Geloof en het gevecht van de christen (Deel 8)

Door John W. Ritenbaugh
24 november 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh had het over Abrahams geweldige voorbeeld van leven uit geloof, waardoor hij een model werd voor zijn fysieke en geestelijke nakomelingen. Abrahams gehele leven werd samengevat in de toestand van leven uit geloof; uit de overvloed van zijn hart handelde hij, liet hij zijn pelgrimsreis, tijdelijkheid, en afhankelijkheid tot uiting komen door voortdurend in een tent te wonen, een symbool van het totaal vertrouwen en afhangen van God. Evenals Abraham moeten wij God beschouwen als onze beloning in plaats van op materiële dingen uit te zijn. God wil dat wij volharden, met succes vechten tegen voortdurende stress, ons voorbereiden op Zijn Koninkrijk. Sara, als Abrahams perfecte aanvulling, had een vriendelijk en vredig karakter, ze hield haar angsten in bedwang door God te vrezen en werd beschouwd als de moeder der gelovigen, een voorbeeld voor al Gods geroepenen. Sara liet onafhankelijk van Abrahams roeping haar eigen geloof zien, ze werd geoordeeld op de waarde van wat zij deed met haar eigen unieke geestelijke gaven, waardoor ze in allegorische zin de vrije vrouw of het Jeruzalem van boven symboliseerde. Van Sara leren we dat we ons niet achter uiterlijk vertoon kunnen verschuilen, maar we kunnen erop rekenen dat God rekening houdt met onze zwakheden, wetend dat God geduldig is met onze traagheid van begrip betreffende Zijn geestelijke lessen, in het besef dat wij gehinderd worden door ons vleselijk, menselijk redeneren, maar ook dat Hij uiteindelijk ons de bovennatuurlijke kracht zal geven om te willen en te doen, als we ons bekeren en in geloof voorwaarts gaan. We moeten hun voorbeeld volgen op onze geestelijke reis naar het hemelse Jeruzalem, voor onze geestelijke kracht rekenend op de almachtige God.


We zullen deze preek beginnen in Hebreeën 11:8-10. Ik wil u eraan herinneren dat ik voorafgaande aan het Loofhuttenfeest bezig was met een serie gebaseerd op Hebreeën 11, en ik gaf een aantal preken betreffende Abrahams geloof, maar had dit onderwerp nog niet afgesloten. Tijdens het Feest haalde ik in de preken over Eden, de twee bomen, de tabernakel en de tempel vaak schriftgedeelten over Abraham aan.

Er zouden nog veel meer preken over Abrahams geloof gegeven kunnen worden. Zijn voorbeeld is zo opmerkelijk dat het mij in geen enkel opzicht verbaast dat hij "de vader der gelovigen" wordt genoemd. Vandaag wil ik het onderwerp over hem afronden door ons aan enkele van de algemene principes te herinneren die bepaalden hoe hij leefde, en hun praktische toepassing op u en mij.

Hebreeën 11:8-10 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; 10 want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

De vorige preek in deze serie begon met het vaststellen dat er – zoals we in Abrahams roeping kunnen zien – als resultaat van Gods roeping afscheidingen en samenvoegingen plaatsvinden. Abraham werd als totale heiden afgescheiden van de wereld, van Babylon, maar hij werd als vreemdeling in een vreemd land ook samengevoegd met het Koninkrijk van God. Belangrijker is dat hij geestelijk werd afgescheiden van vleselijkheid en dood, maar samengevoegd met goddelijke godsvrucht en leven. Zo gaat het door onze roeping ook met ons, al hoeven we niet fysiek ons geboorteland te verlaten. Onze geestelijke roeping voor God en onze geestelijke toestand voor God ondergaan radicale veranderingen vanwege deze roeping. Iemands leven is nooit meer hetzelfde. We moeten begrijpen dat deze veranderingen ons verplichten tot een rechtstreekse verantwoordelijkheid en een rechtstreekse aansprakelijkheid ten opzichte van Jezus Christus en dat we Hem rekenschap zullen moeten geven hoe wij omgaan met de eisen die Hij aan ons stelt.

De essentie van deze eisen wordt kort samengevat in de uitspraak die in Hebreeën 10:38 staat: "mijn rechtvaardige zal uit geloof leven". Daar hebben we de belangrijkste algemene verplichting die ons is opgelegd. We moeten uit geloof leven. Deze uitspraak is een krachtig gebod dat op twee manieren kan worden opgevat. Ten eerste, als een gebod met een geïmpliceerde bijzin "of anders …", en ten tweede, een verklaring van een feit, samengaand met een geïmpliceerde bijzin "dit is de reden dat ze doen wat ze doen".

Dit brengt ons terug bij Abrahams reactie en voorbeeld van Gods roeping van hem. Hij ging onmiddellijk uit Ur en Haran weg, en eenmaal in het Beloofde Land aangekomen bleef hij uit geloof leven. Hij aanvaardde zekere geestelijke concepten niet slechts intellectueel, hij vertrouwde er in het dagelijkse leven werkelijk op en liet dit zien in de manier waarop hij zich in zijn leven gedroeg. Zijn geloof was niet slechts een gespreksonderwerp. Hij zette zijn geloof om in daden en dat scheidde hem van alle anderen af. In Hebreeën 11 koos Paulus ervoor dit te illustreren middels de metafoor van het vreemdeling en bijwoner zijn, die in vers 13 voorkomt.

Hebreeën 11:13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde.

