Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

    Genesis 2 >>

Johannes 1

1:1  In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Literatuur:

1:2  Dit was in den beginne bij God. Literatuur:

1:3  Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Literatuur:

1:4  In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. Literatuur:

1:5  En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Literatuur:

1:6  Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Literatuur:

1:7  Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden. Literatuur:

1:8  Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou. Literatuur:

1:9  Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. Literatuur:

1:10  Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Literatuur:

1:11  Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Literatuur:

1:12  Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Literatuur:

1:13  Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. Literatuur:

1:14  En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Literatuur:

1:15  Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik. Literatuur:

1:16  En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Literatuur:

1:17  Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Literatuur:

1:18  Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. Literatuur:

1:19  En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?

1:20  En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.

1:21  En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen.

1:22  Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?

1:23  Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.

1:24  En de afgezondenen waren uit de Farizeen;

1:25  En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?

1:26  Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent; Literatuur:

1:27  Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. Literatuur:

1:28  Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.

1:29  Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! Literatuur:

1:30  Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik. Literatuur:

1:31  En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.

1:32  En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.

1:33  En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.

1:34  En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.

1:35  Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.

1:36  En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!

1:37  En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.

1:38  En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen: (:) Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?

1:39  (:) Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure. Literatuur:

1:40  (:) Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.

1:41  (:) Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus. Literatuur:

1:42  (:) En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus. Literatuur:

1:43  (:) Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij. Literatuur:

1:44  (:) Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus.

1:45  (:) Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.

1:46  (:) En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.

1:47  (:) Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is.

1:48  (:) Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u. Literatuur:


Artikelen
Het negende gebod  (2)

1:49  (:) Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.

1:50  (:) Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij; gij zult grotere dingen zien dan deze.

1:51  (:) En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen.

    Genesis 2 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)