Geloof en het gevecht van de christen (Deel 9)

Door John W. Ritenbaugh
12 januari 2008

Samenvatting: (toon)

Nadat John Ritenbaugh heeft opgemerkt dat de helden van geloof in Hebreeën 11 misschien wel een langere periode van testen hebben gehad dan degenen die in de eindtijd werden geroepen, merkt hij ook op dat in de eindtijd zich aangrijpende beproevingen met grotere intensiteit zullen voordoen, waardoor een feitelijke pariteit in het testen ontstaat tussen allen die God heeft geroepen. Zowel de helden van geloof in Hebreeën 11 als zij die in de eindtijd worden geroepen zullen geweldige hoeveelheden geloof nodig hebben om de intense beproevingen en testen, oncontroleerbare aangrijpende gebeurtenissen die zelden op een geschikt moment komen, te doorstaan. De intensiteit van druk en het levensritme van de helden van geloof waren equivalent aan die door ons worden ervaren. Hebben wij, evenals de helden van geloof, ons leven aan God en Zijn soevereiniteit overgegeven? Ook wij kunnen, evenals Mozes, in het geloof sterven terwijl we de beloften nog niet ontvangen hebben. Per slot van rekening gaan behoud en geestelijke beloningen naar hen die geduldig verdragen en beheerst en ondersteund door geloof overwinnen. Als we het voorbeeld van de psalmist David en de apostel Paulus onder vernietigende beproevingen volgen, moeten we de beloften die in Gods woord gevonden worden, als kostbare juwelen omhelzen, namelijk de schat van behoudbrengend geloof in Jezus Christus en Zijn beloften.


Laten we deze preek alweer beginnen in Hebreeën 11:13-14.

Hebreeën 11:13-14 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken.

We zullen verder gaan in het elfde hoofdstuk van Hebreeën, omdat het naar mijn mening zo belangrijk is voor ons leven in deze tijd. In feite geldt dit voor het hele boek Hebreeën, omdat die mensen als het ware afstevenden op het einde van een cultuur. Waar zij doorheen gingen en wat in het leven van die mensen gebeurde, is een heel belangrijke parallel van waar velen van ons in deze tijd doorheen gaan.

Hebt u er ooit aan gedacht hoe lang Henoch, Noach, Abraham, Sara, Isaak en Jakob God dienden sinds ze zich bekeerden, en dat in vergelijking met de tijdsduur dat wij God hebben gediend sinds onze bekering? Zij dienden Hem niet alleen gedurende lange tijd, maar minstens twee van hen deden dit in heel zware tijden.

Henoch diende God niet alleen in wat een heel lange periode blijkt te zijn, maar een deel van zijn leven vond onder zulke omstandigheden plaats dat zijn leven gevaar liep, zoveel gevaar dat God hem naar een ander gebied op aarde overbracht, zodat hij niet gedood zou worden.

Noach diende God minstens 125 jaar, maar ik heb een heimelijk vermoeden dat het in feite langer was dan dat. Het was minstens 125 jaar tijdens de bouw van de ark. Hij diende God in tijden die zo zwaar waren dat de "eindtijd" vergeleken wordt met de tijd waarin hij leefde en de ark bouwde.

Het leven van Abraham en Sara was niet zo tumultueus, maar Abrahams periode van dienen was toch 100 jaar lang. Niemand in de periode waarin wij leven zal zelfs maar in de buurt komen van de duur van de periode dat Abraham bekeerd was. Ik ben er zeker van dat zelfs de tijden die niet in de Schrift beschreven zijn, doortrokken waren van wedervaardigheden die het geloof op de proef stelden. De beproeving van het geloof van Jakob was in feite ook lang en de test van Isaak kan zelfs langer hebben geduurd dan die van Abraham. De verzen 13 en 14 zijn een gemeenschappelijke basis, gegeven door God om tot de conclusie te komen dat dit voor hen zo is geweest.

Onze tijd van testen zal niet zo langdurig zijn, maar het wordt almaar duidelijker dat de intensiteit van de spanningen toeneemt. Wij worden geconfronteerd met Jezus' ontnuchterende uitspraak in Mattheüs 24:13 dat slechts zij "die volharden tot het einde" behouden zullen worden. Onze liefde voor God wordt getest en deze zal nog zwaarder op de proef worden gesteld.

1 Corinthiërs 13:7 is een bemoedigend geheugensteuntje dat liefde alle dingen bedekt, alle dingen gelooft, alle dingen hoopt en alle dingen verdraagt. De liefde die dat doet, is de liefde van God die door de Heilige Geest in onze harten is uitgestort. Deze liefde uit zich consequent en op actieve wijze. Deze liefde heeft echter een fundament onder zich nodig om het te ondersteunen en in stand te houden, en dat fundament is geloof in God – geloof in de God die we dienen.

Ons vertrouwen in het gebruik van deze gave van geloof van God is niet volmaakt consequent. Er zijn factoren die in ons allemaal werken, die er de oorzaak van zijn dat dit geloof – afhankelijk van de omstandigheden – zwakker en sterker stroomt in intensiteit. Gemeente, we kunnen het zelfs kwijt raken, maar we zouden het nooit moeten kwijtraken. Daar zit een groot verschil tussen. God heeft ons niet geroepen om te mislukken. Hij gaf ons geen berouw, Hij gaf ons niet de gave van geloof, Hij gaf ons niet de gave van de Geest om te mislukken. We kunnen mislukken, maar dat is niet de bedoeling. Hij heeft er alle vertrouwen in dat wij doordat Hij in ons leven werkt, kunnen slagen, zelfs al zijn de tijden moeilijk en zijn de moeilijkheden soms groot.

Laten we het Oude Testament opslaan en wel Prediker 3:1-8. Dit is een heel bekend schriftgedeelte. Velen van u kennen een lied dat op dit schriftgedeelte is gebaseerd.

