Hebree├źn: Een boodschap voor deze tijd

Door John W. Ritenbaugh
21 oktober 2000

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh merkt een parallel op tussen de ontvangers van het boek Hebreeën en onze huidige situatie en hij suggereert dat de druk die deze mensen ondervonden, geen bloedige vervolging was, maar in plaats daarvan constante psychologische druk (economisch, gezondheid, vervolging van de kerk, sociaal, familie, etc.), waarvan de ene golf na de andere kwam en waaraan schijnbaar geen einde kwam, waardoor vermoeidheid en ongevoelige apathie ontstonden. Het boek Hebreeën voorziet in bronnen om verdwijnende vurigheid en motivatie te doen herleven door zich opnieuw te richten op de oorzaak van onze hoop en geloof, Christus' geloofsbrieven helder vast te stellen evenals het belang van Zijn boodschap en daardoor de oorspronkelijke opwinding van hun (en onze) roeping en hun (en onze) ontzagwekkende toekomst die zij (en wij) in gevaar hebben gebracht door apathie en nalatigheid, weer terug te krijgen. We worden aangespoord ons zicht en beschadigde geloofsopvattingen te reanimeren en op nieuw scherp te stellen, waardoor we weer toegang krijgen tot God door Christus onze Hogepriester en aanspraak kunnen maken op de beloften van het Nieuwe Verbond.


In bepaalde opzichten is dit het zwaarste jaar van mijn leven geweest. Ik wil daarmee niet impliceren dat het in alle opzichten "slecht" is geweest, omdat zelfs goede dingen tot op zekere hoogte stress met zich kunnen meebrengen. Maar met de stress die met de "goede" dingen samenhangt, is gemakkelijker om te gaan en we verheugen ons erin als we die goede dingen ervaren. Ik moet mezelf voor wat betreft dit punt in acht nemen, omdat ik me bij God niet wil beklagen. Hij houdt mijn leven in de gaten. Hij weet alles wat er zich in afspeelt. En Hij geeft me niets dat te zwaar is om mee om te gaan. Het kan zijn dat ik denk dat iets te zwaar is, maar dat is dan niet werkelijk het geval. Hij is Zich op dezelfde manier bewust van waar u doorheen gaat, en u bent in staat om datgene te verdragen waar Hij u doorheen laat gaan. Maar desondanks is het moeilijk en ik wil niet dat ik daardoor een verkeerde houding krijg.

Ik weet dat niet alleen ik die gevoelens heb, omdat velen van u soortgelijke dingen die ik zojuist zei, tegen mij hebben geuit. U geeft mij de indruk dat velen van u het gevoel hebben dat we door de wereld ingesloten worden. Ik denk dat ik nooit een jaar heb meegemaakt waarin er zoveel ernstige ziekten hun invloed deden gelden op gezinnen binnen de kerk. Zijn er mensen onder u die zich veilig voelen omdat de natie bestuurd wordt door goede en sterke leiders? Zijn er heel veel leiders die u onvoorwaardelijk vertrouwt? Naar het schijnt heeft onze president de reputatie van praktisch elke politieke figuur in de Verenigde Staten permanent beschadigd of besmeurd door ons de indruk te geven dat ze (tenminste in bepaalde opzichten) allemaal wel wat van hem weghebben.

De kerk is zich niet weer aan het verenigen. De mensen blijven geloofsproblemen creëren voor ons die in de kerk zijn, door ongeduldig aan te dringen op het veranderen van leerstellingen — veelal op dezelfde manier als waarop de Tkachs dat deden, behalve dan dat deze mensen niet de positie van autoriteit hebben van waaruit ze hun favoriete leerstelling aan de kerk kunnen opleggen. Maar desondanks hebben ze het erover. Zij laten die opvattingen circuleren in de gemeente. En zij veroorzaken irritatie — en soms boosheid en aanstoot — binnen de gemeente.

Ik zei geloofsproblemen, en dit is belangrijk, omdat geloof voortkomt uit een leerstellige basis. Geloof komt uit horen, het horen van het woord van God. Het woord van God bevat het onderwijs van Jezus Christus. Daar komt geloof uit voort — uit het onderwijs van Jezus Christus. En als er leerstellingen worden veranderd, vormt dat een uitdaging voor wat men gelooft. Daardoor zal iemands geloof aan het wankelen worden gebracht of de leerstellige uitdaging zal, indien hij wordt aanvaardt, het geloof samen met de leerstelling veranderen. Dat proces was er in feite de oorzaak van dat de kerk zich afsplitste van de Worldwide Church of God en verstrooid raakte.

Als iemand echt serieus is betreffende zijn toewijding aan God door de kerk van God, dan hebben al deze dingen invloed op zijn energie. En we worden zo moe in ons pogen de druk te ontwijken en in balans te blijven binnen de maalstroom van al de gebeurtenissen die gaande zijn (1) in de wereld, (2) in de kerk, en soms (3) regelrecht in onze gezinnen.

God inspireerde een boek in Zijn Woord dat ingaat op soortgelijke omstandigheden als waarin wij ons bevinden. Het is op zijn eigen wijze het boek in het Nieuwe Testament dat het hardste aankomt (misschien zelfs wel uit de gehele Bijbel). Maar aan de andere kant is het aantoonbaar ook het meest bemoedigende boek — vanwege de geruststellende toon die in het onderhavige materiaal wordt aangeslagen.

Ik denk dat we allemaal wel favoriete gedeelten van de Schrift hebben die ons in het bijzonder raken, of in het bijzonder betrekking hebben op wat we in ons leven ervaren. En zelfs zal een specifiek boek zo af en toe een inspirerende snaar in ons raken vanwege de toestand waarin ons leven zich op dat moment bevindt. Maar ik denk dat zelfs wij het voortdurende belang van de Bijbel te weinig op prijs stellen. De Bijbel gaat over absolute zaken en is toch altijd bij de tijd. De hele Bijbel is voor ons geschreven. Maar als er ooit een boek was dat met een boodschap van vermaning voor ons in dit tijdperk geschreven is — in deze tijd van de geschiedenis van de kerk — dan is dat wel het boek Hebreeën.

Dit boek brengt heel wat beroering teweeg onder de geleerden van de wereld, omdat het een aantal mysteries bevat. Zij weten niet wie het schreef, omdat het niet ondertekend is. Zij weten niet aan wie het specifiek geschreven werd, omdat het aan niemand is geadresseerd. Het bevat weinig persoonlijke uitdrukkingen (zoals Paulus die altijd aan het einde van zijn brieven schreef, waarbij hij zichzelf identificeerde als degene die de brief dicteerde of zelfs een deel van de brief schreef). Er staat niet: "Ik, Petrus, schrijf aan ..." of "Ik, Jacobus, richt me tot de twaalf stammen." Er staat niets van dien aard in Hebreeën.

Er staat feitelijk ook geen slot in — zoals Paulus dat gewoonlijk doet. Het is in feite niet eens een brief. Het heeft meer weg van een verhandeling. Een verhandeling is een overtuigend betoog in schriftelijke vorm. Maar een verhandeling bevat geen vermaningen. Het is slechts een gedetailleerd betoog, één kant van een debat, of zoiets.

Maar het boek Hebreeën bevat aantoonbaar de krachtigste vermaningen van de hele Bijbel.

Eén ding waar de wereld het over eens is (de commentatoren heffen in het bijzonder jubelzangen aan als ze het hierover hebben), is de schoonheid van de taal. Met name de woordbeelden die de auteur geeft om de liefde tot uitdrukking te brengen die hij ongetwijfeld — tot in het diepst van zijn wezen — voelde voor de mensen aan wie hij schreef, en voor de kerk van God en in het bijzonder voor Jezus Christus. Eén commentator zei: "Gemeten tegen elke standaard zou het in elke tijdsperiode behoren tot één van de top vier of vijf geschriften in de geschiedenis van de mens."

