Geloof en het gevecht van de christen (Deel 10)

Door John W. Ritenbaugh
22 februari 2008

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh denkt na over de nogal nederige omstandigheden die met onze roeping samengaan en maant ons aan tot voorzichtigheid om in ons oordelen niet aan aanzien des persoons te doen. Jakob bracht door zijn voortrekken van Jozef onmeetbare jaloezie en strijd teweeg binnen zijn gezin. God oordeel onpartijdig en baseert Zijn besluit op het benutten (of juist niet benutten) van de gaven die God aan individuele personen gegeven heeft binnen de context van hun roeping. God oordeelt ieder individu eerlijk zonder aanzien des persoons. Hij geeft iedereen een eerlijke behandeling. Evenals de Hebreeuwse christenen die afdreven van hun roeping, die door de aantrekkelijke dingen van de wereld aan waarde inboette, moeten ook wij zeker stellen dat onze vurigheid niet verflauwt. Evenals bij Abraham en de andere helden van geloof zullen onze testen passend zijn voor de taak waartoe God ons voorbereidt. Evenals Abraham moeten we ervoor zorgen dat onze relatie met God aan de top van onze prioriteitenlijst staat; als gevolg daarvan moeten we zonder ophouden bidden, voortdurend vrijmoedig komen voor de troon der genade of Gods actieve, dynamische gunst, om ons vrij te maken van de schuld der zonde, ons op dynamische wijze door Zijn Heilige Geest veranderend van het begin van onze roeping door onze heiliging tot onze uiteindelijke verheerlijking. Jezus Christus, onze Hogepriester, wiens leven het licht en de genade van God personifieert, voert ons door de exercities, oefeningen, lessen, testen en beproevingen, waarbij Hij ons, ons karakter en geestelijk leven door de voortdurende toepassing van gebed en bijbelstudie (ons geestelijke manna) volmaakt en ons op die manier voorbereidt om in Zijn geestelijke Familie te leven.


We gaan deze preek beginnen door een aantal verzen op te slaan waarmee we heel bekend zijn en die een goed uitgangspunt zullen vormen voor datgene waar ik vandaag over zal spreken.

1 Corinthiërs 1:26-29 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God.

We begrijpen allemaal dat hij het over ons heeft. Het is geen verdienste om met al deze vernederende dingen die hij hier over ons zegt, betiteld te worden. Maar het is een juiste evaluatie van wat we zijn.

Ik wil iets verduidelijken, dat volgens mij heel belangrijk is aan het begin van deze preek en dat is ontleend aan Hebreeën 11. En dat is, dat we in termen van beoordeeld worden in geen enkel opzicht aan het wedijveren zijn met de persoonlijkheden die in Hebreeën 11 worden genoemd. Sommige van de dingen die zij door geloof tot stand brachten, kunnen nogal overweldigend zijn als we dat vergelijken met wat wij zijn.

Jacobus 2:1-5 Mijn broeders, houdt uw geloof in onze Here der heerlijkheid, Jezus Christus, vrij van aanzien des persoons. 2 Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen met een gouden ring aan zijn vinger en in prachtige kleding, en er kwam ook een arme binnen in schamele kleding, 3 en gij zoudt opzien tegen de man met de prachtige kleding en zeggen: neem gij hier deze goede plaats, maar tot de arme zoudt gij zeggen: ga gij daar staan, of ga beneden bij mijn voetbank zitten, 4 zoudt gij dan geen onderscheid maken onder elkander en optreden als rechters, die zich door verkeerde overwegingen laten leiden? 5 Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?

Het is karakteristiek voor de menselijke natuur om partijdig te zijn in zijn oordeel. Een van de beroemdste zinnen uit Martin Luther Kings toespraak "Ik heb een droom" was die waarin hij zei vooruit te kijken naar de tijd, naar de dag, dat iemand beoordeeld zou worden op basis van zijn karakter en niet op basis van zijn huidskleur.

Dingen zoals ras, geslacht, etniciteit, economisch niveau en type baan tellen zwaar mee in ons oordeel over anderen. Op dezelfde manier hebben we de neiging op onze hoede te zijn voor het oordeel van God. De neiging van de menselijke natuur is de conclusie te trekken dat Zijn oordeel geneigd is tot een uiterste te gaan. Hij wordt in het algemeen uitgebeeld als heel kritisch en dat Zijn standaards onmogelijk hoog liggen, zodat bijna niemand daaraan kan voldoen, of Hij wordt gekarakteriseerd als zo barmhartig dat er praktisch geen enkele standaard is waaraan men moet voldoen, waardoor elke vorm van gedrag acceptabel is.

Een duidelijk voorbeeld van het vernietigende effect van partijdigheid in oordelen en wat het kan veroorzaken begint in Genesis 37:3 waar ons wordt getoond dat Jakobs houding ten opzichte van Jozef heel sterk bijdroeg om zijn elf andere zonen jaloers op Jozef te doen worden, met natuurlijk, tenminste in eerste instantie, rampzalige gevolgen.

Als we de instructie in Jacobus 2 en 3 in overweging nemen, dan worden we door die twee hoofdstukken aangespoord zo te oordelen als God oordeelt. Dit is onmogelijk, omdat we niet de gelegenheid of de kracht van Zijn vermogen hebben om zoiets te doen, maar we worden ervoor verantwoordelijk gehouden die weg in te slaan en te blijven volgen. In de Bijbel worden duidelijke samenvattingen gegeven van de fundamentele bouwblokken van de manier waarop Hij oordeelt. We zullen er één van bekijken door dit ene principe van Jezus eruit te lichten:

Lucas 12:48 Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.

Deze uitspraak geeft ons een korte maar nauwkeurige samenvatting van hoe God oordeelt. Hij oordeelt iedereen persoonlijk en individueel op basis van de gaven die hem gegeven zijn en daarnaast op basis van een volmaakt begrip van de tijd en omstandigheden waarin hij leeft en werkt. Om deze reden zal ons oordeel van andere mensen bijna altijd in volmaaktheid tekortschieten. We kunnen dit op geen enkele manier op volmaakte manier doen, en daarom, omdat we desondanks moeten evalueren en oordelen (dat maakt deel uit van onze verantwoordelijkheid), worden we door Jezus dus aangespoord om zowel raad te zoeken als voorzichtig te zijn in ons oordeel.

Johannes 17:12 Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.

Johannes 17:20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,

Met die woorden van Jezus in het achterhoofd wil ik even terugkijken op Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara en Mozes, en hun leven. Bedenk dat we het hebben over oordeel en evaluatie. Hoeveel van de Bijbel was er toen zij leefden, geschreven? Ik vraag dat in het bijzonder, omdat Jezus zei: "Ik bewaarde hen", en in vers 20 zei Hij: "Ik bid voor hen die hun woord zullen geloven" – dat wil zeggen het woord van de apostelen.

