Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 9         Genesis 11 >>

Genesis 10

10:1  Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.

10:2  De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.

10:3  En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.

10:4  En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.

10:5  Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

10:6  En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.

10:7  En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.

10:8  En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

10:9  Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.

10:10  En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.

10:11  Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.

10:12  En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.

10:13  En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

10:14  En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.

10:15  En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

10:16  En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,

10:17  En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,

10:18  En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid. Literatuur:

10:19  En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Literatuur:

10:20  Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken. Literatuur:

10:21  Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.

10:22  Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.

10:23  En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.

10:24  En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

10:25  En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. Literatuur:

10:26  En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,

10:27  En Hadoram, en Usal, en Dikla,

10:28  En Obal, en Abimael, en Scheba,

10:29  En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.

10:30  En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.

10:31  Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.

10:32  Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.

<< Genesis 9         Genesis 11 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)