Deuteronomium en afgodendienst

Door John W. Ritenbaugh
18 oktober 2008

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh spreekt over het schriftgedeelte dat opdracht geeft de tweede tiende te sparen en richt zich daarbij op de aansporing dat we moeten leren God te vrezen, ontzag te hebben, respect te hebben met een zekere mate van angst. We worden aangespoord ons het boek Deuteronomium eigen te maken voor onze toekomstige leidersrol. In één opzicht dient Deuteronomium als het samengevatte Reader's Digest boek, waarin de details voor ons behoud worden samengevat, dat ons van instructie voorziet voor onze relatie met God en onze reisgids is op weg naar het Beloofde Land. Afwijken van deze verzameling instructies leidt tot afvalligheid, afgodendienst of geestelijk overspel, een situatie waarin fysiek Israël zich praktisch altijd bevond, doordat ze herhaaldelijk verzonken in gedegenereerde, heidense, religieuze praktijken. Ezechiël 16 is gericht op het moderne Israël, een volk dat hun voorvaderen heeft overtroffen in hun ijver om zich in een morele en geestelijke beerput te verontreinigen. Jammer genoeg zijn we allemaal besmeurd door deze gedegenereerde cultuur. De belangrijkste zonde van het moderne Israël is afgodendienst. Als eenmaal het eerste gebod is overtreden, vallen de andere als een kaartenhuis omver. Het grootste deel van de wereld aanbidt afbeelding of beelden van goden en heren. Zij die op deze valse dingen vertrouwen zijn zo goed als dood. Er is geen alternatief voor het aanbidden van de ene, ware God. Israëls geneigdheid tot afgodendienst is diep ingesleten; ze dringen ongeduldig en emotioneel aan om iets te hebben dat ze kunnen zien – een zelfgemaakte afgod. Jammer genoeg maakt deze geneigdheid tot afgodendienst deel uit van de menselijke natuur, een natuurlijke uitbreiding van zelfgericht begeren, onszelf transformerend in de goden die we dienen. God zal onder geen enkele omstandigheid competitie verdragen; Hij eist totale vernietiging van alle alternatieve vormen en methoden van eredienst – geen enkele vorm van syncretisme met wat dan ook maar van<


We gaan deze preek beginnen in Deuteronomium 14:22-23. Ik geloof niet dat iemand op dit feest deze verzen in Deuteronomium reeds heeft gebruikt, omdat ze nogal specifiek zijn en gewoonlijk tijdens een offerande worden gebruikt.

Deuteronomium 14:22-23 Gij zult de gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar op jaar. 23 Gij zult voor het aangezicht van de HERE, uw God, in de plaats die Hij verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, opdat gij de HERE, uw God, uw leven lang leert vrezen.

Ik weet niet of Bill Onisick wist dat ik met deze verzen zou beginnen, maar ik had ze reeds opgeschreven, omdat een deel van deze preek ook op het "vrezen van God" zal ingaan.

Het enige dat ik wil dat u op dit moment uit deze verzen haalt, is dat een van de redenen dat God het onderhouden van het Loofhuttenfeest heeft ingesteld is dat we Hem leren vrezen. "Vrezen" zoals het hier wordt gebruikt, heeft de betekenis van "groot ontzag voor Hem hebben". Het is een diepgaand, blijvend, eerbiedig respect dat vermengd is met een bepaalde mate van vrees, die erin resulteert dat Hij een aanzienlijke, positieve invloed op ons leven heeft. Dit soort vrees beïnvloedt iemand om zich te onderwerpen en dat is goed, zelfs al moet men een beetje zelfopoffering op de koop toe nemen om dit te bereiken.

Veel van de preken op dit feest zijn op de volgende verzen ingegaan.

Deuteronomium 17:18-20 Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten [Het woord "laten" komt in het Hebreeuws niet voor, erop duidend dat hij het afschrift zelf moest maken, niet laten maken! Zie ook de Statenvertaling.] maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. 19 Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden, 20 opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van Israël.

Enkele dagen geleden hoorde u een aantal commentaren van bekende commentatoren betreffende de betekenis van Deuteronomium voor een christen. In principe zeiden die commentatoren op verschillende manieren dat het boek Deuteronomium het gedeelte uit het Oude Testament is dat een christen het meest helpt om zijn begrip te vergroten.

Er is geen manier om zo'n evaluatie te meten, maar ik weet dat ik hetzelfde geloof en ik denk dat God tot hetzelfde geneigd is, omdat het het enige boek is in de hele Bijbel waarvan God opgedragen heeft het elk zevende jaar door te nemen. Het is ook het enige boek in de hele Bijbel waarvoor God aan de koningen opgedragen heeft een kopie voor zichzelf te maken en er al de dagen van hun leven uit te lezen om zodoende grondig vertrouwd te worden met de instructies die het bevat.

Er zijn nog meer belangrijke redenen waarom God deze opdracht heeft gegeven, redenen die wij als christenen in het bijzonder in beschouwing moeten nemen daar wij ons voorbereiden om koning te worden. Vers 20 zegt: "Opdat zijn hart [of ons hart] zich niet verheffe boven zijn broeders, [Dat wil zeggen dat wij in staat zijn onszelf in de pagina's van het boek Deuteronomium te zien.] en hij [wij] van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij [wij] lange tijd koning moge blijven."

In mijn eigen woorden gezegd, zegt God: "Opdat de koning nederig voor Mij en zijn onderdanen zal blijven, opdat hij zich aan Mij en Mijn instructies zal blijven onderwerpen en opdat hij en de natie gezegend mogen worden zolang hij op de troon zit."

In één opzicht denk ik dat we veilig kunnen aannemen dat het boek Deuteronomium heel wat instructie bevat die — als we deze opvolgen — goede dingen zal voortbrengen voor ons en ons nageslacht. Daar is een reden voor en die is dat het boek fundamenteel is voor een goede, persoonlijke relatie met God.

Ik geloof dat het beschreven kan worden als een geconcentreerde ingekorte versie — zullen we het een Reader's Digest versie noemen? — van het plan van behoud. En in die zin gaat het in op welke manier we in de eerste plaats een relatie met God hebben gekregen — iets over Hem weten — en de reden, gemeente, is dat Hij ons liefheeft. Dat is het punt waar het in het boek Deuteronomium allemaal om draait.

Alles wat we inzake een relatie met God hebben, hebben we omdat Hij ons liefheeft. We gaan Hem bij lange na niet zo liefhebben als Hij ons liefheeft. Voordat we ons zelfs van Hem bewust waren (meer in termen van Zijn werkelijkheid en in waarheid), had Hij ons reeds lief en had Hij reeds plannen met ons, dat Hij ons op de een of andere dag zou overvallen.

Het boek Deuteronomium gaat in op de rol van verlosser — de rol van verlosser van Jezus Christus — maar deze wordt in dit geval gestalte gegeven in de persoon van Mozes. Het laat zien dat we niet slechts geïsoleerde individuen zijn, maar deel uitmaken van een gemeenschap die God heeft uitgeroepen en waartoe we onze hoofdverantwoordelijkheden hebben. Voor hen was het Israël. Voor ons is het de kerk van God — Gods familie van verwekte kinderen.