Het voorwoord van Barnes' Notes op Hebreeën zegt: "Het bevat de meest sublieme beschrijvingen van de waardigheid en heerlijkheid van Christus' persoon, de uitnemendheid van Zijn offer en de superioriteit van Zijn evangelie; en waar het indrukwekkende betoog een pauze toelaat wordt het vermengd met aansporend materiaal, vervuld van ernst en meeleven."

Adam Clarke schrijft in zijn voorwoord op Hebreeën: "De brief aan de Hebreeën is verreweg de belangrijkste en nuttigste van alle apostolische geschriften. Het is het toppunt van de dispensaties van God die sinds de grondlegging van de wereld tot aan de komst van Christus aan de mens gegeven zijn." Ongeveer een alinea verder vervolgt hij: "Er zijn zoveel schoonheden, het is zo uitnemend, de materie is zo instructief en op zo'n aangename manier geschreven, het geheel is zo uitzonderlijk interessant dat het werk wel honderd keer gelezen kan worden zonder dat er enige eentonigheid wordt ervaren en waarbij iedere keer nieuwe en toegevoegde informatie wordt opgedaan. Het laatste is een uitnemendheid die de hele openbaring van God eigen is, maar geen enkel deel heeft dit op zo'n bijzondere en boven alles uitgaande manier als de brief aan de Hebreeën."

En toch durf ik te beweren dat het boek Hebreeën onder de leden van de kerk het minst bekende en begrepen is van alle nieuwtestamentische geschriften. We kennen het geloofshoofdstuk, hoofdstuk 11. We hebben weet van geïsoleerde punten (zoals Melchisedek). We kennen de priesterlijke beeldspraak die erin voorkomt, maar vaak kunnen we de gedachten van de auteur niet volgen — en dat is zo van het begin tot het einde.

Geleerden beseffen dat er veel onzekerheden zijn, maar ze zijn heel zeker van het onderwerp, waarom het werd geschreven en waarom het van zulk uitnemend belang is voor ons. Het werd aan christenen geschreven. Daar bestaat geen twijfel aan. Hoogstwaarschijnlijk waren dat Joden en hoogstwaarschijnlijk leefden zij in het gebied van Palestina en begonnen ze zich over andere delen van de wereld te verspreiden. Deze Joden verkeerden in een situatie die enigszins op die van ons leek — en misschien kunnen we zelfs zover gaan om te zeggen dat die heel sterk op die van ons leek; maar die situatie was al veel verder ontwikkeld. Ook zij naderden het einde van een tijdperk.

Hun "tijdperk" begon met de geboorte van Christus. Het duurde voort tijdens Zijn prediking, Zijn dood en opstanding, het oprichten van de kerk, het verkondigen van het evangelie door de apostelen (eerst aan de Joden en daarna ook aan de heidenen). Dat tijdperk liep door tot 70 n.Chr. en het uiteenvallen van het Joodse leven in Palestina. Hun wereld kwam om zo te zeggen tot een einde.

Ons "tijdperk" begon in 1927 met de roeping en bekering van Herbert Armstrong, het begin van het Filadelfia tijdperk in 1933, het oprichten van Ambassador College, het overal ter wereld verkondigen van het evangelie, de dood van Herbert Armstrong en de versplintering van de kerk — en dit tijdperk loopt door tot het uiteenvallen van het menselijke bestuur op aarde.

Hebreeën werd geschreven aan een oudere, gevestigde groep — waarvan sommigen misschien wel twintig of dertig jaar in de kerk waren. Ik zeg "dertig", omdat men algemeen aanneemt dat het boek Hebreeën ergens tussen 62 en 67 n.Chr. geschreven werd. De verwoesting van de tempel had nog niet plaatsgevonden, maar er begonnen (in plaatsen zoals Rome) vervolgingen rechtstreeks gericht tegen de kerk de kop op te steken. En ongetwijfeld waren er in het gebied van Palestina vervolgingen voortgekomen uit de Joodse cultuur die de kerk in dat gebied omgaf.

We weten dat op een bepaalde tijd de vervolging vrij hevig was, en dat Jacobus, de broer van Johannes, gedood werd. We weten dat Paulus in dat gebied tijdens de vroege jaren van de kerk, de christenen vervolgde. Natuurlijk was er aan zijn vervolging een einde gekomen; maar anderen hadden die voortgezet, omdat zij dezelfde geestesgesteldheid hadden die hij had gehad.

Vandaar de druk van dertig, in sommige gevallen, heel moeilijke jaren voor de kerk — heel wat moeilijker dan de meesten van ons ooit hebben meegemaakt. De meeste van onze moeilijkheden schijnen tot uiting te komen in dingen als een baan en geldzaken. Maar niemand achtervolgt ons op straat om ons met pek en veren te bedekken. Maar als we deze brief doornemen, zullen we gaan zien dat deze mensen geen bloedige vervolging te verduren hadden; maar ze gingen in de een of andere vorm door een vervolging.

Een van de problemen die de Hebreeën het hoofd moesten bieden, had vandoen met de tijden waarin deze mensen leefden, en de houding van de mensen jegens de tijden — in tegenstelling tot het goede nieuws (ik bedoel het evangelie van het Koninkrijk van God) dat deze mensen hadden gehoord, en in overeenstemming waarmee ze werden verondersteld te leven. Deze mensen stonden onder druk van de tijden waarin ze leefden! Geen bloedige vervolging, maar er werd heel wat psychologische druk uitgeoefend op hen die in de kerk waren.

De aard van hun druk was economisch. Hij was sociaal — vanuit de cultuur om hen heen, en misschien zelfs vanuit hun eigen familiekring. Hij was moreel, vanwege de decadentie die er in het bijzonder in het gebied van Palestina heerste. En de mensen stonden voortdurend in religieus opzicht onder druk om terug te gaan naar de wereld van het Judaïsme. U weet vanuit de brieven die Paulus schreef, dat dat waar is. Het is interessant dat anderen in die tijdsperiode werden afgeleid juist door het succes van "het werk" en zelfs hun eigen individuele voorspoed die God hun rijkelijk gegeven had.

Evenals wij voortdurend onder druk gezet worden om terug te gaan naar het vrijzinnig protestantisme, waardoor we worden omringd, zo gebeurde er psychlogisch ook iets met deze mensen. Ik zal het op de volgende manier beschrijven. Dit is iets dat ik leerde van een psycholoog uit deze wereld. Ik ga iets beschrijven waarvan wij, als we niet voorzichtig zijn, heel gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden.

Als iemand die u bekend was (misschien wel iemand die u heel na stond) naar u toe kwam, en schijnbaar zonder enige uitdaging u een flinke stoot op de neus gaf waardoor u op uw achterste viel — waarbij u zich natuurlijk afvroeg "Wat gebeurt er nu"? — is de kans heel groot dat de eerste emotie die bij u opkwam er één van verrassing zou zijn. "Wat heb ik gedaan om dit te verdienen?" U vermant uzelf en gaat op uw knieën zitten, en als u zich overeind werkt en bijna weer staat, krijgt u weer een klap in het gezicht. Tegen deze tijd begint uw houding te veranderen. U bent niet langer verrast. U voelt dat u rood begint te worden en misschien gaan ook uw haren wel overeind staan, en er welt een grote boosheid in u op.

