Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 2         Genesis 4 >>

Prediker 3

3:1  Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd. Literatuur:

3:2  Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien; Literatuur:

3:3  Een tijd om te doden, en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken, en een tijd om te bouwen; Literatuur:

3:4  Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen; Literatuur:

3:5  Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te vergaderen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen; Literatuur:

3:6  Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen; Literatuur:

3:7  Een tijd om te scheuren, en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken; Literatuur:

3:8  Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede. Literatuur:

3:9  Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij bearbeidt? Literatuur:

3:10  Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren. Literatuur:

3:11  Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe. Literatuur:

3:12  Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven. Literatuur:

3:13  Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods. Literatuur:

3:14  Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht. Literatuur:

3:15  Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en God zoekt het weggedrevene; Literatuur:

3:16  Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid. Literatuur:

3:17  Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk. Literatuur:

3:18  Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven. Literatuur:

3:19  Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid. Literatuur:

3:20  Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof. Literatuur:

3:21  Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde? Literatuur:

3:22  Dies heb ik gezien, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal? Literatuur:

<< Genesis 2         Genesis 4 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)