Voorbereiding op het koningschap

Door Richard T. Ritenbaugh
27 september 2007

Samenvatting: (toon)

Richard Ritenbaugh bespreekt het onderwerp van de functie van koningen en merkt op dat er niet veel zittende koningen over zijn in de wereld. In Openbaring 11 zal de functie van koning tezamen met macht en autoriteit weer worden ingesteld. Voor Gods geroepenen is onze tijd op deze aarde bedoeld als voorbereiding op deze positie van heerschappij in het Koninkrijk van God. De Bijbel bevat tussen zijn twee kaften instructies (Deuteronomium 17) om zich op heerschappij voor te bereiden. De koning moet een Israëliet zijn, iets dat terugkomt in onze roeping, volledig deel uitmaken van de cultuur en de gedragspatronen van Israël en geestelijk Israël. Een leider moet zijn als zijn volgelingen om effectief te zijn. Hij moet geen paarden vermenigvuldigen of naar Egypte gaan om paarden te vermenigvuldigen (de militaire macht uitbouwen en militaire allianties met ander naties aangaan), zoals David door bittere ervaring leerde. Hij moet niet veel vrouwen hebben, opdat zijn hart niet tot afgodendienst wordt gekeerd of naar syncretisme, het geestelijke equivalent van fysiek overspel. Hij moet niet gierig zijn, rijkdom begeren alleen maar omwille van de rijkdom zelf, maar in plaats daarvan moet hij zijn hart richten op godvrezendheid en geestelijke rijkdom. Hij moet voor zichzelf een kopie schrijven van de wet; als christenen moeten wij die op de tafelen van ons hart en ons denken geschreven hebben. We moeten Gods wet een integraal bestanddeel van onszelf laten uitmaken door de principes ervan voortdurende toe te passen, waardoor we effectieve heersers kunnen worden. We moeten ons consequent voorbereiden op leiderschap door (1) één te worden met God en Zijn volk, (2) God te vertrouwen voor ons overwinnen, (3) geen vreemde religieuze concepten te leren, (4) God boven alles te plaatsen, en (5) Gods wet een integraal bestanddeel van onszelf maken.


Wat weet u over koningen? Niet het boek Koningen. Maar de functie van koningen?

De meesten van ons weten waarschijnlijk heel weinig, behalve wat we op de televisie hebben gezien, of misschien in een boek hebben gelezen. Wij, Amerikanen, ontdeden ons 230 jaar geleden van onze koning, en sindsdien zijn we daarop niet teruggekomen! We noemden de koning van Engeland een tiran, pakten onze musketten op en verwierven onze onafhankelijkheid, zodat we onszelf konden besturen en een republiek werden.

Wij, moderne Amerikanen, hechten in feite niet al te veel waarde aan koningen. Dat maakt geen deel uit van ons leven. Het kan zijn dat we aandelen kopen in Burger King, Incorporated. Het kan zijn dat we van alles wat op een bord geleverd wordt, de "king size" versie kopen. Het kan zijn dat we naar een amusementspark gaan met de naam "King's Dominion". Wij hier in het zuiden hebben gehoord van Richard Petty, "King of Stockcar Racing". En we hebben natuurlijk allemaal gehoord van de "Koning van Rock 'n Roll, Elvis Presley".

Al deze personen zijn echter bij lange na geen koning. In feite zijn er in de wereld niet zoveel koningen meer. Ik bedoel monarchen die wetten uitvaardigen en oordelen vellen, en die in principe de dienst in hun land uitmaken en bevelhebber van het leger zijn. De meeste koningen regeren niet echt meer. Veel westerse landen die nog koningen hebben zijn constitutionele monarchieën, waar de koning of koningin grotendeels ceremoniële figuren zijn zonder echte macht.

God belooft in Openbaring 5:10 echter: "Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde." Hij bedoelt dat werkelijk! Hij spreekt hier niet in figuurlijke taal. Hij zal ons belonen met echte macht over de naties!

We hebben over de 144.000 gehoord – zij zijn degenen die Hem volgen, en zij zijn degenen die onder de grote Koning, Jezus Christus, koningen en priesters zullen worden. Hij zei in Openbaring 2:26 dat we zullen gaan heersen met een ijzeren staf.

Openbaring 2:26-27 En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen; 27 en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf, als aardewerk worden zij verbrijzeld, gelijk ook Ik van mijn Vader ontvangen heb,

Hij zegt dat we macht over de naties zullen krijgen – als het ware het vermogen om de naties te straffen, evenals Jezus Christus de macht van God de Vader gekregen heeft om hetzelfde te doen. We zullen onder Hem staan, grote verantwoordelijkheden en macht krijgen en het vermogen om dingen te doen. We zullen heel wat hebben geleerd.

Dat is de boodschap van de gehele preek: Hoeveel zullen we hebben geleerd om te regeren tegen de tijd dat we de gelegenheid krijgen dat te doen? En hoe zullen we die macht, waarvan we zoveel gekregen hebben, gebruiken?

Zullen we tirannen zijn, zoals de Amerikaanse kolonisten koning George III beschouwden? Als wij in Gods Koninkrijk zullen zijn, denk ik niet dat dat het geval zal zijn.

Zullen we onze macht onvoldoende gebruiken, waardoor er uiteindelijk problemen ontstaan en het volk niet meer weet wat te doen?

Zullen we goede koningen zijn? Zullen we gereed zijn om te regeren?

Zijn we met onze training begonnen? Natuurlijk! Iedereen die geroepen en gedoopt is, is aan de training voor zijn positie in Gods Koninkrijk begonnen.

Johannes 14:1-2 Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen [functies en posities] – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden;

Als Hij de plaats [de functie] voorbereidt, dan zal Hij zeer zeker ons voorbereiden deze positie te vervullen! Hij heeft een positie – een functie – in gedachten voor iedereen van ons om die te vervullen. En die heeft iets vandoen met het besturen van deze aarde en de mensen die erop leven.

God is de heersende Familie van dit universum. En elk van Gods kinderen die gekozen is om daar deel van uit te maken en speciaal op die taak is voorbereid, zal verantwoordelijk zijn om een bepaald deel van dat koninkrijk te besturen.

