Een teken aan de wand (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
27 september 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat we het voorbeeld van Abraham en Sara moeten volgen in hun vertrouwen op Gods leiding en leren te vertrouwen op de wijsheid van de almachtige God in plaats van op de wereld. Teneinde strijd te voorkomen liet Abraham zijn vrijpostige neef Lot de eerste keus. Op dezelfde manier spoort de apostel Paulus de nieuwtestamentische kerk aan zich ervan te weerhouden publieke rechtszaken aan te spannen. Abraham en Sara waren bereid verlies te lijden om vrede te bereiken. Betreffende de huidige verstrooiing van de kuddes zij opgemerkt dat elke geest van wedijver de weg is van vijandigheid en strijd. De schapen behoren geen enkel mens of geen enkele groep toe, maar ze behoren Christus toe en zijn door de Vader aan Hem gegeven. Het is Christus' verantwoordelijkheid  en niet die van de dienaren om de schapen in het Koninkrijk van God te brengen. De Church of the Great God ziet de andere splintergroepen als broeders binnen het grotere geheel van de kerk van God en niet als concurrenten. Anders dan bepaalde opvattingen in ons vorige genootschap is iedereen rechtstreeks en individueel verantwoordelijk voor zijn eigen onderwerping aan Gods bestuur. Externe dwang zal geen karakterontwikkeling tot stand brengen en ook geen onderwerping aan God. Door de geschiedenis heen zijn grote gemeentes eerder de uitzondering geweest dan de norm. Het verstrooien van de kudde is een zegen geweest. Het dwong de mensen om individueel de verantwoordelijkheid te nemen om goddelijk karakter te ontwikkelen en te reageren op een rustige, zachte stem in plaats van schaamteloos voor God uit te gaan lopen. De Bijbel staat vol van voorbeelden van grote leiders met overmoed, aanmatiging of trots die voor God gingen uitlopen (Satan, Abraham, Sara, Korach en Josia) en daardoor onherstelbare consequenties voor hun nakomelingen veroorzaakten. Het tegengif voor aanmatiging bestaat onder andere uit wachten op de Heer, Gods leiding volgen en het weerstaan van elke impuls om voor God uit te gaan lopen.


Gisteravond zagen we dat God beveelt dat we menselijk gezien naar het voorbeeld van Abraham en Sara moeten kijken, het voorbeeld van het leiden van een leven uit geloof, en dat we hun voorbeeld moeten navolgen. Hebreeën 11 laat zien dat Abraham God geloofde, Hem vreesde en ervoor koos de visie te volgen die hem gegeven was om hem in de keuzes van zijn leven te leiden. Hij deed dit in die mate dat hij nooit een stuk grond als zijn eigendom verwierf, behalve een begraafplaats, en dat hij nooit een permanent huis bouwde, en dat hij honderd jaar lang als een vreemdeling die niet meer deed dan doortrekken, leefde met het oog gericht op de toekomst.

Door die visie en het gevoel van verantwoordelijkheid jegens God die hij geloofde en die hij vreesde, werden zijn keuzes bepaald. Gemeente, dit is wat de Church of the Great God probeert te doen in deze periode van verstrooiing van de kerk. We zullen in deze preek op dit thema verder borduren.

Er kwamen problemen voor in Abrahams leven en er is één probleem in het bijzonder dat waard is nader bekeken te worden in deze tijd van verstrooiing en onderlinge verdeeldheid tussen de groepen in Gods kerk.

Genesis 13:1-4 En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem. 2 Abram nu was zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud. 3 En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had [dat wil zeggen toen hij voor het eerst in Kanaän kwam], tussen Betel en Ai, 4 naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam des HEREN aan.

Deze verzen benadrukken in dit ene specifieke voorbeeld de manier waarop Abraham en Sara er doelbewust voor kozen zich in hun leven onder Gods leiding te stellen. Ze waren daarin niet perfect, maar ze deden het heel goed. Het helpt te bedenken, dat het in de eerste plaats een hongersnood was die Abraham en Sara naar Egypte voerde. Er is nergens een aanduiding te vinden dat de hongersnood voorbij was, toen ze terugkeerden. Er is ook geen enkele aanduiding dat ze God zochten voordat ze naar Egypte trokken om aan de honger te ontkomen.

