproepen, met de vraag waar dat op uit zal draaien. Met andere woorden zal hij iets gaan schrijven waar ik het niet mee eens ben?

Er wordt gemakkelijk weerstand opgeroepen. De werkelijke sleutel is het concept van bestuur zich dusdanig eigen maken dat het een integraal onderdeel van ons gaat vormen. Dat doet de weerstand verdwijnen. Als we eenmaal het denken van Christus begrijpen en zover aanvaarden dat "die gezindheid bij ons is, welke ook in Christus Jezus was" (Filippenzen 2:5), dan wordt het besturen van onszelf volgens Zijn richtlijnen een stuk gemakkelijker.

De wereld heeft de neiging elke bestuurlijke aanwijzing van God te verwerpen. Als discipelen die zich tot God bekeerd hebben of zich God en Zijn wetten "eigen" hebben gemaakt — of nauwkeuriger zichzelf deel van Zijn weg hebben gemaakt — beginnen we op Hem te reageren. Het punt is dat we één met Hem worden en hoe meer we in die eenheid groeien des te minder komen we in opstand.

Zijn bestuur is één ding. Kerkbestuur is geheel iets anders! Er is een duidelijk verschil tussen het bestuur van God door God en een kerkbestuur door mensen die leren te besturen zoals God Zelf bestuurt. Er zijn geen twee mensen die het precies als Christus zullen doen. Er is verscheidenheid in bedieningen (1 Corinthiërs 12:5). God accepteert dit zolang de leiders geen compromissen sluiten aangaande de principes van Zijn wet.

De sleutel tot succes is hetzelfde als in de situatie dat God rechtstreeks bestuurt. Zoek de juiste vorm van kerkbestuur — en hen die deze op de juiste manier toepassen — en maakt u zich die eigen. Maak die deel van uw denken en de opstand ertegen, als een kracht van buiten, zal snel minder worden.

Zijn gewijde dienaren echt nodig?

Het grotere geheel van de kerk van God worstelt met zaken betreffende bestuur:

Werd de apostolische autoriteit alleen aan de oorspronkelijke twaalf gegeven, waardoor een hiërarchieke organisatie onder de dienaren in deze tijd onnodig is?

Is iemand een "oudste" alleen maar omdat hij ouder is?

Moeten we allemaal leraren zijn?

Geeft Mattheüs 18:20 toestemming om slechts met zijn tweeën of drieën bij elkaar te komen en zich dan kerk te noemen?

Kunnen we met succes naar Christus kijken als onze "persoonlijke Herder" en elk ander leiderschap verwerpen, waardoor we in feite een kerk vormen bestaande uit één persoon?

Al deze vragen kwellen in deze tijd het grotere geheel van de kerk van God. Waarom is er een probleem? Hoe ontstond dit? Wat is de oplossing?

Galaten 4:26 en 6:16 laten zien dat Jeruzalem en Israël geestelijk gedefinieerd kunnen worden en apart van het fysieke Israël kunnen worden gezien. Als Ezechiël 34 het dus heeft over "de herders van Israël", is de profetie gericht tegen de dienaren van Gods kerk.

Ezechiël veroordeelt de dienaren als groep, dat ze bezorgder zijn voor zichzelf en hun inkomen dan voor de "schapen", de leden van de kerk. In plaats van te helpen, te genezen en te leiden werd het bestuur vaak met geweld en wreedheid uitgevoerd. De dingen alleen maar met de lippen belijden kwam veel vaker voor dan handelen in overeenstemming met wat men zegt. God klaagt hen ook aan voor het ontheiligen van leerstellingen, wat in vers 18 wordt uitgebeeld als platgetrapte weiden en vertroebeld water. Paulus, Jacobus, Petrus, Johannes en Judas waarschuwen allemaal voor "wolven" die in de eindtijd zullen binnenkomen, de kudde zullen verscheuren en een ander evangelie zullen introduceren.

