Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 18         Genesis 20 >>

Job 19

19:1  Maar Job antwoordde en zeide:

19:2  Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

19:3  Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

19:4  Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.

19:5  Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

19:6  Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

19:7  Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

19:8  Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

19:9  Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

19:10  Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.

19:11  Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

19:12  Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.

19:13  Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

19:14  Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

19:15  Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.

19:16  Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

19:17  Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.

19:18  Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

19:19  Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

19:20  Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

19:21  Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

19:22  Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?

19:23  Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!

19:24  Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!

19:25  Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Literatuur:

19:26  En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Literatuur:

19:27  Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.

19:28  Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

19:29  Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.

<< Genesis 18         Genesis 20 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)