Prediker 3:1-8 Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd; 2 er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken, 3 een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen, 4 een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen, 5 een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen bijeen te zamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden, 6 een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, 7 een tijd om te scheuren en een tijd om dicht te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken, 8 een tijd om te beminnen en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

Een van de dingen die we van Salomo's opsomming van deze algemeenheden kunnen leren, is dat het leven van iedereen in principe uit dezelfde gebeurtenissen bestaat. Dit geldt algemeen. Het doet er niet toe of u een Chinees bent, of een Japanner, een Braziliaan, een Zambiaan, of wat dan ook. Deze algemeenheden zullen in ieders leven plaatsvinden, en we kunnen dus verwachten dat ze op ons van toepassing zijn. We zouden moeten verwachten dat de belangrijke gebeurtenissen die hier worden vermeld, zullen plaatsvinden.

Er zit echter een addertje onder het gras. Ze zullen niet altijd in een mooi opeenvolgende serie plaatsvinden. Soms gaan we tegelijkertijd door twee of drie van deze dingen heen, sommige goed, sommige kwaad. We kunnen niet afgaan op een bepaald schema van aankomst, we kunnen dus geen systematisch plan van aanpak opstellen en zeggen: "Dit zal me deze maand overkomen, en dat zal me de volgende maand overkomen. Ik zal dus nu direct hiervoor zorgen om me daarna pas voor te bereiden voor de volgende gebeurtenis die komen gaat." Iets daarvan zouden we moeten doen, maar zoals we zullen gaan zien, zijn we niet helemaal de baas over ons eigen leven. We kunnen dus niet altijd zeggen: "Deze week zal ik dingen weggooien, omdat ik volgende week dingen zal inzamelen."

We zouden allemaal graag zo vooruit kunnen zien en de macht hebben om de dingen die in ons leven gebeuren onder controle te hebben, maar de werkelijkheid is dat er heel veel dingen invloed op ons hebben waarover we absoluut geen zeggenschap hebben. Bijvoorbeeld, we hebben geen zeggenschap over het weer en toch beïnvloedt het ons allemaal. We hebben geen zeggenschap over de economie en toch beïnvloedt deze ons allemaal. We hebben geen zeggenschap over de politiek van ons land en toch beïnvloedt deze ons allemaal. We kunnen de aandelenbeurs niet doen stijgen of dalen en toch beïnvloedt deze ons, misschien in bepaalde gevallen slechts in lichte mate; maar de beurs bestaat en oefent zijn invloed uit.

Er vinden nu in een versneld tempo gebeurtenissen plaats, waardoor het leven gemakkelijk een oncontroleerbare warboel kan worden. De toekomst dient zich met een duidelijk voelbare kracht aan. De spanning die daarmee samengaat werkt op ons in en die wordt merkbaar steeds meer van belang. Als we hoofdstuk 3 inpassen in het geheel van de twaalf hoofdstukken van het boek, dat we al deze dingen het hoofd moeten bieden met een diepgaand doorleefd geloof dat God soeverein is en dat de mens zijn leven van dag tot dag moet leven zoals het van de hand van God komt, beseffen we dat God een passende tijd heeft voor elk van deze dingen, en daarom zouden we er niet geheel door verrast moeten worden.

Prediker 3:9-15 Welk voordeel heeft de werker van datgene waarvoor hij zich aftobt? 10 Ik heb in ogenschouw genomen de bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te kwellen. 11 Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens van het werk dat God doet, van het begin tot het einde, iets kan ontdekken. 12 Ik heb ingezien, dat het niet in hun eigen macht staat, maar als men zich verheugt en zich te goed doet in zijn leven, 13 kortom als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan is dat een gave Gods. 14 Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze. 15 Wat is, was er reeds lang, en wat zijn zal, is reeds lang geweest; en God zoekt weer op, wat voorbijgegaan is.

Laat me u hiervan een overzicht geven. Het belang van de laatste verzen van dit hoofdstuk is, dat Salomo laat zien dat de mens verantwoordelijk is om de juiste tijd te onderscheiden voor de juiste actie, en als hij de juiste actie neemt, in overeenstemming met Gods tijd, is het resultaat schitterend, fantastisch, plezierig en de moeite waard. Maar Salomo maant ons ook aan tot voorzichtigheid, dat zelfs al heeft God ons het verlangen gegeven om te weten en grondig te begrijpen – (in dit opzicht heeft Hij een besef van eeuwigheid in ons hart gelegd) – we dat punt nooit zullen bereiken. Het ontbreekt ons daarvoor aan denkvermogen. Het ontbreekt ons aan beheersing. Maar als we elke gebeurtenis het hoofd bieden door er iets van te begrijpen, dan kunnen we er het beste van maken.

Nogmaals, als we dit in de context van het hele boek zien, benadrukt dit de behoefte aan geloof in God. Wat zei hij aan het eind van het boek? De conclusie is dit: Het is de plicht van de mens Gods geboden te onderhouden, ongeacht de omstandigheden die in zijn leven een rol spelen. We onderhouden Zijn geboden in het besef dat God alles onder controle heeft. Gemeente, Hij is bij mijn leven en bij het uwe betrokken. Begrijpt u dit?

Deze oncontroleerbare gebeurtenissen zouden ons niet in die mate moeten verontrusten als hen die in hun leven in het geheel niet aan God denken. Zij geloven dat God bestaat, maar Hij maakt in werkelijkheid niet actief deel uit van hun leven. Ze bidden niet zonder ophouden tot Hem en bestuderen Zijn woord niet en daarom zullen de gebeurtenissen van het leven een heel andere uitwerking op hen hebben dan op hen wier leven, wier geloof, wier begrip, wier vertrouwen het feit benadrukken dat God in hun leven betrokken is. Dan kunnen de gebeurtenissen van het leven in de juiste richting worden gestuurd, niet geheel, maar minstens tot op zekere hoogte.

We behoren van elke dag die God ons geeft, op de beste manier binnen Zijn doel gebruik te maken, te genieten van wat we hebben terwijl we het onmiskenbare feit aanvaarden dat er heel wat is waarop we geen invloed hebben. Het punt waar het om gaat is, dat God op Zijn troon zit en Hij weet wat Hij doet. Geloven we dat en laten we dat geloof zien in de manier waarop we ons aan de gebeurtenissen die ons overkomen aanpassen? Salomo diept hier een handeling van geloof uit in Gods soevereiniteit.