Hoe zullen we dan regeren? Wat hebben we gedaan om ons op dat besturen voor te bereiden? Geeft de Bijbel instructie gericht op dit doel, hoe we ons daarop zouden moeten voorbereiden? Natuurlijk doet de Bijbel dat!

De Bijbel bevat binnen zijn twee kaften alle instructie die we nodig hebben om voor onze positie in Gods Koninkrijk te kwalificeren; daarnaast hebben we nog alle lessen waar God ons doorheen laat gaan!

Het zou van God niet eerlijk zijn ons deze belofte te geven – een plaats die ons wordt bereid, en dat we met een ijzeren staf zullen regeren – en ons dan niet de instructies te geven om dat te bereiken – met Zijn hulp natuurlijk. Dat is iets dat we altijd in gedachten moeten houden!

We weten op basis van instructie die we door de jaren heen hebben gekregen, dat de Israëlieten in de woestijn een type zijn van de kerk van God, die voorbereid wordt op het binnengaan van het Koninkrijk van God. We weten dat al heel lang. De Israëlieten hadden instructie nodig betreffende hoe ze in het Beloofde Land onder een koning moesten leven.

God was hun Koning. Daar bereidde Hij hen op voor. Hij wist ook dat ze na een bepaalde periode een menselijke vertegenwoordiger wilden hebben om hen te regeren. Al in Genesis 49:10 zei Hij de Israëlieten middels hun vader Jakob, dat de scepter niet van Juda zou wijken. Hij wist toen al, zo'n 1700 jaar v.Chr., dat Israël uiteindelijk koningen uit de stam Juda zou hebben om hen te regeren, en dat de Messias uit die lijn zou voortkomen, zelfs voordat ze om een koning hadden gevraagd.

Hij wist dat ze een koning nodig hadden en Hij wist dat die koningen instructie nodig hadden hoe goede, godvruchtige koningen te zijn. Hij moest enkele basisregels geven die deze menselijke koningen moesten opvolgen. Dat vinden we allemaal in Deuteronomium 17.

Ik wil echter eerst een ander schriftgedeelte opslaan, over de gebeurtenis dat de Israëlieten uiteindelijk om een koning vroegen. Ze naderden het einde van de periode der richteren, toen ze tenslotte genoeg kregen van de zonen van Samuël – die waren niet goed. Samuël was prima, maar toen hij verantwoordelijkheden en macht aan zijn zonen gaf, zegt vers 3 van 1 Samuël 8:

1 Samuël 8:3 Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht.

Daarom gooiden de oudsten hun handen in de lucht en zeiden: "We hebben een koning nodig."

1 Samuël 8:4-8 Daarom kwamen alle oudsten van Israël bijeen; zij gingen naar Samuël in Rama 5 en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. 6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuël, en hij bad tot de HERE. [Hij deed wat juist was.] 7 De HERE zeide tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. 8 Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zó doen zij nu ook tegen u.

God zegt: "Samuël, jongen, Ik heb dit al jaren meegemaakt. Dit verbaast Mij in het geheel niet! Nu moet ook jij daar iets van meemaken!"

1 Samuël 8:9 Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zal.

Bedenk dat 1 Samuël 8 plaatsvond jaren nadat Hij de instructie in Deuteronomium 17 had gegeven. Hoofdstuk 8 vond ruwweg omstreeks 1000 v.Chr. plaats. God gaf hun het boek Deuteronomium omstreeks 1400 v.Chr. Dit was dus zo'n 400 jaar later.

God gaat hun zeggen wat ze kunnen verwachten. Zelfs al heeft Hij hun reeds gezegd hoe een koning een goede koning zou moeten zijn en wat hij zou moeten doen, gaat Hij hun nu zeggen dat hun koning dit waarschijnlijk niet zal opvolgen.

1 Samuël 8:10-18 En Samuël sprak al de woorden des HEREN tot het volk, dat hem om een koning gevraagd had 11 en hij zeide: Zo zal het optreden zijn van de koning die over u regeren zal: uw zonen zal hij nemen en hen dienst laten doen bij zijn wagens en bij zijn paarden, en zij zullen voor zijn wagen uit lopen; 12 hij zal hen aanstellen als oversten over duizend en oversten over vijftig; zij zullen zijn akkerland ploegen en zijn oogst binnenhalen; zijn wapens en wagentuig zullen zij vervaardigen. 13 Uw dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, kooksters en baksters. 14 Verder zal hij van uw akkers, wijngaarden en olijftuinen de beste nemen en aan zijn dienaren geven; 15 van uw koren en de opbrengst van uw wijngaarden zal hij tienden nemen en aan zijn hovelingen en aan zijn dienaren geven. 16 Uw slaven, slavinnen, de beste van uw jonge mannen, en uw ezels zal hij nemen en gebruiken voor zijn werk. 17 Van uw kleinvee zal hij tienden nemen, en zelf zult gij hem tot slaven zijn. 18 Te dien dage zult gij jammeren over uw koning die gij u gekozen hebt, maar de HERE zal u te dien dage niet antwoorden.

God zegt in feite dat ze zullen krijgen wat hun toekomt!

God gaf hun een goed idee over hoe koningen zich door alle tijden heen hebben gedragen, zowel Israëlitische als heidense koningen: Ze nemen en nemen en nemen, en ze nemen. En wat geven ze? Niet echt veel. De meesten zijn zelfs geen goede bestuurders. Ze nemen alleen maar en het volk wordt uiteindelijk berooid. Hij verzamelt alle rijkdom, alle macht en neemt het beste van alles van het land – van het vee, van de oogsten en van de mannen en vrouwen; en alle anderen moeten tevreden zijn met wat er overblijft. En er blijft dan niet veel over.

Ze hoorden dit allemaal en dan antwoorden ze in vers 19:

1 Samuël 8:19-20 Het volk weigerde echter naar Samuël te luisteren en zij zeiden: Neen, toch moet er een koning over ons zijn; 20 dan zullen ook wij zijn als alle andere volken; onze koning zal ons richten, vóór ons uitrukken en onze oorlogen voeren.

