Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Spreuken 25         Spreuken 27 >>

Spreuken 26

26:1  Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.

26:2  Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen. Literatuur:

26:3  Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.

26:4  Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

26:5  Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

26:6  Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.

26:7  Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.

26:8  Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.

26:9  Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.

26:10  De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.

26:11  Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.

26:12  Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

26:13  De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

26:14  Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

26:15  De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

26:16  De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.

26:17  De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt. Literatuur:

26:18  Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt; Literatuur:

26:19  Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede? Literatuur:

26:20  Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild. Literatuur:

26:21  De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken. Literatuur:


Artikelen
Het negende gebod  

26:22  De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks. Literatuur:

26:23  Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen. Literatuur:

26:24  Die haat draagt, houdt zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan. Literatuur:

26:25  Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. Literatuur:

26:26  Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden. Literatuur:


Artikelen
Het negende gebod  
Het negende gebod  (2)

26:27  Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren. Literatuur:


Artikelen
Het negende gebod  
Het negende gebod  (2)

26:28  Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting. Literatuur:


Artikelen
Het negende gebod  
Het negende gebod  (2)

<< Spreuken 25         Spreuken 27 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)