Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Numeri 9         Numeri 11 >>

Numeri 10

10:1  Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Literatuur:

10:2  Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers. Literatuur:

10:3  Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst. Literatuur:

10:4  Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel. Literatuur:

10:5  Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. Literatuur:

10:6  Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. Literatuur:

10:7  Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken. Literatuur:

10:8  En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten. Literatuur:

10:9  En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden. Literatuur:

10:10  Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God! Literatuur:

10:11  En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.

10:12  En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.

10:13  Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

10:14  Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.

10:15  En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.

10:16  En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

10:17  Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.

10:18  Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.

10:19  En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

10:20  En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.

10:21  Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

10:22  Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.

10:23  En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

10:24  En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.

10:25  Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.

10:26  En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.

10:27  En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.

10:28  Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.

10:29  Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.

10:30  Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.

10:31  En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.

10:32  En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.

10:33  Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.

10:34  En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.

10:35  Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!

10:36  En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

<< Numeri 9         Numeri 11 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)