Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Psalmen 11         Psalmen 13 >>

Psalmen 12

12:1  Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. (:) Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

12:2  (:) Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

12:3  (:) De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;

12:4  (:) Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

12:5  (:) Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast. Literatuur:

12:6  (:) De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

12:7  (:) Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. Literatuur:

12:8  (:) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.

<< Psalmen 11         Psalmen 13 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)