Is het een wonder dat het respect voor de dienaren op een laagtepunt staat? God Zelf is heel ontdaan over de herders die meer voor zichzelf zorgden dan voor de schapen. Door misbruik scheurden wolven in schaapskleding de schapen in stukken. God en ook de mens betreuren en verwerpen zulke dienaren. De dienaren verkeren in deze tijd in een bedroevende verwarring, ze worden door velen gewantrouwd en veracht. Sommige dienaren worden als huurlingen beschouwd die niet voor de schapen zorgden, maar alleen maar voor hun salaris werkten. Deze mannen sloten compromissen met de waarheid, onderwezen zelfs datgene waarvan ze wisten dat het verkeerd was, om hun salaris maar te behouden.

Zacharia 11:3 beschrijft ontrouwe dienaren, jammerend over het verlies van hun kudden die zij misbruikten. Bij het schrijven hiervan krimp ik ineen, daar ik zelf al vele jaren een dienaar ben. Het is echter waar en ik moet analyseren hoeveel en op welke manier ik aan het probleem heb bijgedragen, om daarna tot God te gaan om deze zonden "te belijden en niet meer te doen" (Spreuken 28:13).

Roepen om "respect voor de dienaren" zal niet helpen. Deze verwondingen kunnen alleen maar genezen door een juist voorbeeld en tijd, samengaand met een vergevensgezind hart, dat door God wordt geplaatst in hen die letsel is toegebracht.

Vanwege deze wantoestanden, sluipend Laodiceanisme en onze natuurlijke neiging om ons te ergeren aan elk bestuur, behalve dat van ons zelf, hebben we een kerk die door God Zelf wordt veracht en uiteen is geblazen. (Lees geheel de Klaagliederen van Jeremia, Ezechiël 22:25-29 en 24:21 om te bevestigen wat er achter het uiteenvallen zit.)

Hiërarchie

Wolven hebben de schapen verstrooid in groepen van één tot enkelen tot tientallen tot honderden. Er zijn enkele groepen van enige duizenden overgebleven. Omdat de mensen de neiging hebben een rechtvaardiging te zoeken voor elke situatie waarin ze zich bevinden, heeft deze verstrooiing vragen en theorieën opgeroepen over de behoefte aan dienaren, een punt dat voor de dood van Herbert Armstrong zelden in overweging werd genomen.

Is een hiërarchisch kerkbestuur bijbels? Is het nog steeds nodig, gelet op het uiteenvallen van de Worldwide Church of God? Kunnen de mensen op hun eentje overleven en behouden worden? Waar draait deze situatie op uit? Waar is God in dit alles?

Op een bepaald moment keken we in onze moederkerk allemaal naar één leider. Herbert Armstrong zei vaak dat God door slechts één bestuur, één man tegelijk werkt. In deze tijd is de gehele onenigheid hierover gebaseerd op de vooronderstelling: "We hebben allemaal de Heilige Geest. God leidt ons persoonlijk. Wijding heeft geen betekenis. Ik kan onderwijzen al heeft niemand mij de handen opgelegd. We hebben geen dienaren nodig."

Een kijkje in Israëls geschiedenis laat hetzelfde beeld zien. Door Mozes werden ze bevrijd. Onder hem werd Israël een eenheid zowel qua doel als in politiek opzicht. God stelde vast dat Mozes DE leider was. Korach en zijn trawanten betwistten dit en zeiden tot Mozes en Aäron:

Laat het u genoeg zijn, want de gehele vergadering, zij allen zijn heiligen, en de HERE is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des HEREN? ... Is het een kleinigheid, dat gij ons hebt opgevoerd uit een land, vloeiende van melk en honig, om ons te laten sterven in de woestijn, en wilt gij u ook nog als heerser over ons opwerpen? (Numeri 16:3, 13)

Er is geen greintje verschil in betekenis tussen de uitspraken van de onafhankelijken in deze tijd en die van Korach! Terwijl ze Mozes veroordeelden om zijn hiërarchieke benadering, vergaten ze dat ze zelf ook deel uitmaakten van die hiërarchie. Zij maakten deel uit van wat zij veroordeelden. Let op hoe Mozes hen antwoordt:

