Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Numeri 34         Numeri 36 >>

Numeri 35

35:1  En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

35:2  Gebied den kinderen Israels, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelve.

35:3  En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun have, en voor al hun gedierte,

35:4  En de voorsteden der steden, die gij aan de Levieten zult geven, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.

35:5  En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.

35:6  De steden nu, die gij aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult, opdat de doodslager daarheen vliede; en boven dezelve zult gij hun twee en veertig steden geven.

35:7  Al de steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden.

35:8  De steden, die gij van de bezitting der kinderen Israels geven zult, zult gij van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinig heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.

35:9  Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:10  Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij over de Jordaan gaat naar het land Kanaan. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:11  Zo zult gij maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de doodslager daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:12  En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor den bloed wreker; opdat de doodslager niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:13  En deze steden, die gij geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:14  Drie dezer vrijsteden zult gij geven op deze zijde van de Jordaan, en drie dezer steden zult gij geven in het land Kanaan; vrijsteden zullen het zijn. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:15  Die zes steden zullen voor de kinderen Israels, en voor den vreemdeling, en den bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vliede, wie een ziel onvoorziens slaat. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:16  Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:17  Of indien hij hem met een handsteen, waarvan met zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:18  Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:19  De wreker des bloeds, die zal den doodslager doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:20  Indien hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij; Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:21  Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; de slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij; de bloedwreker zal dezen doodslager doden, als hij hem ontmoet. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:22  Maar indien hij hem met der haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:23  Of onvoorziens met enigen steen, waarvan men zoude kunnen sterven, en hij dien op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende; Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:24  Zo zal de vergadering richten tussen den slager, en tussen den bloedwreker, naar deze zelve rechten. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:25  En de vergadering zal den doodslager redden uit den hand des bloedwrekers, en de vergadering zal hem doen wederkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des hogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:26  Doch indien de doodslager enigszins zal gaan uit de palen zijner vrijstad, waarheen hij gevloden was, Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:27  En de bloedwreker hem zal vinden buiten de palen zijner vrijstad; zo de bloedwreker den doodslager zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:28  Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot den dood des hogepriesters; maar na de dood des hogepriesters zal de doodslager wederkeren tot het land zijner bezitting. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:29  En deze dingen zullen ulieden zijn tot een inzetting van recht, bij uw geslachten, in al uw woningen. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:30  Al wie de ziel slaat, naar den mond der getuigen zal men den doodslager doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:31  En gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:32  Ook zult gij geen verzoening nemen voor dien, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou wederkeren, om te wonen in het land, tot den dood des hoge priesters. Literatuur:


Artikelen
Het zesde gebod (Deel 1)  

35:33  Zo zult gij niet ontheiligen het land, waarin gij zijt; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed desgenen, die dat vergoten heeft. Literatuur:

35:34  Verontreinigt dan het land niet, waarin gij gaat wonen, in welks midden Ik wonen zal; want Ik ben de HEERE, wonende in het midden der kinderen Israels. Literatuur:

<< Numeri 34         Numeri 36 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)