Het woord van God gaat deel uitmaken van de oordelen die we vellen. Hoeveel van Gods woord stond dus ter beschikking van Abraham en Sara, en Henoch, en Abel, enzovoort? Tegen de tijd dat de Israëlieten het Beloofde Land bereikten, waren er op zijn best slechts vijf boeken van de Bijbel. Hoe ruim deze waren verspreid weet ik niet, maar Mozes las ze zeer zeker omdat hij ze schreef. Behalve Mozes leefden dus al die mensen voordat er ooit ook maar één woord van de Schrift verscheen. God werkte in die tijd op een andere manier, aangepast aan hun omstandigheden. Bedenk dat we het hebben over oordelen, over hoe God oordeelt.

Hoe oordeelt God? Hij oordeelt in overeenstemming met de gaven. Zij die veel ontvangen hebben, worden strenger beoordeeld dan die weinig ontvangen hebben. Als wij gaan oordelen met gebruikmaking van het woord van God, hoeveel hadden zij daarvan? We zullen zien.

Wat deed God in hun tijd? Hij legde persoonlijke bezoeken af, verscheen van tijd tot tijd aan hen naar gelang Zijn doel dat vereiste. Die persoonlijke verschijningen hadden het potentieel een veel grotere, snellere en langer durende invloed te hebben op iemand dan iets lezen uit een boek, dat wij continu moeten blijven lezen om het eindelijk te gaan snappen. Zijn persoonlijke verschijningen aan die mensen waren een gave die zij ontvingen, die wij niet hebben. Daarom maken die deel uit van hun oordeel en wordt er dus meer van hen verwacht.

Hetzelfde geldt voor de Israëlieten die getuige waren van de tien plagen over Egypte. Zij waren getuige van hun bevrijding uit slavernij, evenals van het splijten van de Schelfzee en een grote hoeveelheid aan ervaringen tijdens hun zwerftocht door de woestijn, gebeurtenissen waarover wij alleen maar lezen. Zij ervoeren die letterlijk. Elke dag zagen zij de wolkkolom, de vuurkolom en het manna. Daarnaast waren de culturen van die volken in de oudheid – waarin zij leefden en waaruit zij kwamen – in vele opzichten heel anders.

Boven alles geldt misschien wel dat Gods doel met Israël geheel anders was dan met Zijn kerk. Israël was een koninkrijk van deze wereld en de kerk is dat beslist niet. Zij voerden bloedige oorlogen met andere naties van deze wereld. De kerk wordt opgedragen zich niet te bemoeien met de zaken van de wereld, maar het voorbeeld van Jezus te volgen door ons daar afzijdig van te houden en ondertussen het hoofd te bieden aan wat zij ons oplegt.

Er spelen dus verschillende factoren een rol bij Gods oordeel over ons en Zijn oordeel over hen. Omdat wij geen dingen ervaren op dezelfde manier als zij, is er iemand nodig die gadesloeg wat zij deden om te evalueren en precies te weten wat Hij hun als gaven gaf om met de omstandigheden van hun leven om te gaan, en daarom kan alleen Hij oordelen.

Zeg me eens, voelt u zich ooit schuldig omdat u niet kunt tippen aan wat Abraham deed, of wat Isaak deed, of wat Jakob tot stand bracht, of wat Noach tot stand bracht? Die mensen brachten echt iets tot stand binnen de omstandigheden van hun leven. Laten we het boek Ezechiël opslaan. God zegt daar het volgende:

Ezechiël 18:4-5 Zie, alle zielen [alle levens] zijn van Mij, zowel de ziel [het leven] van de vader als die [het leven] van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven. 5 Wanneer nu iemand rechtvaardig is en naar recht en gerechtigheid handelt,

Ezechiël 18:10 Maar verwekt hij een zoon, die een rover is, een bloedvergieter, en die, helaas, één dezer dingen doet

Ziet u wat Hij hier doet? Hij introduceert hier ideeën en concepten die met oordelen te maken hebben.

Ezechiël 18:13-14 tegen rente uitleent en woekerwinst neemt – zou zo iemand leven? Hij zal niet leven. Al deze gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker ter dood gebracht worden. Zijn bloedschuld rust op hemzelf. 14 En zie, hij verwekt een zoon, en deze ziet al de zonden die zijn vader doet; hij ziet ze, maar doet iets dergelijks niet [hij doet de dingen anders],

Ezechiël 18:17 hij onthoudt zich van onrecht, rente en woekerwinst neemt hij niet, hij voert mijn verordeningen uit en wandelt naar mijn inzettingen – deze zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal voorzeker leven.

Ezechiël 18:20 De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf.

Dat is een van de meest complete uitspraken in de gehele Bijbel die laten zien dat God iedere afzonderlijke persoon billijk en eerlijk beoordeelt. De zonden van de vader worden niet overgedragen op de zoon of dochter, of welke andere nakomeling dan ook. Als de zoon dus de zonden van de vader ziet en hij doet die niet, dan is dat goed voor hem.

Laten we een kernachtige uitspraak daarover opslaan in de eerste brief van Petrus en daarna gaan we weer terug naar het Oude Testament.

1 Petrus 1:17 En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze [of respect] de tijd uwer vreemdelingschap,

Petrus zegt dat iedereen rechtvaardig behandeld zal worden. U wordt niet afgemeten tegen Abraham en Isaak, of Jakob, of Mozes, of Sara, of Henoch, of Abel.

In Psalm 98 staat een kernachtige, unieke uitspraak. Als we vers 8 lezen zullen we de context daarvan onmiddellijk herkennen, omdat we dit lied vaak zingen.

Psalm 98:8-9 dat de stromen in de handen klappen, de bergen tezamen jubelen [Waarom?] 9 voor het aangezicht des HEREN, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in rechtmatigheid.

Het woord "rechtmatigheid" duidt op eerlijkheid, evenwichtigheid. Iedereen zal individueel beoordeeld worden in overeenstemming met de gaven die hij ontvangen heeft en wat hij binnen de context van zijn leven, zijn tijd en de cultuur om hem heen met die gaven heeft gedaan.

Daarnaast hebben we de extra belofte dat God ons nooit boven ons vermogen zal beproeven, maar met de beproeving zal Hij ons altijd voorzien van een uitweg, zodat we die beproeving zullen aankunnen.