Is het u te weinig, dat de God van Israël u heeft afgezonderd van de vergadering Israëls om u tot Zich te doen naderen, om de dienst aan de tabernakel des HEREN te verrichten en voor het aangezicht der vergadering te staan om hen te dienen, en dat Hij u en al uw broederen, de Levieten, met u deed naderen? Streeft gij nu ook naar het priesterschap? (vers 9 —10)

Mozes kaatste de bal terug! Zij waren in tegenstelling tot de rest van de gemeente ook gewijd, evenals hij dat was. Zij verachtten die wijding en tilden er niet zwaar aan, wilden een hogere baan! Zij verachtten niet de hiërarchie — zij verachtten dat ze niet HOGER in die hiërarchie zaten! Zij wilden op hun manier de leiding hebben.

Hetzelfde geldt in deze tijd. Zelfs in die groepen die een georganiseerd bestuur veroordelen, komt iemand als zegsman, organisator of leider naar voren. Zij die het daarmee niet eens zijn, splitsen zich weer af. Het proces heeft de neiging door te gaan totdat er weinig of niets meer overblijft. Zijn deze vruchten goddelijk?

"Het gehele volk is heilig"

Kwamen de waarheden die we kostbaar vonden, voort uit de wetenschap of uit de Openbaring van God? Herbert Armstrong was geen geleerde in het Hebreeuws of het Grieks. God onderwees hem door de jaren heen een beetje tegelijkertijd. Hij hield de Heilige Dagen jarenlang voordat hij ging begrijpen hoe ze het plan van behoud voor de gehele mensheid uitbeelden. Voor zover wij weten was we geen enkele geleerde, individuele christen of kerkgroep die ooit Gods plan van behoud begreep door alleen maar de Bijbel te bestuderen.

Toch is Gods plan glashelder voor ons, nu het is geopenbaard door Gods dienaar en door hem is uitgelegd. Al zijn we heilig, toch laat God door de gehele Bijbel heen zien dat Hij specifieke leiders aanstelt en zalft. Hij openbaart Zijn woord door hen en zij prediken en onderwijzen het aan het volk.

"Het gehele volk is heilig" — en daarom tellen hun meningen even zwaar als die van ieder ander — is een gevaarlijk standpunt om in te nemen! Waarom?

Op Gods aanwijzing verzwolg de aarde Korach en zijn volgelingen. Toch beschuldigde het volk Mozes en Aäron op de dag erna dat zij hen hadden gedood (vers 41). Zij zeiden: "Gij hebt het volk des HEREN gedood." God werd zo boos op hen dat ze niet begrepen waar het om ging, dat Hij van plan was hen allemaal te doden! Door Mozes' tussenkomst stierven er slechts 14.700. Was hun standpunt gevaarlijk of niet? Dit lijkt sterk op wat er in Psalm 12:5 staat: "Hen die zeggen: Met onze tong zijn wij sterk; onze lippen zijn met ons; wie is heer over ons?"

Iedereen die op eigen begrip steunt, zaait verdeeldheid. In de echte wereld kan een groep zonder leider weinig of niets van waarde doen. Zelfs onze geprezen "democratische" maatschappij past democratie niet toe in de militaire opleiding en oorlog. Hoeveel slagen zouden er gewonnen worden als iedereen individuele beslissingen nam over wanneer, waar, waarom, tegen wie en hoe hij zou vechten? Een kleinere macht verenigd onder één leider zou heel snel zo'n honderd legertjes bestaande uit twee of drie personen, verslaan.

We begrijpen dit op praktisch niveau, maar schijnen het niet te kunnen overbrengen naar Gods legermacht. Bracht de kerk een machtig werk tot stand toen ze onder één leider, Herbert W. Armstrong, verenigd was? Werd de oplage van The Plain TRuth niet groter dan zes miljoen? Waren de TV- en radioprogramma's niet overal ter wereld te zien en te horen? Was er niet een succesvol collegeprogramma dat helpers voor dat werk opleidde? Vergelijk dit met wat er is gebeurd sinds Worldwide in honderden kleinere groepen en individuele stukjes uiteenviel.