God zei verder: "Goed, als dit is wat jullie willen, dan zullen jullie dat krijgen."

Toen Samuël uiteindelijk Saul zalfde, had hij hem moeten zeggen: "Luister eens, Saul, ik heb hier iets dat je moet doorlezen. Dat is het wetboek." Als ik moet afgaan op hoe het leven van Saul zich ontwikkelde, denk ik niet dat dit ooit is gebeurd.

We weten dat praktisch elke koning zich ontwikkelde zoals Samuël de Israëlieten had geschetst. In feite zijn er maar heel weinig koningen geweest die rechtvaardig waren, en oprecht, vreedzaam, vroom en mild. De meesten waren juist het tegenovergestelde. Ze namen de dingen gewoon, zijn niet rechtvaardig geweest, hongerden naar macht en waren altijd uit op meer rijkdom en geld. Het was allemaal ikke, ikke, ikke.

Juist om deze reden, en we hebben een geschiedenis van enkele duizenden jaren van koningen om dat te bewijzen, hebben de moderne naties stapje voor stapje de macht van die monarchen uitgehold, ze onder de macht van parlementen of andere volksvergaderingen geplaatst. Het volk regeert nu over de koning in plaats van andersom. Hoeveel macht koningen achter de schermen zouden kunnen hebben, is omstreden. Dat weten we niet, maar in het algemeen wordt hun macht legaal en constitutioneel gecontroleerd door het volk.

Het volgende gedeelte heeft in de New King James Version de titel "Principes waar koningen zich aan dienen te houden". Dit gedeelte is heel instructief, niet alleen voor hen, maar veel meer voor ons tijdens onze voorbereiding op het koningschap.

Deuteronomium 17:14-20 Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HERE, uw God, u geven zal, dit in bezit genomen hebt en daarin woont, en gij dan zoudt zeggen: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben, 15 dan zult gij over u de koning aanstellen, die de HERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen; geen buitenlander, die uw broeder niet is, zult gij over u mogen aanstellen. 16 Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de HERE heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren. 17 Ook zal hij zich niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afwijke; ook zal hij zich niet te veel zilver en goud vergaren. 18 Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. [Uit de Statenvertaling kunnen we opmaken dat hij deze kopie zelf moest maken!] 19 Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden, 20 opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van Israël.

Valt het u op dat er hier heel veel overeenkomst is met het Loofhuttenfeest, omdat we het hebben over het Koninkrijk van God? We hebben het over koningen en we hebben het over het leren vrezen van de Heer. Ons wordt specifiek gezegd dat als we naar het Loofhuttenfeest optrekken, dat we dat doen om de Heer te leren vrezen.

Deze principes hangen allemaal met elkaar samen.

De instructies die in Deuteronomium 17 gegeven worden, zijn vastgelegd in en vertaald uit een archaïsch idioom. Ze komen voor in een context gebaseerd op omstandigheden uit de oudheid. Deze werden gegeven in het Bronzen en IJzeren Tijdperk. Deze instructies noemen het houden van veel paarden, vrouwen, zilver en goud en het maken van een afschrift van de wet.

We moeten deze dingen echter geestelijk in beschouwing nemen. We kunnen geestelijke lessen en principes ontlenen aan de fysieke instructies en het fysieke instituut van de monarchie, zoals God die instelde om in Israël te worden toegepast.

Dit is een van de weinige plaatsen waar instructies staan voor koningen, in het bijzonder in een vorm als hier het geval is.

Ik heb vandaag vijf punten van instructie die God aan de koningen gaf en waar we vandaag op een geestelijke manier naar gaan kijken.

1) De koning moet een Israëliet zijn die door God wordt uitgekozen.

Dit duidt op onze roeping en verkiezing uit genade. We zijn ons ervan bewust dat we specifiek door God zijn uitgekozen, zoals er in Johannes 6:44 staat. Hij koos ons en heeft ons tot Jezus Christus getrokken. Hij overzag de gehele mensheid en koos ons uit. Daarna bracht Hij ons allemaal samen in één lichaam en stelde ons op een dieet, zodat we zouden leren hoe Zijn kinderen te zijn en hoe met Christus koning te worden.

Hij zei dat de koningen Israëlieten moesten zijn. Dat is iemand die geestelijk zaad van Abraham is en in wie de Geest van God woont.

We zullen enkele schriftgedeelten doornemen om dat in het Nieuwe Testament te zien.

Romeinen 2:28-29 Want niet híj is een Jood [Israëliet], die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, 29 maar híj is een Jood [Israëliet], die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.

We moeten Israëlieten zijn – innerlijk, in wie de Geest van God aanwezig is, die aan het hart besneden zijn.

Galaten 3:7-9 Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. 8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. 9 Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.

Bedenk dat ik zei dat we allemaal zonen van Abraham moeten zijn. We zien dat (in mijn Bijbel) ook op de volgende bladzijde:

Galaten 3:26-29 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Galaten 4:6-7 En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. 7 Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.

Galaten 6:16 En allen, die zich naar die regel zullen richten – vrede en barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël Gods.

Als we eenmaal tot de kerk van God geroepen zijn, gedoopt zijn en Gods Heilige Geest ontvangen hebben, zijn we geestelijke Israëlieten – het Israël van God – de mede-erfgenamen van Christus voor wat betreft de beloften aan Abraham.

Als we allemaal in de kerk van God zijn gebracht, zijn we allemaal aan elkaar gelijk gemaakt. We zijn allemaal nakomelingen van één bloed, van één geest. We zijn nu Israëlieten en in dat opzicht gekwalificeerd tot heerschappij. We behoren allemaal tot één lichaam.

Als geroepen en uitgekozen leden van de kerk van God hebben we allemaal deze stap achter de rug. Desondanks is het een essentiële stap. Er kunnen geen vreemdelingen over ons regeren. Er kan niet iemand boven ons staan die niet net zo is als wij.

