Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Spreuken 30         Prediker 1 >>

Spreuken 31

31:1  De woorden van den koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.

31:2  Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?

31:3  Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.

31:4  Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;

31:5  Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.

31:6  Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;

31:7  Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.

31:8  Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.

31:9  Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

31:10  Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

31:11  Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.

31:12  Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.

31:13  Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.

31:14  He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.

31:15  Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.

31:16  Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.

31:17  Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.

31:18  Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.

31:19  Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.

31:20  Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.

31:21  Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.

31:22  Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.

31:23  Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.

31:24  Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.

31:25  Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.

31:26  Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.

31:27  Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

31:28  Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:

31:29  Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.

31:30  Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden. Literatuur:

31:31  Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

<< Spreuken 30         Prediker 1 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)