1 Corinthiërs 10:13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

Als we aan deze beloften die Hij ons geeft, het geloof dat we nodig hebben toevoegen, en dat Hij ons berouw en vergeving geeft, en Zijn Heilige Geest, dan zien we dat we echt een goede zaak met Hem afsluiten. We hoeven er nooit bezorgd om te zijn dat we met iemand anders vergeleken zullen worden. Het is altijd ieder op zichzelf.

Ik gaf u deze inleiding omdat ik niet wil dat u door de preken die ik heb gegeven, een druk op u uitgeoefend voelt worden, omdat die mensen in termen van geloof echt iets voorstelden.

Hebreeën 11:14-16 Want wie [in deze context Abraham en Sara] zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Ik denk dat het op dit punt goed is ons te herinneren aan de stand van zaken van de Hebreeuwse mensen aan wie deze brief was gericht. In veel opzichten is die soortgelijk aan de onze in deze tijd.

Hebreeën 3:1 Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus,

Let op de woorden "heilige broeders". Dit stelt vast dat de Hebreeënbrief niet geschreven werd aan de Hebreeuwse wereld in het algemeen, maar specifiek aan Hebreeuwse christenen. Zij zijn de enigen op wie die woorden "heilige broeders" van toepassing zijn. De brief laat verder zien dat de Hebreeuwse christenen geen bloedige vervolging ondergingen. Als hij echter in de midden 60-er jaren werd geschreven, zoals veel onderzoekers denken, lag dat niet ver in de toekomst, tenminste in Jeruzalem, omdat in 70 na Chr. de tempel werd verwoest en de Romeinen min of meer een einde maakten aan de Joodse cultuur zoals die toen bestond.

De problemen van de Hebreeën lagen in het verdragen van de altijd aanwezige invloed van de wereld in een cultuur die in moreel en geestelijk opzicht snel achteruitging. Het kan helpen de culturele context in herinnering te brengen, namelijk dat toen de brief aan de Hebreeën werd geschreven, de tempel en alles wat zich daar afspeelde nog steeds in functie was, en ook al de religieuze partijen bestonden nog. De Farizeeën en Sadduceeën fungeerden nog steeds binnen het maatschappelijke leven.

Hebreeën 10:32 Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt,

De schrijver kijkt terug op de tijd dat zij geroepen werden. Dat kon wel twintig, of in sommige gevallen zelfs wel dertig jaar, eerder zijn geweest. Wat deze mensen overkwam was het volgende: de zaken en beslommeringen van het leven waar zij uit geroepen waren, probeerden hen op krachtige wijze terug te lokken naar hun bedrieglijke zekerheid. De "heilige broeders" hadden een ingeslopen en groeiend probleem voor wat betreft hun geestelijke visie en houding. De wereld oefende op krachtige wijze invloed op hen uit om naar haar terug te keren. Als groep verkeerden deze christenen in een toestand vergelijkbaar met wat wij in deze tijd "Laodiceanisme" zouden noemen.

De vermaning die we zojuist in Hebreeën 10:32 hebben gelezen, is een vrij vaak voorkomende vermaning. De auteur zegt: "Herinnert u de dagen van weleer", toen hun zelfvertrouwen echt sterk was en zij elk cultureel probleem dat zich in hun leven voordeed en zijn invloed op hen uitoefende, het hoofd wisten te bieden en te doorstaan. Zij hielden vol. Zij groeiden. Maar nu was er enige tijd verstreken en wat gebeurde er? Zij gleden geleidelijk, langzaam maar zeker, naar de wereld terug en werden moe van het goeddoen. Hun houding veranderde. De culturele omstandigheden in hun leefomgeving, gecombineerd met de afnemende geestdrift van de Hebreeën, gaven aan dat er heel ernstige morele en geestelijke consequenties pal voor hen lagen. De brief aan de Hebreeën was een poging dit af te wenden en ervoor te zorgen dat de mensen zich bekeerden voordat het te laat was.

Evenals wij waren de Hebreeuwse christenen uit de wereld geroepen om Christus te volgen in een cultuur waarin de intensiteit van de immoraliteit voortdurend toenam. Maar de werkelijkheid was dat Christus nog niet gekomen was. De tempel stond er nog steeds en functioneerde nog in alle opzichten. Hun ontging echter het feit dat zij geroepen waren Christus te volgen tot het einde dat het eerst kwam, of de wederkomst van Christus of het einde van hun leven. Dat hadden ze moeten begrijpen, want ze waren gedoopt en hadden het verbond met God gesloten. Maar wij, mensen van Israëlitische afkomst, hebben de neiging te vergeten.

Het algemene onderwerp in Hebreeën wordt in het kort door twee woorden beschreven: "beter dan". Dat zijn de twee woorden. Christus is beter dan engelen. Christus is beter dan Mozes. Het Nieuwe Verbond is beter dan het Oude. Als u er op gaat letten, ziet u door het hele boek Hebreeën heen vergelijkingen tussen wat deze mensen was gegeven en wat de culturen waaruit zij waren gekomen, hun boden door erheen terug te gaan.

Wat doet u om wat u als gave gegeven is te evenaren? Denkt u dat dit niet zijn invloed had op het oordeel dat zij reeds ontvingen? Het oordeel dat wij kunnen zien door deze brief, wie hem dan ook maar geschreven mag hebben, heel waarschijnlijk de apostel Paulus. De absolute waarheid of de apostel Paulus Hebreeën schreef, hebben we niet, maar het lijkt er sterk op dat het de apostel Paulus was. Hier hebben we hem dus, hij doet met zijn gehele wezen een beroep op hen, zeggend: "Broeders, wendt u niet af! Wat gegeven is, is zoveel beter dan wat u daarvoor ook maar mag hebben gehad, en er komt nog zoveel meer dat nog beter is."

Hebreeën 2:1-3 Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. 2 Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, 3 hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd,

Deze brief verschaft veel bewijs dat de Hebreeuwse gemeente zich door wereldse dingen liet afleiden en dat zij bij wereldse dingen betrokken waren, die naar alle waarschijnlijkheid op zich geen zonden waren. Maar deze dingen legden een groot beslag op hun leven en zij hadden de duidelijke visie op datgene waarop ze zich zouden moeten richten, verloren en ze gleden weg van Gods beloften.

Laten we opnieuw naar Hebreeën 11 kijken, naar datgene wat in de laatste preek werd uiteengezet.

Hebreeën 11:13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde.

Dit wordt waarschijnlijk gezegd van alle personen die in Hebreeën 11 worden genoemd, maar zelfs als we dit beperken tot slechts Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara, Isaak en Jakob, dan wordt er gezegd dat zij de beloften – misschien wat de tijd betreft – vanuit de verte zagen, en ze hebben die begroet [Statenvertaling: geloofd en omhelsd] en beleden. Zij beleden dit door de manier waarop ze hun leven leidden.