Dit boek laat ons zien dat we op onze beurt God moeten liefhebben door Zijn geboden te onderhouden. Het laat ons zien dat we uit geloof moeten leven, keuzes moeten maken betreffende de weg die we zullen gaan. Het laat ons zien dat het leven een pelgrimstocht is en dat we een specifiek doel voor ogen hebben, dat in het boek "Het Beloofde Land" wordt genoemd. Maar voor ons is dat het Koninkrijk van God.

Het boek Deuteronomium maakt het heel duidelijk dat er slechts één manier van leven is die voor God aanvaardbaar is, en dat is de manier die in dit boek beschreven wordt. Deze manier van leven moeten we leren en in praktijk brengen, en als we dat doen laat dat Hem zien dat we op onze beurt Hem liefhebben.

In dat opzicht heeft het boek Deuteronomium ons heel veel te zeggen, want anders zou God ons nooit de opdracht gegeven hebben dat we het elk zevende jaar moeten doornemen, en dat de koning het moet bestuderen en de inhoud ervan grondig moet navolgen. Niet alle details betreffende behoud zijn in Deuteronomium terug te vinden, maar, zoals ik iets eerder zei, voorziet het wel in de basis ervan.

De preek gaat nu een iets andere richting uit. We weten uit de profetische boeken dat Israël een ontrouwe partner was in het verbond en dat God die ontrouw "hoererij" noemt.

We gaan nu naar het boek Ezechiël. Gisteren noemde Charles Whittaker dit in zijn preek en ik dacht: "Hé, dat is een goed idee. Ik ga dat in een wat meer uitgebreide vorm in mijn preek opnemen." Laten we Ezechiël 1 opslaan.

Ezechiël 1:1 In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege.

Ezechiël was een Jood. In ruimere zin was hij een Israëliet, maar specifiek behoorde hij tot de stam Juda. Hij was een Jood en hij schreef het boek Ezechiël. Hem werden de instructies voor dit boek gegeven terwijl hij in een concentratiekamp in Babel verbleef. Dat concentratiekamp lag aan de rivier de Kebar. Hem werden heel specifieke instructies gegeven, maar de instructies waren niet op Juda gericht. Zij waren op Israël gericht.

U zult zich herinneren dat de twaalf stammen die samen Israël vormden onder David tot één natie werden samengevoegd. Een aantal generaties later werd Salomo's zoon Rehabeam echter geconfronteerd met het uiteenvallen van de natie. Hij wilde niet toegeven aan hen die tegen hem waren, waardoor ze zich van hem afkeerden en Israël en Juda twee aparte naties werden. Israël werd de natie van de tien stammen in het noorden. Juda werd de natie van de twee stammen, samen met de Levieten en dergelijke die bij die twee stammen verbleven.

Ezechiël 2:1-3 Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, opdat Ik met u spreke. 2 Zodra Hij tot mij sprak, kwam de geest in mij en deed mij op mijn voeten staan en ik hoorde Hem, die tot mij sprak. 3 Hij zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van Mij afgevallen tot op deze eigen dag;

De woorden "tot op deze eigen dag" zijn belangrijk. Israël werd door Assyrië overwonnen in de periode tussen 722 en 718 v.Chr. Zij werden door Assyrië in ballingschap gevoerd. Zij verdwenen uit het zicht. Het verhaal is te vinden in 2 Koningen. We weten dat de Assyriërs praktisch alle bewoners uit Israël wegvoerden en deze vervingen door volkeren uit andere landen, en die mensen werden de Samaritanen uit Jezus' dagen. Maar de natie Israël bestond niet meer.

Ezechiël schreef zijn boek zo'n 130 tot 140 jaar nadat Israël van het toneel verdween. God zei dat Ezechiël aan Israël moest schrijven terwijl hij door de Babyloniërs in Babel gevangen werd gehouden. Het boek werd geschreven toen een klein aantal van zo'n 42.000 of 43.000 mensen van de koning toestemming kreeg terug te gaan naar het land Juda, maar Israël kwam nooit meer in beeld. We weten waar ze verbleven, omdat ze een heel duidelijk spoor in zuidelijk en centraal Europa nalieten. Ze bevinden zich nu in Noord-West-Europa, in de Verenigde Staten van Amerika en in de landen van het Britse Gemenebest, en ook in Zuid-Afrika. Dat is het moderne Israël.

Het boek Ezechiël is voor ons geschreven. Dit boek kwam nooit bij het Israël van die tijd aan. Pas zo'n duizend jaar nadat Ezechiël het geschreven had, kwam het bij hen aan en begonnen misschien enkelingen het te lezen. Maar nu in deze tijd, in de 21e eeuw, wordt het gelezen door Israëlieten in Noord-West-Europa en in de Verenigde Staten en in die andere genoemde landen, maar zij weten niet eens dat het voor hen geschreven is. Dat is echt een ernstige toestand.

Ik wil dat u Ezechiël 16 leest. We zullen zo'n twintig verzen ervan lezen, te beginnen in vers 14.

Ezechiël 16:14-34 Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid [God heeft het over het Israël dat Hij huwde, alsof Israël een vrouw, een bruid, was.], want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee Ik u getooid had, luidt het woord van de Here HERE. 15 Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn. 16 Gij hebt van uw klederen genomen, de hoogten kleurig gemaakt en daarop ontucht gepleegd; nooit is zo iets voorgekomen en nooit zal het weer geschieden. 17 Ook hebt gij uw sieraden van goud en zilver, dat Ik u gegeven had, genomen en u daarvan mansbeelden gemaakt en daarmee ontucht gepleegd. 18 Gij hebt uw kleurig geborduurde gewaden genomen en hen daarin gehuld; mijn olie en mijn reukwerk hebt gij hun voorgezet. 19 De spijze die Ik u gegeven had — fijn meel, olie en honig gaf Ik u te eten — hebt gij hun tot een liefelijke reuk voorgezet. Zelfs is het zover gekomen luidt het woord van de Here HERE, 20 dat gij de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze. Was uw ontucht niet voldoende, 21 dat gij ook mijn zonen geslacht hebt en die hebt overgegeven door ze voor hen te verbranden? 22 Bij al uw gruwelen en uw ontucht hebt gij niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot waart en laagt te trappelen in uw bloed. 23 En na al uw boosheid — wee, wee u! luidt het woord van de Here HERE — 24 hebt gij u een verhoging gebouwd en een verhevenheid op elk plein gemaakt. 25 Op elk kruispunt hebt gij uw verhevenheid gebouwd, uw schoonheid weggeschonken, u aan iedere voorbijganger schaamteloos aangeboden en veel ontucht gepleegd. 26 Ook hebt gij ontucht gepleegd met de Egyptenaren, uw wellustige naburen; veel ontucht hebt gij gepleegd, waarmee gij Mij hebt gekrenkt. 27 Maar zie, Ik heb mijn hand tegen u uitgestrekt, het u toegewezen deel verkleind en u overgegeven aan het goeddunken van wie u haten: de dochters der Filistijnen, die zich schamen over uw schandelijke levenswijze. 28 Bovendien hebt gij ontucht gepleegd met de Assyriërs, omdat gij niet te bevredigen waart; ja, gij hebt ontucht met hen gepleegd en toch zijt gij niet bevredigd geworden. 29 Eveneens hebt gij veel ontucht gepleegd met het handelsland Chaldea, maar ook daardoor werdt gij niet bevredigd. 30 Hoe werdt gij door hartstocht verteerd, luidt het woord van de Here HERE, dat gij dit alles gedaan hebt, het werk van een brutale hoer, 31 dat gij uw verhoging gebouwd hebt op elk kruispunt en uw verhevenheid gemaakt op elk plein. Toch hebt gij u zelfs niet als een hoer gedragen, omdat gij het loon van een hoer versmaaddet. 32 Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is! 33 Aan alle hoeren geeft men geschenken, maar gij gaaft zelf geschenken aan al uw minnaars en loktet hen daarmee om van alle kanten naar u toe te komen en ontucht met u te plegen. 34 Zo was het bij u in uw ontucht juist omgekeerd als bij andere vrouwen; want men liep u niet als hoer achterna, maar, terwijl gij zelf het loon van een hoer gaaft, werd er aan u geen gegeven. Zo was het met u juist omgekeerd.

