Selecteer vers


Voer vers in


(b.v. johannes 8 32)

<< Genesis 2         Genesis 4 >>

Job 3

3:1  Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.

3:2  Want Job antwoordde en zeide:

3:3  De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;

3:4  Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

3:5  Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

3:6  Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

3:7  Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

3:8  Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

3:9  Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

3:10  Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

3:11  Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?

3:12  Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?

3:13  Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

3:14  Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

3:15  Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

3:16  Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

3:17  Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

3:18  Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.

3:19  De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

3:20  Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

3:21  Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

3:22  Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

3:23  Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

3:24  Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

3:25  Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. Literatuur:

3:26  Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

<< Genesis 2         Genesis 4 >>

Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)