Aan de buitenkant leek het er voor de oppervlakkige waarnemer op dat Abraham zijn leven leidde alsof hij zelfs niet tot de gemeenschap en de natie behoorde waarin hij en de mensen die bij hem hoorden, leefden. Door dit te doen stelde hij een belangrijk algemeen patroon vast voor zijn gelovige kinderen om in hun leven na te volgen. Dit patroon laat zien dat Abraham in elke betekenis van het woord een bijwoner was, ongeacht waar hij in het Beloofde Land woonde, ongeacht zijn economische omstandigheden.

Hij kocht nooit land. Hij bouwde zelfs nooit een huis en de Bijbel laat heel weinig sociale interactie zien met anderen buiten zijn familie en de groep mensen die bij hem hoorde. Met uitzondering van één vredesverbond dat hij met zijn naaste buren maakte, sloot hij geen allianties, evenmin nam hij deel aan enig politiek streven binnen de natie of aan een van hun religies. Abraham leefde honderd jaar op deze manier. Vers 9 laat zien dat Isaak en Jakob, die zelfs een onrustiger leven leidden, er ook naar streefden hetzelfde patroon in hun leven te volgen. We zouden kunnen zeggen dat ze uit hetzelfde hout gesneden waren.

Hebreeën 11:9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte;

Zover als wij kunnen vaststellen verlangt God van niemand van ons dat we ons in die mate afscheiden. God stelde echter een duidelijk patroon voor ons. Dit is allemaal opgeschreven zodat wij zouden kunnen zien dat praktisch zijn gehele leven werd gekenmerkt door leven uit geloof en het vasthouden aan zijn relatie met God. Hij was echt in de wereld, maar toen hij eenmaal uit Ur was vertrokken, maakte hij er geen deel meer van uit. Hij koesterde de vriendschap van de wereld niet. Hij gebruikte de wereld als dat nodig was, maar hij was erg op zijn hoede om zijn privileges bij God niet op de een of andere manier te misbruiken. We leerden dat vanuit de gezindheid van zijn hart.

Ik denk dat u allemaal wel vertrouwd bent met Mattheüs 12:34, waar staat: "Uit de overvloed van het hart spreekt de mond." Er vloeit iets uit die waarheid voort en dat is: "Uit de overvloed van het hart handelt het lichaam." Op die manier leren we de gezindheid van Abraham kennen en zien we dat hij praktisch alles deed om God te bewijzen dat zijn loyaliteit bij God lag en het doel dat God in zijn leven aan het uitwerken was.

Ik denk dat een van de interessantere aspecten van Abraham is dat hij geen huis bouwde. Een tent heeft zelfs geen fundament. Dit is in het bijzonder intrigerend als we in beschouwing nemen waar zijn geestelijke reis begon – in Ur der Chaldeeën. Dat was in die tijd het centrum van de meest ontwikkelde beschaving op aarde, en dit is allemaal opgeschreven zodat wij zouden kunnen zien dat praktisch zijn gehele leven werd gekenmerkt door zijn leven uit geloof en het vasthouden aan zijn relatie met God. Hij was werkelijk in de wereld, maar niet van de wereld.

Voor u en mij biedt een huis een plaats van zekerheid, een gevoel van bestaan, een verdediging en gemak. Doorgetrokken tot het uiterste kan slechts een huis als uiterlijk teken gebruikt worden om de gemeenschap te laten zien wie en wat men is en wat men in het leven heeft bereikt. Let in dit opzicht op een tegenstelling met Abraham.

Genesis 15:1 Hierna kwam het woord des HEREN tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.

Voor Abraham was God zijn zekerheid, zijn uiterlijk teken en gemak, en het doel van zijn leven. Dit is in het bijzonder interessant als we het woord "loon" zien na de gebeurtenis aan het einde van hoofdstuk 14. Dat was de ontmoeting met Melchisedek en de situatie met brood en wijn. Tijdens die ontmoeting werd hem door de koningen uit de vallei een heel fraaie beloning aangeboden voor datgene wat hij ten behoeve van hen had gedaan, zodat zij al hun bezittingen terugkregen. Wat deed Abraham? Hij verwierp dat. Pal daarna verscheen God aan hem in een visioen; dat blijkt in dezelfde nacht te zijn geweest. Wat deed God? Door dat visioen bevestigde Hij aan Abram dat hij het juiste had gedaan door die beloning uit de wereld te verwerpen. God zei in feite: "Ik ben uw loon", en dat is de manier waarop wij dat moeten bekijken. Dit schriftgedeelte zegt dat Abraham werkelijk voor alles in zijn leven naar God keek als zijn Voorziener en zijn Beschermer. Wat een geloof had die man!

In Genesis 12:8 wordt ons nog wat meer inzicht in die dingen gegeven die Abraham en Sara stuurden. Dit gebeurde toen ze pas in het land waren aangekomen.

Genesis 12:8 Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan.

Genesis 13:3-4 En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai, 4 naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam des HEREN aan.

Genesis 13:18 Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE.

De tent gecombineerd met het altaar en het gebed spreekt over de dingen waarop het leven van Abraham en Sara was gericht. Het wordt dan heel duidelijk dat Abraham en Sara geen materiële dingen begeerden. Het verslag laat zien dat zij de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hovaardig leven grotendeels overwonnen hadden. Zij hadden hun genegenheid stevig verbonden aan de dingen van boven, niet aan dingen op aarde. Zij waren eerlijk. Zij leefden in de wereld met haar culturen, maar zij deden alles wat ze konden om de relatie met God te beschermen en geen relatie met de wereld op te bouwen.

