Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Leviticus 13         Leviticus 15 >>

Psalmen 104

104:1  Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

104:2  Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

104:3  Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

104:4  Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

104:5  Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

104:6  Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

104:7  Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

104:8  De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

104:9  Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

104:10  Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen. Literatuur:

104:11  Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

104:12  Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

104:13  Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

104:14  Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

104:15  En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.

104:16  De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

104:17  Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

104:18  De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

104:19  Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang. Literatuur:

104:20  Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

104:21  De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

104:22  De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

104:23  De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

104:24  Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. Literatuur:

104:25  Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. Literatuur:

104:26  Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen. Literatuur:

104:27  Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Literatuur:

104:28  Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. Literatuur:

104:29  Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Literatuur:


Bijbelstudies
Wat is de mens precies?  

104:30  Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. Literatuur:

104:31  De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

104:32  Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

104:33  Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

104:34  Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.

104:35  De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

<< Leviticus 13         Leviticus 15 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)