Centraal bestuur

De tijd van de Richteren is geen hoogtepunt in een film over de geschiedenis van Israël. Gods evaluatie ervan sluit het boek Richteren af: "In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen" (Richteren 21:25). Vers 24 laat zien dat iedereen "zijn eigen gang" ging. Als God iets mishaagt, zoals toen, zendt Hij vaak een hongersnood (Ruth 1:1), en wij ervaren nu een geestelijke hongersnood (Amos 8:11).

Plaats de vruchten eens tegenover elkaar als het volk een leider benoemt (Saul) en als God een leider benoemt (David). Sauls regering was wanordelijk en zijn koningshuis was van korte duur. Onder David, ondanks zijn persoonlijke problemen, genoot Israël een langdurige eenheid en welvaart. Zelfs met een aaneenschakeling van goede en slechte koningen verging het Israël en Juda beter met een centraal leiderschap dan zonder.

In de vroege jaren begreep Herbert Armstrong de noodzaak niet van een hiërarchiek centraal bestuur. Slechts toen zijn inspanningen om lokale groepen op te richten, mislukten, ging hij inzien dat er behoefte was aan opgeleide dienaren. Deze behoefte maakte zo'n indruk op hem dat hij een college oprichtte met het specifieke doel om dienaren op te leiden. Het bloeide onder Gods duidelijke zegen en het groeide uit tot een wereldomspannende organisatie. Er verschenen enkele Korachs op het toneel, ook verdwenen ze weer, maar door de daarop volgende plagen werden duizenden schapen gedood en verminkt. Na de dood van de heer Armstrong plunderden wolven de kudde.

Is er in deze tijd enige hoop voor ons? Is de toestand van geestelijk Israël zoals Ezechiël beschrijft? "Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan" (Ezechiël 37:11). Wat zijn de vruchten van de huidige situatie van "iedereen voor zichzelf"? Brengen wij een groot werk tot stand? Wat jammer dat een organisatie die onder één man werd gezegend om een groot werk tot stand te brengen, in stukken is gescheurd die elk op zich weinig of niets kunnen doen. Toch denkt ieder stuk "van zichzelf dat het heilig is".

Ze hebben vergeten — of schenken er geen aandacht aan — dat God ons in feite opdracht geeft mensen te volgen! Paulus schrijft: "Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg" (1 Corinthiërs 11:1). Hebreeën 13:7 zegt van de dienaren: "Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na." 1 Corinthiërs 4:16, Filippenzen 3:17 en 2 Thessalonicenzen 3:7-9 geven soortgelijke aansporingen.

De analogie van het lichaam

We moeten onze situatie vergelijken met het Nieuwe Testament, de plaats waar de "geestelijke democraten" van deze tijd heen rennen om zichzelf te rechtvaardigen. Hier, zo beweren zij, staan bewijzen voor het geestelijk solovliegen met Christus als persoonlijk Leraar, of de kerk te beschouwen als "waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam" (Mattheüs 18:20).

Ontegenzeggelijk stelde Christus een hiërarchie in met de twaalf apostelen. Sommigen beweren met klem dat deze na hen in opvolgende bestuursvormen niet langer bestond. Stelde Christus alleen maar apostelen aan binnen de kerk? Nee, 1 Corinthiërs 12:18, 28-30 en Efeziërs 4:11-16 laten zien dat God veel verschillende functies heeft ingesteld en mensen om deze te vervullen, naardat HIJ verkiest. Deze schriftgedeelten beschrijven een duidelijke hiërarchieke lijn van autoriteit binnen de kerk om de leden op Gods Koninkrijk voor te bereiden.

Paulus gebruikt de analogie van het "lichaam", met Christus als "het hoofd van het lichaam, de kerk" (Colossenzen 1:18). Hij legt uit dat christenen "het lichaam van Christus zijn, en elk afzonderlijk leden" (1 Corinthiërs 12:27). Kunnen we beweren individueel, los te staan van het lichaam? Wat gebeurt er als een lichaamsdeel van het lichaam worden afgescheurd? Het rot weg. Het kan niets doen tenzij het aan het lichaam verbonden is (vers 21). Met andere woorden het is nutteloos. De kleinste of zwakkere delen zijn ook nodig (vers 22), maar zij zijn ook van geen waarde en nutteloos tenzij aan het lichaam verbonden. Er moet geen verdeeldheid of scheuring zijn tussen lichaamsdelen (vers 25).