De mensen waar Hebreeën 11:13-14 naar verwijst zijn te bewonderen in de zin dat ze zichzelf, ondanks de duur van hun dienen en de moeilijkheid van hun beproevingen, toestonden door geloof, hoop en liefde God in die dingen te zien. De verzen 13 en 14 geven ons een algemeen overzicht van de manier waarop ze dat deden. Zij volhardden door te geloven in de werkelijkheid van God en de beloften die Hij had uitgesproken. Die twee verzen prijzen dus de duurzaamheid en de standvastigheid van hun geloof.

Genesis laat ons zien dat Abraham, Isaak en Jakob allen aanvallen van beproevingen uit de wereld om hen heen kregen te doorstaan om hen zover te krijgen dat ze hun geloof zouden verzaken. Er waren tijden dat hun geloof, hoop en liefde op een laag pitje stonden en ze probeerden een of andere vorm van een vleselijke oplossing te vinden tijdens hun beproeving, zoals het voortbrengen van een erfgenaam middels een gevolmachtigde. Wie deed dat? U weet wie dat deed. Of naar Egypte gaan. Dat was de oplossing! Wie deed dat? Zowel de vader als de zoon deden dat. Of gebruik maken van een bedrieglijke leugen om hun huid te redden, of gebruik maken van een of ander sluw complot om het beste uit een overeenkomst te halen die was aangegaan met een even sterk samenzwerende bloedverwant – Jakob en Laban. Maar over het geheel van hun leven genomen volhardden ze in hun vertrouwen op God en deden het in feite erg goed, en wel zo goed dat ze door God Zelf worden geprezen dat ze zowel in geloof leefden als stierven.

De beginwoorden van vers 13 zeggen: "In geloof zijn deze allen gestorven." Die woorden slaan heel waarschijnlijk op alle geloofshelden die in de loop van het gehele hoofdstuk worden genoemd, niet slechts de namen van hen die voorafgingen aan dat vers.

De Bijbel presenteert de levens van zijn persoonlijkheden zoals Noach en Abraham in iets dat soortgelijk is aan, of, zoals we kunnen zeggen, equivalent is aan de term "geluidsclips" zoals we in deze tijd zouden zeggen. De verhalen van hun overwinningen en mislukkingen in het geloof worden echt in korte salvo's gegeven. We krijgen een korte blik op een gebeurtenis die misschien wel een lange periode heeft beslagen om zich in de werkelijke tijd te ontvouwen.

Hun leven was evenals het onze gevuld met de routine- en alledaagse activiteiten van het dagelijkse leven, zoals ploegen en planten, oogsten, kleren herstellen, het klaarmaken van maaltijden, het onderwijs en reinigen van kinderen, het ondergaan van ziekten, het verdragen van zware tijden, de droogten en de overstromingen en alle vreugde van geboorten en huwelijken.

Ze misten de indringendheid van radio en televisie en telefoon om informatie te verschaffen over gebeurtenissen binnen de gemeenschap of zelfs van de andere kant van de wereld, zoals bij ons het geval is. Zij hadden niet de altijd aanwezige beschikbaarheid van afleidend vermaak, van auto's om spontaan te gaan winkelen voor wat dan ook maar nodig is. Maar kunnen we er zeker van zijn, gemeente, en dit bij het rechte eind hebben, dat zij het equivalent van deze dingen hadden en dat elk van deze mensen hun leven leidde binnen het ritme van hun tijd evenals wij dat nu doen? Ik denk dat een van de dingen die we moeten vergeten is, dat hun leven langzaam en traag verliep.

Denkt u dat u genoeg weet over God, dat Hij nooit zou toestaan dat ze het rustig aan zouden kunnen doen? Ze kwamen onder druk te staan. Dat is één van Gods patronen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat hun leven in elk opzicht even druk was als dat van ons, omdat God deel van hun leven uitmaakte en druk bezig was met scheppen. Hun leven was even intens als dat van ons, al deden ze andere dingen dan wij. Zij hadden dus saaie perioden waarin het scheen alsof er niets gebeurde. Ook hadden zij perioden waarin het scheen of ze nergens controle meer over hadden en alles tegelijkertijd gebeurde, en ze moesten soms ogenblikkelijk keuzes maken zonder dat ze er over na konden denken. Ik ben er zeker van dat er tijden waren dat ze dachten dat hun hele leven en de hele wereld uit elkaar viel en ze hadden een moeilijke tijd om zich daaraan aan te passen.

Let op de rest van vers 13 uit Hebreeën 11, omdat het na datgene wat we reeds gelezen hadden, verder gaat met de woorden : "In geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben." Ik ben er zeker van dat "zonder de beloften verkregen te hebben" heel waarschijnlijk heel vaak een punt van ontmoediging voor hen is geweest. Ze gingen door lange perioden van beproevingen en testen en ze hebben de wederkomst van Jezus Christus nooit meegemaakt. Zij werden nooit veranderd. Zij beërfden nooit het Koninkrijk.

Er bestaat geen twijfel aan dat zij tijdens hun leven vele zegeningen ontvingen. Bijvoorbeeld Abraham en Sara ontvingen Isaak, maar ze verkregen nooit de vervulling van de beloften. Maar naast de zegeningen waren er ongetwijfeld ook perioden van ongerustheid en teleurstelling.

Misschien kan wat Mozes overkwam ons helpen om beter te begrijpen wat de schrijver van Hebreeën in gedachten had. Mozes kreeg namelijk het Beloofde Land slechts vanuit de verte te zien. Is dat niet waar? Hij kon in die tijd het land niet binnengaan. Hebt u die situatie ooit wat nauwlettender bestudeerd? Tot op vandaag had ik dat niet gedaan. In feite deed ik dit pas vanmorgen.

Laten we Deuteronomium 3 opslaan. Bedenk dat het boek Deuteronomium geschreven werd in de laatste maand van Mozes' leven.

Deuteronomium 3:1 Daarop wendden wij ons en trokken op in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit, ons tegemoet, hij en zijn gehele volk, om bij Edreï slag te leveren.

Dit vers geeft de tijd aan waarin dit hoofdstuk zich afspeelde. De gebeurtenissen van dit hoofdstuk vonden plaats op het moment dat Israël aan zijn laatste offensief begon om het Beloofde Land over te nemen. Met andere woorden dit gebeurde pal aan het einde van de veertig jaar in de woestijn. Vers 1 geeft de tijd aan.