Vers 14 gaat dan verder met te openbaren dat deze combinatie van gedrag en houding liet zien dat zij een vaderland zochten – een nieuw vaderland dat anders was dan dat waarin zij woonden.

Hebreeën 11:14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken.

Vers 15 gaat verder met te laten zien dat zij, evenals u en ik, elke gelegenheid hadden om terug te gaan naar waar en wat zij waren voordat God hen riep. Vers 16 herinnert ons er daarna aan dat, omdat hun leven duidelijk liet zien waar zij op afgingen, God Zich niet schaamde om hen Zijn kinderen te noemen.

Wij bewijzen die mensen een slechte dienst door te denken dat zij in een betere, rustiger tijd leefden, en dat zij een minder veeleisend leven leidden dan wij, dat zij meer tijd hadden om de dingen door te denken om hun keus te bepalen en minder afleidingen hadden die hen beïnvloedden. De gedachte dat zij een voordeel hadden op ons, bewijst God en Zijn scheppende inspanningen een slechte dienst. Ten eerste, door te denken dat Hij een voorkeur heeft, zoiets als Jakob voor Jozef had. En ten tweede, door over het hoofd te zien dat deze mensen voor veel hogere posities in Gods Koninkrijk werden voorbereid dan wij. Bedenk dat Jezus zei: "Aan wie veel gegeven is, van hem zal veel meer worden verlangd."

Denkt u dat God die deze mensen persoonlijk bezocht, dat geen deel zou laten uitmaken van hun oordeel vanwege de invloed die dat op hun leven zou moeten hebben gehad? Ze geloofden niet alleen dat God bestond, zij zagen Hem met eigen ogen! In het geval van Abraham en Sara bereidden ze zelfs een maaltijd voor Hem. Kunt u zich voorstellen hoeveel tijd dat kostte? Als u het verslag leest, zult u lezen dat Abraham eropuit ging om een levend dier uit te zoeken. Daarna moesten ze het slachten, het bloed eruit laten lopen en daarna koken. En wat deden ze ondertussen? U weet heel goed dat ze een gesprek met elkaar voerden!

Zou u het niet op prijs stellen om met God te kunnen zitten praten en te weten dat u met God sprak? Bedenk nu dat daar bepaalde kosten aan verbonden zijn, omdat God dat deel zal laten uitmaken van Zijn oordeel, omdat dat een schitterende gave was die bijna niemand in de geschiedenis van de mensheid heeft ontvangen.

Hoe denkt u dat de testen van Abraham verliepen? Denkt u dat hij niet ongeveer de zwaarste testen zou krijgen die iemand ooit moest ondergaan? Gaat u het een beetje begrijpen?

Het is niet eerlijk te denken dat zij in een gemakkelijker tijd leefden. Dat was zeer zeker niet het geval. Het lijkt er oppervlakkig alleen maar op. Maar als we andere factoren in beschouwing nemen, gaat het duidelijk worden dat God eerlijk is en dat Hij deze mensen riep voor de hoogste functies in Zijn Koninkrijk, in Zijn Familie, als dat Koninkrijk onder Jezus Christus zal worden opgericht. Zijn testen zullen daarmee in overeenstemming zijn. Ze zullen evenredig zijn met de taak waartoe Hij hen geroepen heeft. Hun leven was veeleisend. Ze kregen niet slechts één test. Hoe konden zij volharden? Wat stelde deze mensen in staat om de testen die ze kregen het hoofd te bieden?

Ik heb verschillende preken gegeven over de leerstelling van "eeuwige zekerheid", en een van de redenen dat ik dit heb gedaan is, omdat de voorstelling van die leerstelling zo ongebalanceerd en eenzijdig is dat deze de mensen op zijn allerminst ertoe leidt hun verantwoordelijkheden jegens God in dit verbond dat we met Hem hebben gemaakt, te veronachtzamen en soms zelfs te vergeten. Het is gerechtvaardigd dat er in het denken van iedere zoon van God een sterk gevoel van vertrouwende hoop bestaat in Gods behoud – een hoop die gebaseerd is op de absolute, waarachtige trouw van God Zelf en de belofte van Zijn woord. Maar die hoop moet niet slechts een wilde veronderstelling zijn, maar in balans worden gehouden door een besef van iemands eigen neigingen en zwakheden. Daarom begon ik met 1 Corinthiërs 1:26. In Gods ogen zijn wij zo. Wij zijn de zwakken van de wereld.

Ik weet dat iedereen van ons die daarover nadenkt, er nederig door zal worden. Waarom zou God in hemelsnaam in ons geïnteresseerd zijn? Zijn eigen woord zegt ons dat Hij dit expres doet, zodat niemand ooit in staat zal zijn zich in Zijn tegenwoordigheid te beroemen. Hij doet dat voor ons eigen bestwil. Hopelijk zal dat ons ertoe leiden Hem te vertrouwen, omdat we erkennen dat we werkelijk zwak zijn.

Het fantastische van onze roeping wordt in evenwicht gehouden door een nederigheid dat we Gods wil met ons persoonlijk niet volledig kennen, en dat we niet weten hoe pijnlijk God ons in een bepaalde situatie zal gaan testen. Dit tegenwicht moet van dien aard zijn dat het de christen ertoe aanzet zonder ophouden te bidden om dicht bij God te blijven, omdat Hij werkelijk de bron is van onze kracht.

Die voorstelling van de leerstelling over "eeuwige zekerheid" is zo eenzijdig, dat deze de mensen ten onrechte doet veronderstellen dat er niet het minste gevaar voor hen bestaat dat zij zullen afvallen, en dit leidt hen tot een consequent patroon van lichtzinnig en zorgeloos leven waarin praktisch geen enkele discipline bestaat in de zin van de apostel Paulus, die zei dat hij zijn lichaam tuchtigde om te voorkomen dat hijzelf afgewezen zou worden. Daar maakte hij zich zorgen over. Deze zorg bracht enkele van de gevoelens, de emotionele inhoud, met zich mee waar Paulus op een bepaald moment van zijn leven doorheen ging. Denkt u dat hij zich niet zwak voelde? U kunt maar beter geloven dat dat het geval was. Maar hij bracht het tot een goed einde. Daarin zit de les voor ons.