Hebreeën 11:14-16 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Het woord "want" waar vers 14 mee begint, zegt ons waarom Abraham en Sara deden zoals zij deden. Abraham en Sara gingen niet op basis van eigen inzichten op weg om zoals Kaïn een stad te bouwen, of zelfs zoals Abrahams broer Nahor deed, omdat ook hij een stad bouwde. Abraham en Sara leefden uit geloof in Gods woord. Hun denken was gericht op het Koninkrijk van God. Interessant genoeg zegt vers 10 dat zij uitkeken naar een stad gebouwd door God die fundamenten had. Hun gehele leven was desondanks dat van een vreemdeling.

Gemeente, in onze tijd verlangen we er sterk naar dat Christus wederkomt, en we veroorzaken heel wat stress voor onszelf waardoor we vermoeid raken en verlangen dat het allemaal voorbij is. Abraham deed dit honderd jaar lang. Hij keek naar het einde van de weg. Hij volhardde. Hij deed dat geduldig.

Denk nu eens aan uzelf in de situatie waarin u verkeert, waarin het einde naar het schijnt met de snelheid van het licht op ons afkomt. Gemeente, we kunnen datgene waarover we geen controle hebben, niet verhaasten. God wil dat wij ons richten op het ons gereed maken voor Zijn koninkrijk. Is dat te saai? Hebben we daar teveel geduld voor nodig, te veel volharding? Dat is het lot waartoe God ons heeft bestemd, te leven in een chaotische tijd waarin er aan alle kanten dingen zijn om bang voor te zijn.

Evelyn en ik hoorden vandaag van zoiets. We keken om 12 uur naar CNN Headline News [CNN hoofdpunten van het nieuws] en zij zeiden iets dat ik eerder niet wist, maar nu algemeen bekend is. Big Brother kan iedereen vinden die een GSM-toestel bij zich heeft; zelfs terwijl de GSM niet aan staat. Hij bevat namelijk een chip die altijd werkt en een signaal zendt naar de satelliet daarboven, waardoor ze op ieder moment op zo'n 100 meter nauwkeurig weten waar u bent.

In zo'n soort wereld leven we en nu zijn de mensen natuurlijk bezorgd hoe de regering deze informatie zal gebruiken. Tot nu toe heeft de rechter de regering tegengehouden en de enigen die dit werkelijk kunnen doen, die er toegang toe hebben, zijn AT&T, BellSouth, enzovoort, enzovoort. Zij hebben de apparatuur om dat te doen, maar om de informatie te krijgen moet de regering van de rechter toestemming krijgen. Dat is alweer een van die stress veroorzakende dingen die ons onder druk zetten. Waar moeten we gaan wonen? Hoe moeten we gaan wonen? Moet dat zijn zoals Abraham en Sara, of zullen we toestaan dat de wereld ons uitput.

We gaan opnieuw Hebreeën 11:13 lezen.

Hebreeën 11:13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde.

Hebreeën 11 laat in algemene zin geloof in God zien als een juiste en echte, motiverende invloed op het gedrag van ieders leven, maar dat geloof inspireerde Abel om rechtvaardiging te zoeken middels Christus' bloed. Het inspireerde Henoch om met God te wandelen en het inspireerde Noach in gevaarlijke tijden zoals waarin wij leven, echt God te zoeken voor behoud. Hij bouwde een ark die symbool staat voor het werk in het proces van behoud.

Voordat we Abraham achter ons laten wil ik uw aandacht vestigen op drie elementen betreffende Abraham die in Hebreeën 11 uiteengezet worden. Zij worden voor elk van ons uiteengezet als voorbeelden om ons leven naar te modelleren.

Ten eerste: Zelfs al hielden de omstandigheden hem op, zijn persoonlijke reactie toen Hij oorspronkelijk in Ur werd geroepen, was vertrouwend, beslissend en diep toegewijd. Hij was overtuigd.

Ten tweede: Hebreeën 11 vestigt onze aandacht erop dat zijn vastbesloten gerichtheid zo toegewijd was dat hij werkelijk als bijwoner leefde. Hij gaf zichzelf in zijn leven niet de ruimte om zich tot materialisme of vriendschap met de wereld te verlagen.

Ten derde: De schijnwerper van zijn leven was constant gericht op de hoop van de toekomst, op dingen die boven zijn, op de dingen van het Koninkrijk van God.

Deze drie punten bepaalden en hielpen alle kleine dingen vast te stellen, dat wil zeggen dat de werken op een van dag tot dag basis zo getrouw werden uitgevoerd dat hij een patroon zette voor de mensen, waardoor hij de namen "de vader der gelovigen" en "de vriend van God" verdiende.

Dit is het besluit van wat ik nog over Abraham wilde zeggen. Hij is waarschijnlijk het belangrijkste menselijke voorbeeld voor ons om in gedachten te houden als algemene gids hoe te leven. Hij is natuurlijk bij lange na niet zo belangrijk als Jezus Christus. In feite komt hij vanuit dat perspectief niet eens in beeld.

Maar tezelfdertijd geloof ik dat het voor ons verkeerd zou zijn geen aandacht aan Sara te schenken, die met hem deel had aan dit ontzagwekkende avontuur en diepgaander betrokken was dan enig ander. Er is bij lange na niet zoveel informatie waarop we ons kunnen baseren als dat voor Abraham het geval is, maar wat er is, is zeer beslist waard om naar te kijken. We gaan dus naar Sara kijken. Zij was een kordate tante.