Het principe is dat de regeerder van dezelfde soort moet zijn als degenen waarover hij regeert. De koning moet vertrouwd zijn met het geloof, de wetten, gewoonten en tradities, en deze navolgen; zelfs dezelfde verwachtingen hebben als het volk waarover hij regeert. Hij moet hen kennen. Hij moet hun geschiedenis kennen. Hij moet weten hoe zij werken, wat hun sterke kanten zijn, wat hun zwakke kanten zijn. Hij moet weten waar zij op hopen. In feite moet hij een van hen zijn om een effectief bestuurder te kunnen zijn.

Een vreemdeling die van buiten komt om over hen te regeren, zou veranderingen aanbrengen in de manier waarop de dingen normaal worden gedaan. Als die normale manier slecht zou zijn, dan zou dat misschien iets goeds zijn. Door de tijd heen zou een vreemdeling echter de dingen zover willen veranderen dat het volk zich niet langer vertrouwd met het land zou voelen.

Ik ben diverse keren voor een bezoek aan de leden van de kerk in Zuid-Afrika geweest. Ik heb het verschil gezien in de loop van de tijd dat het ANC in dat land aan de macht is gekomen. Het ANC en het volk daarin zijn niet hetzelfde als het Israëlitische volk dat Zuid-Afrika voordien bestuurde. En het land verandert. De Israëlitische mensen die dat land voordien bestuurden, deden dat heel anders – meer welvarend, meer Israëlitisch – dan het nu wordt bestuurd.

De heer Gert de Jager, daar in Zuid-Afrika, probeerde me dit tijdens mijn laatste bezoek uit te leggen. Hij vertelde me over het verschil in denken tussen de twee volken. Eigenlijk werkt de huidige Zuid-Afrikaanse regering op basis van het principe van de sterke man: "Als je sterk bent en de macht hebt, kun je regeren zoals je wilt." Hij zei dat bepaalde wetten hen in toom houden, maar de basis van alles is in essentie het idee van "de sterke man".

Daarom geven ze functies en wat al niet meer aan hun makkers en doen van alles waarmee ze onder dit systeem ongestraft kunnen wegkomen, omdat zij de sterke man zijn.

Israëlieten hebben niet de neiging op die manier te handelen. Israëlieten neigen meer tot democratie, republieken – het volk kiest de mensen die over hen regeren. Het is gewoon een andere vorm van benadering, maar het is er één die door Jezus Christus wordt herkend – dat er een verschil is.

In Zuid-Afrika hebben we een voorbeeld dat wanneer er andere mensen aan de macht komen, in de loop van een aantal jaren de hele natie verandert.

Het volk moet ook de heerser vertrouwen. Daarnaast is het minder waarschijnlijk dat ze een vreemde heerser zullen vertrouwen – zelfs een vreemd iemand die de beste bedoelingen heeft. Er moet een wederzijds vertrouwen zijn – van de heerser in het volk en van het volk in de heerser.

Het is net als in een huwelijk. Wij kennen het gezegde dat uitersten elkaar aantrekken. De beste en sterkste huwelijken zijn echter die waarin de man en de vrouw het meest met elkaar gemeenschappelijk hebben.

God zegt ons door heel Zijn woord dat Hij compatibiliteit wil – eenheid, overeenkomst. Hij wil geen gedwongen multiculturele samenleving. Hij wil geen "door elkaar gehutselde salade". Hij wil een smeltpot, omdat die andere methoden de neiging hebben verdeeldheid te veroorzaken in plaats van een volk te verenigen.

Christus is het beste voorbeeld van heerschappij die werkt, en die brengt eenheid tot stand.

Filippenzen 2:1-4 Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, 2 maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, 3 zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, 4 maar ieder (lette) ook op dat van anderen.

Daarna gaat hij verder om het voorbeeld van Jezus Christus op te hemelen. Hij was één van denken met God en handelde in nederigheid om de gehele mensheid tot eenheid met Hem en met de Vader te brengen. Daar ging zijn gebed in de hof van Getsemane over. Hij bad dat wij één zouden zijn met Hem, evenals Hij één was met de Vader. Hij werkt naar eenheid toe. Zijn doel is eenheid, niet alleen maar onder ons in de kerk van God, maar uiteindelijk onder de gehele mensheid; de gehele mensheid verenigd met God.

De heersers in het Koninkrijk van God zullen deze eenheid met God en met hen die zij zullen leiden, weerspiegelen. Zij moeten Israëlieten zijn – het Israël van God.

De les van dit eerste punt is dus dat de leider op zijn volgelingen moet lijken om effectief te kunnen zijn.

Bedenk dat ik zei dat Jezus Christus het beste voorbeeld is.

Hebreeën 2:17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.

We zouden hetzelfde kunnen zeggen in termen van Zijn koningschap. Hij moest gelijk worden aan Zijn broederen, opdat Hij een rechtvaardig en barmhartig Koning over de gehele aarde zou kunnen zijn.

2) Houd niet veel paarden.

Deuteronomium 17:16 Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de HERE heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren.

Misschien klinkt dit in deze tijd wat vreemd in onze oren, maar dit zegt dat paarden middelen tot oorlogvoering symboliseren – wapentuig, ander oorlogsmateriaal en legers. Bedenk dat Samuël zei dat de koning die over hen zou regeren hun zonen zou nemen om voor zijn wagens uit te lopen en dienst te doen bij zijn paarden.

God waarschuwde hen daarvoor. Hij heeft in feite gezegd: "Jullie moeten geen legers opbouwen om een militair machtige natie te worden." Hij had er geen bezwaar tegen dat ze een leger hadden. Dat was in orde. Waar het hier om gaat is dat ze dat leger niet groter en groter moesten gaan maken, waardoor ze uiteindelijk de militair machtigste natie in de omgeving zouden worden.

Waarom? Het antwoord staat in het vers. Omdat dat zelfs een godvrezende koning naar "Egypte" terug kan voeren – terug naar deze wereld en weg van God.

Als u daar bewijs van wilt hebben, lees dan 2 Samuël 24. Dit was een van de grote zonden van koning David. Hij liet een volkstelling uitvoeren, zodat hij er een idee van kreeg hoe groot zijn legers konden zijn, omdat de macht hem naar het hoofd was gestegen – hij wilde het koninkrijk uitbreiden. Als God niet tussenbeide was gekomen en hem en het volk had gestraft, dan was hij daar waarschijnlijk mee doorgegaan.