Waarheen moet men dus gaan, of wat moet men doen om de kracht te hebben in deze tijden te volharden, en niet alleen in deze tijden te volharden, maar feitelijk in deze tijden te groeien en zodoende het soort getuigenis te geven dat de geloofshelden gaven, waardoor God zei dat Hij Zich niet ervoor schaamde hen Zijn vriend, Zijn kinderen, hun God te noemen? Wat ik u ga laten zien is in geen enkel opzicht ingewikkeld te begrijpen, maar we moeten ons er wel toe zetten om ons deel uit te voeren.

Ik wil dat allen die mijn preken over Hebreeën 11 hebben gehoord, zich Jesaja 51:1-2 in herinnering brengen, waar God Zijn kinderen instrueert naar Abraham te kijken, in het besef dat hij de rots is waaruit wij zijn uitgehouwen. Het boek Genesis laat ons een patroon zien van Abraham, zijn zoon en zijn kleinzoon. We gaan naar een van deze patronen kijken, een patroon dat zo belangrijk is en laat zien hoe ze tot stand brachten wat ze deden. We lezen de volgende schriftgedeelten specifiek voor één bepaald woord.

Genesis 12:7-8 Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HERE, die hem verschenen was. 8 Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan.

Genesis 13:3-4 En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai, 4 naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam des HEREN aan.

Genesis 13:18 Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE.

Genesis 26:25 Toen bouwde hij [Isaak] daar een altaar en riep de naam des HEREN aan. Hij spande daar zijn tent, en de knechten van Isaak groeven daar een put.

Genesis 33:20 Daar richtte hij [Jakob] een altaar op en noemde dat: De God van Israël is God.

Genesis 35:3 [Het gaat nog steeds over Jakob.] Laten wij ons dan gereed maken en naar Betel trekken, en ik zal daar een altaar oprichten voor die God, die mij geantwoord heeft ten dage mijner benauwdheid, en die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben.

Genesis 35:7 bouwde hij daar een altaar, en hij noemde die plaats El-Betel, omdat God Zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij voor zijn broeder vluchtte.

Het veelvuldig vermelden van een altaar openbaart dat de relatie van Abraham en Isaak en Jakob met God, toen ze eenmaal bekeerd waren, het meest belangrijke was in hun leven. Een altaar symboliseert aanbidden van, trouw aan en communicatie met God. Het symboliseert de middelen waarmee iemands toewijding aan God het duidelijkst tot uiting komen. Een nuttig ceremonieel voorbeeld om te onthouden is, dat later toen Israël een natie werd, Israël God tweemaal per dag offeranden moest brengen – één in de morgen en één in de avond. Naast deze offeranden werd er reukwerk gestrooid op het reukofferaltaar in het heilige. Begrijpt u wat dat betekende?

Deze bevolen ceremoniën symboliseerden een dagelijks programma, een formeel voor Hem verschijnen in gebed en bijbelstudie, naast de andere minder formele gelegenheden tot communicatie die zich verspreid over de dag binnen iemands activiteiten voordoen. Dat is een van de redenen dat Paulus zei: "Bid zonder ophouden."

We gaan nu weer naar het boek Hebreeën. Laten we deze boodschap op u en mij gaan richten. We keken zojuist naar onze vader Abraham en wat hij en Isaak en Jakob deden. De communicatie met en de relatie met God stond aan de top van de prioriteitenlijst in hun leven toen ze eenmaal bekeerd waren en zich in die richting begonnen te begeven.

Hebreeën 4:16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Abrahams kinderen zullen hetzelfde doen als de "vader der gelovigen" deed. Deze manier en dit niveau van gedrag kwalificeert hen om zonen van Abraham te zijn. Zijn toewijding was een bijna ononderbroken, voortdurend deel van zijn dagelijks leven. Dit vers introduceert een andere factor van het allergrootste belang voor wie en wat we zijn. Dat is "genade". We moeten naar Gods troon gaan om genade te vinden. Waarom? Wat is daar zo belangrijk aan?

Ik denk dat er misschien een onwillekeurig algemeen misverstand bestaat betreffende genade, dat helaas erg oppervlakkig is. Dit misverstand betreft niet zozeer wat het woord op zich betekent, maar veeleer waarom het in de eerste plaats gegeven wordt. De apostel Paulus gebruikt het woord vaker dan iemand anders in de Bijbel. In feite gebruikte hij het net iets minder dan honderd keer. Het komt vaak voor in de inleiding van zijn geschriften als onderdeel van de begroeting. Dit was een normaal gebruik in het niet-religieuze Grieks. Het toonde enige overeenkomst met shalom in de Hebreeuwse taal.

Het woord zoals gebruikt in Hebreeën kan als synoniem worden opgevat van de Nederlandse woorden "bevalligheid", "schoonheid" en "gunst". Paulus gaf het Griekse woord echter een geestelijke betekenis en maakte er gebruik van om de kwaliteiten van God weer te geven die heel belangrijk zijn voor ons geestelijk begrip en behoud.

In het niet-religieuze Grieks betekent het woord charise dat in het Nederlands vertaald is met "genade", "bevredigend in gedrag" of "iets dat genoegen verschaft". Paulus benutte het tweede deel van de betekenis voor geestelijk gebruik; hij benadrukte deze betekenis om zodoende ons beter te doen begrijpen dat het een niet terecht verkregen, niet verdiende gave is die ons vrijelijk door God gegeven wordt om goede dingen voort te brengen. Daar komt het genoegen vandaan. Daarnaast blijft er in het bijbels gebruik iets van de betekenis van schoonheid behouden. Paulus gebruikt het op een van de meest algemene manieren:

1 Thessalonicenzen 1:1 Paulus, Silvanus en Timotheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen in God, de Vader, en de Here Jezus Christus: genade zij u en vrede!

Paulus gebruikt het hier om een kwaliteit of eigenschap van het karakter en de persoonlijkheid van God en Jezus Christus aan te duiden. In deze betekenis komt het overeen met andere eigenschappen zoals barmhartigheid, kracht of vrede.

Denk even terug aan Hebreeën 4:16. Viel het u op dat Paulus onderscheid maakte tussen "genade" en "barmhartigheid"? Hij deed dat omdat ze niet precies, niet exact hetzelfde voorstellen. Elk van hen is een aparte eigenschap van Gods karakter, van wat Hij is. In Paulus' denken is genade dus een afzonderlijke, aparte eigenschap, maar desondanks nauw verwant aan de andere eigenschap. Zoals Paulus het in 1 Thessalonicenzen 1:1 gebruikte, benadrukt genade Gods ruimhartige goedheid waarop we geen enkel recht hebben en die we totaal niet hebben verdiend.