1 Petrus 3:6 zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.

Wat mij betreft plaatst dit Sara op hetzelfde verheven niveau als Abraham, en evenals hij door God wordt aangeduid als de vader der gelovigen, is Sara de moeder der gelovigen. Dit zegt mij dat zelfs al is er niet zoveel over haar opgetekend, zij Abrahams perfecte aanvulling was in een gelovig leiderschap van de familie. Ik hoop dat ook wij nu deel uitmaken van die gelovige familie. Zelfs al is Abraham de vader die het patroon zet voor mannen en vrouwen, toch werd hij aangevuld. Haar naam is Sara en zij is evenzo het patroon voor zowel mannen als vrouwen. Op welke manier deed ze dit?

De context in 1 Petrus 3 geeft ons enige aanwijzingen.

1 Petrus 3:2-5 doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken. 3 Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, 4 maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke (tooi) van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God. 5 Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen,

Laten we aandacht schenken aan de algemene aanwijzingen die Petrus hier geeft.

Nummer 1: Deze vrouwen waren moreel zuiver en hun gedrag was godvrezend.

Nummer 2: Zij concentreerden zich op dat wat innerlijk is; dat wil zeggen datgene wat van de geest is en niet datgene wat tot de uiterlijke schoonheid beperkt is. Zij hadden een zachtaardige en vreedzame instelling.

Nummer 3: Zij stelden hun vertrouwen en hoop op God en daarom werd angst in bedwang gehouden en overheerste die hun leven niet. Mannen, jullie moeten begrijpen dat vrouwen heel wat meer hebben om bang voor te zijn dan een man – zelfs haar eigen man. Bedenk dat zij de zwakkere sekse is en daarom wordt dit hier genoemd.

In vers 6 neemt Petrus Sara als het voornaamste voorbeeld. Wij moeten dan Sara's leiderschap preciezer gaan begrijpen door te kijken wat er over Abraham wordt gezegd en dan begrijpen dat zij met hem met dezelfde algemene instelling door al die ervaringen heenging. Haar persoonlijke visies en gevoelens waren ongetwijfeld anders dan de zijne, maar haar geloof was ook in God.

We slaan nu Lucas 1:5-6 op. Dit gaat niet over Abraham en Sara, maar het dient als middel tot begrip van de manier waarop God hen als stel bekeek.

Lucas 1:5-6 Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabet. 6 Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk.

Dit staat op één lijn met de relatie die Abraham en Sara met God hadden.

Hebreeën 11:11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte.

Sara en Elisabet waren ook gelovig en trouw. We gaan hier Sara en Abraham iets uit elkaar halen. We gaan zien dat God onder de aandacht brengt dat Sara op haarzelf ook trouw was aan God. Ik wil dat u beseft dat toen de apostel Paulus Hebreeën 11:11 schreef, hij als vijfde woord het woord "ook" gebruikte. "Door het geloof heeft ook Sara." Let er eens op hoe al deze verzen luiden als er weer een andere persoon wordt geïntroduceerd.

Hebreeën 11:4a Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer …

"Door het geloof heeft Abel …" Er staat niet: "Door het geloof heeft ook Abel …" Het woord "ook" ontbreekt hier.

Hebreeën 11:5a Door het geloof is Henoch …

"Door het geloof is Henoch …" Daar komt het woord "ook" niet voor.

Hebreeën 11:7a Door het geloof heeft Noach, …

Ook hier ontbreekt het woord "ook".

Hebreeën 11:8a Door het geloof is Abraham, …

Het woord "ook" ontbreekt.

Hebreeën 11:20a Door het geloof heeft Isaak, …

Ook hier ontbreekt het woord "ook".

Hebreeën 11:21a Door het geloof heeft Jakob …

Het woord "ook" ontbreekt.

Hebreeën 11:22a Door het geloof heeft Jozef …

Ook hier ontbreekt het woord "ook".

Begint u te snappen waar het om gaat? Paulus voegde dat woord "ook" toe voor een heel specifieke reden om onze aandacht in het bijzonder op haar te vestigen op een manier die afwijkt van al die mannen. Sommige moderne vertalingen gebruiken het woord "zelfs" in plaats van het woord "ook". Hoe dan ook, dat extra woord is door Paulus toegevoegd om onze aandacht te vestigen op het feit dat Sara van haarzelf geloof had. Begrijpt u dat?

Hier hebben we de eerste man en vrouw waar God in dit hoofdstuk mee handelt en God zet de twee netjes apart van elkaar als het op geloof aankomt. Zij moest geloof van haarzelf hebben. Zij kon geen geloof van Abraham lenen. Ook kon Abraham geen geloof van haar lenen. Zij moest het van haarzelf hebben. Ik zou het op deze manier kunnen zeggen, in termen van de geest stond ze op eigen benen.

Met andere woorden er staat dat ze zich niet alleen onderwierp in het volgen van Abraham in alles wat hem in zijn relatie met God overkwam, door daar volledig met hem in te delen, maar tegelijkertijd onderwierp ze zich aan God en was trouw aan Hem op basis van haar eigen door God gegeven geloof, niet het geloof van Abraham. Ook zij werd uit Ur geroepen. Ook zij maakte de pelgrimsreis waar die hen ook heen bracht. Ook zij ervoer de zware beproeving van Gods opdracht Isaak te offeren.