Deuteronomium 3:21-23 En aan Jozua gebood ik toentertijd: Uw ogen hebben alles gezien, wat de HERE, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zó zal de HERE aan alle koninkrijken doen, waar gij naar toe trekt; 22 gij zult voor hen niet vrezen, want de HERE, uw God, is het, die voor u strijdt. 23 Ook smeekte ik toen de HERE:

In vers 23 duidt het woord "toen" op de laatste maand aan het einde van de periode van veertig jaar.

Deuteronomium 3:23-28 Ook smeekte ik toen de HERE: 24 Here HERE, Gij zijt begonnen uw knecht uw grootheid en uw sterke macht te laten zien; want welke god is er in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke krachtige daden kan doen als Gij? 25 Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dat schone bergland en de Libanon. 26 Maar de HERE was tegen mij verbolgen om uwentwil en hoorde niet naar mij; de HERE zeide tot mij: Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak. 27 Beklim de top van de Pisga en sla uw ogen op naar het westen, naar het noorden, naar het zuiden en naar het oosten en zie met uw ogen in het rond, want de Jordaan hier zult gij niet overtrekken. 28 Maar geef Jozua uw bevelen, sterk hem en bemoedig hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overzijde trekken en dit het land doen beërven, dat gij zult zien.

Nogmaals, de sectie waar we het over hebben gaat over "zonder de beloften verkregen te hebben". Hij gebruikte Mozes als een heel interessant, veelbetekenend voorbeeld. We zien hier dat Mozes God vurig smeekte hem deze zegen te geven. "Alstublieft, God. Alstublieft. Laat me het land toch zelf mogen betreden." Hij deed dit zo vurig en aanhoudend dat de eerste woorden van vers 26 ons twee dingen zeggen. God werd boos op Mozes omdat hij zo vasthoudend een beroep op Hem bleef doen; Hij zei hem in principe "zijn mond te houden".

Ze laten ook nog wat anders zien. Er staat ook: "De HERE was verbolgen tegen mij om uwentwil". Ik zeg u dat Mozes wat wij noemen een straf zou gaan dragen niet omwille van zichzelf; misschien was hij daar gedeeltelijk schuldig aan, maar Israël droeg de grootste schuld voor de oorzaak dat Mozes in die omstandigheden kwam te verkeren.

Laten we eens terugdenken aan datgene waar Mozes op kon terugkijken: een geboorte en daarna het in leven blijven door gered te worden door een prinses die de dochter van Farao was – een wonderbaarlijke gebeurtenis die plaatsvond voordat hij zich zelfs ook maar bewust was van wat er gaande was. Later, nadat dat had plaatsgevonden, kon hij terugkijken en zeggen: "God Zelf kwam in mijn leven tussenbeide." Door Gods tussenkomst kreeg hij tijdens zijn opgroeien de beste opleiding die in die dagen beschikbaar was. Hij werd in alle wijsheid van Egypte onderwezen. Daarna moest hij, toen hij ongeveer veertig jaar oud was, Egypte ontvluchten om zijn leven te redden.

Wat een ontgoocheling! En zo bracht hij veertig jaar door met het hoeden van schapen, huwde Zippora, kreeg twee zonen en ondertussen werd hij nederig gemaakt en ook in andere opzichten voorbereid om Israël uit de Egyptische slavernij te voeren. Daarna volgden nog eens veertig jaar – tumultueuze jaren – in de woestijn waar hij Israël naar het Beloofde Land leidde. Hij kon ongetwijfeld bij praktisch elke stap Gods betrokkenheid zien. En nu stond hij op de drempel en werd hem de laatste stap om het land binnen te gaan, ontzegd. Dat had een vernietigende gebeurtenis kunnen zijn. Dit beïnvloedde hem ongetwijfeld, en toch zelfs voor iemand die zo dicht bij God stond als Mozes, sloot God de deur. Ziet u, God is nog steeds soeverein. Mozes moest accepteren dat dit een zegen was die hem werd ontzegd. Ik ben er zeker van dat hij berouw had en dat hij dit in een heel goede houding accepteerde.

Wat hield deze geloofshelden gedurende zulke lange tijdsperioden op de been en waardoor bleven ze dingen op zo'n heel goede, misschien zelfs zo'n superieure manier doen? Ten eerste, zij accepteerden nederig dat het beërven van de beloften een van die gebeurtenissen was die volledig buiten hun controle stonden. Een vraag voor ons is dus: Hebben wij dat geaccepteerd? Hebben wij de controle over ons leven werkelijk aan God overgegeven?

Toen God hun de beloften openbaarde, evenals dat bij ons gebeurde, werd er geen specifieke tijd vastgesteld waarop ze deze zouden ontvangen. We weten dat er een einde komt. En zij wisten dat er een einde kwam, en zij moesten van "toen tot dan" leven zonder te weten wanneer dat einde zou komen. Maar God openbaarde genoeg van Zijn plan zodat zij wisten dat er een aantal dingen tot stand moest worden gebracht en dat daarvoor tijd nodig was. Ik ben er zeker van dat zij altijd hoopten dat God dit allemaal zou voltooien voordat zij stierven. Dat is een heel natuurlijke, menselijke hoop en het is geen slechte hoop zolang wij die niet de baas over ons laten worden en we een slechte houding krijgen omdat de dingen maar door blijven gaan.

Laten we qua tijd en denken vooruit gaan in de tijd naar de dagen van Paulus.

Romeinen 13:11 Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen.

Paulus laat in 2 Thessalonicenzen 2 zien dat hij wist dat bepaalde gebeurtenissen moesten plaatsvinden voordat Christus wederkwam. Hij laat daar zien dat hij heel goed wist dat die op het moment dat hij die brief schreef, nog niet hadden plaatsgevonden. De tijd ging almaar door en Paulus stierf. Hij stierf dus ook in geloof zonder de beloften te hebben verkregen. Kunnen wij dat verdragen – dat wij ook zouden kunnen sterven zonder de beloften te hebben verkregen? Toch heeft God ons even rechtvaardig behandeld als Hij hen deed. We zien dat het einde komt. Zij zagen dat er een einde kwam. Het einde vond toen niet plaats en wij moeten dus leven in het besef dat het mogelijk is dat het einde niet in ons leven komt. Desondanks moeten we in hoop blijven leven en niet toelaten dat het een dusdanige druk op ons denken legt dat het ons in zo'n mate ontmoedigt dat we de kerk verlaten, omdat het niet gekomen is.