De tweede manier waarop Paulus het gebruikt, is specifieker en daarmee zijn we het meest vertrouwd. Dit is de volgende: het is Zijn actieve dynamische gunst jegens ons die voortvloeit uit de goedheid van Zijn aard. Dit gebruik kent vele toepassingen omdat Zijn goedheid niet beperkt kan worden tot één enkel geval van Zijn gunst. Op deze manier gebruikt zal Gods genade door de apostel Paulus op vier verschillende manieren tot uiting komen. Eén daarvan is bevrijding van de schuld en straf voor zonde; met andere woorden "vergeven worden". We worden vergeven door genade, omdat Hij goed is.

De tweede manier is werkelijk schitterend. Deze tweede manier is dat Zijn genade de dynamisch verandering teweegbrengende werking is van de Heilige Geest in ons hart en denken, die begint bij onze roeping en continu blijft doorgaan tijdens onze heiliging. Het is de dynamisch verandering teweegbrengende werking van de Heilige Geest.

De derde manier is dat Paulus verwijst naar onze verheerlijking in termen van genade. En de vierde manier is dat hij naar genade verwijst als de toestand van ons behoud. In dit geval vertegenwoordigt genade het totaal van al de zegeningen van Gods goedheid. Met andere woorden hij stelt behoud en genade aan elkaar gelijk alsof zij één en hetzelfde zijn. We zullen straks zien waarom hij dat zo doet.

Efeziërs 2:8 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;

Hier verwijst hij naar het totale pakket van behoud. We zullen zo zien waarom, maar ik zal het u uitleggen. Als God niet meer deed dan ons vergeven, zouden we het doel nog steeds niet bereiken. We zouden nooit groeien.

Romeinen 5:2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

Onze status voor God wordt gelijkgesteld aan genade en hij verwijst dus in feite alweer naar het gehele pakket van behoud. In alle gevallen dat naar genade wordt verwezen, wordt elk daarvan benadrukt door het feit dat van Gods kant Zijn gunst volledig soeverein en onvoorwaardelijk is. Met andere woorden genade wordt vrijelijk gegeven, wat betekent dat Hij niet genoodzaakt en niet verplicht is te doen wat Hij ook maar voor de mens doet. Hij staat nooit in de schuld bij de mens, zelfs niet bij Zijn bekeerde kinderen. Dus we hebben in ons leven niet slechts één keer genade nodig om te worden vergeven, zodat we kunnen zeggen dat we behouden worden door het bloed van het Lam. We hebben voortdurend genade nodig!

Gaat u het plaatje zien? De kinderen van Hem die met Hem samenwerken, ontvangen een ononderbroken stroom van genade die hun gegeven wordt. Dat is een constant bewegende, dynamische macht, kracht en in staat stellen om tot stand te brengen wat Hij voor ons in petto heeft. Er is dus niets dat Hem dwingt, behalve Zijn eigen motieven om ons gunst te verlenen. Even belangrijk is het vaak over het hoofd geziene feit dat genade in werking is door het gehele proces van behoud, niet slechts aan het begin met de vergeving van zonden.

2 Corinthiërs 2:14 Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van zijn kennis allerwegen door ons verspreidt,

Als we genade gaan begrijpen en de werking ervan in ons bekeerde leven, zou dat een nederige dankbaarheid moeten voortbrengen. De dank jegens God in dit vers laat zien dat Hij ons leidt. Deze gedachte gaat rechtstreeks verder in Filippenzen 2.

Filippenzen 2:13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

2 Corinthiërs 2:14 [Vertaald naar de Phillips Vertaling.] God zij gedankt, die ons waar we ook zijn, leidt op Christus' triomferende weg, en die maakt dat onze kennis van Hem zich als een liefelijke geur door de gehele wereld verspreidt.

Dit feit is van uitzonderlijk belang om te begrijpen hoe dicht Hij bij ons is. Wat doen we daarmee? Wie het begrijpen, worden daardoor heel klein. Zij gaan zich dankbaar voelen dat Hij er altijd is. Ik zal later nog op deze gedachte terugkomen, maar op dit moment is het voldoende om te begrijpen dat in relatie met Zijn goedheid, Hij ons absoluut niets verschuldigd is. Hij staat nooit bij ons in de schuld, onder geen enkele omstandigheid tijdens onze pelgrimstocht. Zoals ik zei, als we dit begrijpen, maakt dit ons erg nederig. Luister naar wat de apostel Paulus zei:

1 Corinthiërs 4:7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

Ik denk dat Titus 2:11-14 een van de meest belangrijke uitspraken in de Bijbel is betreffende genade. Laten we zien wat daar staat:

Titus 2:11-14 Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, 12 om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, 13 verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, 14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.

Denkt u er ooit aan dat genade u iets leert of u in iets traint? Ik ga dit lezen uit de Moffat Vertaling om u hier een moderne weergave van te geven. "Want de genade van God is verschenen om alle mensen te behouden en deze traint ons om ongodsdienstigheid en wereldse hartstochten te laten varen en in deze wereld een leven te leiden van zelfbeheersing, van integriteit en van vroomheid, in de verwachting van de zalige hoop van de verschijning van de heerlijkheid van God en onze Zaligmaker Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gaf om ons te verlossen van alle ongerechtigheid en ervoor te zorgen dat Hij de beschikking heeft over een rein volk met enthousiasme voor goede werken."

We gaan de woorden "opvoeden" en "verschenen" nader bekijken. Ten eerste opvoeden. Moderne commentatoren geven de voorkeur aan het woord "trainen". Daar zijn twee redenen voor. Allereerst wordt het woord "opvoeden" in vergelijking met "trainen" passiever opgevat. "Trainen" impliceert een actievere, agressieve betrokkenheid van de leraar. Ten tweede omdat het betreffende Griekse woord in de context duidt op een grote verscheidenheid aan omstandigheden die zich voordoen gedurende een lange tijdsperiode waarin de instructie wordt gegeven.

Met andere woorden "genade", waar we het hier over hebben, is onderwijzen. Genade is training. Genade is scholing. Genade is niet een eenmalig iets, maar een voortdurende omstandigheid onder andere bestaande uit mondeling lesgeven en discipline, zoals iemand almaar een oefening laten herhalen (drillen) totdat hij het doorheeft. Het woord "opvoeden" wordt in de Bijbel zelfs gebruikt als "tuchtiging" in de vorm van een strenge bestraffing; met andere woorden "een flink pak voor de broek". Dus lesgeven, drillen en kastijden zijn allemaal betrokken bij genade.