Hoe dan ook, u komt overeind. En als u net op uw voeten staat krijgt u weer een dreun. Tegen deze tijd verandert de boosheid in woede. U vermant zich echter nogmaals en komt weer overeind, en daar komt de volgende dreun waardoor u weer onderuit gaat. Nu wordt de woede vervangen door een andere reactie. Er begint zich een andere emotie in uw denken te ontwikkelen en u begint te denken: "Wanneer houdt hij ermee op? Wanneer komt hier een eind aan? Ik kan dit niet veel langer verdragen."

Maar u sleept uzelf weer overeind (net als u de problemen van het leven het hoofd biedt). U vermant uzelf en komt overeind. En net als u weer stevig op de voeten staat, krijgt u de volgende dreun te incasseren en weer gaat u onderuit. Uiteindelijk, gemeente, komt u zover dat u denkt: "Het zal me een zorg zijn wat hij nog verder doet. Ik verlang er alleen maar naar dat hij ermee ophoudt." U hebt het punt van apathie bereikt. Het interesseert u niet langer.

Dat werd beschreven door Abraham Maslow en dat is een ware cyclus. Het is een serie emoties waar we doorheen gaan als we getroffen worden door een schijnbaar eindeloze reeks moeilijkheden. We worden uiteindelijk apathisch voor wat er zich rondom ons afspeelt; het interesseert ons niet langer.

Dat gebeurde er met de mensen in het boek Hebreeën. Het was geen bloedige vervolging. Het was een constante druk die op het denken werd uitgeoefend. Economische druk, gezondheidsproblemen, problemen van vervolging van de kerk, sociale druk, familiedruk ... noem maar op — de een komt na de ander in een golfbeweging die nooit schijnt op te houden. En we zullen die het hoofd moeten bieden, omdat de dingen in geen enkel opzicht beter zullen worden! En de druk zal verder opgebouwd worden. We kunnen maar beter een Bron hebben waar we naar toe kunnen gaan om de stormen die ons psychologische schade kunnen berokkenen, te doorstaan, omdat wij van onszelf niets hebben om de beproevingen (de moeilijkheden, de druk) die op ons afkomen, te weerstaan.

Het uitwendige effect op deze mensen wordt door de apostel Paulus heel duidelijk in Galaten 6 weergegeven.

Apathie heeft een gevolg, namelijk dat we — behalve dat het leven ons niet meer interesseert — ook onverschillig worden voor God. Het laat ons steeds onverschilliger.

Galaten 6:7-10 Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8 Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. [Dat is de weg die we willen gaan.] 9 Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. 10 Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

God wil een getuigenis van ons. Hij weet hoeveel wij aan kunnen, en Hij wil ons voorbereiden op de dingen die komen gaan. En daarom krijgen we te maken met het ene probleem na het andere. Dat maakt deel uit van de voorbereiding waar we doorheen gaan, om te zien of we wel of niet tot het einde zullen volharden.

Mattheüs 24:13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

2 Thessalonicenzen 3:10-13 Want ook toen wij bij u waren, bevalen wij u dit: Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten. 11 Wij horen namelijk, dat sommigen onder u zich ongeregeld gedragen, door geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; 12 zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here Jezus Christus, dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten. 13 En gij, broeders, wordt niet moede te doen wat goed is.

Apathie zorgt ervoor dat iemand zich moe voelt — terwijl we in feite niets doen dat vermoeidheid teweegbrengt. En er komt een tijd dat we dit echt het hoofd zullen moeten bieden, en onszelf opofferingen gaan getroosten en niet langer toestaan dat die vermoeidheid ons overmant. Dat soort psychologische vermoeidheid kan ons lichamelijk ziek maken, zodat we niet meer in staat zijn iets te doen.

Het zit allemaal in ons denken. Denk aan de preek die David Maas gisteren gaf. We willen niet onderworpen worden aan dusdanige verdraaiingen van de dingen die we geleerd hebben, dat het een negatieve uitwerking heeft op onze fysieke gezondheid en tegelijkertijd ons psychologisch beïnvloedt — beide effecten werken tegen ons om iets binnen het werk van God te bereiken. Dat wil zeggen dat we niet langer plooibaar zijn in Zijn handen — omdat we niets zullen doen. We liggen daar gewoon apathisch neer, wachtend op het onvermijdelijke einde.

De mensen aan wie Hebreeën werd geschreven, waren enigszins versuft door de herhaalde moeilijkheden van de dagelijkse sleur — voor wat betreft het moreel van de samenleving, economische en sociale problemen, geruzie en verdeeldheid binnen de kerk; evenals de spanningen die met overwinnen samengaan. Maar laten we Openbaring 2 opslaan voor een bepaald principe. Daarvoor beginnen we met het lezen van vers 7 om daarna naar vers 2 te gaan.

Openbaring 2:7a Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. ...

Bedenk dat iedere brief voor alle kerken werd geschreven. Wat aan de Efeziërs werd geschreven is dus ook van toepassing op ons die tijdens de Laodiceïsche periode op het toneel verschijnen.

Openbaring 2:2-5 Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden, 3 en gij hebt volharding en hebt verdragen om mijns naams wil en gij zijt niet moede geworden. 4 Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. 5 Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.

Begrijp alstublieft dat deze mensen hun eerste liefde niet "verloren" hadden. Zij hadden de Geest van God. De liefde was er! Maar zij hadden die verzaakt. Zij gebruikten die niet. Zij waren moe geworden door alle druk die zich in hun leven, in hun denken, had aangediend. En dus verzaakten zij de liefde, maar de Geest van God was er — dat is de Geest van kracht, en van liefde, en van bezonnenheid. Deze mensen moesten zover gebracht worden dat ze zich bekeerden. Ze waren voor wat betreft geestelijke dingen apathisch geworden. Door de spanningen en de druk waren ze gevoelloos geworden.

Het boek Hebreeën voorziet in de redenen waarom en diept deze uit en adviseert hoe die vurigheid terug te krijgen voor datgene wat ze vroeger met zoveel emotie en enthousiasme hadden liefgehad. Het doet dat door ons te herinneren aan de immense waarde van de ontzagwekkende gaven die ons gegeven werden. En natuurlijk wat we ermee zouden moeten doen.

Mattheüs 24:12 En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen.

Dit is een waarschuwing voor ons — dat de wetsverachting die in deze wereld heerst een verlies aan liefde binnen de kerk zal veroorzaken. En ik denk dat als u de opeenvolging van de gebeurtenissen die in Mattheüs 24 worden vermeld, begrijpt, dat dan vers 12 in de periode van de verdrukking valt. We naderen die tijd steeds meer en we bevinden ons in de periode waarin de druk op de kerk – vanuit de wereld — steeds meer toeneemt. En als die toeneemt kan die het psychologische effect hebben — omdat we moe worden om daarmee om te gaan – dat we apathisch worden (dat wil zeggen zonder gevoel voor wat we vroeger in zo sterke mate liefhadden).

Er heerst dus wetsverachting in de wereld, maar het tegenstand bieden daaraan is een voortdurende druk, omdat die zo'n enorme druk uitoefent door een aanlokkelijke façade — om toe te geven en gewoon met de stroom mee te gaan. Als men daarin leeft en alle anderen doen het, wordt het langzamerhand aanvaardbaar gedrag — wat er een bewijs van is dat de apathie het heft in handen neemt. Ik bedoel het moment waarop het gedrag van de wereld "aanvaardbaar" wordt.

