Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Job 16         Job 18 >>

Job 17

17:1  Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

17:2  Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?

17:3  Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.

17:4  Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.

17:5  Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.

17:6  Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

17:7  Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.

17:8  De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;

17:9  En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.

17:10  Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.

17:11  Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.

17:12  Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.

17:13  Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. Literatuur:


Bijbelstudies
Wat is de 'hel'?  

17:14  Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!

17:15  Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?

17:16  Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.

<< Job 16         Job 18 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)