Wat een beschrijving! Zo obsceen is het gedrag van Israël voor God. In twintig verzen, gemeente, worden de woorden "ontucht", "overspel" en "hoer" achttien keer genoemd, wat erop duidt dat Israël zeker niet trouw was aan het verbond dat ze met God sloot. De verstrooiing die het volk van Israël daarna ten deel viel was zeer zeker verdiend. Het is een wonder dat Hij onze voorouders niet totaal uitroeide.

Ik wil dat u het volgende niet vergeet. Dit is geschreven voor het moderne Israël. God vertelt opnieuw het handelen van het oude Israël, maar God wil dat we nu begrijpen dat deze boodschap ons gedrag in deze tijd beschrijft. Het verhaal wordt in oude taal, oude types, weergegeven. Gemeente, wij leven temidden van alles wat er in deze natie gaande is.

Hoe slecht het ook was, waarin het verwarde, ongeorganiseerde, chaotische denken van het volk van Israël tot uiting komt, het wordt nog veel erger als we op morele en geestelijke gebieden aankomen. Het is geen wonder dat God in de woorden van Jeremia 30 beschrijft dat het volk van Israël door de ergste tijdsperiode zal gaan waar een natie of een groep van naties in de geschiedenis van de mens ooit doorheen is gegaan. Hij zegt: "Niets van wat Ik u zal gaan aandoen, is ooit eerder gebeurd." Hoe slecht volgens ons de Babyloniërs of de Assyriërs ook waren, het is heel goed mogelijk dat misschien ons gedrag niet even slecht was als het hunne; wij zijn echter meer verantwoordelijk, omdat wij dit boek hebben waaruit we een goed gedrag hadden kunnen halen, om dat deel van ons leven te gaan laten uitmaken.

Nogmaals, laat me u eraan herinneren dat ik hier doorheen ga zodat u begrijpt in wat voor omstandigheden we leven. Dat is een morele en geestelijke beerput. God zegt dat we ons, met Zijn hulp, daaruit moeten trekken en Hij zal die hulp geven. Hij zal ons reinigen door het offer van Jezus Christus en door Zijn Geest. Maar dit is de achtergrond van waarin we leven.

Het kan zijn dat we in ons persoonlijk leven niet zo slecht zijn als hier wordt beschreven, maar we zijn ermee in aanraking gekomen, ermee besmet en het maakt deel uit van ons denken. Het is ontstellend moeilijk om aan datgene waarmee we zijn opgegroeid, te ontsnappen.

Israëls verval tot ontrouw was heel agressief. U ziet hier de beschrijving ervan. Zij joeg haar minnaars achterna en gaf haarzelf aan hen. Natuurlijk waren die minnaars afgoden. Zij keerde God de rug toe en gehoorzaamde de afgoden in plaats van God.

Laten we verdergaan in Ezechiël 20.

Ezechiël 20:8 Maar zij waren weerspannig tegen Mij en wilden naar Mij niet luisteren; niemand wierp de gruwelen weg, waarop zijn ogen gevestigd waren, en de afgoden van Egypte verlieten zij niet, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid over hen uit te storten, mijn toorn ten volle over hen te brengen in het land Egypte.

Ezechiël 20:10 Ik leidde hen uit het land Egypte en bracht hen in de woestijn.

Ezechiël 20:15-16 Nochtans zwoer Ik hun in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen naar het land dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig — een sieraad is het onder alle landen — , [Hij heeft het over de periode aan het einde van het tweede jaar, toen ze weigerden het land binnen te trekken en in opstand kwamen.] 16 omdat zij mijn verordeningen verwierpen, niet naar mijn inzettingen wandelden en mijn sabbatten ontheiligden, want hun hart ging uit naar hun afgoden.

Ezechiël 20:18 Toen zeide Ik tot hun zonen in de woestijn: Wandelt niet naar de inzettingen van uw vaderen, onderhoudt hun verordeningen niet en verontreinigt u niet met hun afgoden.

Ezechiël 20:24 omdat zij mijn verordeningen niet opvolgden, mijn inzettingen verwierpen, mijn sabbatten ontheiligden en omdat hun ogen gevestigd waren op de afgoden van hun vaderen.

Ezechiël 20:31 Ja, door uw offergaven te brengen — uw zonen door het vuur te laten gaan — verontreinigt gij u aan al uw afgoden, tot heden toe, en zou Ik Mij dan door u laten raadplegen, huis Israëls? Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, Ik laat Mij door u niet raadplegen.

Ezechiël 20:39 En gij, huis Israëls, zo zegt de Here HERE, welaan, laat ieder zijn afgoden maar dienen! Doch later, dan zult gij naar Mij luisteren en mijn heilige naam niet meer ontheiligen met uw offergaven en uw afgoden.

Gewoon uit nieuwsgierigheid besloot ik vanmorgen het aantal keren te tellen dat het woord "afgoden" voorkomt in het boek Ezechiël, dat aan het volk van het moderne Israël geschreven is. Het woord afgoden komt 35 keer in het boek Ezechiël voor. Het is heel gemakkelijk te zeggen wat de zonde van Israël was die op de eerste plaats stond. Gemeente, dat is afgodendienst.

In termen van het overtreden van geboden is de belangrijkste zonde van zowel het oude als het moderne Israël afgodendienst. De hoererij in het dagelijks gedrag was afgodendienst, waarvan het niet houden van de sabbat het voornaamste voorbeeld was. Weet u dat het niet houden van de sabbat afgodendienst is? U weet het nu, omdat als we de sabbat niet houden, het niet anders kan zijn dan dat we ons onderwerpen aan een andere god.