We moeten naar ieder aspect kijken. (In sommige opzichten zijn dit echt maar kleinigheidjes.) Hoe kleden ze zich? Naar welke muziek luisteren ze? Wat voor soort films brengt de wereld uit? Wat is hun houding in het omgaan met elkaar – in winkels, op straat, in woongebieden? In veel plaatsen krijgt u bijna niemand zover dat ze u groeten. Ik zie het in de buurt waar ik woon. Ik ga iedere morgen wandelen. Gewoonlijk neem ik de moeite om te groeten. Maar u zult er verbaasd over zijn hoeveel mensen hun ogen afwenden. Het kan een kleinigheid zijn, maar zo zouden we niet moeten zijn. In die zin zouden we een open boek moeten zijn — zoals een klein kind. Maar er zijn veel dingen in deze trant. De wetsverachting heerst in de wereld, maar het zet ons aan om soortgelijke dingen te doen; en zo groeit het uit tot ons gedrag.

Dit is natuurlijk niet meer dan hypothetisch. Maar veronderstel eens dat iemand zich tien jaar geleden met de wereld vergeleek en dat hij toen 50% rechtvaardiger was dan de wereld. En veronderstel dat hij in deze tijd exact hetzelfde zou doen en tot de conclusie zou komen minstens 50% rechtvaardiger te zijn dan de wereld in deze tijd. Als de wereld in die periode echter onrechtvaardiger zou zijn geworden, dan is hij — zelfs als hij nu misschien 50% rechtvaardiger is dan de wereld nu — in feite in die tien jaar achteruitgegaan — in hetzelfde tempo als de wereld.

De wereld heeft een manier om de dingen "aanvaardbaar" te doen zijn, omdat de wereld er altijd is en druk in die richting uitoefent. En we komen dichtbij wat er met de Hebreeën gebeurde. We zullen zien, als we door deze brief gaan, dat zonde (immoraliteit) niet persé hun probleem was. Ik geloof dat het woord "zonde" slechts drie keer in het boek Hebreeën voorkomt. Dat was niet hun probleem. Zij hadden een probleem in hun denken! Dat was hun houding. En hun zonde lag in het feit dat zij tekortschoten in de heerlijkheid van God in de houding die zij hadden jegens God en Zijn weg. Daardoor ontstond bij hen een gebrek aan groei. Ze gingen achteruit, en toch dachten ze dat het goed met hen zat. In hoofdstuk 5 geeft de schrijver van de brief hen verbaal een tik op de neus.

Lucas 21:34a [Jezus zegt:] Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes [Statenvertaling: brasserij] ...

"Brasserij" duidt op het overdadig toegeven aan zijn begeerten. Dat zou voedsel kunnen zijn. Dat zou drank kunnen zijn. Dat zouden heel wat dingen kunnen zijn. Ik wil hier niet veel tijd aan besteden; maar ik wil onder uw aandacht brengen dat de wereld voortdurend druk, druk, druk uitoefent tot het overdadig toegeven aan onze begeerten. U kunt de televisie niet aanzetten zonder dat ze druk op u uitoefenen met auto's. "Besteed uw geld hieraan." Ze oefenen druk uit met voedsel. Ze oefenen druk uit met voedsel zonder enige voedingswaarde, gevaarlijk dingen (zoals Coke en Pepsi en nog heel wat andere dingen) — dingen die niet goed zijn voor uw gezondheid; maar zij oefenen voortdurend en bij herhaling druk, druk en nog eens druk op u uit. "Doe dit." "Probeer dit." "Gebruik uw tijd op deze manier." Ze hebben het voortdurend op ons gemunt. Het is de spanning die voortkomt uit het weerstaan van wat zij op ons doen afkomen — in de verkoop van hun producten, in de verkoop van hun manier van leven, in de verkoop van hun houding.

Dat is het onderwerp van het boek Hebreeën. De mensen hadden niet toegegeven aan immoraliteit. Maar wie dan ook dat boek schreef (en ik denk persoonlijk dat Paulus de auteur ervan is), hij wist dat de spanning vroeger of later hun uitwerking op hen zou hebben. Jezus zegt dus:

Lucas 21:34 Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik.

Ziet u het eindresultaat hiervan? Jezus zei dat het eindresultaat is dat we vergeten in welke tijd we leven — zodat die dag plotseling over ons komt.

Lucas 21:35-36 Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. 36 Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.

De richting van Jezus' vermaning hier is dus dat we voortdurend Zijn wederkomst moeten verwachten. Dat maakt een belangrijk onderdeel uit van waar we op moeten zijn gericht. En als ik het mag zeggen: dit is een belangrijk onderliggend thema in het boek Hebreeën. Het is niet het belangrijkste punt van Hebreeën, maar in het algemeen is het een belangrijk onderliggend thema. De vermaningen in dat boek zijn voor ons om ervoor te zorgen dat we onze aandacht op iets anders gaan richten, en ervoor te zorgen dat we onze aandacht richten op de wederkomst van Jezus Christus en voorbereid zijn als die tijd aanbreekt, wanneer dat ook maar mag zijn. De vermaningen zijn erop gericht dat we de wereld niet toestaan op ons denken los te beuken — waardoor ons leven en onze tijd opgaan aan dingen waar we ons niet mee bezig zouden moeten houden.

Hebben we bepaalde dingen nodig waar de wereld ons mee treft? Ja, we moeten leven. Maar we moeten genoeg begrip hebben om ervoor te zorgen dat ze ons niet uitputten, in de zin dat ze een hoofdbestanddeel van ons leven worden. De richting van Jezus' vermaning is dus dat we voortdurend Zijn wederkomst moeten verwachten. Apathische mensen verkeren in een benevelde toestand voor wat betreft hun geestelijke conditie. En daarom waarschuwt Hij ons om ons in dit leven niet veilig en tevreden met onszelf te gaan voelen door de goede dingen waarin het voorziet — maar ons met een schok wakker te doen worden!

Laten we enkele bekende schriftgedeelten in Openbaring 3 opslaan — gewoon om ons te herinneren aan het Laodiceïsche tijdperk, omdat we daarin leven.

Openbaring 3:15-17 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! 16 Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. 17 Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte,

Het is een triest feit dat bij het naderen van het einde dit de richting is waarin de kerk geprofeteerd is te gaan. Er is een redelijk nauwe parallel tussen Laodiceanisme en de toestand der Efeziërs. Laodiceeërs hebben in essentie geen juist gevoel voor God en de waarheden van God. De toestand is zover gekomen dat ze het idee hebben dat ze die niet langer nodig hebben.

Hier past een waarschuwing bij: Dit betekent geenszins dat de Laodiceeër een lui iemand is. Zij zijn rijk en hebben aan niets gebrek. En niemand wordt "rijk waardoor hij aan niets gebrek heeft" door op zijn achterste te zitten. Maar we zien dat hun sterke gevoelens en hun energie aan de verkeerde dingen worden besteed. Daarom hebben ze niet de juiste overtuiging betreffende de dingen van God. Zij zijn apathisch. Zij zwalken maar wat rond. Zij zijn blind, geestelijk. Hoe kan een blind iemand overleven in een wereld die vol zit met allerlei obstakels? Zij zouden zich uiterst voorzichtig bewegen uit angst om ergens tegen aan te botsen. En ze zouden tegen allerlei dingen aan botsen, omdat ze blind zijn.

De Laodiceeërs maken geen voortgang op weg naar het Koninkrijk van God. Zij zijn tot stilstand gekomen. Zij glijden terug, evenals de Efeziërs. Het probleem met de Laodiceeërs is dat hun sterke gevoelens gericht zijn op de verkeerde dingen. Zonder juiste overtuiging betreffende de dingen van God zijn ze dus apathisch en zwalken ze maar wat rond.