Misschien vergaat het ons net als Mozes. God moest hem door nog één extra veeleisende situatie voeren die hij moest aanvaarden zonder zich van God af te keren. Dat is toch heel zwaar om op de grens van het land te staan en dan de toegang daartoe te worden ontzegd. Mozes was een groot man. Het was mogelijk geweest dat hij was gaan schuimbekken van woede, maar dat deed hij niet. Hij deed het bijna. Hij deed werkelijk een beroep op God, maar hij wist zich weer onder controle te krijgen.

Paulus begreep dat er bepaalde dingen moesten plaatsvinden. Hij zag niet dat ze reeds plaatsvonden en zijn schrijven, zoals in 1 Thessalonicenzen 4, is dus vervuld van hoop, maar, ziet u, nog niet genoeg om te kunnen zeggen dat het tijdens ons leven zal gaan gebeuren. Hij hield de deur open.

Gemeente, zelfs Jezus wist niet de precieze tijd. Ons is niet ontzegd wat Christus wel had gekregen, omdat ook Hij niet het gehele plaatje in al zijn details had gekregen. Maar, gemeente, hier hebben we een van Gods patronen waarmee we zullen moeten leven. Er zijn er genoeg van om ons in gedachten te doen houden dat God soeverein is over het doel dat Hij aan het uitwerken is, en Hij heeft het wijs geacht om de profetie in dit opzicht voor Zijn doeleinden sterk te verhullen. Dan is ook niemand belast met deze kennis. Denkt u niet dat het een last zou zijn? Zeker, gemeente, dat zou een last zijn en we zouden die waarschijnlijk niet aankunnen als we het wisten.

Iedereen die door God is geroepen, heeft uit geloof moeten leven, met zijn angsten, ongeduld en het genoeg hebben van de omstandigheden waarin hij moet leven en de grondige manier waarop hij wordt getest. Soms bijten mensen zich helemaal vast in profetie en in het bijzonder in de plaats van veiligheid. Wanneer zullen ze ooit leren dat niemand het tot nu toe bij het juiste eind heeft gehad?

Profetie is inderdaad een onderdeel van Gods woord, maar het is in sterke mate versluierd en het zal niet bekend worden totdat God er helemaal mee klaar is en we het absoluut moeten weten voor ons geestelijk welzijn. Profetie is vergeleken met suiker of met een dessert. Wat een dessert is voor het lichaam, is profetie voor de geest. Beide geven op hun manier een stimulans, maar als puntje bij paaltje komt voeden of sterken geen van beide, behalve tijdelijk. Elk geeft een initiële uitbarsting van energie, maar na die uitbarsting volgt een ontmoedigende afknapper.

Ik denk dat mensen heel vaak al hun tijd besteden aan het bestuderen van profetie uit angst voor de dood of aangedreven door trots, zodat ze de eersten zullen zijn die weten, en door anderen zullen worden toegejuicht door het aan hen te openbaren. Denk nooit dat dit in het geheel niet op u van toepassing is. In Openbaring 2 en 3, in de brieven van Christus aan de kerken, laat Hij heel duidelijk zien dat behoud en de beloning gegeven worden aan hen die overwinnen, niet aan hen die het meeste weten of het meest door profetie werden gestimuleerd. Profetie is aanwezig. Bestudeer deze dus, maar laat het niet de overhand op u krijgen. Ik vraag me af hoeveel mensen onvoorbereid zullen zijn op de dood, omdat ze zoveel tijd besteedden aan het doornemen van profetie. We kunnen niet toestaan dat we hierdoor uit balans raken.

Het volgende wat er in Hebreeën 11:13 staat is: "In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet [Statenvertaling: geloofd]." Abraham is hier een goed voorbeeld van. Romeinen 4:21 zegt: "In de volle zekerheid dat Hij [God] bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen." Dit betekent binnen de context van Hebreeën 11 dat zij niet op koppige wijze met een cynisch scepticisme tegenover Gods woord stonden. Zij schrokken niet terug. Zij aarzelden niet, zeiden niet dat ze eerst eens moesten nadenken over wat Hij zei, maar zij legden zich daar, ziende op Zijn getrouwheid, van harte bij neer. Dit voorziet ons van voorbeelden van nederige, inschikkelijke, kinderlijke aanvaarding.

We bewijzen deze mensen geen dienst in de evaluatie van hen, als we hen afschilderen als pure automaten, als we hun niet toestaan perioden te hebben dat ze aan God twijfelden en niet op Hem vertrouwden. Ook zij werden bestormd door vragen over God betreffende de manier waarop Hij de dingen deed, waarbij zij geen snelle en gemakkelijke antwoorden kregen. Maar ondanks alles hielden ze vol. Ik wil u een voorbeeld laten zien van hoe ze dat deden.

Marcus 9:24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!

Deze man moest dezelfde situatie in zichzelf het hoofd bieden. Hij had een bepaald niveau van geloof, maar hij was eerlijk genoeg dat hij wist dat dit niveau niet hoog genoeg of sterk genoeg was, maar hij wist waar hij heen moest gaan om meer te krijgen. Dit is het soort zoekend geloof dat zal uitgroeien tot een sterke overtuiging. Deze man vroeg in de allereerste plaats om genezing voor zijn kind. Hij was heel blij met de reactie van Christus daarop.

Christus vroeg hem: "Gelooft u?" "Hebt u geloof?" De man zei: "Ja, ik heb geloof." Maar hij wist ook dat hij bij lange na niet genoeg geloof had. Hij bezat een nederigheid waarop Jezus reageerde. Die man had een bepaald niveau van geloof, evenals wij dat hebben. Maar wij moeten doen wat deze man deed en dat is, stappen nemen om naar Degene toe te gaan die geloof kan geven, die het geloof in de allereerste plaats heeft gegeven en daarna bereid is meer te geven om het voortdurend te laten groeien, zodat als we bestormd worden door vragen betreffende de dingen waar we in ons leven doorheen gaan, we in staat zullen zijn deze het hoofd te bieden. Dit is het soort zoekend geloof dat zal uitgroeien tot een sterke overtuiging.

