Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Job 38         Job 40 >>

Job 39

39:1  (:) Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

39:2  (:) Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

39:3  (:) Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? Literatuur:

39:4  (:) Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

39:5  (:) Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

39:6  (:) Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

39:7  (:) Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

39:8  (:) Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

39:9  (:) Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

39:10  (:) Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

39:11  (:) Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

39:12  (:) Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

39:13  (:) Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

39:14  (:) Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

39:15  (:) En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

39:16  (:) Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

39:17  (:) Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

39:18  (:) Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

39:19  (:) Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

39:20  (:) Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

39:21  (:) Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.

39:22  (:) Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.

39:23  (:) Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

39:24  (:) Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

39:25  (:) In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

39:26  (:) Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

39:27  (:) Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?

39:28  (:) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.

39:29  (:) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.

39:30  (:) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.

<< Job 38         Job 40 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)