Dit werpt licht op twee belangrijke elementen van de manier waarop God de dingen ordent; deze zijn belangrijk voor ons om te begrijpen. Zelfs al dient een vrouw zich in de fysieke aspecten van het leven aan haar man te onderwerpen, ze staat voor wat betreft de geestelijke aspecten op eigen benen. Elke vrouw ontvangt haar eigen individuele roeping, haar eigen gave van geloof in God, haar eigen vergeving en haar eigen gaven voor haar plaats om te werken en bij te dragen aan het geestelijke lichaam van Jezus Christus. En wat heel belangrijk is, ze wordt beoordeeld en beloond op de verdiensten van haar gebruik van haar gaven binnen het kader van wat God van haar verlangt, niet van wat haar man van haar verlangt.

Laten we Galaten 3:26-29 opslaan en daar zien we een nette scheiding, een onderscheid dat God hier maakt:

Galaten 3:26-29 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

In Gods familie is er voor God werkelijke gelijkheid zonder vooroordeel. Gods oordelen hangen niet af van factoren van ras, etniciteit of sekse, of wat dan ook. Behoud is een individuele zaak. Oordeel vindt niet gemeenschappelijk of groepsgewijs plaats.

Galaten 4:21-26 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? 22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26 Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder.

Dit plaatst alles betreffende Sara's positie op de juiste geestelijke plaats. En evenals Abrahams vaderschap wordt overgeheveld naar God, onze geestelijke Vader, zo wordt ook Sara's moederschap overgeheveld naar de geestelijke werkelijkheid – het Jeruzalem van boven, de geestelijke moeder van ons allemaal.

Drie keer in dit korte bestek van verzen verwijst Paulus naar Sara als een vrije vrouw. Als deze aanduiding wordt gecombineerd met wat Jezus in Johannes 8 onderwees over vrij zijn, begrijpen we dat Paulus zegt dat ze een echt geestelijk gerichte, moreel bewuste vrouw was van het hoogste niveau onder de mensen. Haar geloof en haar behoud hingen echter niet onlosmakelijk samen met dat van Abraham. Dat betekent niet dat ze volmaakt was, evenmin als Abraham dat was, maar het betekent dat hun leven zowel in gedrag als in houding God in grote mate behaagde.

Aangezien God Abraham in Jesaja 41:8 rechtstreeks "Mijn vriend" noemde, geloof ik dat deze verheven titel ook op Sara van toepassing is, die "in het vlees en in het geloof één" met hem was.

Jesaja 41:8 Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham,

Dat is me nogal een aanduiding.

Ik zei zojuist dat Sara niet volmaakt was. Direct aan deze instructie is iets betreffende haar gekoppeld, dat ons helpt een reden te begrijpen waarom ze samen met Abraham op zo'n verheven niveau staat. Dit geeft ons reden te hopen op Gods barmhartige genade voor ons behoud.

Hebreeën 11:11-12 Door het geloof heeft ook Sara [Statenvertaling voegt toe: zelve; dit woord is ook in het Grieks aanwezig] kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte. 12 Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is.

De sleutel is dat Sara door geloof kracht ontving Isaak te ontvangen. Met andere woorden door geloof werd ze op bovennatuurlijke manier genezen.

Toen Paulus dit schreef, plaatste hij het woord "zelf" in een positie van nadruk om er de aandacht op te vestigen. Paulus maakt ons duidelijk dat Sara voor wat betreft deze gebeurtenis geen geloof leende van Abraham. Zij stond op eigen benen en ontving de zegen op basis van de kracht van haar geloof in God, niet dat van Abraham.

Ik wil dat u dit in overweging neemt, omdat er heel wat fysieke obstakels aanwezig waren. Ik weet dat u weet wat die waren, maar ik zal ze nog eens vermelden. Ten eerste was Sara negentig jaar oud. Ten tweede, was haar moederschoot gestorven – zij had nooit het leven aan een kind geschonken – en zelfs al leefden de mensen toen langer dan wij, ze was ver voorbij de tijd dat ze zwanger kon worden.

Daarnaast was Abraham (waarop in Romeinen 4 gezinspeeld wordt) ook dood (in seksueel opzicht). Hij was impotent. Houd die dingen in gedachten, omdat alles van nature – duidend op alles wat je letterlijk kon zien, wat ze van fysieke dingen wist – tegenwerkte tegen het door haar aanvaarden van Gods belofte. Het enige punt dat voor haar werkte was haar geloof, en ze was op dat moment nog niet echt overtuigd.

Laten we die gebeurtenis in Genesis 18 nog eens bekijken.

Genesis 18:9-15 Toen zeiden zij [de drie bezoekers] tot hem: Waar is uw vrouw Sara? En hij zeide: Daar, in de tent. 10 En Hij zeide: Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben. En Sara luisterde bij de ingang der tent, die zich achter Hem bevond [achter God, Degene Die sprak]. 11 Abraham nu en Sara waren oud en hoogbejaard; het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen. 12 Dus lachte Sara in zichzelf, denkende: Zal ik wellust hebben, nadat ik vervallen ben, terwijl mijn heer oud is? 13 Toen zeide de HERE tot Abraham: Waarom lacht Sara daar en zegt: Zal ik werkelijk baren, terwijl ik oud geworden ben? 14 Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn? Te bestemder tijd, over een jaar, zal Ik tot u wederkeren, en Sara zal een zoon hebben. 15 Toen loochende Sara het: Ik heb niet gelachen, want zij was bevreesd; doch Hij zeide: Neen, gij hebt wèl gelachen.