Nogmaals dit duidt erop dat ondanks tijden van neerslachtigheid en twijfel de geloofshelden uit Hebreeën 11 werden ondersteund door een houding van voortdurend inschikkelijke, kinderlijke aanvaarding en bereidheid om geleid te worden. Dit voert rechtstreeks tot de logisch volgende stap in Hebreeën 11:13 [Statenvertaling]: "… hebben dezelve [de beloften] … geloofd en omhelsd."

Het Griekse woord voor "omhelzen" wordt slechts op één andere plaats in het Nieuwe Testament gebruikt en dat is de gebeurtenis in Handelingen 20:1 waarbij Paulus afscheid nam van de oudsten van de gemeente te Efeze na het tumult dat werd veroorzaakt door Demetrius die meende dat Paulus zijn winsten aantastte door Jezus Christus te verkondigen. Paulus nam afscheid van deze mensen en hij wist waarschijnlijk in zijn achterhoofd dat het zou kunnen zijn dat hij deze mensen nooit meer zou zien; zijn afscheid van hen was dus erg emotioneel en ze omhelsden elkaar.

Het Griekse woord dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse woord "omhelzen" betekent precies hetzelfde. Het betekent "iemand in zijn armen nemen, hem dus omhelzen; adopteren, omcirkelen, aanvaarden". In het woord schuilt een betekenis van persoonlijke en bezittende intimiteit; het wordt in Griekse geschriften zelfs gebruikt om seksuele intimiteit te suggereren.

Hier in Hebreeën 11 suggereert Paulus geen seksuele intimiteit, maar desondanks zegt hij ons dat deze mensen niet alleen maar intellectueel geloofden, maar zij maakten de beloften van God tot hun persoonlijk, door God gegeven bezit. Deze woorden duiden erop dat zij de beloften op persoonlijke wijze als kostbaar beschouwden, zoals men een kind of huwelijkspartner zou beschouwen die men in zijn armen neemt. Het laat zien dat er betreffende hun geloof geen afstandelijkheid aanwezig was. Zij trokken de beloften naar zichzelf toe en die gingen deel van henzelf uitmaken in de zin dat ze richting gaven aan hun leven.

De Amplified Bible vertaalt het eerste deel van de zin in Hebreeën 11:13 als volgt: "Al deze mensen stierven geleid en ondersteund door hun geloof." Die vertaling geeft heel wat inzicht omdat deze ons zegt dat de beloften van God hen op een vaste koers hielden en tegelijkertijd voorzagen in de koers en het doel van hun leven.

Het laatste deel van de zin geeft ons het bewijs hiervan door te vermelden: "Zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde." Hun belijdenis kwam tot uiting in de manier waarop zij hun leven leidden. Die belijdenis had niets vandoen met het erkennen van schuld of een misdaad. Die had alles vandoen met de manier waarop ze zich in hun leven gedroegen. Om kort te gaan, zij onderwierpen zich voortdurend aan God. We hebben nu een kritisch, belangrijk punt bereikt betreffende waarom deze mensen deden wat ze deden.

Iemand zal zijn gehele leven alleen maar wijden aan het bereiken van een bepaald iets zoals deze mensen deden, omdat het persoonlijk belangrijk is en heel waardevol. Het woord "kostbaar" zou het beste woord kunnen zijn om dit te beschrijven.

Laten we Psalm 119:14 opslaan. Let op wat de psalmist zegt.

Psalm 119:14 In de weg uwer getuigenissen verblijd ik mij als over allerlei rijkdom.

Psalm 119:160-162 Heel uw woord is de waarheid, al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig. 161 Vorsten vervolgen mij zonder oorzaak, maar mijn hart vreest voor uw woorden. 162 Ik verblijd mij over uw woord als iemand die rijke buit vindt.

Deze woorden zijn werkelijk belangwekkend en vol betekenis voor u en mij, omdat deze verklaringen door de psalmist een emotionele verwantschap openbaren met de feitelijke logica van Gods bestaan en Zijn woord dat Zijn beloften bevat. De psalmist zegt ons dat hij dezelfde verblijdende tevredenheid vond in Gods woord als anderen ontleenden aan hun najagen en verzamelen van rijkdom. Gemeente, Gods woord was zijn schat.

Psalm 119:49 Gedenk het woord tot uw knecht, omdat Gij mij hoop hebt gegeven;

Dit biddend een beroep doen krijgt meer betekenis als we begrijpen dat het Hebreeuwse woord dat in dit vers met "woord" is vertaald, ook vertaald kan worden als "belofte". De psalmist zegt ons dat hij dezelfde verblijdende tevredenheid vond in Gods woord als anderen ontleenden aan hun najagen en verzamelen van rijkdom. Gods woord was zijn schat.

De psalmist denkt waarschijnlijk aan een specifieke belofte, maar de uitspraak is waar dat Gods woord bestaande uit beloften ons leven hoop geeft. Zij geven een emotionele kwaliteit die puur geloof ondersteunt. We moeten ons dus afvragen welke invloed Gods beloften hebben op de manier waarop wij persoonlijk ons leven leiden, en in het bijzonder in tijden van moeilijkheden. Geven zij ons meer troost en steun dan het meest kostbare iets in de wereld?

We gaan kijken naar een aantal andere krachtige uitspraken van Paulus die een stuk emotioneler zijn. Ten eerste een verklaring die hij geeft over de invloed van Gods beloften op hem, en natuurlijk op de mensen aan wie hij schreef.

2 Corinthiërs 4:1-2 Daarom, nu wij deze bediening hebben, die ons door barmhartigheid is toevertrouwd, verliezen wij de moed niet [we geven niet op], 2 maar hebben wij verworpen alle schandelijke praktijken, die het licht niet kunnen zien, daar wij niet met sluwheid omgaan of het woord Gods vervalsen, maar de waarheid aan het licht brengen en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God.

In de allereerste plaats doet hij deze uitspraak betreffende de manier waarop hij zijn leven leidde. Natuurlijk betrok hij deze mensen bij zijn persoonlijk getuigenis alsof ook zij op dezelfde manier leefden.

Vers 7 is een van de meest bescheiden verzen in de gehele Bijbel, als we het niet daar laten rondzwerven, maar het omhelzen en deel gaan laten uitmaken van onszelf.