In plaats daarvan moest hij op de knieën worden gebracht, omdat hij aan dit gebod ongehoorzaam was geweest, dat een koning niet veel paarden – oorlogsmaterieel – moest houden

Het is een werelds streven om steeds meer macht in handen te krijgen. Om dat te doen zou een heerser naast het steeds verder op- en uitbouwen van zijn legers, militaire allianties moeten aangaan met andere naties. Het is niet goed militaire allianties met andere naties aan te gaan. Zoals we uit de serie over "Het gevecht van de christen" hebben geleerd, kunnen wij onze eigen strijd met Gods hulp strijden. We moeten onze eigen strijd strijden, omdat als we die niet zelf strijden, we er niets uit zullen leren. We zullen niet overwinnen. God helpt ons echter om het te doen.

In onze voorbereiding tot heerschappij onder Christus moeten we dus voorzichtig zijn – alle aspecten in overweging nemen – waar we hulp zullen zoeken als we een probleem het hoofd moeten bieden. Kijken we, zoals Psalm 121 zegt, naar de bergen vanwaar onze Hulp komt? Stellen we ons vertrouwen in vorsten – machtige, invloedrijke mensen – om ons te helpen onze problemen op te lossen? Proberen we onze problemen met geld op te lossen? Stellen we ons vertrouwen in de dokter, de advocaat of politici om onze problemen op te lossen? Vertrouwen we op onze eigen kennis en bekwaamheden, en denken we dat we alles hebben om alles wat op ons pad komt te overwinnen? Vertrouwen we op gewoonten en tradities zoals "dit is de manier waarop het hier altijd is gedaan"?

Zijn dit enkele van de manieren waarop wij onze problemen oplossen?

Dan zijn er ook nog mensen die op niemand anders vertrouwen, die op de een of andere manier zelf macht proberen te verwerven. Dat is de manier waarop ze hun problemen gaan oplossen! Ze worden financieel machtig, of ze worden politiek machtig, of ze worden sociaal machtig, zodat ze op de een of andere manier hun moeilijkheden kunnen afwenden.

Het is inderdaad niet noodzakelijkerwijze verkeerd om onszelf sterk te maken en ons voor te bereiden op de tijden die komen gaan – om zo te zeggen "hooien als de zon schijnt". Deze toepassing kan verkeerd uitwerken als het ons doel is absoluut op eigen kracht te gaan vertrouwen. Ik zeg dit tot u allemaal, omdat de meesten van ons Amerikanen zijn en vertrouwen op eigen kracht voor ons een erezaak is. We geloven in "niet bij de pakken gaan neerzitten; het allemaal zelf doen; niemand hoeft ons te helpen; ik heb het allemaal in de hand; ik kan alles". We moeten hier voorzichtig mee zijn, omdat dit tot een geweldige bron van trots kan uitgroeien – "hybris" [overmoed] zoals mijn vader het noemde. We kunnen denken dat we alles aankunnen, zolang we maar voldoende tijd en energie hebben en de middelen om het te doen. "Ik heb totaal geen hulp nodig."

We gaan een Psalm van David lezen die in 2 Samuël is opgetekend. Denk eens aan de mens David, de koning, die behoort tot een handjevol mensen in de gehele geschiedenis van de wereld die misschien alles aankonden – hij voerde gevechten met reuzen; kon omgaan met geld; was literair en muzikaal zeer begaafd; had charisma; zag er goed uit.

Uiteindelijk vertrouwde hij niet op zichzelf om de dingen gedaan te krijgen. Hij probeerde keer op keer de dingen op zijn eigen manier te doen, maar tegen de tijd dat we in 2 Samuël 22 aankomen, tegen het einde van zijn leven, begon hij enkele van de lessen die hij had geleerd, op te schrijven.

2 Samuël 22:31-35 Gods weg is volmaakt; des HEREN woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. 32 Want wie is God behalve de HERE, wie is een rots buiten onze God? 33 Die God, die mijn sterke veste is en mijn weg effen maakt; 34 die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; 35 die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen.

Is dat niet interessant? Hij vertrouwde niet op zichzelf voor de bekwaamheid oorlog te voeren, en hij was een geweldig krijgsman. Hij stond God toe hem in dat opzicht te instrueren.

2 Samuël 22:36-51 Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, door mij te verhoren hebt Gij mij groot gemaakt. 37 Gij hebt mij ruimte gegeven voor mijn schreden, en mijn enkels wankelden niet. 38 Ik vervolgde mijn vijanden om hen te verdelgen, en liet niet af, eer ik hen had vernietigd; 39 ik vernietigde en verpletterde hen, zodat zij niet weer opstonden, en zij vielen onder mijn voeten. 40 Gij hebt mij aangegord met kracht tot de strijd, Gij deedt onder mij bukken wie tegen mij opstonden; 41 Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren, en mijn haters verdelgde ik. 42 Zij riepen om hulp, maar niemand redde, tot de HERE, maar Hij antwoordde hun niet; 43 toen vermaalde ik hen als stof der aarde; ik vertrad en vertrapte hen als slijk der straten. 44 Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van mijn volk, Gij hebt mij bewaard om hoofd te zijn der natiën; volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar. 45 Vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij; nauwelijks hadden zij van mij gehoord, of zij gehoorzaamden mij. 46 Vreemden verloren hun kracht en verlieten bevend hun burchten. 47 De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils, 48 de God, die mij wraak heeft verleend, die volken aan mij onderworpen heeft 49 en mij van mijn vijanden heeft bevrijd. Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden, Gij hebt mij gered van de geweldenaar. 50 Daarom loof ik U, o HERE, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen. 51 Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.

Tegen het einde van zijn leven had David het dus doorgekregen! Zelfs al was hij een krijgsman geweest, zelfs al was hij in zijn leven met heel wat buitengewone vijanden geconfronteerd geweest, hij kreeg het door dat God hem al die overwinningen had gegeven en hem gemaakt had tot wat hij was. En zelfs al had hij grote talenten, grote kracht en groot charisma, al die gaven kwamen van God.