Het lichaam zal uiteindelijk het Koninkrijk binnengaan. Het kan zijn dat er enkele aanstootgevende delen ontbreken (Mattheüs 18:7-10). Jezus gebruikt de analogie om te laten zien dat misschien niet alle leden het zullen maken, maar Hij zal geen bruid trouwen waaraan lichaamsdelen ontbreken. Hij zal het lichaam genezen, de delen er weer mee in verbinding brengen of ze door nieuwe vervangen om het weer compleet te maken. Romeinen 11 gebruikt een andere metafoor om het entingsproces uit te leggen, waardoor de gehele boom wordt gereconstrueerd als de natuurlijke takken worden verwijderd.

Leraren en oudsten

Kwalificeren wij als leraren alleen maar omdat we al lange tijd leden van de kerk zijn en genoeg weten om anderen te onderwijzen (Hebreeën 5:12)? Zelfs als dat zo is, zouden we dan allemaal leraren moeten zijn? Jacobus waarschuwt: "Laat niet zovelen uwer leraars zijn, mijn broeders; gij weet immers, dat wij er des te strenger om geoordeeld zullen worden" (Jacobus 3:1).

Kwalificeert iemand als oudste door chronologisch de oudste binnen een bepaalde groep te zijn? "Oud" is geen kwalificatie van de dienaren, zoals Paulus zegt in 1 Timotheüs 3:1-7 en Titus 1:6-9. Het kan zijn dat de oudste man in de gemeente geen ENKELE van deze geestelijke kwalificaties bezit, het kan zijn dat hij inderdaad een oude dwaas is! Daar tegenover staat dat hij ook een fijne kerel kan zijn en oprecht bekeerd, maar niet de bekwaamheid of de geneigdheid heeft te onderwijzen. Ook zijn er veel oude mensen die nog maar pas bekeerd zijn — echte baby's in Christus! Moet iemand de kerk dienen als hij niet iemand is die uit geloof wandelt zoals hij in zijn werken laat zien? In tegenstelling daarmee spoort Paulus Timotheüs aan niet toe te staan zich vanwege zijn jeugd te laten geringschatten (1 Timotheüs 4:12), ook al was hij gewijd tot dienaar. Hij had zelfs andere dienaren of oudsten onder zijn supervisie. Paulus instrueerde hem hen dubbel eerbewijs te geven als zij op goede wijze bestuurden (1 Timotheüs 5:17). Dit laat zien dat er in het hiërarchieke bestuur zowel autoriteit als beloning een rol speelden!

Er zijn nog diverse andere schriftgedeelten die over dit punt gaan:

Handelingen 14:23a En nadat zij [Paulus en Barnabas] voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, ...

Handelingen 20:28 Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u [oudsten] tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, ...

Hebreeën 13:7 Houdt uw voorgangers [leiders] in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.

Hebreeën 13:17 Gehoorzaamt uw voorgangers [leiders] en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.

Er zijn nog veel meer andere passages die duidelijk maken dat de nieuwtestamentische kerk autoriteit had en een hiërarchieke structuur.

Bestudering van de Griekse woorden voor oudste en opziener brengt ons niet tot een definitieve conclusie, daar de schrijvers algemene woorden gebruikten. Ze kunnen op beide manieren "geladen" worden. De context en vergelijking van duidelijke schriftgedeelten, zoals die we zojuist hebben aangehaald, geven absoluut bewijs van een hiërarchiek bestuur in het nieuwtestamentische tijdperk.

Familiebestuur

Gods bestuur is een familiebestuur. De Vader stelt de regels vast. De moeder is de kerk (Galaten 4:26) die Spreuken 31 vervult. Zij moet middels de dienaren (1 Petrus 5:1-4) haar gezin kleden, voeden en verzorgen. Zij selecteert het voedsel, bereidt het en onderwijst het. God geeft haar de ruimte om de dingen onder Hem te besturen. De kinderen, onder haar directe supervisie, moeten haar volgen zoals zij de instructies van de Vader volgt, en alleen weigeren haar te volgen als zij daarvan afwijkt (Handelingen 5:29).