God zegt dat we de sabbat moeten houden. Dat is Zijn gebod en het niet houden ervan is het gehoorzamen van een andere god die u zegt dat u hem niet hoeft te houden. Het niet houden van de sabbat is afgodendienst. Dit thema loopt door het hele boek Ezechiël; afgodendienst is het belangrijkste punt waar we ons zorgen over moeten maken.

Het woord "afgod" of "afgoden" komt niet vaak voor in het boek Deuteronomium. Het komt slechts twee keer voor. Weet u welke woord in dat boek vaak voorkomt? In een boek dat korter is dan Ezechiël komt het woord "goden" 34 keer voor. Mozes koos ervoor dit woord te gebruiken, maar het duidt op precies hetzelfde als waar Ezechiël afgoden voor gebruikt.

Wat interessant is, is dat, als ik mijn vergelijking voortzet, andere zonden nauwelijks in het boek Deuteronomium worden genoemd, behalve dan in hoofdstuk 5 waar alle geboden worden vermeld. Vijf van de geboden hebben er direct mee te maken en de zonden van het overtreden van de andere vijf hebben in de geestelijke bedoeling ervan zijdelings ook te maken met afgodendienst. Als eenmaal het eerste gebod duidelijk overtreden is, zal het overtreden van de andere erop volgen. Het eerste gebod is het verwerpen van God. Als we God verwerpen, dan zullen we ook de andere geboden verwerpen. Dat vloeit er gewoon uit voort.

Laat me u een andere vraag stellen. Wat is het grote gebod van de wet? "U zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart en ziel." Heeft dat met afgodendienst te maken? Zeer zeker. Het belang van dit gebod brengt Gods bezorgdheid tot uiting, want waar verschijnt dit gebod voor de eerste keer? In het boek Deuteronomium, hoofdstuk 6.

Men gaat gewoonlijk op een luchthartige manier om met afgodendienst, tenzij men door Zijn roeping en gehoorzaamheid aan de waarheid een hechte persoonlijke relatie met God verlangt. Israël beweerde dat ze een relatie verlangde, maar ze gaf verder geen uitvoering aan dit verlangen; het bleef slechts bij woorden.

Het kennen van de waarheid is heel belangrijk om het eerste gebod te onderhouden, omdat God de bron van waarheid is. Als het eerste gebod wordt onderhouden, brengt het een goede relatie met Hem voort en bereidt het ons voor op behoud.

U zult zich misschien nog wel herinneren dat ik in de preek over het negende gebod in de serie over de tien geboden enige tijd aan Johannes 17:17 besteedde. Laten we dat opslaan. Ik wil hier opnieuw op ingaan. Jezus vroeg dit aan Zijn Vader.

Johannes 17:17 Heilig hen [duidend op u en mij] in uw waarheid; uw woord is de waarheid.

Tijdens die preek gaf ik aan dat het Griekse woord dat met het woord waarheid werd vertaald, aletheia is. Aletheia is een zelfstandig naamwoord en volgens Vine's Expository Dictionary of New Testament Words duidt aletheia op de werkelijkheid van iets. Het duidt op iets dat open is, zichtbaar, duidelijk en niet verborgen. Door Gods waarheid, door Gods werkelijkheid worden we geheiligd. 'Geheiligd' betekent gewoon apart gezet worden, anders gemaakt worden. De werkelijkheden van God in Zijn woord zetten ons apart en maken ons anders.

Laten we nu naar 1 Corinthiërs 8 gaan. Ik wil hier doorheen gaan omdat deze verzen niet altijd de gemakkelijkste zijn om te begrijpen. Paulus schreef sommige dingen die moeilijk te begrijpen zijn. Zelfs Petrus zei dat.

1 Corinthiërs 8:4-7 Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat en dat er geen God is dan Eén. 5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde — en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte — [Daar schijnt zich de tegenstelling voor te doen. Er is slechts één God, toch zijn er vele goden en heren.] 6 voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem. 7 Maar niet bij allen is die kennis. Want sommigen, in hun geweten nog niet los van de afgod, eten (dit vlees) als afgodenoffer en hun geweten, dat zwak is, wordt erdoor besmet.

Is er nu werkelijk slechts één God en één Heer, of zijn er veel goden en heren? Ik ga u zeggen wat de apostel Paulus naar mijn mening bedoelde, zodat we hem kunnen begrijpen. Hij bedoelde dat de meeste mensen in de wereld oprecht beelden vereren. We zullen dat woord gebruiken. Zij vereren beelden en zelfs afbeeldingen van goden (kleine "g") en heren (kleine "h").

We zouden op dit punt ook demonen kunnen toevoegen en ook Satan, omdat Satan in de Bijbel duidelijk "de god (kleine "g") van deze wereld" wordt genoemd. Daarnaast is hij de leider van, waar Paulus naar verwijst als, "de overheden en de machten" die medeheersers zijn onder Satan. Deze demonen, inclusief Satan, worden vereerd en daarom bestaan die goden (kleine "g") en heren (kleine "h") werkelijk in het denken van hen die hen vereren. Maar er is geen waarheid, geen werkelijkheid in hen als goden en heren. Alweer kleine "g" en kleine "h".

Daarom zei Paulus hier tot ons dat er slechts één God en één Heer is. Waar is die werkelijkheid? Die is in ons denken en wat we in ons denken hebben is inderdaad waar, omdat die God de Vader is en die Heer Jezus Christus is, en Zij bestaan werkelijk. Zij zijn werkelijk God en Heer.

Van die andere met de kleine "g" en de kleine "h" zei Paulus ons dat ze niets zijn. Zij zijn iets voor de mensen die hen vereren, maar zij zijn slechts een werkelijkheid in hun eigen denken. Ze zijn niet echt goden en heren, maar dat is de manier waarop zij naar hen kijken en dat is een feit dat we erkennen.

Gemeente, dit is een heiligende waarheid, omdat zij die de waarheid vereren zich aan de geboden van de Vader en de Zoon zullen onderwerpen, waardoor ze geheiligd worden. Maar voor wat betreft goden met de naam Baäl, Kemos, Moloch, Astarte, Apis, Zeus, Diana, Venus en misschien nog wel duizenden meer, zij worden als goden en heren vereerd, maar er is geen werkelijkheid met hen verbonden. Zij bestaan niet. Als je dus niet bestaat, hoe kun je dan werkelijk een god of een heer zijn? Gemeente, zij zijn niet meer dan een verzinsel van iemands verbeelding. Zij zijn echt voor die mensen die dat verzinsel van hun verbeelding in hun denken hebben, maar wij kennen de waarheid en daarom stellen zij voor ons niets voor.

Laten we in het boek Psalmen kijken hoe vals deze valse werkelijkheid van deze mensen is. We gaan Psalm 115:2-8 lezen.