Het waren niet zijn grote legers. Hij hoefde niet veel paarden te hebben. Hij hoefde geen allianties aan te gaan. God was sterk genoeg en Hij gaf David de overwinning.

Spreuken 21:31 Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, maar de zege is van de HERE.

Hoe sterk iemand zijn leger ook met paarden en wagens zou willen maken, doet er niet toe. God geeft de overwinning.

Dat wordt de koning verondersteld te leren. De les is dan: "Wees niet begerig naar macht of sterkte, maar leer op God te vertrouwen voor de overwinning."

3) Neem niet veel vrouwen.

Deuteronomium 17:17a Ook zal hij zich niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afwijke; …

Sommige van de vrouwen hier denken waarschijnlijk: "Waarom ter wereld zouden ze dat willen doen?"

Daar is natuurlijk meer aan verbonden. Dit komt sterk overeen met het houden van veel paarden. Deze situatie van veel vrouwen heeft betrekking op het verweven raken met andere landen – het voor hulp uitkijken naar anderen in vertrouwen op de overwinning.

In oude tijden gebruikten koningen het huwelijk als een manier om allianties met andere naties tot stand te brengen. God zegt: "Doe dat niet! Dat zou een groot probleem worden! U zult zich van Mij afwenden!" Hij zal zich tot zijn vrouw wenden en zijn hart zal zich wenden tot afgodendienst.

Dit gebeurde in het bijzonder met Davids zoon Salomo.

1 Koningen 11:1-13 Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische, 2 behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan. 3 En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart. 4 Het geschiedde namelijk, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de HERE, zijn God, niet volkomen was toegewijd gelijk dat van zijn vader David. 5 Zo liep Salomo Astarte, de godin der Sidoniërs, achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten, 6 en Salomo deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David. 7 Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kemos, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jeruzalem, en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten. 8 Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten. 9 Derhalve werd de HERE vertoornd op Salomo, omdat zijn hart zich afgewend had van de HERE, de God van Israël, die hem tweemaal verschenen was, 10 en die hem te dezer zake geboden had geen andere goden na te lopen; maar hij had niet in acht genomen wat de HERE geboden had. 11 Toen zeide de HERE tot Salomo: Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven. 12 Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren. 13 Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, één stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb.

We zien dan vanwege Salomo's ontrouw door het toegeven aan en het zich overgeven aan de ideeën van zijn vrouwen over religie – afgodendienst – dat God zijn huis zwaar strafte. Hij nam tien stammen weg van de zoon van Salomo. Tot op de dag van vandaag zijn ze niet teruggegeven.

De waarschuwing die we zonet zagen betreffende veel paarden slaat ook op externe, openbare activiteiten en belangen – oorlog. Deze waarschuwing betreffende veel vrouwen slaat meer op innerlijke en intieme zaken. Deze heeft het over iemands privéleven.

In vers 16 van Deuteronomium 17 ging het over iemands openbare leven en nu in het eerste deel van vers 17 hebben we het over iemands privéleven. Er is niets persoonlijker en intiemer dan het huwelijk, is het niet?

Met andere woorden deze waarschuwing gaat over wat iemand aan zijn of haar boezem koestert – waar zijn of haar hart naar uitgaat.

Waar houdt u van?

Het gehele volgende gedeelte zegt: "Pas op voor overspel!" We weten toch wat geestelijk overspel is? Overspel is de fysieke tegenhanger van afgodendienst.

Spreuken 6:26 Want ter wille van een hoer (vervalt men) tot een schamel stuk brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar leven.

Denk hier nu eens in geestelijk opzicht over na. We hebben het over verval en iemands leven komt in gevaar.

Spreuken 6:27-29 Zal iemand vuur in zijn boezem halen, zonder dat zijn klederen in brand geraken? 28 Of zal iemand op gloeiende kolen lopen, zonder dat zijn voeten verbranden? 29 Aldus hij, die tot de vrouw van zijn naaste komt; niemand die haar aanraakt, gaat vrijuit.

Geestelijk overspel is inderdaad afgodendienst! We kunnen niet flirten met ongoddelijke geloofsopvattingen en praktijken zonder ons te bezeren. Zoiets brengt ons in problemen.

We moeten Gods waarheid accepteren en volgen, de hele waarheid en niets dan de waarheid. Elke vorm van syncretisme – het vermengen van andere religieuze opvattingen met de waarheid – zal ons van God afvoeren. Het doet er niet toe met hoe weinig. Dat zal uiteindelijk op de een of andere manier gevolgen hebben.

Dit is de juiste houding die we moeten hebben.

Psalm 119:34-38 Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden. 35 Doe mij het pad uwer geboden betreden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag. 37 Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien, maak mij levend door uw wegen. 38 Bevestig uw belofte aan uw knecht, die uw vreze toegedaan is.

We moeten met dit soort van oprechte, trouwe toewijding Gods manier van leven aanhangen. We kunnen niet naar een verleidster kijken en God blijven volgen. Het moet het één of het ander zijn, zoals we in 2 Corinthiërs 6 zien. Paulus brengt het op een gedenkwaardige manier onder woorden.

2 Corinthiërs 6:14-15 Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige?

Het antwoord is natuurlijk dat er nooit en te nimmer een overeenkomst kan bestaan tussen deze twee tegengestelde uitersten! Ze staan zo ver uit elkaar dat ze nooit enig contact met elkaar zullen hebben. Gods weg is zoveel hoger dan de weg van een verleidster of afgod, dat het denken van de twee op geen enkele manier contact zal maken. Als we naar een verleidster kijken, of een afgod – afgodische praktijken – zullen we vervallen, zoals de spreuk zegt, tot een schamel stuk brood – voedsel om gegeten te worden – we zullen worden opgegeten.

Schenk aandacht aan deze waarschuwing. Wees trouw aan de Ene, heb de ene God lief en Zijn waarheid en verafschuw de ander. Zoals Jezus zei, moet ons oog goed zijn, moet ons oog zuiver zijn – op één punt gericht. De reden dat Hij wil dat wij ons op één punt richten, is dat we dan vervuld van licht zullen zijn, niet gedeeltelijk duister, maar vol van licht!