De kinderen moeten zich onder de Vader en de moeder zelf besturen! De moeder kan kinderen uit de familie zetten als de kinderen geen acht geven op de supervisie van zowel de Vader als de moeder (1 Corinthiërs 5:5, 1 Timotheüs 1:20). Op basis van hun eigen vrije wil kiezen zij ervoor te gehoorzamen of niet te gehoorzamen.

Zelfs een kind laat zich door zijn werken kennen (Spreuken 20:11). Kinderen hebben de verantwoordelijkheid volwassen te worden, hun behoud met vreze en beven te bewerken (Filippenzen 2:12), maar ze krijgen nooit volledige autonomie totdat ze geheel volwassen zijn (Galaten 4:1-2). Volledige geestelijke volwassenheid zal worden bereikt als we in het Koninkrijk van God geboren worden (1 Johannes 3:2). Tot dat moment staan we onder de directe supervisie van de moeder.

Zelfs daarna zullen we voor eeuwig deel uitmaken van een Familie met een hiërarchiek bestuur van de Vader via Christus, Abraham, David en anderen. "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid" (Hebreeën 13:8). Waarom zou Hij hiërarchie toepassen in het Oude Testament, deze na de apostelen opheffen, om het tenslotte in het Koninkrijk weer in te stellen? Het probleem is niet of er bestuur over ons is, maar of we ons daaraan wel of niet willen onderwerpen!

"Waar twee of drie vergaderd zijn"

Wat te denken van "waar twee of drie in Mijn naam vergaderd zijn" (Mattheüs 18:20)? Veel leden die thuis blijven, gebruiken dit vers om te rechtvaardigen dat ze zich niet aansluiten bij een grotere organisatie. Aan de oppervlakte schijnt dit vers hun bewering te ondersteunen. We moeten er echter binnen de context naar kijken.

Het hoofdstuk begint met Jezus' onderwijs over onze behoefte aan nederigheid (vers 1-5). Hij gebruikt de analogie van lichaamsdelen om het belang te laten zien om de kleinen niet te ergeren (vers 6-11). Daarna geeft Hij de gelijkenis van het verloren schaap om Zijn bezorgdheid voor elk schaap te laten zien (vers 12-14). Hij instrueert hoe wij zouden moeten omgaan met ergernissen onder elkaar (vers 15-20). De context van het gehele hoofdstuk is interpersoonlijke relaties en ergernissen, geen kerkbestuur. Petrus begreep dit, want hij vraagt onmiddellijk hoe vaak iemand zijn broeder moet vergeven (vers 21).

God verlangt twee of drie getuigen teneinde te voorkomen dat het woord van één mens tegen dat van de andere onrechtvaardigheid teweegbrengt (vers 16; Deuteronomium 19:15). Hij zal de beslissing genomen op basis van het oordeel van twee of drie en de inbreng van de beschuldigde bekrachtigen. Als de zondaar niet wil luisteren naar hen, moet het probleem voor een groter forum worden gebracht — de kerk. Juist deze context veronderstelt dat er zo'n grotere groep aanwezig is. God geeft er echter de voorkeur aan dat zaken privé worden behandeld in een kleinere groep waarbinnen Hij aanwezig zal zijn, in plaats van dat elk persoonlijk probleem escaleert tot het onder de aandacht van de gehele kerk wordt gebracht. Let op de instructie: Ga eerst ALLEEN naar de zondaar, escaleer het daarna alleen maar indien het nodig is om het probleem op te lossen.

In 1 Corinthiërs 5 laat Paulus zien hoe dit praktisch wordt toegepast toen een kerklid ongegeneerd seksuele zonden beging. Let erop dat Paulus de hiërarchieke autoriteit van een dienaar had over de heidense kerk in Corinthe. Hij kwam zelfs tot een oordeel over deze situatie — zet deze man buiten de kerk — zonder aanwezig te zijn! Later toen de man berouw had, gaf hij opdracht hem weer terug te aanvaarden en vergaf hij hem evenals zij vergaven (2 Corinthiërs 2:10). Hij legde ook vast wat hun houding jegens en benadering van een berouwvolle zondaar moest zijn!