In Hebreeën laat de apostel de overheersende redenen zien waarom we op behoud kunnen hopen. Dat is omdat we toegang hebben tot God door een grote Hogepriester die leeft, die in staat is te helpen en die bereid is te helpen. Dit in tegenstelling tot de hogepriester van het Judaïsme, die onderworpen was aan dezelfde problemen als de mensen die hij verondersteld werd te helpen, en die alleen maar een uitvoerder van de dood kon zijn.

Daarnaast was er een ritueel offersysteem dat symbolisch was (dat geen zonde kon vergeven en ook de zondaar niet kon rechtvaardigen) en een verbond dat geen geestelijke beloften of hoop bevatte. Wij hebben een beter verbond, met betere beloften — rechtvaardiging door het bloed van Christus, hoop omdat Hij "het reeds heeft gemaakt" en Hij zit aan Gods rechterhand. Hij werkt met de Geest van God. Hij is in staat ons sterkte en leven te geven.

Er is een sleutelwoord dat we in gedachten moeten houden als we beginnen het boek Hebreeën te bestuderen. Dat woord is "beter". Het woord zou "superieur" kunnen zijn. Het woord zou "groter" kunnen zijn. Alle drie kunnen worden gebruikt, omdat zij duiden op een vergelijking tussen wat ons is gegeven (of door de wereld of zelfs door de religie van het Judaïsme) en iets anders.

Hebreeën 1:1-4 Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, 2 die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. 3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, 4 zóveel machtiger [De basisbetekenis van het Griekse woord is beter. Hier hebben we dus dat woord dat we in gedachten moesten houden.] geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.

Hebreeën 1:14 Zijn zij [de engelen] niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?

Het eerste hoofdstuk legt het fundament voor het thema dat door dit hele boek zal gaan lopen. Christus is superieur aan engelen. In hoofdstuk 1 legt de auteur het fundament om de aandacht van de lezers op de boodschap te richten. De boodschap is belangrijk — niet alleen omdat die opwindend is en met een zwaarwegende inhoud, maar ook vanwege van Wie hij afkomstig is. In het verleden kwam de boodschap door tussenpersonen — engelen of profeten die gezonden werden. Maar deze boodschap kwam rechtstreeks van de top — de Zoon van God, Jezus Christus. Christus is groter dan (superieur aan) alle engelen en profeten. Al degenen die voor Jezus Christus kwamen waren "minder".

En toen God Zijn boodschap dus door Zijn Zoon introduceerde, kwam die rechtstreeks van de allerhoogste Bron van waar hij kon komen. De bedoeling hiervan is daarom dat we begrijpen dat deze boodschap vereist dat we er een hogere prioriteit aan geven dan aan iets anders in het leven. NIETS gaat boven de boodschap uit die van de Zoon van God kwam. Niemand kan een boodschap brengen die ook maar in de nabijheid van belangrijkheid kan komen.

De boodschap die Mozes bracht was natuurlijk juist en waar; en hij was krachtig. Maar hij kan niet vergeleken worden met de boodschap die van de Zoon van God kwam. Dat is het thema! Christus en wat Hij ons heeft te geven (of dat nu Zijn woorden zijn, of Zijn handelingen als Hogepriester, of Zijn dood, of Zijn verbond) — het doet er niet toe wat het is, absoluut niets in het leven kan met die boodschap vergeleken worden. Wij hebben de meest ontzagwekkende gaven ontvangen die iemand ook maar zou kunnen geven.

Op die manier begint hij. (Alsof er een kanon wordt afgeschoten!) Hoe durven we apathisch te zijn voor deze boodschap! Het wordt niet zo gezegd, maar dat bedoelde hij. Beseft u niet waar deze boodschap vandaan kwam? Rechtstreeks van Hem voor wie en door wie alle dingen werden geschapen. Degene die Adam en Eva schiep, Degene die hun de levensadem gaf, en Degene die nu op dit moment u met Zijn macht ondersteunt. En toch kan de wereld en de druk die zij op ons uitoefent, ons oor op de een of andere manier naar andere dingen doen luisteren. En wij (inclusief mezelf) geven heel vaak heel gemakkelijk toe. (Daar schaam ik me diep over.)

In hoofdstuk 2 krijgen we de allereerste aanduiding van wat de aanleiding was tot het schrijven van het boek Hebreeën. Vers 1 begint: "Daarom ..." Ziet u, als resultaat van wat hij zojuist in hoofdstuk 1 zei. "Daarom" duidt erop dat er nu een conclusie volgt.

Hebreeën 2:1 Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven.

"Opdat wij niet afdrijven." Daar staat het. Daar lag hun zonde. Zij veronachtzaamden wat ze gekregen hadden.

Hebreeën 2:2-4 Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, 3 hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, 4 terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil.

De manier waarop William Barclay die eerste zin in vers 1 heeft vertaald, is heel interessant. Hij zegt: "Wij moeten daarom met een heel bijzondere intensiteit [wat juist het tegenovergestelde is van 'apathie'] aandacht schenken aan wat we hebben gehoord." De schitterende boodschap die deze mensen hadden gehoord, gleed weg uit hun denken.

Dit woord "wegglijden" (of "afdrijven" zoals het in de NBG is vertaald) wordt gebruikt van iets dat onachtzaam, onzorgvuldig of gedachteloos verloren gaat. Het wordt gebruikt voor een ring die van iemands vinger glijdt. Het wordt gebruikt voor een gedachte die men zich in een gesprek laat ontglippen. Of een boot die wegdrijft vanuit de haven omdat de knoop die gelegd werd, losraakt en zodoende drijft hij weg. Het wordt in de Griekse literatuur gebruikt voor iets dat aan iemands denken ontschiet. Hier hebben we dus een belangrijke waarschuwing voor ons in deze tijd — de periode waarin we de meest afleidende, enerverende en beangstigende tijd in de geschiedenis van de mens binnengaan.

Er is hier nog een ander beeld dat volgens mij even fascinerend is. Dat is het beeld van een man die op reis is. Hij draagt een geitenvel. Dat gebruikten ze in die dagen om water in mee te dragen. Deze man droeg een zak van geitenvel gevuld met water over zijn schouder. Het is zijn bedoeling het water dat in die zak zit, te gebruiken om zich te verfrissen en weer energie te geven, wanneer dat nodig mocht zijn. Iedereen die lange tochten moest maken op een reis, zou dat doen. Hij is echter gescheurd. De zak van geitenvel is gescheurd en het water drupt eruit, en hij is zich er niet van bewust. Het water dat erin zit, lekt weg. Als hij uiteindelijk op de plaats aankomt waar hij iets wil drinken om zich te verfrissen, reikt hij naar achter en de zak is leeg. Er is niets over.

Dit doet ons min of meer denken aan de tien maagden en de olie. Zij hebben niets als ze die nodig hebben — omdat het weggelekt is. Zij hebben veronachtzaamd — toen ze nog de tijd hadden — het te kopen bij de verkopers waar het te krijgen was. Maar nu komt de Bruidegom en ze hebben geen olie. Dat soort olie kan niet van de ene persoon naar de andere worden overgeheveld. Zij moeten dus wanhopig eropuit trekken om voor zichzelf te kopen.

Hebreeën 2:5-10 Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. 6 Maar, iemand [David] heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? 7 Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, 8 alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. 10 Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken.

