Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Job 19         Job 21 >>

Job 20

20:1  Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

20:2  Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.

20:3  Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.

20:4  Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft, Literatuur:

20:5  Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik? Literatuur:

20:6  Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;

20:7  Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?

20:8  Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.

20:9  Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.

20:10  Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.

20:11  Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

20:12  Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

20:13  Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

20:14  Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

20:15  Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.

20:16  Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.

20:17  De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.

20:18  Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.

20:19  Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;

20:20  Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.

20:21  Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

20:22  Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

20:23  Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.

20:24  Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.

20:25  Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.

20:26  Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.

20:27  De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.

20:28  De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.

20:29  Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.

<< Job 19         Job 21 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)