2 Corinthiërs 4:7 Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons:

Paulus was zo bescheiden door wat hij van Gods woord begreep en hij zegt: "Hier ben ik, niet meer dan een zak met beenderen en vlees en klei, en ik heb deze kennis ontvangen!" Dat maakte hem bescheiden. Denkt u dat hij die woorden niet omhelsde? Dat deed hij zeer zeker! Ze spoorden hem aan, omdat ze zo belangrijk waren voor zijn leven.

2 Corinthiërs 4:8-9 in alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw; om raad verlegen, doch niet radeloos; 9 vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren;

Luister naar wat hij zegt, niet alleen over zichzelf, maar ook over de christenen uit de eerste eeuw, omdat hij hen deel laat uitmaken van deze woordschildering.

2 Corinthiërs 4:10-11 te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare. 11 Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare.

Gaat u zien waardoor de manier van leven van de geloofshelden en de helden van Hebreeën 11 werd geleid, waardoor deze werd aangedreven en gecontroleerd? Zij omhelsden het woord van God als iets dat kostbaar voor hen was.

2 Corinthiërs 4:12-18 Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u. 13 Maar nu wij dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook. 14 Immers, wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken en met u vóór Zich stellen. 15 Want het geschiedt alles om uwentwil [voor uw bestwil!], opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods. 16 Daarom verliezen wij de moed niet [geven we niet op], maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. 17 Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, 18 daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

De geloofshelden zagen de dingen vanuit de verte en toch hebben ze ze nooit verkregen. Daarom maakten ze overweldigende aantallen morele en geestelijke keuzes in hun leven, ondanks het feit dat veel van die keuzes werden gemaakt ten koste van iets dat hen erg dierbaar was en zij brachten het offer. Heeft iemand dit met dezelfde intensiteit ondergaan als Abraham? Het is vrij moeilijk iemand te bedenken die iets soortgelijks heeft ondergaan, omdat hij liever zijn eigen leven zou geven dan dat van Isaak.

Er komt een interessant iets voor in de geschriften van Petrus. Dat is min of meer uniek voor hem. En dat is de manier waarop en het aantal keren dat hij het woord "kostbaar" gebruikt. Laten we 2 Petrus 1:1 opslaan.

2 Petrus 1:1 Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus:

Petrus had een voorliefde voor het woord "kostbaar". Kostbaar is niet echt een specifiek woord. Het duidt er slechts op dat iets persoonlijk als waardevol wordt beschouwd. In zijn korte brieven gebruikt hij het zeven keer. Dat is meer dan elk van de andere nieuwtestamentische schrijvers. We gaan het meest gangbare gebruik ervan bekijken – iets dat interessant is en nuttig voor ons geloof. We lezen nu verder in 1 Petrus 1.

1 Petrus 1:7 opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus.

1 Petrus 1:19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam.

1 Petrus 2:4 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar,

1 Petrus 2:6-7a Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 7 U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen …

2 Petrus 1:4 door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.

Als we deze verzen allemaal bij elkaar voegen, zien we dat er een gemeenschappelijk thema in aanwezig is, en dat is dat Petrus in werkelijkheid een Persoon als kostbaar beschouwde. In sommige gevallen is het heel duidelijk – het kostbare bloed van Christus. Hij beschouwt in werkelijkheid dus Jezus Christus als kostbaar.

We gaan vers 1 van 2 Petrus 1 opnieuw lezen.

2 Petrus 1:1 Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus:

In diverse vertalingen, zoals bijvoorbeeld The American Standard, The Phillips, The Revised English Bible, is het woord "door" in de woorden "door de gerechtigheid" veranderd in "in". The New American Standard geeft de verandering als een alternatief; ze verwijzen ons naar de marge waar het woordje "in" staat. Ik lees nu dit vers zoals dit in de The Phillips Bible wordt weergegeven. Luister naar [de vertaling van] dit moderne Engels:

"Simeon Petrus, een dienstknecht en boodschapper van Jezus Christus, zendt deze brief aan hen die een even kostbaar geloof als aan ons gegeven is in de gerechtigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus."

De verandering van "door" naar "in" betekent niet dat de King James Version [of de NBG] het bij het verkeerde eind heeft, omdat beide mogelijk is en er goede argumenten kunnen worden aangevoerd om de vertaling met "door" aan te houden. Ik geloof echter dat vertrouwen een grotere invloed heeft op geloof. Geloof kan niet meer zijn dan een geloofsopvatting, maar geloof in actie is vertrouwen. Door het woordje "in" wordt de nadruk meer gelegd op geloof als vertrouwen. Dit kan als onbelangrijk overkomen, maar de verandering verlegt de focus van het kostbare door God gegeven geloof van de christen (dat waar het geloof op is gericht) van geloof in een ding (de verzameling leerstellingen) naar een geloof in een Wezen, een heel kostbaar Wezen.

Voor het geval u denkt dat dit niet belangrijk is, blijf luisteren.

Hier hebben we een werkelijkheid. Geloof in wat iemand zegt is niet sterker dan het geloof in wie het zegt. Hier wordt het belangrijk. Met andere woorden dat kleine voorzetsel "in" voert rechtstreeks tot de kern van iemands vertrouwen. Wie zei het? Dat is wat belangrijk is. Wie zei het? Dan en alleen dan gaat wat die persoon zei, er werkelijk iets toe doen in termen van geloof dat behoud brengt, in het bijzonder als iemand in overweging neemt dat zijn leven op het spel kan staan. Het is de kostbare waarde van de persoon die het zegt, waardoor datgene wat de persoon zegt ook kostbaar is, en daarnaast wordt een positief en emotioneel "Ik wil deze kwaliteit ook bezitten" aan datgene wat wordt gezegd, toegevoegd. In dit geval wat er in de beloften is gezegd.

Laten we een sprong voorwaarts maken in Hebreeën 11 en de verzen 24 tot 26 opslaan.

Hebreeën 11:24-26 Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter, 25 maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; 26 en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding.