Psalm 115:2-8 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is toch hun God? 3 Onze God is in de hemel, [Hij is een werkelijkheid.] Hij doet al wat Hem behaagt. 4 Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden; 5 zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben ogen, maar zien niet, 6 zij hebben oren, maar horen niet, zij hebben een neus, maar ruiken niet, 7 hun handen — maar zij tasten niet, hun voeten — maar zij gaan niet; zij geven geen geluid met hun keel. 8 Wie hen maakten, zullen worden als zij, ieder die op hen vertrouwt.

Zij zijn zo goed als dood. Dat is ontnuchterend. Die valse goden zijn dood. Er zit geen leven in hen en zij die op die dingen die geen leven hebben vertrouwen, zijn ook zo goed als dood. Dat daagt het denken uit.

Ziet u, een afgod is niet meer dan hout en metaal. Ze kunnen hun wil niet uitspreken en ze kunnen moeilijke omstandigheden van hen die hen vereren, niet zien. Zij horen de uitgesproken gebeden niet en ze kunnen de offeranden en de wierook niet ruiken. Ze kunnen iemand niet aanraken om sympathie en medeleven tot uitdrukking te brengen. Ze kunnen niet rondwandelen en zelfs al bestaan ze werkelijk, zoals Satan en zijn demonen, ze zijn onderworpen aan Gods soevereiniteit. In feite zijn ze in vergelijking met de werkelijkheid van de ware God niet meer dan decoratief.

Gemeente, ik ga hier op in zodat u inziet dat er geen alternatief is. Dringt dat tot u door? Het zijn de Vader en de Zoon, omdat er niets anders is. God heeft ons helemaal ingesloten, we kunnen geen kant meer op. Als we ook maar enigszins belang hechten aan een relatie met Hem, is de werkelijkheid dat er geen alternatief is dat leven zal voortbrengen, en als we dat wel zouden denken, zouden we net als zij zo goed als dood zijn. We zouden onze trouw op hen overdragen.

Ik wil u een voorbeeld laten zien van hoe snel de menselijke natuur kan terugvallen op datgene waarmee het vele jaren heeft geleefd. Dit is een heel bekend voorbeeld, we gaan daarvoor terug naar het voorval met het gouden kalf in Exodus 32. Het eerste punt dat we in samenhang met deze gebeurtenis moeten begrijpen is, dat het plaatsvond binnen zes weken na Israëls ontmoeting met God op de berg Sinaï, toen de grond beefde en schudde door een angstaanjagende aardbeving en de hele top van de berg in vuur stond. Ik bedoel daarmee dat het werkelijk een ontzagwekkende, verbijsterende ervaring was, waardoor ze zeiden: "Mozes ga met die God praten, zodat dat ophoudt!"

Exodus 32:1-6 Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aäron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die vóór ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd — wij weten niet, wat er van hem geworden is. 2 En Aäron zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij. 3 Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. 4 Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 5 Toen Aäron dat zag, bouwde hij daarvóór een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de HERE! 6 En de volgende morgen vroeg offerden zij brandoffers en brachten vredeoffers, en het volk zette zich neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op om vreugde te bedrijven.

Exodus 32:9-10 Vervolgens zeide de HERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk. 10 Nu dan, laat Mij begaan, dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige, maar u zal Ik tot een groot volk maken.

Dat was een interessante ervaring. We gaan nu naar Exodus 24 en van daar zullen we weer naar Exodus 32 terugwerken, zodat we kunnen ingaan op wat hier gebeurde. In de eerste acht verzen van Exodus 24 wordt het verbond door de Israëlieten bekrachtigd en let nu op de uitspraak in vers 8.

Exodus 24:8 Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de HERE met u sluit, op grond van al deze woorden.

Wat waren "al deze woorden"? Hier maakte (vers 7) deel van uit: "Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen."

Exodus 24:9-11 En Mozes klom op met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van de oudsten van Israël. 10 En zij zagen de God van Israël en het was alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid. 11 Maar tot de vooraanstaanden der Israëlieten strekte Hij zijn hand niet uit; zij aanschouwden God en zij aten en dronken.

God had een diner met hen. Hij was daar in persoon bij aanwezig! Wat een privilege voor hen!

Exodus 24:13-16 Toen stond Mozes op met zijn dienaar Jozua, en Mozes besteeg de berg Gods. 14 Maar tot de oudsten zeide hij: Wacht hier op ons, totdat wij bij u terugkeren; Aäron en Chur zijn immers bij u, wie zaken heeft, moet zich tot hen wenden. [voor raad en advies die ze nodig zouden kunnen hebben] 15 Daarop besteeg Mozes de berg, en de wolk bedekte de berg. 16 De heerlijkheid des HEREN rustte op de berg Sinai, en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolk.

Het leek erop dat God alle tijd in de wereld had. Mozes moest zes dagen wachten voordat God Zich liet zien. God was als het ware in persoon aanwezig.

Exodus 24:18 Mozes ging de wolk in en besteeg de berg. En hij bleef op de berg veertig dagen en veertig nachten.

Nu naar hoofdstuk 31, vers 18. Dit vindt plaats aan het einde van die periode.

Exodus 31:18 En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods.

Wat hebben we hier? Onmiddellijk nadat het verbond was gesloten gingen Mozes, Jozua en zeventig oudsten de berg op om voor God te verschijnen. Mozes en Jozua bleven daar, terwijl Mozes de blauwdrukken ontving voor de tabernakel die gebouwd moest worden. Dat was een van de dingen die God hem gaf. Hij gaf hem alle tekeningen. Of Hij dat in Mozes' denken inprentte of hem echt tekeningen gaf, weet ik niet, maar Hij maakte Mozes alles volledig duidelijk. Toen dat was gedaan, was het lawaai dat uit het kamp opsteeg de oorzaak dat ze naar het kamp terug moesten.

Er waren slechts veertig dagen voorbij toen het voorval met het gouden kalf plaatsvond. Israël was nadat ze het verbond hadden gesloten, op hun pelgrimstocht nog geen centimer verder getrokken. Zo snel openbaarde zich Israëls ontrouw, hun afgodendienst, in deze dramatische, pijnlijke gebeurtenis die ons allemaal zou moeten waarschuwen dat we op onze hoede moeten zijn.

Let op de elementen waar God op wijst als de oorzaak van het uitbreken van de afgodendienst die in feite in hen verscholen lag. Al die tijd was dat diep in hun hart verborgen, maar het kwam tot een kritische massa voordat ze zelfs maar een centimeter dichter naar het Beloofde Land trokken.

Van wat de Israëlieten zeiden en deden kunnen we het volgende leren. Ten eerste, zij wilden iets dat ze konden zien. Ze hadden reeds een God die voor hen uit zou gaan en Hij deed dat door middel van de wolk- en vuurkolom. Maar zelfs dat was niet goed genoeg. Zij wilden iets anders dat ze konden zien. Het is duidelijk dat, omdat God verborgen was in de vuurkolom en in de wolkkolom, ze niet uit geloof leefden. Dit wordt echt duidelijk in het tweede punt.