Ze keerden diepgaand gelouterd, zwaar in verlegenheid gebracht, terug door die vreselijke confrontatie waarin Abraham een halve waarheid vertelde, dat Sara zijn zuster was, dat het Farao vrij stond haar te huwen. Dat was half waar. Ze was zijn halfzuster. Maar Farao berispte hem daarover, omdat hij voelde dat hij ertoe werd geleid de zonde van overspel te begaan. Hij wist van de wet van God en hij was in feite buitengewoon opgelucht dat God hem liet weten die vrouw niet lastig te vallen.

De les is, dat als men eenmaal onder Gods bestuur staat, men niet in de wereld naar hulp gaat zoeken. Je gaat niet terug naar Egypte. Je gaat niet terug naar Babylon. Je gaat naar God om hulp.

Let erop dat de verzen 3 en 4 laten zien, dat hij deze keer alvorens zich ergens te vestigen, God aanriep.

Genesis 13:5-9 En ook Lot, die met Abram mede ging, had schapen en runderen en tenten. 6 Maar het land liet niet toe, dat zij tezamen bleven wonen, want hun have was talrijk, zodat zij niet tezamen konden wonen. 7 Daardoor ontstond er twist tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee. De Kanaänieten nu en de Perizzieten woonden toen in het land. 8 Dus zeide Abram tot Lot: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn mannen broeders. 9 Ligt het gehele land niet voor u open? Scheid u toch van mij af; hetzij naar links, dan ga ik rechts, hetzij naar rechts, dan ga ik links.

Ik denk dat u de reden kunt gaan zien waarom ik die verzen koos. Er was een conflict tussen de 'broeders'. In dit geval koos Abraham er doelbewust voor Lot de eerste keus te laten inzake de richting waarin hij zou gaan. Laten we het punt van conflict eens in een nieuwtestamentische context bekijken.

1 Corinthiërs 6:7-8 Maar dan is de zaak voor u reeds geheel verloren, dat gij tegen elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen? 8 Maar zelf doet gij onrecht en doet gij te kort, en dat aan broeders.

De New Testament Commentary vertaalt vers 7 als: "Het is reeds een volslagen nederlaag voor u dat u rechtszaken hebt onder elkaar. Waarom laat u zich niet liever onrechtvaardig behandelen? Waarom laat u zich niet liever tekortdoen?" Zij maakten een opmerking dat het woord "tekortdoen" in feite correct vertaald en weergegeven zou kunnen worden als "oplichten". "Waarom laat u zich niet oplichten?"

Vanuit een wereldlijk perspectief zette Paulus alles op zijn kop, toen hij zei dat het winnen van een rechtszaak een nederlaag was voor de Corinthiërs. In plaats van hen te zeggen dat ze voor hun rechten moesten opkomen, berispte hij de Corinthiërs omdat ze medechristenen vernederden door hen voor het gerecht te slepen.

Waarom zegt Paulus dit tegen de Corinthiërs? Zelfs al zou een rechter ten gunste van de klager uitspraak doen, dan heeft de rechtszaak al een nadelige invloed gehad op zowel de beschuldigde als de gehele christelijke gemeenschap. Begrijpt u dat? Als we deel gaan uitmaken van het lichaam van Christus, zijn we deel van dat lichaam en het gehele lichaam wordt beïnvloed door het optreden, het gedrag en de houding van elk lid.

Het kan erop lijken dat de slechte houding of het slechte optreden van één enkel lid het lichaam niet heel erg neerhaalt. Het kan zijn dat de meesten het niet opmerken, maar dit is het woord van God. Hij zegt dat het invloed heeft op het gehele geestelijke organisme, en de kerk demonstreert dus een gebrek aan liefde in een atmosfeer van vijandigheid en is niet in staat een effectief getuige te zijn voor de wereld. Dat is wat God zegt.