Hier hebben we dus het beruchte voorval van "lachen". Sara's lach was er een van twijfel en gebrek aan vertrouwen. Onmiddellijk volgend op Gods aankondiging vestigde ze in vers 12 de aandacht op haar twijfel, toen ze in zichzelf lachte en de dingen zei die we zojuist gelezen hebben. Haar lach was er niet een van het vreugdevolle uitzien naar zo'n grote zegen, en God Die met Zijn rug naar haar toe stond, merkte dit onmiddellijk op en wees haar terecht met Zijn vraag "Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?" Daarna maakte ze de zaak nog erger door te ontkennen dat ze in twijfel had gelachen. Ze twijfelde niet alleen, maar nu was ze ook nog bang.

Het is inderdaad een beschamend iets om op deze manier te zondigen, maar ze stapelde, zoals de Bijbel ergens anders zegt, zonde op zonde door de ene zonde te bedekken met de leugen dat ze niet had gelachen. Hier vinden we een aantal lessen voor ons.

We zullen Hebreeën 4:11-13 opslaan. Paulus richtte zich tot christenen.

Hebreeën 4:11-13 Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen. [We waren zojuist getuige van een periode dat Sara niet geloofde.] 12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; 13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Deze verrassende uitspraak is door God niet slechts bedoeld als instructie, maar ook als een vrij krachtig dreigement. Kinderen kunnen hun ouders iets wijsmaken, omdat het ons als mensen ontbreekt aan het vermogen om te allen tijde van alles op de hoogte te zijn. Maar God, onze geestelijke Vader, kent zo'n beperking niet. Neem het volgende dus in overweging. In het verhaal van Genesis 18 wordt geen aanwijzing gegeven van enig uiterlijk blijk van Sara's twijfel. Hij las haar gedachten zonder zelfs naar haar te kijken.

Les nummer 1: Gods ogen zien ons alsof we zowel van buiten als van binnen naakt voor Hem staan, en wij moeten het feit aanvaarden en daarmee leven dat we ons niet achter verontschuldigingen of huichelarij kunnen verschuilen.

We bedriegen alleen onszelf als we als kleine kinderen denken, dat we God op een of andere manier iets kunnen wijsmaken.

Les 2 biedt zowel hoop als bemoediging. Laten we Lucas 1 opslaan; het gaat daar over Zacharias.

Lucas 1:18-20 En Zacharias zeide tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen. 19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen. 20 En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan.

Gods oordeel over Sara was anders dan het oordeel over Zacharias. Behalve een verbale terechtwijzing van haar door Hem, was er geen bestraffing. Deed God aan aanzien des persoons? Nee. God doet niet aan aanzien des persoons. Bedenk dat Zacharias niet alleen maar een rechtvaardig man was, hij was ook priester en daarom een leider van het volk. God onderscheidde de bron van Zacharias' reactie en deze schoot tekort ten opzichte van Gods standaard voor Zacharias.

Denk aan het principe dat Christus ons gaf met betrekking tot Gods oordeel. "Aan wie veel gegeven is, van hem zal meer worden verlangd." Sara's reactie kwam voort uit zwakheid. Haar lach was geen uiting van wrange, vijandige minachting, en God onderscheidde dat onmiddellijk en Hij oordeelde overeenkomstig. En al was Zacharias niet vijandig, toch woog zijn scepticisme heel zwaar in zijn nadeel. Hij had beter moeten weten.

Les nummer 2: Als God ons oordeelt neemt Hij alles in beschouwing wat Hij over ons weet, inclusief onze zwakheden en Hij oordeelt overeenkomstig. Daar ligt bemoediging en hoop in.

Les nummer 3: Het drong niet tot Sara door totdat de belofte werd herhaald. Ook hier ligt een mate van hoop in besloten. God is Zich bewust van onze zwakheden, dat het niet altijd de eerste keer tot ons doordringt, of de tweede, of de derde, of de vierde. Wie weet hoeveel verontschuldigingen Hij ons toestaat. Hij is vrij geduldig, maar wees voorzichtig omdat zelfs het geduld van God eens ten einde loopt.

2 Corinthiërs 5:6-9 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – 8 maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. 9 Daarom [vanwege deze dingen] stellen wij er een eer in [werken we eraan, streven we ernaar], hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.

Laten we dit koppelen aan het feit dat toen God dit oorspronkelijk tot Sara zei, het niet tot haar doordrong. Wij hebben dat wat hier in 2 Corinthiërs 5 is beschreven, als doel in ons leven, dat we God in alle omstandigheden willen behagen. De hoopgevende les voor ons is dat onze algemene bedoeling, evenals die van Sara, goed is; ook wij vatten iets niet altijd de eerste keer dat we het horen. Maar God was geduldig met Sara en Hij is geduldig met ons. Hij weet dat het niet de allereerste keer tot ons doordringt. En waar in onze relatie met God geloof wordt vereist, is er binnen ons altijd een vijand aanwezig, die ons bevecht, ons uitdaagt en eraan werkt ons van het woord van God af te leiden en probeert de betekenis ervan uit te schakelen. Weet u wat die vijand is? Die wordt "de rede" genoemd, of specifieker de menselijke rede. Had Sara die ook niet?