Te beginnen in vers 5 laat de rest van dat hoofdstuk ons zien wat een geweldige toekomst er door deze mensen — vanwege hun apathie — zorgeloos wordt vergooid. God wil Zijn schepping, Zijn universum, vullen met Zijn kinderen die Zijn bestuur in alle delen ervan uitoefenen. En nu, in deze tijd, is ons geboorterecht deze aarde. We zijn daar mede-erfgenamen van — samen met Abraham, omdat we zijn kinderen zijn. We delen de aarde met Jezus Christus, omdat Jezus deze aan Abraham toezegde, zodat we die nu kunnen beërven.

Er staat hier een belangrijk woord. In vers 10, waar staat Leidsman, is het woord in het Grieks archegos. Dat betekent "oprichter" (iemand die een instituut opricht), "grondlegger". Het betekent "hoofd". Het betekent "leider". Het betekent "pionier". Het betekent "verkenner". Het hangt gewoon van de context af waarin het voorkomt. Een archegos is iemand die iets begint zodat anderen eraan kunnen deelnemen.

Jezus kreeg door lijden de gelegenheid de Archegos te worden. Het lijden identificeert ons dus ook met Hem — omdat ook wij lijden. Dit hier is een por in de ribben door de auteur om deze mensen te laten weten dat hun lijden een doel heeft. Het heeft betekenis. Het is niet ongewoon. Daarom moeten we niet toelaten dat we apathisch en lethargisch worden in de manier waarop we omgaan met het woord van God. Veeleer moeten we ons vooruit werpen in het besef dat ook Hij (onze Archegos, Degene die ons voorging) leed — zodat Hij geschikt gemaakt kon worden om onze Hogepriester te worden. Hij had nooit ervaren wat het was om een mens te zijn. Maar Hij zou onze Hogepriester worden. En daarom zorgde Zijn Vader ervoor dat Hij door ervaringen heenging waardoor Hij met ons kon meevoelen.

Op die manier werd Hij volmaakt gemaakt — geschikt voor gebruik. Het betekent niet "volmaakt" in de zin van "zonder gebrek". Het betekent geschikt voor gebruik; en dat gebruik moet ons behoud zeker stellen. En zodoende moeten we begrijpen — door ons met Hem te vergelijken — dat de dingen waar we doorheen gaan (al deze spanningen waaraan we blootstaan) naar een eeuwig doel in ons toewerken. Zij zijn voor ons bestwil – om de situatie tot stand te brengen waarin ook wij "volmaakt" zijn – geschikt voor gebruik in Zijn Koninkrijk.

Hij heeft het gemaakt! Hij is er reeds. Wij kunnen het maken. Het is een uitgemaakte zaak in het denken van God dat wij het kunnen maken. Hij kijkt naar de dingen alsof ze reeds zijn bereikt. En in Zijn denken heeft Hij zoveel vertrouwen in eigen kunnen dat Hij er zeker van is dat Hij ons zover kan brengen. Op de een of andere manier zal Hij dat tot stand brengen — ervoor zorgen dat we alles krijgen wat we nodig hebben. En het is goed voor ons om te begrijpen dat ons lijden niet ten doel heeft apathie in ons voort te brengen. Veeleer heeft het de bedoeling ons werkelijk voor te bereiden en opwinding teweeg te brengen in het besef dat de grote God in ons werkt — en dat Hij iets voorbereidt dat eeuwig gebruikt kan worden!

Hebreeën 3:1-2a Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus, 2 die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld, ...

Daar worden we aan nog iets anders herinnerd. Als Christus trouw was, waarom kunnen wij niet trouw zijn? Hij was trouw in Zijn lijden.

Hebreeën 3:2-6 die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld, evenals ook Mozes getrouw was in [geheel] zijn huis. 3 Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis. 4 Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwmeester van alles is God. 5 Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar [een slaaf] om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden, 6 maar Christus als Zoon over zijn huis. Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, [tot het einde onverwrikt] vasthouden.

Christus is groter dan, beter dan, superieur aan Mozes! Wie de auteur [van het boek Hebreeën] ook mag zijn geweest, hij behandelde dit heel tactvol – heel fraai. Hij zou aanstoot hebben kunnen geven door schijnbaar Mozes te kleineren. Mozes werd door het Hebreeuwse volk in hoge achting gehouden, maar hier was Iemand groter dan Mozes. En toch was hij in staat het op zo'n manier over te brengen dat hij liet zien dat Mozes inderdaad trouw was; maar hij was trouw als een dienaar binnen het huis waarvan Jezus Christus de Bouwmeester is.

Deze mensen roemden niet. En ze waren niet langer vrijmoedig. Hun apathie had hen met passiviteit vervuld; ze namen het leven zoals het kwam. Zij waren toeschouwers geworden, niet langer doeners. Zij veronachtzaamden wat hun gegeven was. En hier hebben we dus een vermaning. Wees vrijmoedig in het overwinnen en groeien. Wees zelfverzekerd, heb vertrouwen, [Zo kan het betreffende Griekse woord ook worden vertaald.] in het doen van die dingen. En roem [of verheug u] in de grootsheid van de boodschap die ons gegeven is.

Zoals ik zei, we kunnen geen grootsere boodschap ontvangen dan degene die we hebben gekregen. Het is gewoon niet mogelijk nieuws te horen dat grootser is dan wat God voorbereidt voor Zijn kinderen. Hebreeën 3:7 is het begin van een vermaning over wat we zouden moeten doen — waartoe we onze vrijmoedigheid en onze zelfverzekerdheid zich zouden moeten laten uitstrekken.

Hebreeën 3:7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, [Stel niet uit! Begin er onmiddellijk mee!] indien gij zijn stem hoort,

En het gaat dan verder met het vermanen van deze mensen middels vergelijkingen van wat er met de Israëlieten in de woestijn gebeurde en dit in verband te brengen met het soort situatie waar zij doorheen gingen. Dat is de manier van de Bijbel om te zeggen: "Of je gebruikt het, of je raakt het kwijt." En zij waren bezig het kwijt te raken, maar de schrijver probeerde deze mensen ertoe aan te zetten het te gebruiken. Als ze het gingen gebruiken, zouden ze het begrijpen. Waar het hun in algemene zin aan ontbrak, wordt in hoofdstuk 4 vermeld.

Hebreeën 4:1-2 Laten wij daarom op onze hoede zijn [Het Griekse woord betekent ook: respect hebben voor.], dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.

Zij wilden het niet gebruiken. Zij wilden niet in geloof voorwaarts gaan. Zij waren terughoudend, omdat ze als puntje bij paaltje kwam het niet echt geloofden. Nu komen we bij een punt aan. Gelooft u wat u hoort uit het woord van God? Als u het niet gelooft, dan garandeer ik u dat u niets zult doen. We DOEN alleen datgene waarin we geloven. Iedereen in de wereld handelt volgens dit principe — men doet waarin men gelooft!

Geloven zij God? Het antwoord is: "Nee." Dat is één reden dat ik dit Feest begon door te zeggen wat ik zei. "Wij zijn hier omdat we geloven." En omdat we op de juiste manier geloven, gehoorzamen we. Weet u dat de schrijver van de brief in hoofdstuk 3 geloof en gehoorzaamheid als synoniemen opvoert? Dat is een heel interessante studie. In die ene betekenis (zelfs al zit er een aanzienlijk verschil tussen beide) zou het effect van de ene het product van de ander moeten zijn.

De schrijver van de brief zegt in essentie dus hetzelfde. Daarom zult u hier woorden vinden zoals "geloof" en "ongeloof", en als u dan bij de notities in de kantlijn kijkt, staat daar "gehoorzaamheid" en "ongehoorzaamheid". De woorden kunnen op beide manieren worden opgevat. We doen wat we geloven. Gaat u hier het echte probleem zien? De reden dat deze mensen apathisch waren (de reden dat deze mensen dingen veronachtzaamden) was omdat hun geloofsopvattingen in ernstige zin waren veranderd sinds de tijd dat ze het voor het eerst hoorden.