Zij hadden het feit dat ze daar bij de berg Sinaï waren, toegeschreven aan Mozes, niet aan God, maar aan Mozes. Zolang ze hem konden zien, werden ze voortgedreven door het geloof van Mozes. Wij zouden dat in deze tijd een "persoonlijkheidscultus" noemen. Hoe snel zagen ze het feit over het hoofd dat God Egypte had vernietigd; dat God de eerstgeborenen had gedood; dat God de Schelfzee spleet; dat dit allemaal niet door Mozes was gedaan.

Het derde punt is dat hun ongeduld een motiverende, beslissende factor van emotionaliteit toevoegde, die hen aanzette om opnieuw te klagen, en die houding verspreidde zich als een lopend vuurtje door de gehele bevolking. Ik denk dat we dan op basis van deze gebeurtenis veilig kunnen concluderen dat God ons laat zien dat het onwetendheid was, veroorzaakt doordat de Israëlieten nalieten na te denken over wat ze in Egypte en daarna hadden meegemaakt en dus ook niet de juiste verbanden legden, dat ze het bewijsmateriaal dat hun gegeven werd, niet geloofden.

God verlangt van ons naar bewijsmateriaal te kijken en met betrekking tot ons geloof conclusies te trekken gebaseerd op dat bewijsmateriaal. Dat, gecombineerd met een werkelijk gebrekkig geheugen, aangestuurd door ongeduld, veroorzaakte deze ontrouwe afgodendienst. Hoe snel verdween de liefde die ze in Exodus 24 tot uitdrukking brachten, in het niets, toen die combinatie van omstandigheden tot stand kwam. Om kort te gaan, gemeente, zij vreesden God niet.

Er zijn hier nog meer lessen te vinden. Kijk naar vers 15.

Exodus 32:15-17 Toen keerde Mozes zich om en daalde van de berg af met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand, tafelen, die aan beide zijden beschreven waren: aan de éne en aan de andere zijde waren zij beschreven. 16 De tafelen waren het werk Gods en het schrift was het schrift Gods, op de tafelen gegrift. 17 Toen nu Jozua het rumoer van het juichende volk hoorde, zeide hij tot Mozes: Er is krijgsgeschreeuw in de legerplaats.

Exodus 32:19 En zodra hij de legerplaats genaderd was en het kalf en de reidansen zag, ontbrandde de toorn van Mozes; hij wierp de tafelen uit zijn hand en verbrijzelde ze aan de voet van de berg.

We weten allemaal van andere passages dat Mozes een temperament had dat zo af en toe tot uitbarsting kwam. Ik opper op basis daarvan dat het feit dat hij de stenen tafelen verbrijzelde, een doelbewuste handeling kan zijn geweest en niet iets dat hij uit emotionele woede deed. Omdat het volk dit had gedaan en dit zo snel had gedaan, kan het zijn dat zijn verbrijzelen van de stenen tafelen symboliseerde dat, voor zover het Mozes betrof, het verbond reeds verbroken was, en daarom verbrak hij de termen van het verbond om dat te illustreren en de zeer ernstige consequenties van afgodendienst te laten zien, die in het bijzonder ernstig waren, omdat dit zo kort volgde op hun plechtige belofte God lief te hebben.

Het volgende dat Mozes deed, was dat hij het gouden kalf in het vuur gooide, waarmee hij liet zien hoe onmachtig en zwak het was. Het kon zichzelf niet eens verdedigen, omdat het geen leven in zichzelf had. Het leven ervan bestond als het ware geheel en al in het denken van de mensen die het vereerden, maar dat was geen werkelijkheid. Het was niet meer dan een afgod.

Daarna liet hij de mensen eromheen staan om toe te kijken hoe hun zogenaamde god voor hun ogen wegsmolt tot een vormeloze massa, en daarmee werd alle schoonheid die zij met hun ogen waarnamen, gereduceerd tot niets meer dan een klodder. Het kon zich niet eens tegen het vuur beschermen.

Daarna moesten ze blijven staan toekijken hoe die vormeloze klodder van hun god systematisch tot poeder werd vermalen, op het water werd uitgestrooid en daarna liet hij het hen drinken. Daar zit heel wat symboliek in. Hun god verdween in hen, waar hij al die tijd al was geweest — niet meer dan een verzinsel van hun verbeelding.

Er bestond de mogelijkheid dat ze hierdoor misselijk werden en dat ze het uitkotsten. Dat is een heel gerede kans. Daarna liet hij de leiders van de opstand oppakken en executeren. Dat was het dan met de afgodendienst voor dat moment.

Een van de lessen voor ons is, dat het deel uitmaakt van de menselijke natuur om dit te doen, en het kan zo gemakkelijk uitbarsten, evenals dat bij Mozes gebeurde toen hij de rots sloeg. Het was daar al die tijd bij hem aanwezig.

Ik denk dat het op deze manier begrijpen van deze gebeurtenis ons leert wat er bij afgodendienst betrokken is en hoe het zal eindigen. Niets. Absoluut niets. Het is echt ijdelheid. Dat is alles wat het is. Het gaat , zoals we nogmaals in de preek over het tiende gebod leerden, zelfs zover dat Paulus twee keer zei dat begeerte afgodendienst is. De redenering daarachter is in feite heel eenvoudig. Deze definitie veronderstelt dat wat iemand verlangt, wat iemand begeert, verder gaat dan eenvoudig iets willen hebben. Wat zij willen hebben is voor die persoon niet wettig om te hebben.

Ik ging onlangs heel snel door deze dingen heen, maar hier hebben we het proces. Hoe vormt het tiende gebod zichzelf als het ware om tot een zonde waarbij voor een beeld gebogen wordt? Het volgende gebeurt er binnenin ons. Het verlangen zet aan tot ontrouw aan onze plechtige belofte om het Nieuwe Verbond te houden en ontwikkelt zich tot zelfgerichtheid.

Begeerte wordt zodoende ijdelheid evenals een beeld dat niets goeds voortbrengt voor het Koninkrijk van God. Dan worden we gevormd naar het beeld van de god die we dienen, omdat we gewoon onszelf dienen. Ons onwettig verlangen naar iets anders dan God, wordt de god die we dienen. We buigen neer en onderwerpen ons daaraan in plaats van aan de geboden van God. We kunnen dit proces toepassen op het vijfde gebod, het zesde gebod, het zevende, achtste en negende, en u zult zien dat dit proces bij elk van die geboden past.

Dit brengt ons aan het einde van een ander gedeelte van de preek, en ik heb u nogmaals laten zien dat het vrezen van God diep geworteld is in de boodschap van Deuteronomium betreffende het houden van dit feest, en dat in het boek Deuteronomium afgodendienst de hoofdboodschap is betreffende het overtreden van de geboden.

Ik heb u een heel opzienbarend voorbeeld laten zien van hoe snel afgodendienst kan uitbarsten vanuit de crypte van kwaad binnen de menselijke natuur, en hoe ijdel dat is. Ik heb u ook iets van Gods minachting hiervoor laten zien. U kunt dat zien in de manier waarop Mozes met de situatie omging.