Misschien meer bekend of synoniem met de bijbelse term is dat we nog vleselijk zijn; we handelen dus in overeenstemming met het vlees. Deze uitdagende druk is altijd aanwezig om rechtvaardigingen te verschaffen om tegenstand te bieden en om te voorzien in iets dat het geweten sust aangaande zijn schuldgevoel ontstaan door het niet vertrouwen op God. We zouden het ook "leven bij wat we zien" kunnen noemen in plaats van uit geloof, en dit was tijdens dat voorval het probleem van Sara. Hoe we het dan ook willen noemen, deze weerstand leidt tot dezelfde actie en als deze erin slaagt iemand tegen zijn geloof in te overtuigen, dan zal men het vlees volgen en niet de geest, waardoor men God bedroeft, zoals Paulus in Efeziërs 4:30 zegt: "En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing."

Les nummer 4: We moeten ons vertrouwen en geloof in God stellen, dat Hij trouw is en zal uitvoeren wat Hij heeft beloofd.

Hebreeën 11:11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte.

Door geloof ontving ook Sara kracht om moeder te worden.

Het is waar dat Sara reeds een mate van geloof had, evenals haar man Abraham, maar haar geloof had ook zijn zwakheden. Deze woorden zeggen ons dat haar meer geloof gegeven werd om haar in staat te stellen deze beproeving naar Gods wil het hoofd te bieden. Laat me dit samenvatten. Om dit mogelijk te maken is het duidelijk dat ze zich bekeerde van de twijfels die in haar lachen tot uiting kwamen; daarna ging ze gebruikmakend van het zwakke geloof dat ze reeds had, verder en ontving meer geloof om haar door deze moeilijkere beproeving heen te helpen. Dit is een belangrijke les, gemeente. Het resultaat was dat haar dode baarmoeder op bovennatuurlijke wijze werd genezen.

God had reeds op een enigszins soortgelijke manier met Abraham gehandeld. Laten we Genesis 17:5 opslaan.

Genesis 17:5 en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.

Ziet u dat? Dit wordt in de voltooide tijd geschreven. In Romeinen 4:17 schreef de apostel Paulus het ook in de voltooide tijd.

Romeinen 4:17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.

Gemeente, dit is één van de belangrijkste redenen dat Abraham, die ook lachte, op geen enkele manier werd bestraft. Zijn lach was anders dan die van Sara. Zijn lach was een emotionele uitbarsting van enthousiasme en vreugde. Waarom? Omdat God reeds met hem had gehandeld en hij het geloof had om in te zien dat God niet liegt. God had Abraham reeds in het verleden geloof gegeven om deze uitdaging het hoofd te bieden. Deze gebeurtenis in Genesis 17 vond plaats voordat Sara werd genezen en vele jaren voordat Abraham de opdracht kreeg Isaak te offeren. God sprak tot Abraham over dingen die nog niet waren alsof ze reeds wel waren. Met andere woorden hier wordt ons gezegd dat als God ons door een beproeving laat gaan, Hij – omdat de beproeving een deel van Zijn wil is – in het geloof voor ons zal voorzien om deze beproeving het hoofd te bieden.

Nu komt het "maar". Desondanks moeten wij, evenals Sara deed en zoals ze ons liet zien, in het geloof dat we reeds hebben in actie komen om de onophoudelijke druk van de menselijke rede die uit onze vleselijkheid voortkomt, te weerstaan. Sara kwam in actie ondanks haar gevoelens van zwakheid en deed hoe dan ook wat God van haar verlangde. Gemeente, wij moeten dit allemaal doen. God voegt toe wat ons ontbreekt nadat we in actie komen met wat we hebben. Begrijpen we dit? Pas dan voegt Hij toe wat ons ontbreekt. Als we deze vrees niet het hoofd zouden moeten bieden om in vertrouwen in actie te komen, zou er geen test van ons geloof zijn.

Toen Sara met het geloof dat ze had in actie kwam, toen voegde God datgene toe wat haar ontbrak. Ze ontving kracht als gave op basis van haar onvoldoende geloof, en ze vertrouwde erop dat God zou doen wat Hij gezegd had te doen. Ze was een flinke vrouw. Ze overwon haar angsten, haar scepticisme, haar twijfel en onderwierp zich aan wat God van haar verlangde. Ze leefde uit geloof evenals Abraham dat deed.

Jesaja 40:25-26 Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige. 26 Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter.

Begrijpt u wat Hij hier zegt? God zegt dat ondanks die met sterren bezaaide hemel die Hij schiep, Hij elk van die sterren bij naam noemt en Hij vergeet er niet één! Miljarden en miljarden en miljarden, ja er zijn zelfs biljoenen lichten aan de hemel. Hij zegt ons hoe groot Zijn denken is, hoe bewust Hij Zich is van alles wat Hij heeft geschapen en dat Hij niets vergeet. Dat wordt bedoeld met "er blijft niet één achter". Hij vergeet er niet één.

Jesaja 40:27-29 Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de HERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? 28 Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden. 29 Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert hij sterkte.

"Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte", evenals Hij dat voor Abraham deed, en evenals Hij dat voor Sara deed, en evenals Hij dat deed voor alle groten die in het verleden leefden en angstaanjagende tegenstand het hoofd moesten bieden en die als het ware hun moed bijeen moesten rapen en op basis van Gods belofte in actie moesten komen.

Jesaja 40:30-31 Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.

Wat een belofte! Laten we dat punt over de sterren eens op u en mij toepassen. Hoe onbelangrijk we onder de miljarden die op dit moment op de aarde leven ook zijn, en onder de vele, vele tientallen miljarden die sinds Adam en Eva hebben geleefd, toch zegt God: "Ik vergeet er zelfs niet één en Ik weet precies waar u bent in het spectrum van wat Ik aan het doen ben, namelijk u naar het beeld van Jezus Christus te scheppen." Dat is verbijsterend! Wij zijn ons zo weinig van Hem bewust. Hij verliest ons nooit uit het oog.