Toen Satan (als werktuig van de Almachtige) de Worldwide Church of God uit elkaar blies, wist hij precies wat hij moest doen. De manier om dat te doen is de leerstellingen te veranderen! Als de leerstellingen veranderen, zullen de geloofsopvattingen veranderen. En als de geloofsopvattingen veranderen, zullen zij die dezelfde dingen geloven bij elkaar komen. Zij die andere dingen geloven zullen ook bij elkaar komen. En zij die weer op een andere manier geloven, zullen ook bij elkaar komen.

En dat gebeurde er ook. We filterden onze weg door dit alles heen – hoogstwaarschijnlijk, moet ik zeggen, geleid door God — tot diverse groepen met geloofsopvattingen die erg overeen kwamen. En dat gebeurde ook met de Israëlieten in de woestijn. Zij geloofden God niet en ze mislukten. Ze stierven allemaal. Die hele eerste generatie stierf als resultaat van hun ongeloof.

Hebreeën 4:12-13 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; 13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Dit zegt in principe dat het woord van God altijd een punt van belang is in ons leven. Nogmaals, ontkoppel dit niet van wat ik aan het begin zei. Deze boodschap die zij hoorden was het belangrijkste ding dat aan een menselijk wezen gegeven kan worden. De grootste gave is om deze boodschap te horen. Niet de boodschap van John Ritenbaugh! Ik heb het over de Boodschap van het Evangelie — omdat onze geloofsopvattingen zich hier omheen zullen vormen. Op die manier is het woord van God altijd een punt van belang in ons leven. Dat is wat deze twee verzen zeggen. Het is een test voor iemands leven, omdat het de standaards zet voor aanvaardbaar gedrag en een aanvaardbare houding. Dat wil zeggen dat die dingen van God komen.

In vers 13 zien we een levendige uitbeelding. Men heeft twee beelden kunnen vinden waarvoor dit in de Griekse literatuur in het algemeen wordt gebruikt. Het beeldt aan de ene kant een priester uit die op het punt staat een dier te gaan offeren en hij heeft de kop van het dier naar boven gedraaid, het in een positie gebracht om het de keel door te snijden. Met andere woorden het dier moest in de ogen van de priester kijken en de priester moest in de ogen van het dier kijken. Dat wordt er bedoeld als er wordt gezegd "alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen".

Het tweede beeld is in bepaalde opzichten nog levendiger. Het was iets dat ontleend werd aan de Olympische spelen. Worstelen was een van de sporten die tijdens die spelen op het programma stond. En in dit beeld hier stond een van de deelnemers op het punt door de ander tegen de grond te worden gedrukt. En zijn tegenstander hield hem in een greep zodat de schouders van de verliezer op de mat kwamen en zijn gezicht naar boven was gekeerd — zodat hij zijn overwinnaar pal in de ogen moest kijken.

Iedereen moet Gods woord rechtstreeks onder ogen zien. En als we aan het woord van God willen denken als aan de levende Jezus Christus, moeten we altijd bedenken dat ons oordeel aan Hem is toevertrouwd. We moeten allemaal voor de oordeelstroon van Christus verschijnen. En dat doen we nu, in deze periode van ons leven, omdat het oordeel nu ligt over het huis van God.

Wat doen we met deze boodschap? Hoe beïnvloedt deze ons leven? Heeft de wereld zo'n invloed op ons dat het haar vruchten in ons creëert? (Dat wil zeggen apathie voor de dingen van God, maar misschien wel grote interesse voor de dingen van deze wereld.) Zoals ik zei, de Laodiceeër is niet lui. Hij is rijk in de verkeerde dingen en in het besteden van zijn energie aan de verkeerde dingen. En hij zegt God: "Ik heb nergens behoefte aan."

In hoofdstuk 5 verandert het onderwerp naar een vergelijking tussen Christus als Hogepriester en Aäron. Dat wil zeggen dat Hij superieur is aan Aäron. In hoofdstuk 5 vinden we de neusstoot die de schrijver van de brief aan die mensen daar uitdeelde. Denk eens even na, als deze brief in de midden 60-er jaren n.Chr. geschreven werd, kan het zijn dat sommige van deze mensen wel dertig jaar "in de kerk" waren geweest. En toch zegt hij hun dat ze zijn teruggevallen, ze zijn achteruitgegaan, ze zijn weer kinderen geworden – baby's die de vaste spijs van Gods woord niet langer konden verdragen. Ze hadden behoefte aan melkvoeding. En hij zegt hun dus (geparafraseerd naar vers 1 van hoofdstuk 6): "Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten, laten we niet teruggaan naar deze eenvoudige dingen — de basispunten." Hij geeft hun hiermee een vrij harde klap te incasseren.

Er is in vers 1 nog een ander schitterend, levendig beeld te vinden, omdat waar dit vers zegt: "laten we ons richten op het volkomene", dit letterlijker betekent: "laten we voortgedragen worden naar het volkomene". God voert de roeping uit. God voorziet ons van Zijn Geest. Hij geeft ons alles. Hij stelt ons in staat al deze dingen te doen. En Hij zegt dus: "Laten we voortgedragen worden!" Het beeld wordt zelfs nog grootser — omdat het werkelijke beeld het beeld is van een vloedgolf die het land binnenspoelt en alles voor zich uit jaagt. Wie kan een vloedgolf tegenhouden? Dit is echt heel levendig. Laat u voortdragen door deze vloedgolf — door u te voegen naar het woord van God.

In hoofdstuk 7 gebruikt hij het beeld van Melchisedek. En in dit geval gebruikt hij het omdat hij ons wil laten zien dat het Hogepriesterschap van Jezus Christus groter is dan het levitische priesterschap.

In hoofdstuk 8 komen we bij het Nieuwe Verbond. En de essentie van alles wat hij zojuist heeft gezegd is dit. (Dat is de betekenis van de eerste zin.)

Hebreeën 8:1a De hoofdzaak van ons onderwerp is, ...

De essentie is dat we een Priesterschap hebben zonder begin of einde, wat door een eed van God bekrachtigd werd. Dat is gebaseerd op de persoonlijke grootheid van Jezus Christus — niet op een wettige benoeming of op raciale kwalificaties. Het is een priesterschap waar de dood geen invloed op heeft. Hij heeft een offer gebracht dat niet herhaald hoeft te worden. Een Priesterschap zo zuiver dat het geen offer voor eigen zonde hoeft te brengen. Wie in het levitische priesterschap, of het Aäronitische hogepriesterschap, kan daar ook maar enigszins mee vergeleken worden? (Niemand.)

Dit alles maakt Jezus de Borg en de Middelaar van een nieuw en beter verbond – waardoor wij (als Gods verwekte kinderen) door Hem een betere relatie met God kunnen opbouwen. Het stelt een toegang tot God open die niet afhankelijk is van onze eigen prestaties. Het is een verbond met betere beloften — de vergeving van zonde, om er één te noemen; de belofte van Zijn Heilige Geest, nog één; de belofte van toegang tot Hem, alweer één.

Ik weet niet of we wel of niet waarderen wat dit allemaal betekent. Dat wat Jezus Christus voor de mens heeft gedaan — dat is het praktische middel tot behoud. Dat wil zeggen: Zijn sterven voor ons en wat Hij nu voortgaat te doen in Zijn functie als Hogepriester voor het aangezicht van God, en het ons geven van toegang tot de troon van God. Het is de relatie die we nu met God hebben (door het verbond, door het werk van Christus) die voorziet in behoud.