We gaan hier nu kijken naar iets dat we niet al te vaak hebben gedaan. We gaan kijken naar Gods heftige gevoelens betreffende afgodendienst. We gaan kijken naar Zijn emoties in relatie hiermee.

We slaan Deuteronomium 4:28 op. Hij profeteert hier.

Deuteronomium 4:28 dan zult gij daar goden dienen: werk van mensenhanden, hout en steen, die niet zien, noch horen noch eten noch ruiken.

Dit is in het boek Deuteronomium Gods eerste uitdrukking van bezorgdheid betreffende valse goden.

Deuteronomium 5:7 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Dit is een onbeholpen vertaling, omdat het de indruk geeft dat andere goden toegestaan zijn, mits de ware God de eerste plaats blijft innemen. We zouden het veeleer als volgt moeten begrijpen: "Naast Mij zult u geen andere goden hebben." God zal absoluut geen enkele concurrentie dulden. De strengheid hiervan is ten goede van ons, omdat een mengeling van goden waaraan men zich moet onderwerpen verwarring voortbrengt, en het doet Gods doel dat er een duidelijk beeld van Jezus Christus in ons wordt geschapen teniet. Met andere woorden Zijn doel kan niet worden vervuld als we andere goden hebben die in ons denken met Hem en elkaar concurreren.

Deuteronomium 6:14-15 Gij zult geen andere goden achternalopen, van de goden der volken rondom u, 15 want de HERE, uw God, is een naijverig God in uw midden; opdat de toorn van de HERE, uw God, niet tegen u ontbrande en Hij u van de aardbodem verdelge.

We gaan ons richten op dit woord "naijverig". God is naijverig.

Deuteronomium 5:9a Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, ...

Dat staat midden in de tien geboden.

Deuteronomium 7:4 want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, zodat zij andere goden zouden dienen, en de toorn des HEREN tegen u zou ontbranden en Hij u weldra zou verdelgen.

Deuteronomium 11:16-17 Neemt u ervoor in acht, dat uw hart zich niet laat verlokken, zodat gij afwijkt, andere goden dient en u voor hen nederbuigt. 17 Dan zou de toorn des HEREN tegen u ontbranden en Hij zou de hemel toesluiten, zodat er geen regen komt, de bodem zijn opbrengst niet geeft en gij weldra te gronde gaat in het goede land, dat de HERE u geven zal.

We hebben hier een stap voor stap proces dat uiteindelijk uitmondt in hoofdstuk 12. Aan het einde van hoofdstuk 11 is God klaar met de basisinstructie voor de Israëlieten die ze in de praktijk moeten gaan brengen als ze het land binnentrekken. In hoofdstuk 12 komen we bij de praktische toepassing van de dingen die we zojuist gelezen hebben betreffende Gods gevoelens over afgodendienst. We gaan in hoofdstuk 12 de verzen 1 tot 9 lezen. Kijk zorgvuldig naar deze instructies.

Deuteronomium 12:1-9 Dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die gij naarstig zult onderhouden in het land dat de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het te bezitten, zolang gij op de aardbodem leeft. 2 Gij zult alle plaatsen volkomen vernietigen, waar de volken, wier gebied gij in bezit neemt, hun goden gediend hebben, op hoge bergen en op heuvels en onder elke groene boom. 3 Gij zult hun altaren afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen met vuur verbranden, de gesneden beelden van hun goden omhouwen en hun naam van die plaats doen verdwijnen. 4 Niet alzo zult gij de HERE, uw God, dienen. 5 Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6 Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee. 7 Daar zult gij eten voor het aangezicht van de HERE, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft. 8 Gij zult geenszins doen wat wij hier thans doen: ieder geheel naar eigen goeddunken. 9 Want gij zijt nog niet gekomen tot de rustplaats en het erfdeel, dat de HERE, uw God, u geven zal.

Ik wil hier het volgende uit halen. Toen Israël het land binnentrok, werd hun opgedragen elke plaats te verwoesten waar de Kanaänieten hun goden vereerden. Ik bedoel, zoals we in deze tijd zouden kunnen zeggen, ze moesten alle kerken afbranden en al het puin wegslepen en het over het gehele land uitstrooien. Alles wat kon worden verbrand, moesten ze verbranden. In feite moesten ze de namen van die plaatsen in vergetelheid doen opgaan. God wilde niet dat ze op enigerlei manier beïnvloed zouden worden om te proberen Hem te gaan vereren met dezelfde middelen en op dezelfde plaatsen als de Kanaänieten dat hun goden deden.

Er zou geen enkele eenheid van geest, denken, hart, dienst of iets dergelijks zijn. God moest slechts op één plaats en op één manier worden vereerd. Maak ik dat duidelijk? Dat was Zijn instructie. Er mocht op geen enkele manier iets gedaan worden op de manier van de heidenen. Dat zou steekhoudend voor ons moeten zijn.

Maar wat hebben de mensen in de Verenigde Staten gedaan? Zij vieren Kerstmis, Pasen en Halloween. Moet ik nog verder gaan? Zij namen dat in hun versie van christendom op. Dat is een gruwel in Gods oog. Die dingen kwamen rechtstreeks uit de heidense religies. Dat maakte helemaal geen deel uit van Gods weg. Wat hebben we dus in de Verenigde Staten gedaan? We hebben een afgodische eredienst geschapen door iets van de bijbelse waarheid te combineren met volslagen heidendom. Dat is voor God in het geheel niet aanvaardbaar.

Onze voorvaderen gaven geen gehoor aan wat God zei en voor ze het wisten, hadden ze in hun vereren van God methoden van de Kanaänieten overgenomen om uiteindelijk volledig over te gaan tot de Kanaänitische religie.

Ik weet niet of het u opviel en ik denk dat u het reeds weet, maar zoals ik eerder zei, zou God slechts toestaan dat Hij op één plaats in Israël werd vereerd. Niet overal in het land. Eén plaats en dat bleek uiteindelijk de stad of het dorp, of wat het dan ook was, Silo te zijn. Hij beval hun daar de tabernakel op te richten. De tabernakel was Zijn woonplaats. Hij woonde als het ware in het heilige der heiligen. Hij werd door de priesters gediend; dezen was het toegestaan de tabernakel binnen te gaan om hun taken uit te voeren, maar niemand anders had toestemming daar binnen te gaan.

Toen de Israëlieten daarheen gingen met de offerande die ze wilden brengen, gingen ze niet verder dan het altaar dat buiten de tabernakel stond. Ze mochten daar niet binnengaan. Met andere woorden, God gaf te kennen dat deze mensen in feite geen enkel contact met Hem hadden. Dit weerhield hen er niet van om in andere delen van het land diensten, zoals later in de synagoges werden gehouden, te organiseren. Maar het was hun niet toegestaan ergens anders dan op die ene plaats offeranden te brengen. Zo strikt zou God dit onder controle gaan houden. Dat werkte een bepaalde tijd, zelfs al begonnen zij Gods weg te combineren met die van de heidenen.