Begrijpt u dit? Mozes achtte de smaad van Christus kostbaarder dan de rijkdommen van Egypte. Christus verscheen letterlijk pas zo'n 1400 jaar na Mozes, maar Mozes begreep met Wie hij te maken had. Ook Henoch, Noach, Abraham en Sara, en Isaak, en Jakob, en Jozef, en Samuël, en David, en Ezra en Nehemia deden dat. Dat is Degene die zij kostbaar achtten! Als Hij sprak, luisterden zij! Dan werd wat Hij zei even waardevol voor hen als Degene die het zei. Daar kon je staat op maken. Iedereen kan van alles zeggen. Is dat niet waar? Als we horen wie het zegt, dan verliest het of zijn waarde, of wordt het heel kostbaar.

Zij wisten met wie ze te maken hadden! Dat was hun Schepper. Zij geloofden in Hem. Zij werden overtuigd en zij omhelsden Hem en Zijn beloften. Gemeente, op die manier overleefden zij een periode van honderd jaar of meer, waarin hun bekering zich verder ontwikkelde. Zo overwonnen ze de tijden waarin ze leefden. Dat was hun staf en hun verblijf waardoor zij in staat werden gesteld te volharden, ondanks de drukte en de spanningen die de omstandigheden waar ze doorheen gingen met zich meebrachten. Het was hun geloof in Degene die zei wat Hij deed, en zo waren Zijn beloften even kostbaar voor hen als Hij dat was, even kostbaar als een schat.

Laten we Johannes 17:2-3 opslaan. Jezus spreekt.

Johannes 17:2-3 gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. 3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.

Kunt u nu iets beter begrijpen wat Jezus hier zei? We hebben een relatie met een levend iemand en we moeten Hem beter en beter leren kennen. Het is niet alleen een relatie met slechts een verzameling van geloofspunten, hoe belangrijk en waar ze ook zijn. Een belofte horen van iemand die we niet heel goed kennen – iemand die we slechts oppervlakkig kennen – kan een poosje aantrekkelijk schijnen en ons motiveren enige tijd achter die belofte aan te gaan, maar de initieel aantrekkelijke aantrekkingskracht van de belofte zal iemand niet heel lang daarmee door doen gaan, tenzij de relatie met de belofte hem de gelegenheid geeft in die richting te groeien.

Psalm 111:1-10 Halleluja. Ik zal de HERE van ganser harte loven, in de kring der oprechten en in de vergadering. 2 Groot zijn de werken des HEREN, na te speuren door allen die er behagen in hebben. 3 Majesteit en luister is zijn doen, en zijn gerechtigheid houdt eeuwig stand. 4 Hij heeft voor zijn wonderen een gedachtenis gesticht; genadig en barmhartig is de HERE. 5 Hij gaf spijze aan wie Hem vrezen, en gedenkt voor eeuwig zijn verbond. 6 Hij deed zijn volk de kracht van zijn werken kennen door hun de erve der heidenen te geven. 7 De werken zijner handen zijn waarheid en recht, betrouwbaar zijn al zijn bevelen, 8 vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid. 9 Hij heeft aan zijn volk verlossing gezonden, Hij heeft zijn verbond voor eeuwig verordend; heilig en geducht is zijn naam. 10 De vreze des HEREN is het begin der wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze betrachten. Zijn lof houdt eeuwig stand.

Let in het bijzonder op de verzen 2 en 4. In vers 2 zegt Hij ons dat Zijn werken worden nagespeurd, erop duidend dat zij die Hem kennen die werken zullen bestuderen en zij zullen er behagen in hebben. Dan zegt Hij ons specifiek in vers 4 dat God Zijn werken doet zodat ze in herinnering zullen blijven. Waarom wil Hij dat ze in onze herinnering blijven? Omdat ze hen die ze bestuderen zullen beïnvloeden om de juiste keuzes te maken.

Als er in Hebreeën 11 staat dat die mensen Zijn woorden omhelsden, en als er staat dat ze die geloofden, dan deden ze dat ook. Zij kenden Degene met wie ze te maken hadden en ze dachten over Zijn werken na. Zij bestudeerden hoe God in elkaar zit en wat Hij deed, en zij werden door deze dingen aangemoedigd totdat ze deel van hen gingen uitmaken.

We kunnen dus gaan begrijpen dat zij die Hem ijverig zoeken, zij die bidden zonder ophouden, zij die Zijn woord bestuderen om meer over Hem te weten te komen, zij die mediteren over het belang van de relatie om de dingen op de juiste manier met elkaar in verband te brengen, zij die zich onderwerpen aan wat zij leren, zullen volharden omdat ze Hem kennen. Hun kennen van Hem wordt steeds preciezer en hun studie over Hem verheerlijkt Hem en doet Zijn intensiteit steeds toenemen.

We zien in Hebreeën 11:13 een van de formules voor succes die de Bijbel rijk is. De formule begint ermee dat men in Gods beloften iets van intrinsieke waarde gaat zien. De kernwaarde leidt er dan toe dat men wordt overtuigd dat de waarde goed is en juist. De patriarchen omhelsden ze daarna van harte, trokken ze naar zich toe en maakten ze deel van ieder moment van hun leven. Hierdoor lieten ze toe dat ze er sterk door werden beïnvloed om de juiste keuzes te maken en op deze manier leefden ze ernaar. Dit bracht hen ertoe door hun handelen van alledag er getuigenis van te geven dat ze vreemdelingen en pelgrims waren, afgescheiden van degenen rondom hen. Deze factoren heiligden hen van de wereld en zij marcheerden echt op de maat van andere muziek. Hun gedrag maakte het duidelijk dat hun burgerschap en hun erfenis elders lagen.

Ik denk dat dit een mooie plaats is om te stoppen. Ik geef u nog één schriftgedeelte. Dat is Johannes 4:4-28 en Johannes 4:41-42. Ik wil dat u daarover nadenkt en één kleine les raadt die in deze grote karakterschets zit die Jezus hier geeft.

Johannes 4:4-28 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. 6 Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.] 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. 11 Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? 12 Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven. 15 De vrouw zeide tot Hem: Here, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten. 16 Hij zeide tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Terecht zegt gij: ik heb geen man; 18 want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken. 19 De vrouw zeide tot Hem: Here, ik zie, dat Gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; 23 maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24 God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid. 25 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen. 26 Jezus zeide tot haar: Ik, die met u spreek, ben het. 27 En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zeide niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar? 28 De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen:

Johannes 4:41-42 En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord, 42 en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om wat gíj zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)