In hoofdstuk 9 laten de eerste verzen de onvolkomenheden, de ontoereikendheid, van het oudtestamentische systeem zien. Dat geeft geen toegang tot God, geen vergeving. Christus' offer reinigt ons niet alleen van zonde, maar opent ook de toegang tot God.

Hoofdstuk 10 laat de ontoereikendheid zien van de dierlijke offeranden in vergelijking met de toereikendheid van het offer van Christus. Nogmaals – beter, superieur, groter! Aan het einde van hoofdstuk 10 zegt hij:

Hebreeën 10:35-39 Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs [dat is wat ze deden], die een ruime vergelding heeft te wachten. 36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. 37 Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, 38 en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. 39 Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.

Alles in dit boek is zo fantastisch en psychologisch geordend in de opbouw naar een climax, en hoofdstuk 11 is het begin van de climax. Hij heeft deze uitspraken gedaan over de grootheid en superioriteit van Jezus Christus, Zijn boodschap, Zijn priesterschap, Zijn offer en al de dingen die daarmee samengaan. Natuurlijk, hoofdstuk 11 geeft ons de redenen die het die grote mannen en vrouwen van het verleden mogelijk maakten te doen wat ze deden. Zij geloofden God. Daar komt het in essentie op neer.

Zij waren overtuigd van de dingen die God zei. Ze hadden niet slechts een "voorkeur". Weet u wat het verschil is tussen een voorkeur en een overtuiging? Uw voorkeuren zullen veranderen. Ze kunnen worden aangepast. Overtuigingen over waarheid veranderen niet. En aan het einde van hoofdstuk 11 begint hij andere mensen te vermelden wier leven werd beïnvloed door geloof in de boodschap die zij hoorden.

Hebreeën 11:35a Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, ...

Daar hebben we een belangrijk principe. Maar hoe aanvaardden deze apathische mensen [in het boek Hebreeën] verlossing van de beproevingen van het leven? Zij vluchtten ervoor weg. Zij groeiden niet in het het hoofd bieden aan de uitdaging. Zij aanvaardden verlossing. Zij aanvaardden de gemakkelijke weg eruit. En in plaats van het offer te brengen om er zeker van te zijn dat ze trouw waren aan de boodschap die hun gegeven was, trokken ze zich er eenvoudigweg voor terug. Dat verlicht de druk. Zij aanvaardden verlossing.

Hebreeën 12:1 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt.

Hebreeën 12:4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde,

Zij waren niet bij bloedige zaken betrokken, maar zij waren 'aan de verliezende hand', dat staat als een paal boven water. Vanwege de druk der tijden (waaraan zij toegaven) waren ze aan de verliezende hand in de psychologische oorlog die gaande was. En het lijkt er bijna op alsof deze mensen (die voorheen pelgrims waren geweest en met grote kracht voorttrokken in de richting van het grote doel dat God hun voor ogen had gezet) nu op het punt waren aangekomen waar ze slechts op hun gemak wandelden. Zij voelden zich comfortabel — misschien wel met het gevoel "Ik ben het met God eens, en daarom heb ik het gemaakt." Dan brengt de schrijver van de brief Esau binnen het beeld.

Hebreeën 12:12-16 Heft dan de slappe handen op [Geeft u dat geen beeld van vermoeidheid?] en strekt de knikkende knieën, 13 en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, doch veeleer geneze. 14 Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien. 15 Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden. 16 Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht.

Ik breng dit naar voren omdat Esau verlossing aanvaardde. Zijn maag of zijn eetlust riep hem op voedsel tot zich te nemen, er moest voor hen gezorgd worden. En het eindresultaat was dat hij zijn geboorterecht opgaf — iets van uitzonderlijk belang — voor een kop soep. Dat was zijn "verlossing". Heeft iemand van ons dat al gedaan? Ik weet het niet. Maar het laat ons op zijn minst weten hoe Paulus (of wie ook de auteur van Hebreeën was) zich erover voelde. Natuurlijk is de uiteindelijke Auteur God. Esau gaf op.

Hebreeën 12:25-27 Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst [God, door Jezus Christus]. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt). 26 Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. 27 Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is.

Kunnen uw overtuigingen gaan wankelen? Wat een hoeveelheid vermaningen staan er in dit boek! We hebben ze bij lange na niet allemaal doorgenomen. Werkelijk krachtige materie voor dit tijdperk van Gods kerk.

In een groot deel van hoofdstuk 13 duidt hij specifieke gebieden aan waaraan we moeten werken: broederlijke liefde, gastvrij zijn, denk aan hen die gevangen zitten en aan hen die mishandeld worden als mensen die ook zelf een lichaam hebben. Werk aan uw huwelijk! Het is eerzaam, een gave van God. Het belangrijkste "werkgebied" om u op Gods Koninkrijk voor te bereiden is uw huwelijk.

Hebreeën 13:5 Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.

Later heeft hij het over het brengen van offeranden in het loven van God, en dankbaar zijn voor de dingen die we hebben ontvangen. Er staat heel wat in dat hoofdstuk.

Ik wil nogmaals naar die laatste woorden in vers 5 kijken — "Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten." Volgens Adam Clarke is dit vers een vers met grote nadruk. Hij zegt dat er in deze korte zin vijf negatieve woorden staan, zodat een letterlijke vertaling nauwelijks mogelijk is. Maar zo'n letterlijke vertaling zou ongeveer als volgt luiden: "Nee, Ik zal u niet verlaten. Nee, Ik zal u in het geheel niet begeven." In gewone taal gezegd, komt het neer op: "Ik zal u nooit, nooit, nooit, nooit, NOOIT verlaten." Wat een vermaning! Wat een belofte van de grote God! "Ik zal u NOOIT verlaten!"

"Kom in de benen", zegt Hij tegen deze mensen, "en ga aan het werk! Schud uw apathie af. Doe de dingen die gedaan moeten worden." Het kan zijn dat sommigen van ons zich "door slagen verdoofd" voelen – moeite hebben om het niet op te geven, moeite hebben om gewoon door te gaan. Maar geef uzelf de tijd om op de een of andere manier uw aandacht opnieuw te richten. Dit is niet de tijd om het bijltje erbij neer te gooien. We hebben een fantastische belofte dat Hij ons nooit zal verlaten. Christus leeft en Hij heeft ons lief. Het is Zijn wil dat we in Zijn Koninkrijk zullen zijn. En Hij wil het allerbeste van ons maken waartoe Hij in staat is.

Wees geduldig! Hoed u ervoor emotioneel aangetrokken te worden tot dingen die geen steun geven. Wij allemaal — niemand uitgezonderd — hebben deel in dit drama dat zich hier op aarde ontvouwt. Maar ziet u, de mens komt en gaat. Jezus Christus is de werkelijke Leider; en Hij is dezelfde "gisteren, heden en tot in eeuwigheid". Hij is permanent. Zijn superioriteit geldt tot in eeuwigheid. Zijn leiderschap is tot in eeuwigheid. Hij is trouw in het volgen van de patronen die Hij in Zijn woord heeft vastgesteld.

Houd dus moed. Vecht tegen uw problemen. Geef niet toe aan apathie. Dat wil zeggen de apathie die de wereld teweegbrengt. Aanvaard de gemakkelijke verlossing niet, die door het vleselijk denken en deze wereld wordt aangeboden. God zal helpen zoals alleen Hij maar kan. En als uw problemen achter de rug zijn, zult u zeggen: "Ik heb het niet gedaan. De Heer is mijn Helper."


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)