Stond hij elke groep van twee of drie binnen de gemeente toe tot een oordeel te komen? Hoe zou God de met elkaar in strijd zijnde oordelen waartoe de conservatieven en de vrijzinnigen in Corinthe zeer zeker zouden komen, hebben kunnen binden? De kerk zou in veel kleine groepen zijn verdeeld als Paulus zijn autoriteit niet had gebruikt.

Hebben we niet hetzelfde gezien binnen het grotere geheel van de kerk van God toen groepen Mattheüs 18:20 op de verkeerde manier hebben toegepast door het uit zijn verband te halen en hun eigen leerstellige en bestuursbesluiten te rechtvaardigen? Deze verkeerde toepassing en verdraaiing van dit ene schriftgedeelte brengt automatisch een afwijzen met zich mee van elke autoriteit die God in gewijde dienaren plaatste, waardoor de kerk versplintert. Was dat de manier waarop Paulus de Schrift begreep, of verdedigde hij voortdurend zijn eigen positie als apostel en die van de lokale gewijde dienaren om de eenheid te bewaren?

Ons wordt gezegd naar de vruchten te oordelen. Wat zijn de vruchten van twee of drie mensen die besluiten dat zij een oordeel kunnen uitbrengen over leerstellige en bestuurszaken? We hoeven niet verder te kijken dan de zich verdelende en steeds verder verdelende groepen in het grotere geheel van de kerk van God in deze tijd om te zien dat de vruchten niet goed zijn.

Verstrooide schapen zijn niet meer dan dat: verstrooid en in ernstig gevaar. Plaats het twijfelachtige idee dat Christus bestuursautoriteit zou geven aan twee of drie verstrooide schapen tegenover de heel duidelijk en krachtig aan Petrus gegeven autoriteit als hoofdbestuurder van de kerk in Mattheüs 16:18 (zie ook Johannes 21:15-17). Vergelijk daarmee ook Hebreeën 5:4 waar staat dat niemand zich de functie van hogepriester kan toe-eigenen. Kan iemand van ons besluiten dat wij het laatste woord hebben? Kunnen we ons enige functie binnen het priesterschap toe-eigenen? God vergelijkt aanmatiging met toverij (1 Samuël 15:23).

De oorsprong van het dienaarschap

Wat was de oorsprong van het dienaarschap? In Mattheüs 16:18 geeft Christus autoriteit aan Petrus en de apostelen die op hun beurt anderen wijdden. Efeziërs 4:11-12 laat zien dat Christus de functies onder de dienaren toekende en wel voor specifieke doeleinden: "om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus." In 2 Corinthiërs 10:8 voegt Paulus daaraan toe: "onze bevoegdheid, die de Here gegeven heeft om u op te bouwen en niet om af te breken, ..."

Laten we dit nog wat verder doorvoeren: Zonder ware dienaren kunnen we het Koninkrijk van God niet binnengaan! Hoe dat zo? "Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? ... Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus" (Romeinen 10:14-15, 17). Het geloof dat nodig is voor behoud komt door het horen van Gods woord! Wij, Gods verwekte nakroost, hoorden of begrepen het WARE evangelie niet, totdat we het hoorden van degene die door God gezonden was. Hij was gewijd door een overblijfsel van ware gelovigen, dat door alle eeuwen heen is blijven bestaan. We behoeven de geschiedenis niet te onderzoeken om de ongebroken draad te vinden. GOD ZEGT dat Zijn kerk, inclusief de leiders ervan als noodzakelijk onderdeel, niet zal uitsterven — zij zal tot het einde blijven bestaan (Mattheüs 28:20; 16:18).

We hebben gezien dat GOD de dienaren als gave aan Zijn kerk gaf. Hoe zouden we anders de waarheid hebben gehoord? Hoe zouden we anders zijn gedoopt? Hoe zouden we anders de Heilige Geest ontvangen hebben, behalve door de oplegging van handen door hen die geautoriseerd zijn dat te doen?