De les hier is: "Bemoei je niet met vreemde geloofsopvattingen, omdat dat een valstrik is die je van God zal wegvoeren."

4) Verzamel niet veel zilver en goud.

Deuteronomium 17:17b …; ook zal hij zich niet te veel zilver en goud vergaren.

God beveelt hier dat de toekomstige koning het verzamelen van rijkdom niet zijn enige doel of activiteit in het leven moet maken.

Waarom zou God dat zeggen?

De reden is dat het najagen van rijkdom een afleiding is en een verspilling van tijd. In een land of natie is het een verspilling van de rijkdom van de natie. Het wordt gewoon in één pot verzameld en het volk verarmd.

En natuurlijk kunnen we rijkdom niet met ons meenemen. Dat is een van de dingen die we al vroeg leren. Rijkdom geeft slechts tijdelijke bevrediging. We maken dat elk Loofhuttenfeest mee. Plotseling bulken we van het geld. We hebben een ongelooflijk bedrag aan geld voor die korte tijdsperiode dat we hier zijn. Het gaat allemaal heel snel! Zowel het Feest als ons geld!

Daarnaast staat het onbeheerst najagen van rijkdommen ook bekend als hebzucht. Zelfs Wallstreet zegt dat hebzucht niet goed is. Hebzucht verderft.

Spreuken 15:27 Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen huis; maar wie geschenken haat, zal leven.

Dit is interessant in samenhang met koningen. Als een koning is zoals Midas, en alles wat hij aanraakt in goud verandert, en dat alles is waar hij zich zorgen over maakt, alles waar hij zich mee bezig houdt, alles wat hij wil doen het najagen van dat goud is, dan zal dat – zoals er wordt gezegd – problemen over zijn eigen huis brengen. Dat geld zal hem en zijn familie verderven. En misschien veroorzaakt dat ook wel het einde van zijn dynastie.

1 Timotheüs 6:6-10 Nu brengt inderdaad de godsvrucht grote winst, (indien zij gepaard gaat) met tevredenheid. 7 Want wij hebben niets op de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen. 8 Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn. [Hoeveel Amerikanen zouden tevreden zijn met niet meer dan onderhoud en onderdak?] 9 Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. 10 Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.

Dat zijn vrij krachtige bewoordingen! Het is geen kleinigheid dat God zegt dat toekomstige koningen verre moeten blijven van het verzamelen van rijkdom alleen maar om de rijkdom zelf.

De Bijbel is consequent met zijn veroordeling van hebzucht. Hij veroordeelt rijkdom niet. We hebben gezien dat Abraham, Isaak, Jakob, David en vele anderen rijke mensen waren. God werkte met hen, ook al waren ze rijk. Zij zullen in het Koninkrijk van God zijn.

Desondanks veroordeelt de Bijbel het immorele, geobsedeerde najagen van winst, omdat dat het enige punt is waar hun leven dan om draait. De Bijbel waarschuwt ons dat dit najagen van winst onnoemelijk verdriet en ontelbare problemen in het leven van mensen heeft veroorzaakt. Het begint in het gezin en het verspreidt zich van daar naar alle kanten.

Wij, als christenen en toekomstige koningen in het Koninkrijk van God, hebben belangrijkere, nuttigere dingen om onze tijd aan te besteden. In het bijzonder het najagen van Gods manier van leven die ons waar geluk en tevredenheid brengt. Zoals Paulus hier zegt: "Godsvrucht gepaard met tevredenheid is grote winst." Dat zouden we moeten najagen!

Wat zei Jezus? Zei Hij: "Zoek eerst Fort Knox en al deze dingen zullen u gegeven worden"? Nee, Hij zei: "Zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en dan zullen [uiteindelijk] al deze dingen [die u werkelijk wilde hebben] u gegeven worden."

Het moet iets extra zijn. Het is een zegen omdat iemand zich richt op de juiste dingen in het leven – het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid. Voor al deze andere dingen zal gezorgd worden. Wij hoeven ons daar geen zorgen over te maken. Zoals we hebben gezien, zal God erin voorzien.

Het is altijd interessant om te zien hoe Jezus naar de dingen kijkt. Het schijnt dat Hij altijd rechtstreeks op de kern van de zaak afgaat.

Mattheüs 6:19-21 Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; 20 maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. 21 Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Als we het zo druk hebben om winst na te jagen, zal ons hart op onze geldkist gericht zijn. Maar als we het druk hebben om het Koninkrijk van God na te jagen, zal ons hart op God gericht zijn. Hij wil dat we dat leren. Fysieke rijkdom bevredigt slechts tijdelijk. Onze geestelijke rijkdom zal echter eeuwigdurende bevrediging geven.

Waar is ons hart op gericht? De les hier is: "Zoek geen rijkdom, maar zoek het Koninkrijk van God."

5) Lees en schrijf de wet.

Deuteronomium 17:18-20 Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. [Zoals eerder gezegd kunnen we uit de Statenvertaling opmaken dat hij deze kopie zelf moest maken!] 19 Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden, 20 opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van Israël.

Het kan zijn dat dit de belangrijkste les van allemaal is. Dat verklaart misschien de plaats die deze les in de lijst inneemt. Het is de les waarmee God u achterlaat. Het is de les waarvan Hij wil dat wij die het meest in gedachten houden.

De fysieke koning van Israël moest de wet met eigen hand uitschrijven op perkament, zodat hij deze in gedachten zou houden.

Als christenen onder het Nieuwe Testament moeten we ze op ons hart schrijven. Sommige mensen zetten de extra stap en schrijven ze uit. Dat is prima. Sommige mensen leren op die manier beter. Maar het belangrijkste is dat we ze op ons hart moeten schrijven.

Jeremia 31:31-33 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. 33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.

We zouden ook Hebreeën 8:10 kunnen opslaan, waar hetzelfde wordt gezegd. God zegt ons: "Bestudeer Mijn woord. Ken het van binnen en buiten. Maak het deel van jezelf – van je gehele wezen."