U zou zich kunnen afvragen waarom God wilde dat dit zo strikt in acht zou worden genomen, naast het feit dat anders het eerste gebod zou worden overtreden. Daar is een reden voor.

De meeste naties worden gevormd op basis van de kracht van een krachtige persoonlijkheid. Zij ontvangen hun kracht en rijkdom uit minerale afzettingen, goed grasland, goed bouwland, overvloedige regens of wat dan ook. Maar gemeente, Israël zou anders zijn dan welke andere natie waar dan ook op aarde. Zij zouden als natie worden gevormd rondom God de Schepper. Zij waren een natie wier manier van leven en vorm van bestuur door God als hun Koning, als hun Heerser, werd voorgeschreven. De manier van leven was hun religie. Maar nogmaals, dat werkte uiteindelijk niet, omdat de Israëlieten God niet wilden gehoorzamen.

De moslims werken er hard aan om dit te doen. Zij zijn een religieuze natie en volgen enigszins het patroon van Israël. Maar hun religie is echt vreemd. Ik denk dat u het daar mee eens bent.

Laten we nu Deuteronomium 10:12-13 opslaan. Ik gebruikte deze verzen in een eerdere preek. Ik wil ze herhalen omdat ze ons op beknopte wijze zeggen wat God van ons wil.

Deuteronomium 10:12-13 Nu dan, Israël, wat vraagt de HERE, uw God, van u dan de HERE, uw God, te vrezen door in al zijn wegen te wandelen; Hem lief te hebben; de HERE, uw God, te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel; 13 de geboden en de inzettingen des HEREN, die ik u heden opleg, te onderhouden, opdat het u wèl ga.

Deze vijf reacties die Hij van ons wil, bestrijken het hele spectrum van onze verantwoordelijkheden en bij het vervullen van elk van hen is een mengsel van liefde en loyaliteit betrokken. Maar liefde en loyaliteit geven gaat ons niet gemakkelijk af, omdat de menselijke natuur zo sterk zelfgericht is. Juist in deze punten wordt het houden van ons woord en trouw zijn zo belangrijk. Maar gecombineerd met Zijn genade garandeert het uitvoeren van deze vijf punten dat we in Zijn Koninkrijk zullen zijn, geschapen naar het beeld van Jezus Christus.

God geeft al vroeg aanduidingen in Zijn woord over Zijn hartstochtelijke gevoelens betreffende loyaliteit. We slaan nu Exodus 34:14 op.

Exodus 34:14 Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de HERE, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God.

Wist u dat Gods naam "Naijverige" is?

Deuteronomium 4:24 Want de HERE, uw God, is een verterend vuur, een naijverig God.

Deuteronomium 6:15 want de HERE, uw God, is een naijverig God in uw midden; opdat de toorn van de HERE, uw God, niet tegen u ontbrande en Hij u van de aardbodem verdelge.

We zien dit ook in Ezechiël 36:6.

Ezechiël 36:6b ... zo zegt de Here HERE: zie, Ik spreek in mijn naijver en in mijn grimmigheid: omdat gij de smaad der volken gedragen hebt,

God verwijst in het Nieuwe Testament zeven keer naar deze karakteristiek van Zichzelf. Hij is een naijverig God en op verscheidene plaatsen voegt Hij daaraan toe dat Hij een "verterend vuur" is. Ik denk dat de reden dat Hij dit toevoegde, is om de vurigheid van het gevoel dat Hij heeft over de relatie die we met Hem hebben, te versterken. Hij zal ons met niemand delen.

Dit komt ook in het Nieuwe Testament voor, in Hebreeën 12:28-29.

Hebreeën 12:28-29 Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, 29 want onze God is een verterend vuur.

Als deze verhitte, verterende, jaloerse karaktertrek wordt toegepast op een mens is dat erg slecht. Waarom is dat erg slecht? Omdat de menselijke natuur deze niet kan beheersen. Die leidt tot vergaande zelfgerichtheid. Als deze echter op God wordt toegepast, wordt deze erg goed, want Hij is goed. Dat is Zijn natuur. Hij is goed en Hij is de gepersonifieerde liefde. Zijn hartstocht wordt volmaakt beheerst en uit zich daarom in geheel goede karakteristieken die in ons voordeel uitwerken, en dat voordeel is dat wij een intensiteit krijgen die ons aandrijft trouw te zijn. Dat maakt deel uit van Hem vrezen.

We weten dat Hij jaloers is betreffende de relatie die Hij met ons heeft, en wij weten wat Zijn gevoelens jegens ons zijn. Die zijn in het geheel niet subtiel. Mensen! Hij heeft ons lief! Dat zegt Hij en Hij wil dat wij loyaal en trouw zijn aan Hem met dezelfde soort hartstocht en intensiteit die Hij voor ons heeft.

Jaloezie beschrijft een hartstochtelijke intensiteit om iets te beschermen of te verdedigen dat in gevaar komt, en Gods vurigheid, of naijver, dient ertoe om Zijn mensen, Zijn natie, Zijn kerk of Zijn eer te beschermen, en om dat te versterken wordt die eigenschap geassocieerd met verterend vuur.

We weten heel goed dat het Oude Verbond een huwelijksverbond was en we weten heel goed dat het Nieuwe Verbond een huwelijksverbond is. Als onze gevoelens juist en gebalanceerd zijn, wilt u dan uw aanstaande huwelijkspartner delen met een concurrent? U weet dat u iemand wil trouwen die u liefheeft met dezelfde intensiteit als u hem of haar liefhebt.

Dat beschrijft God en daarom zal Hij in het geheel geen afgodendienst dulden. Als Hij ons gaat trouwen, wil Hij dat wij loyaal zijn aan Hem en die loyaliteit is niet alleen maar een wettig iets. Het is loyaliteit gecombineerd met liefhebbende genegenheid. Hij laat ons dus weten hoe Hij voor ons voelt, dat Hij jaloers is om ons te beschermen, ons te verdedigen. Hij is jaloers omdat Hij met ons wil trouwen. Hij heeft ons uitgekozen om Zijn vrouw te worden. Wat kan nog beter zijn dan dat?

Wat doet afgodendienst dus? Die vernietigt de loyaliteit. Die vernietigt de liefde en als de liefde is vernietigd, dan, zo laat Hij ons weten, kan er geen huwelijk zijn voor hen wier hart verdeeld is tussen Hem en iemand anders.

Ik zal met dit vers eindigen. Jezus zei het op de volgende manier. We kunnen niet twee heren dienen. We zullen de ene liefhebben en de ander haten. Ons denken moet vast gericht zijn op de Ene met wie we een verbond hebben gesloten, en wij hebben — als reactie op wat Hij eerst heeft gedaan — dat verbond met Hem gesloten om Hem en Hem alleen lief te hebben. Alles wat daarvan afwijkt schiet tekort en wordt afgodendienst. Dat is de allerbelangrijkste boodschap van Deuteronomium tegen zonde. Laat afgodendienst niet de relatie met God belemmeren.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)