Simon Magus besefte dat er slechts één manier was om de Heilige Geest te ontvangen. Hij probeerde die te kopen, maar Petrus wees hem af (Handelingen 8:9-24). Simon begon toen zijn eigen kerk, maar de Heilige Geest is daar nooit in geweest. Hij keerde zich blijkbaar tot Satan om macht en richtte de valse kerk op met een valse geest, een vals evangelie en valse dienaren.

Een herder als David

Gods kudde is momenteel verstrooid en naar het schijnt in ernstig gevaar. Sommigen in deze tijd zeggen dat ze alleen maar aan Christus behoefte hebben als hun Herder en dat zij verder kunnen gaan als een "kudde" van één schaap. God weet dat ze geestelijk zo'n afgezonderde, zelfopgelegde ballingschap niet kunnen overleven.

Zijn we zo ijdel en eigengerechtig dat we denken dat we in ons eentje in leven kunnen blijven in een geestelijke wildernis van wolven, beren, leeuwen, ziekte en droogte? Als dat zo is, dan begrijpen we niet veel van de natuur en de mogelijkheden van schapen! Varkens en geiten kunnen wild worden en het goed doen, maar tamme schapen kunnen zich niet aanpassen aan een leven zonder verzorging. Zij overleven niet!

In de gelijkenis van het verloren schaap (Mattheüs 18:12-13) waren de 99 veilig in de schaapskooi. Zij waren niet in gevaar! De ene die "was afgedwaald" — dat is die van de kudde was weggezworven — was in problemen.

God zegt in Ezechiël 34:24: "Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal." Als we Galaten 6:16 als principe gebruiken — dat de kerk geestelijk Israël is — dan laten de profetieën zien dat Christus één herder zal aanstellen om Zijn kudde die verstrooid werd door opstandige dienaren, bijeen te brengen. Als de eerste helft van Ezechiël 34 van toepassing is op de dienaren in de kerk uit deze tijd, dan is de laatste helft, het aanstellen van een type van David, ook nu van toepassing (zie Jesaja 55:1-4; Zacharia 12:3, 7-10; 13:1).

God begrijpt dat Zijn verstrooide, gebroken, zieke schapen in ernstig gevaar verkeren, tenzij ze worden gered. Daarom zal Hij een herder in de geest van David aanstellen — om vriendelijk, zeker, trouw, rechtvaardig, in bekwaamheid en integriteit te leiden (Psalm 78:70-72; Ezechiël 34:23-31). Hij heeft de opdracht Gods kudde te verzorgen en bijeen te houden opdat de schapen niet geheel vernietigd worden.

Hebben we dan als schapen de plicht ware dienaren te vinden? Liever dan alleen te blijven in een gevaarlijke wildernis of met zijn tweeën of drieën, moeten we zoeken naar een juiste herder. Het is duidelijk dat we moeten uitkijken naar dienaren die vastgehouden hebben aan "het geloof eenmaal overgeleverd" en die berouwvol en nederig zijn.

Het leven van David illustreert dit punt (1 Samuël 22:1-2). Hij was er niet op uit een leger op te bouwen of een "kudde" bijeen te brengen. Toen ze van hem hoorden en wat voor soort man hij was, zochten de mensen hem op en vonden hem! Zijn broers, allen die deel uitmaakten van zijn vaders huishouden en zij die in nood verkeerden, in de schuld zaten en ontevreden waren, kwamen naar hem toe.

Jezus zegt nadrukkelijk: "Het zal worden ÉÉN kudde en ÉÉN herder" (Johannes 10:16). Wij kunnen echter reeds voor Jezus' wederkomst hopen op eenheid. In plaats van tegen kerkbestuur te vechten, zouden we moeten bidden dat God spoedig iemand in de geest en houding van David zal zenden, zodat we opnieuw één kudde kunnen zijn, die veilig en gerust leeft op de bergen van Israël.

© 1997 Church of the Great God
PO Box 471846
Charlotte, NC 28247-1846
(803) 802-7075

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)