Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 26         Genesis 28 >>

Mattheüs 27

27:1  Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. Literatuur:

27:2  En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder. Literatuur:

27:3  Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht, Literatuur:

27:4  Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. Literatuur:

27:5  En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven. Literatuur:

27:6  En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. Literatuur:

27:7  En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen. Literatuur:

27:8  Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag. Literatuur:

27:9  Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben; Literatuur:

27:10  En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft. Literatuur:

27:11  En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. Literatuur:

27:12  En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Literatuur:

27:13  Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen? Literatuur:

27:14  Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. Literatuur:

27:15  En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden. Literatuur:

27:16  En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas. Literatuur:

27:17  Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus? Literatuur:

27:18  Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden. Literatuur:

27:19  En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil. Literatuur:

27:20  Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden. Literatuur:

27:21  En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas. Literatuur:

27:22  Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. Literatuur:

27:23  Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden! Literatuur:

27:24  Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien. Literatuur:

27:25  En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. Literatuur:

27:26  Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. Literatuur:

27:27  Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende. Literatuur:

27:28  En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; Literatuur:

27:29  En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! Literatuur:

27:30  En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Literatuur:

27:31  En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen. Literatuur:

27:32  En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. Literatuur:

27:33  En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, Literatuur:

27:34  Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Literatuur:

27:35  Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen. Literatuur:

27:36  En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar. Literatuur:

27:37  En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN. Literatuur:

27:38  Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter, en een ter linker zijde. Literatuur:

27:39  En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. Literatuur:

27:40  En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. Literatuur:

27:41  En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeen, Hem bespottende, zeiden: Literatuur:

27:42  Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. Literatuur:

27:43  Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Literatuur:

27:44  En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. Literatuur:

27:45  En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. Literatuur:

27:46  En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten! Literatuur:

27:47  En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elias. Literatuur:

27:48  En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. Literatuur:

27:49  Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem te verlossen. Literatuur:

27:50  En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest. Literatuur:

27:51  En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. Literatuur:

27:52  En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; Literatuur:

27:53  En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. Literatuur:

27:54  En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon! Literatuur:

27:55  En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen. Literatuur:

27:56  Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeus. Literatuur:

27:57  En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. Literatuur:

27:58  Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden. Literatuur:

27:59  En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad. Literatuur:

27:60  En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. Literatuur:

27:61  En aldaar was Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover het graf. Literatuur:


Bijbelstudies
Wereldvrede -- of wereldchaos?  

27:62  Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de Farizeen tot Pilatus, Literatuur:

27:63  Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan. Literatuur:

27:64  Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste. Literatuur:

27:65  En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat. Literatuur:

27:66  En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende. Literatuur:

<< Genesis 26         Genesis 28 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)