Het woord "verschijnen" is echt interessant. We zijn bijna allemaal vertrouwd met het betreffende Griekse woord, omdat het in een bepaalde context vanuit het Grieks praktisch onveranderd in het Nederlands wordt gebruikt. Dat is het woord "epifanie". Het woord "epifanie" duidt op "verschijnen" of "zichtbaar worden" in de zin van iets dat doordringt, zoals iedere morgen het licht van de zon verschijnt en de duisternis doordringt en verdrijft. Er wordt ook onder verstaan de realisatie van een idee, een concept, een leerstelling of een puzzel in iemands denken die opeens wordt begrepen of die men opeens doorheeft, waardoor het mysterie, de duisternis, een fout of verwarring wordt verdreven en wordt vervangen door duidelijkheid. Het is interessant dat Jezus' transfiguratie voor Petrus, Jacobus en Johannes beschreven wordt als een epifanie.

Gods genade deed zijn intrede (verscheen) en bracht behoud met zich mee. Dat wordt er – als we het letterlijk in het Nederlands zouden overbrengen – feitelijk in het Grieks gezegd. Behoud of Gods genade deed zijn intrede (verscheen) en bracht behoud met zich mee.

Let erop dat vers 11 begint met het woordje "want". Het woordje "want" wordt gebruikt als een voegwoord om een vorige uitspraak te verbinden met wat volgt, en wat volgt voorziet in een uitleg van die voorgaande uitspraak.

Naar wie of wat verwijst het woord "genade" (een dynamische eigenschap van God)? Let op vers 10 van Titus 2.

Titus 2:10b ..., om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken.

En dan komt in vers 11 de uitleg beginnende met het woordje "want". Vers 10 vermeldt "God, onze Heiland" en het "want" van vers 11 is de overbrugging tussen Hem en genade.

Titus 2:11 Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen,

Johannes 1:1 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Johannes 1:4-5 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.

Johannes 1:14-18 Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. 15 Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geweest, want Hij was eer dan ik. 16 Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen.

Laten we dit opnieuw bekijken. Het Woord – Jezus Christus – is het onderwerp van Titus 2:11. Jezus Christus is de Persoon waarnaar genade hier verwijst. Let erop dat Johannes 1:4-5 Zijn epifanie – Zijn verschijnen – beschrijft. Zoals Johannes het beschrijft "verscheen Hij plotseling op het toneel". Plotseling zagen we een groot licht. En wat was Zijn licht? Dat was Zijn leven. Dat was de manier waarop Hij leefde en wat Hij zei.

Dit wordt in vers 14 vervolgd met een verdere uitleg door te vermelden dat Zijn heerlijkheid werd gezien; dat wil zeggen dat deze door velen werd waargenomen. Het noemen van "heerlijkheid" hier zou een verwijzing kunnen zijn naar Gods heerlijkheid die een aantal keren aan Israël verscheen in de tabernakel in de woestijn. Johannes legt een verband zodat die mensen die vertrouwd waren met het Oude Testament, het zouden begrijpen.

Binnen dezelfde verzen noemt Johannes de heerlijkheid die zij waarnamen specifiek "genade en waarheid". In vers 16 gebruikt hij een Hebreeuws idioom dat vertaald is als "genade op genade". Dat idioom duidt op een volheid aan genade en zou heel goed vertaald kunnen worden met "genade op genade gestapeld". Maar het is meer dan dat, omdat de woorden duiden op iets dat overdraagbaar is – een kwaliteit, een gave of een eigenschap die door de een gegeven kan worden en door de ander ontvangen.

Dit aspect wordt in vers 17 uitgediept door Johannes' uitspraak dat de wet door Mozes werd gegeven en wie ontving die? We zien hier iets dat ontvangen werd, iets dat gegeven werd, iets dat van de een op de ander werd overgedragen. De wet kwam oorspronkelijk van God en Mozes was de tussenpersoon. Degenen die de wet uiteindelijk door Mozes ontvingen, waren de Israëlieten die het Oude Verbond sloten met God. Er vond dus een overdracht plaats van God naar Mozes naar hen die het ontvingen.

Op een parallelle manier werden genade en waarheid door God gegeven door Jezus Christus en in het bijzonder ontvangen door hen die het Nieuwe Verbond sloten met God. Dit betekent niet dat zij die onder het Oude Verbond waren geen genade en waarheid ontvingen, maar dat door Christus en het Nieuwe Verbond de gaven in sterke mate werden vergroot.

Denk nog eens na over Johannes 1:14, waar staat dat Jezus Christus "de heerlijkheid voortbracht" en dat Zijn leven, de manier waarop Hij leefde, deze voortbracht; eigenlijk dus dat wat Hij zei en wat Hij deed – zulke dingen als genezingen en vergeving, Zijn houding, Zijn perspectief betreffende mensen, dingen en gebeurtenissen. Met andere woorden het licht was een duidelijke openbaring van de instructie bevat in Zijn voorbeeld van de manier waarop God altijd leeft en de manier waar de mens naar zou moeten streven te leven.

Als we al deze dingen samennemen, zei Johannes dat Jezus de personificatie was van zowel waarheid als genade. Dit openbaart ons, Zijn discipelen die nooit in persoon getuige waren van Jezus' voorbeeld, het antwoord op de vraag naar de identiteit van de Persoon waar Paulus in Titus 2:11 naar verwees. Die Persoon was Jezus Christus. Wie is onze leraar? Jezus Christus. Wie traint ons? Jezus Christus. Wie drilt ons? Jezus Christus. Wie kastijdt ons? Jezus Christus.

Doet Hij dat slechts één keer? Nee! Dit vindt voortdurend plaats. Elk aspect van wat Hij voor ons betekent, is een dynamische stroming om ons in staat stellen te doen wat Hij van ons verlangt. Als we dus niets dan deze dingen krijgen, de genade van God is altijd bij ons en het is het middel tot behoud.

In welke vorm is dit ons bekend gemaakt? In de vorm van het evangelie. Ziet u, wij krijgen niet de gelegenheid om tijd met Jezus Christus door te brengen zoals de apostelen. Daarom verwees ik u naar dat vers in Johannes 17:20, waar Jezus zei: "Ik bid voor hen die hun woorden zullen lezen." Wat schreven zij? Zij schreven het Nieuwe Testament, zodoende lezen wij over Jezus en al Zijn gaven, al Zijn eigenschappen en alles wat Hij ons te geven heeft. Zodoende ontvangen we de genade van God tegelijkertijd vanuit twee verschillende gezichtshoeken. De ene is het persoonlijke voorbeeld dat we in Zijn leven zien en de relatie die we met Hem hebben door gebed, door bijbelstudie en door wat al niet.

