Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 20         Genesis 22 >>

Genesis 21

21:1  En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Literatuur:

21:2  En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had. Literatuur:

21:3  En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.

21:4  En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.

21:5  En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.

21:6  En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.

21:7  Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

21:8  En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.

21:9  En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.

21:10  En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.

21:11  En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.

21:12  Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.

21:13  Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.

21:14  Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.

21:15  Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.

21:16  En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.

21:17  En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.

21:18  Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.

21:19  En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.

21:20  En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.

21:21  En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.

21:22  Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.

21:23  Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.

21:24  En Abraham zeide: Ik zal zweren.

21:25  En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.

21:26  Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.

21:27  En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.

21:28  Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.

21:29  Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?

21:30  En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.

21:31  Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.

21:32  Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.

21:33  En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.

21:34  En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.

<< Genesis 20         Genesis 22 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)