Deze wet – dit boek – is de basiswet van Gods Koninkrijk. We worden verondersteld deze van binnen en buiten te kennen. Als we moeten regeren, dan moeten we weten wat de regels zijn.

Wat voor scheidsrechter zou iemand zijn als hij het onderscheid niet kende tussen een "worp" en een "slag"? Wat voor soort christelijke koning zouden we zijn als we geen onderscheid konden maken tussen goed en kwaad? Dat is een regeerder. Hij is meestal een rechter, iemand die beslissingen neemt. Hij moet de grenzen kennen. Hij moet om zo te zeggen de regels van het spel kennen, zodat hij zijn volk voor hun bestwil, zo goed als hem mogelijk is, kan regeren.

Maar Gods wet – Zijn instructie die ons continu gegeven is sinds we in de kerk van God zijn gekomen – zou echt een dusdanig integrerend deel van ons moeten uitmaken dat we uiteindelijk zelfs de Bijbel niet meer zouden hoeven op te slaan, omdat de kennis er gewoon is, in ons hart, in ons denken. Die kennis moet gereed staan om ogenblikkelijk te worden gebruikt – in ons denken, op het puntje van onze tong. We moeten zover komen dat rechtvaardige beslissingen onmiddellijk in ons denken opkomen.

Natuurlijk moeten we ook de dingen kunnen doordenken. Sommige dingen zouden echter heel duidelijk moeten zijn, omdat we zo zijn opgegaan in dit boek en de instructie die erin staat, dat we in staat zijn het er gewoon uit te gooien: "dit is juist", of "dit is de manier waarop het moet gebeuren". Er moet een dag komen waarop we de wet niet meer ter hand hoeven te nemen en deze op te slaan, omdat hij in zijn geheel in ons hoofd, in ons denken, zit. Dat zal gebeuren als we zijn veranderd. Ons denken zal uitsluitend volgens die wet verlopen. Zoals de psalmist zegt: "God zal in al onze gedachten zijn."

We zijn nog niet zover. Dit is echter inderdaad de instructie. Lees en schrijf de wet. En natuurlijk, breng hem in praktijk. Dat is misschien wel het belangrijkste punt.

Er zijn heel wat mensen die het grootste deel van de Bijbel kennen, maar ze hebben nooit iets gedaan wat erin gezegd wordt te doen! Velen weten dat het vierde gebod zegt dat we de zevende dag moeten gedenken, maar ze brengen het nooit in praktijk. Ze hebben geen begrip. Ze hebben geen wijs hart laten zien en dat proberen wij met Gods hulp in ons op te bouwen.

We zouden alle principes moeten kennen – allemaal – zodat we rechtvaardig en wijs kunnen oordelen, zodat we beslissingen kunnen nemen die vanwege de juiste redenen het beste zullen zijn voor de meeste mensen. Omdat de wet in ons is, volledig deel van ons uitmaakt, zullen we nederig zijn, en benaderbaar, en eerlijk en rechtvaardig. We zullen als God zijn! Onze onderdanen zullen ons liefhebben omdat ze God in ons zien – we zullen tegen die tijd God zijn!

Hier is de les, de instructie.

2 Timotheüs 2:15 Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.

2 Timotheüs 3:16-17 Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.

Wat denkt u dat we in het Koninkrijk van God zullen gaan doen?

We zullen de "Goede Werken Afdeling" zijn! Daar zullen we geheel op zijn gericht – het doen van goede werken voor de mensen op deze aarde – helpen hen tot behoud te brengen. Maar we moeten de instructie in ons denken paraat hebben om te gebruiken, zodat we als grondig toegeruste christenen, en nu als koningen in het Koninkrijk van God, rechtvaardig kunnen regeren.

We moeten opgaan in ijverige studie en toepassing van het woord der waarheid. De beslissingen die we dagelijks moeten nemen, moeten erdoor worden geleid, omdat – viel u dit hier in 2 Timotheüs 2:15 op? – zoals Paulus tegen Timotheüs zei, God toekijkt. "Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid."

Er is een oordeel. Hoe verschijnen we voor Hem? We staan elke dag voor Hem, niet alleen op de sabbatdiensten, maar ook elke dag. Hij kijkt niet alleen toe, maar Hij zegt dat Hij in ons is. Hij is Zich van ons bewust en voortdurend bij ons en ziet alles wat we doen.

Hoe verschijnen we dus voor Hem – wèl beproefd? Dat wil zeggen, gaat Hij akkoord met onze manier van leven? De beslissingen die wij nemen? De dingen die we tegen andere mensen zeggen?

Aan de andere kant is onze manier van leven beschamend? Schamen we ons over onszelf? Beschamen we Hem? Dat zou nog veel erger zijn, als Hij Zich voor ons zou schamen.

Als enig deel van ons leven op enige manier beschamend is, moeten we in Gods woord gaan zoeken hoe we dat kunnen veranderen en volledige christenen kunnen worden, toegerust om alles op een goddelijke manier te doen.

De les van dit vijfde punt is: "Maak uzelf heel vertrouwd met de wetten van Gods Koninkrijk", zodat u een grondig voorbereide koning zult zijn.

Als we de Bijbel zouden opslaan om naar deze dingen te zoeken, zouden we veel meer principes vinden die betrekking hebben op de voorbereiding tot het koningschap. Hier in Deuteronomium 17 hebben we echter een korte lijst van basishoudingen en -instructies.

Overzicht van de lessen uit Deuteronomium 17 zoals ze betrekking hebben op geestelijke zonen en dochters van God:

Leer effectief leiderschap door één te worden met God en Zijn volk.

Leer op God te vertrouwen in het overwinnen van zonden en zwakheden.

Leer geen vreemde, ongoddelijke geloofsopvattingen en -praktijken.

Leer God en niet iets anders op de eerste plaats te stellen.

Leer de wetten en praktijken van het Koninkrijk van God.

Dit is slechts het begin. We zouden deze lessen "De vijf grote principes die gelden voor koningen" kunnen noemen.

We hopen dat uw voortgezette voorbereidingen op het koningschap veel vrucht zullen dragen!


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)