De andere is dat we uit Zijn woord kunnen lezen en de genade ontvangen door de woorden van God zoals ze zijn geschreven. Waarom zijn deze woorden in Titus 2:11-14 dan zo belangrijk? Paulus duidt erop dat genade – dat wil zeggen Jezus Christus als Hogepriester – een continu voortgaand proces van onderwijzen, drillen en kastijden uitvoert, dat gericht is op een specifiek doel en waarnaar binnen een specifieke tijdsperiode wordt toegewerkt, terwijl het gericht is op zelfbeheersing, integriteit en godvrezendheid. Met andere woorden deze drie algemene gebieden van persoonlijk karakter worden geschapen en gevormd om bepaalde standaards te bereiken. De relatie tussen God en de Israëlieten in de woestijn is een duidelijk voorbeeld. Veertig jaren lang voorzag God in al hun behoeften, terwijl Hij hen voorbereidde op het in bezit nemen van het Beloofde Land. Hij was overdag bij hen aanwezig in de wolkkolom en 's nachts in de vuurkolom.

Elke dag viel het manna en dat was een getuigenis dat Hij bij hen aanwezig was. Vanwege Zijn genade voerde Hij hun veldslagen, zodat zij in staat waren vijanden te overwinnen die sterker waren dan zij. Het was een veertig jaar lang durend continu proces van Hem door Zijn dagelijkse gaven, dat – als zij meewerkten – zeker stelde dat zij zouden aankomen. Maar ongelukkigerwijs maakte de oudere generatie, met uitzondering van Jozua en Kaleb, geen gebruik van de relatie die was aangegaan. Het is geen wonder dat de apostel Paulus zei: "Ik tuchtig mijn lichaam, opdat ik niet afgewezen zal worden." Hij deed alles wat in zijn macht lag om met God mee te werken en daarom zei hij: "Ik vermag alle dingen in Jezus Christus die mij de kracht geeft."

Op dezelfde manier worden wij, maar dan veel en veel meer in geestelijke zin, vanaf onze roeping tot ons binnengaan in het Koninkrijk van God, begeleid door Jezus Christus als onze Hogepriester, die verantwoordelijk is jegens de Vader dat wij in Zijn Familiekoninkrijk aankomen en erop voorbereid zijn daarin te leven. Omdat dit geestelijk is moet in dit opzicht uit geloof worden geleefd, niet bij wat we zien. Hij zegt ons zelfs dat Hij het geestelijke manna is dat vanuit de hemel neerdaalde, en dat wij van Hem moeten eten, willen we de geestelijke kracht hebben om het Koninkrijk van God te bereiken en erop voorbereid te worden daarin te leven.

Wij hebben één aspect van het manna: We hebben Zijn woord direct beschikbaar. Maar onderweg tijdens de reis traint Hij ons. In deze verzen worden we aangespoord onszelf te beheersen en door ons voorbeeld voor de mensen getuigenis te geven van een standvastig patroon van gerechtigheid van God. Hoe kan dit worden gedaan? Het antwoord ligt opgesloten in onze relatie met Hem.

Neem het volgende in overweging: Gods genade speelt de hoofdrol in ieder aspect van wat we uiteindelijk ook maar mogen worden door Gods scheppende inspanningen om ons voor te bereiden op het leven in Zijn Familiekoninkrijk. Zijn genade brengt onze roeping op gang. Tot berouw en vergeving worden geleid is een handeling van Zijn genade. Het ontvangen van Zijn Geest en de toegang tot Zijn tegenwoordigheid is een werking van Zijn genade.

De motivatie in ons Hem te zoeken waardoor we in de richting van Hem in beweging komen om op Hem te gaan lijken is een werking van Zijn genade. "Want God werkt in ons zowel het willen als het werken." Diezelfde persoon onderwees ook dat: "Mijn God zal in al uw behoeften voorzien naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid door Jezus Christus." Dus tijdens onze heiliging wordt – doordat we deze toegang hebben – bereikt dat we ons afwenden van de vleselijkheid en de wereldlijkheid.

Het gehele programma van behoud is geworteld in en ontleend zijn kracht aan de genade van God. Het doel van behoud is verandering en verheerlijking, die zullen plaatsvinden als we het begin van onze verzekerdheid standvastig tot het einde vasthouden, en als we stevig verankerd en gefundeerd blijven geloven en ons niet laten afvoeren van de hoop van het evangelie.

Hoe is dit van toepassing op de personen in Hebreeën 11? In mijn vorige preek zei ik u dat vers 13 een formule voor succes bevat. Zij zagen de beloften vanuit de verte. Zij geloofden die en omhelsden ze. De term "omhelsden" suggereert een intieme relatie met een sterke en blijvende genegenheid.

Die genegenheid was in feite gericht op Degene die de beloften gaf, de beloften die het waard geacht werden te worden omhelsd, omdat deze geloofshelden het karakter vertrouwden en in het bijzonder de trouw van Degene die de beloften gaf. Diegene was Jezus Christus. Hun genegenheid en hun omhelzing was in werkelijkheid gericht op een persoon. Dat moet niet moeilijk zijn te begrijpen. De volledige formule werd niet in vers 13 gegeven, maar daarvoor hebben we ook de verzen 14 tot 16 nodig, welke uitleggen dat zij zich – ondanks de vele beproevingen die de Bijbel heeft vastgelegd – voor wat betreft hun deel op de been hielden door hun oog op het doel gericht te houden.

Zij leefden in hun heden, maar zij leidden hun leven gericht op de toekomst – de beloften. Daarom spoort Paulus ons in Colossenzen 3:1-2 aan de dingen te zoeken die boven zijn. Zij hadden elke gelegenheid om ertussen uit te knijpen, zoals de verzen 16 en 17 laten zien, maar zij deden dat niet, omdat zij God kenden en de Gever van de beloften liefhadden en vertrouwden. Daarom haalde ik die verzen betreffende Abraham, Isaak en Jakob aan en het consequent noemen van een altaar, waarin hun voortdurende toewijding tot Hem tot uiting kwam. Het zoeken van God – de ongeziene Medewerker – was een consequente discipline die deel uitmaakte van hun dagelijks leven en op deze manier deden zij dagelijks een beroep op Zijn genade. Daarom hebben ze het tot een goed einde gebracht.

Johannes 15:5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.

Denkt u dat Hij dat echt bedoelt? Denkt u dat Hij ook maar ergens omheen zou draaien? Nee. Hij bedoelde precies wat Hij zei. Daarom moeten wij alles doen wat in onze macht ligt om de relatie met Hem te ontwikkelen, omdat Hij de bron is van de genade die ons in staat stelt ons ter voorbereiding op het huwelijk aan Hem te onderwerpen. We bereiden ons voor op ons huwelijk met Hem en we zullen daar zijn, omdat we in deze voorbereidingsperiode de gelegenheid Hem lief te hebben hebben benut.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)