De effectiviteit van het geheel wordt proportioneel verminderd door het optreden van de één. De klager moet dus geen enkele lof krijgen dat hij de rechtszaak heeft gewonnen, omdat hij dat doet ten koste van de gehele christelijke gemeente. Paulus' woorden aan het begin van vers 7 zijn dus uniek. Hij zegt niet dat de Corinthiërs rechtszaken hadden tegen elkaar, maar tegen zichzelf. Het lijkt op jezelf slaan met een baseballknuppel, als ik het op die manier mag illustreren. Het is een nederlaag om op die manier met een broeder om te gaan, want de persoon die de beschuldiging uit, evenals de persoon die de oorzaak is van de beschuldiging, worden beiden beschadigd ongeacht of de klager wel of niet wint.

Paulus zegt dat door het aanspannen van rechtszaken voor de wereld de gehele kerk een gedaagde wordt. De gehele gemeenschap wordt beschaamd. En waarom wordt ze beschaamd? Omdat deze manier van handelen geen aandacht schenkt aan God en Zijn soevereiniteit over Zijn schepping en in het bijzonder over Zijn kerk die uit Zijn kinderen bestaat.

Nu weer terug naar Abraham en Sara in Genesis 13. De context laat zien dat ze door een hongersnood werden getroffen en er wordt niets gezegd over enige verlichting van die hongersnood. Maar Abraham en Sara waren bereid verder verlies te lijden omwille van vrede — vrede met een hogere prioriteit, vrede met zijn 'broeder' Lot, die fysiek ook zijn neef was. Vrede met zijn 'broeder' was belangrijker voor Abraham dan welk geldelijk verlies hij ook zou kunnen lijden doordat hij in de overeenkomst aan het kortste eind zou kunnen trekken. Waar denkt u dat Paulus zijn ideeën vandaan haalde die hij in 1 Corinthiërs 6 beschreef? Die ontleende hij aan een illustratie zoals deze in het boek Genesis.

Paulus liet u en mij in feite zien dat Abraham bereid was God over zijn leven te laten heersen en de uitkomst van zijn strijd te bepalen; in die mate dat hij zich vreedzaam aan de kant opstelde. Lot kon zijn gang gaan en Abraham zou nemen wat er over bleef, en als hij daardoor verlies zou lijden, dan leed hij verlies. Ziet u dat Abraham op God vertrouwde om in zijn behoeften te voorzien? Dat is leven uit geloof.

Genesis 13:10-18 Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; voordat de HERE Sodom en Gomorra verwoest had, was zij tot Soar toe als de hof des HEREN, als het land Egypte. 11 Dus koos Lot voor zich de gehele streek van de Jordaan, en Lot brak op naar het oosten; en zij scheidden van elkander. 12 Abram bleef wonen in het land Kanaän en Lot vestigde zich in de steden van de Streek, en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom. 13 De mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover de HERE. 14 En de HERE zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, 15 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. 16 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. 17 Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven. 18 Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre, bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE.

Deze serie verzen laat Lot zien als iemand die leeft bij wat hij ziet. Hij koos voor datgene wat er aan de oppervlakte als een beter gebied uitzag, maar God sprak tot Abraham en bevestigde dat hij had gekozen de juiste koers te volgen en Hij herbevestigde Zijn belofte van een eeuwige erfenis van het land. Het hoofdstuk eindigt dan met de woorden dat Abraham een ander altaar bouwt in het gebied waar hij toen verbleef, waarmee hij zijn voortgaande contact met God tot uitdrukking bracht.

Laten we datgene waar Abraham en Sara doorgingen praktisch maken voor deze tijd, en tegelijkertijd gaan we verder met te laten zien waarom de Church of the Great God doet wat ze doet.

Laten we Johannes 10:14 opslaan. Als u bekend bent met de hoofdstukken en de context ervan, dan weet u dat dit het hoofdstuk is over de goede herder en de schapen.

Johannes 10:14 Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,

Dit eerste punt waar we het nu over hebben, betreft onze relatie en houding jegens andere 'kerk van God' groepen. Met dit eerste punt bedoel ik, dat ik het over twee gebieden zal hebben die laten zien wat de Church of the Great God doet en waarom ze dit doet.

Veronderstel eens dat alle 'kerk van God' groepen die uit de Worldwide Church of God zijn voortgekomen, uitkijken naar de beschikbare weidegebieden. Bent u zich ervan bewust dat er maar een beperkt aantal schapen is? Ik bedoel schapen van Christus — kerkleden. Zoiets is van nature aantrekkelijk voor een dienaar om zich daarmee bezig te gaan houden en er zoveel als maar mogelijk is in zijn schaapskooi bijeen te brengen, en dan daar omheiningen omheen te bouwen zodat ze niet zullen ontsnappen en naar een andere schaapskooi gaan en de schapen van een ander worden.

