Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Psalmen 34         Psalmen 36 >>

Psalmen 35

35:1  Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.

35:2  Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.

35:3  En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.

35:4  Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.

35:5  Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.

35:6  Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

35:7  Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.

35:8  De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

35:9  Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.

35:10  Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.

35:11  Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.

35:12  Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.

35:13  Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem. Literatuur:

35:14  Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.

35:15  Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

35:16  Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.

35:17  HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.

35:18  Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.

35:19  Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.

35:20  Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.

35:21  En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!

35:22  HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.

35:23  Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.

35:24  Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.

35:25  Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

35:26  Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

35:27  Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!

35:28  Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.

<< Psalmen 34         Psalmen 36 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)