Laten we Psalm 84 opslaan. Hoe vaak zingen we deze psalm niet?

Psalm 84:6 Welzalig de mensen wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn.

Psalm 84:8 Zij gaan voort van kracht tot kracht [een parallel van wat we zojuist in Jesaja 40 lazen] en verschijnen voor God in Sion [een type van de kerk].

Weet u wat deze psalm is? Het is een psalm van pelgrims op reis naar Jeruzalem om het Feest te vieren. Ze kunnen lusteloos worden door almaar het spoor te volgen. Ze kunnen door de reis vermoeid raken. En hier zijn wij, gemeente. Wij zijn op reis. We zijn op een pelgrimstocht naar het hemelse Jeruzalem en wij worden lusteloos. We maken ons zorgen over dingen, maar ook wij kunnen door ons vertrouwen op God te stellen van kracht tot kracht voortgaan, van wat wij moeten doen, naar wat God bereid is te geven (waartoe Hij ook in staat is), zodat wij de reis kunnen voltooien. Deze psalm beeldt dus een uitwisseling van kracht uit tussen God en ons. Daarom zei Paulus wat hij in Filippenzen 2:13 zei. Laten we dat schriftgedeelte opslaan.

Filippenzen 2:13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

Vergeet dat nooit. God werkt in ons en wij kunnen van kracht tot kracht voortgaan.

Filippenzen 4:12-13 Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek. 13 Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft.

De moraal van waar we hier naar kijken is dat als we in het leven beproevingen het hoofd moeten bieden, we in actie moeten komen met het niveau van geloof dat we op dat moment hebben en God vragen te voorzien in wat we nodig hebben, en het dan doen ongeacht het niveau van gehoorzaamheid dat Hij verlangt, erop vertrouwend dat Hij het inderdaad zal geven. We moeten dus in actie komen wetend dat de situatie, of wat het dan ook is dat een uitdaging voor ons geloof vormt, meer Gods werk is dan het onze. God werkt in ons, zowel het willen als het werken.

Bedenk altijd dat Hij aan het scheppen is en dat wij het voorwerp van Zijn schepping zijn, en gemeente, daarom zijn de woorden "met vreze en beven" in Filippenzen 2 toegevoegd, dat wij deze dingen in vreze en beven moeten doen. Zelfs al maken we ons zorgen, zelfs al zijn we ongerust en beven we misschien wel.

Ik wil nog een schriftgedeelte lezen in Jesaja. In Jesaja 27:5 heeft Hij het over het reanimeren (als ik het op die manier mag zeggen) van Jakob, duidend op de natie in de tijd die vlak voor ons ligt, de eindtijd. Dit vers bevat instructie voor u en mij: wat Hij toen deed voor Jakob, de natie, en wat Hij nu voor ons zal doen. Hij zegt:

Jesaja 27:5 tenzij men mijn bescherming aangrijpt, met Mij vrede maakt, vrede met Mij maakt.

We kunnen vrezen en beven, maar daar staat instructie over wat we moeten doen, als het ware Gods hand aangrijpen en dan op een gelovige manier doorgaan met wat we hebben te doen.

Laten we weer Hebreeën 11 opslaan. We zullen opnieuw vers 11 lezen en dan springen we naar de verzen 32 tot 34.

Hebreeën 11:11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte.

Hebreeën 11:32-34 En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten, 33 die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, 34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.

Let op de woorden over Sara, dat haar geloof verder ging dan de onmiddellijke plaats van handeling die haar zei dat dit een onmogelijk iets was. Maar met God zijn alle dingen mogelijk en haar geloof deed dus een sprong in de juiste richting en ze besloot zich op God te verlaten. Dat was een grote en goede beslissing en ze vertrouwde op Hem van dat moment tot aan het eind van haar leven.

Elk van deze mensen die hier aan het eind van het elfde hoofdstuk van Hebreeën worden genoemd, kenden tijden van geestelijke zwakheid op het gebied van geloof, maar God werkte met hen en als het punt eenmaal tot een goed einde was gekomen, bleef de geschiedenis van de gebeurtenis bewaard zodat wij ervan kunnen leren.

Ik wil dat u begrijpt dat God op barmhartige wijze deze tekortkomingen in de relatie met Hem verbergt. Hij plaatst ze achter Zich alsof ze nooit plaatsvonden en het leven gaat verder op een betere manier dan voorheen voor hen die hun zwakheden overwonnen. Wij kunnen ervan leren, maar in de persoonlijke relatie plaatst God het achter Zich en het vormde nooit meer een punt tussen hen en Hem.

Laten we begrijpen dat God niet uit is op onze mislukking, maar Hij is uit op Zijn succes om iets te maken van wat praktisch niets voorstelt. Gods toewijding aan succes hangt samen met Zijn doel en wij hebben buitengewoon veel meer om dankbaar voor te zijn dan voor enig fysiek iets waar we donderdag (dat was Thanksgiving Day) dankbaar voor waren. We hebben een kostbaar, kostbaar, uitzonderlijk waardevol geloof dat ons door God gegeven is, en dat opent de deur en voorziet in alles wat nodig is voor ons behoud. Wij moeten er alleen maar voor kiezen het te gebruiken en te vertrouwen dat er voorzien zal worden in datgene waar het ons aan ontbreekt.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)