U zult beslist in staat zijn duidelijk te zien waarom een dienaar zou beweren: De enige ware kerk te zijn ... (Daar hebben we een omheining.) ... Dat er bij hem meer dienaren van hoge rang zijn ... (Daar hebben we een andere omheining.) ... Dat hij de enige is die het evangelie verkondigt ... (Daar hebben we alweer een omheining.) ... Of dat hij een apostel is, of "die Profeet", of Elia, of zegt dat alle anderen Laodiceïsch zijn, en dat hij de enige ware opvolger van Herbert W. Armstrong is, enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Gemeente, als eenmaal de geest van wedijver in beeld komt, komt ook vijandschap in beeld en daarmee verdeeldheid. Kunt u de wijsheid gaan inzien van wat Abraham deed? Hij wilde geen vijandschap met Lot. Hij wilde vrede. Hij wilde geen verdeeldheid. Hij wilde harmonie, en daar hij die verlangens had, vertrouwde hij op God om daarin te voorzien. "Laat Lot hebben wat hij hebben wil. Ik ga niet met mijn 'broeder' vechten. Ik ga niet met hem wedijveren over wat er beschikbaar is in de vorm van weidegebieden." De manier van de wereld is zichzelf op een wedijverende manier te adverteren, maar daar zijn twee belangrijke punten mis mee. De kerk is niet de wereld en wat nog belangrijker is alle schapen behoren toe aan Christus, niet aan de dienaar en niet aan de kerkgroep. Hij zei: "Ik ben de herder van de schapen."

Johannes 17:5-6 En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. 6 Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard.

De schapen behoorden oorspronkelijk toe aan de Vader en daarna gaf de Vader ze aan de Zoon.

Johannes 17:7 Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt,

We hebben een punt waar de dienaren van de verstrooide kerken van God dienen te beginnen, en dat is dat de schapen toebehoren aan Christus. Ze zijn niet het bezit van de dienaren. De dienaren zijn gezonden om de schapen te dienen. De schapen zijn er niet om de dienaar te dienen. Zij helpen hem inderdaad met zijn verantwoordelijkheden, maar de schapen behoren niet de dienaar toe.

De schapen behoren toe aan Christus. Zij werden Hem gegeven door de Vader, en doordat de Vader de schapen gaf aan Christus, werd het Christus' verantwoordelijkheid om de schapen in het Koninkrijk van God te brengen. Dat is nog een belangrijk punt. Het is niet de taak van de dienaar om de schapen in het Koninkrijk van God te brengen. Hij assisteert Christus daar alleen maar bij. Het is Christus' verantwoordelijkheid om de schapen in het Koninkrijk van God te brengen. De dienaar kan niemand behouden en als de dienaar enig karakter heeft, beseft hij dat hij niet kan doen, wat u verondersteld wordt te doen als uw verantwoordelijkheid binnen het lichaam. De dienaar heeft zijn verantwoordelijkheid en die bestaat eruit Christus te dienen in het dienen van de schapen.

Laten we nu in gedachten teruggaan naar Lot. Was Christus in staat Lot te redden zelfs toen hij een slecht besluit nam en ging wonen en werken in een gebied waar hij zover mogelijk vandaan had moeten blijven? Hij deed een domme keus en toch was God nog in staat hem te redden. Zegt ons dat niet iets?

De dienaar heeft geen toestemming van God zijn verantwoordelijkheid te overdrijven. Hij is geroepen om te helpen de weg te wijzen en veel verder gaat die verantwoordelijkheid niet. Is er een gebrek aan geloof binnen het grotere geheel van de kerk van God — een gebrek dat zo groot is dat dienaren wedijveren om de beschikbare schapen, omdat zij menen dat hun collega-dienaren in feite min of meer vijanden zijn? Het kan zijn dat ik cru ben, maar dat is precies zoals de zaken ervoor staan.

Gemeente, de Church of the Great God geeft niet af op andere groepen. Wij verbieden niet de diensten van andere groepen bij te wonen en een vrij groot aantal van ons neemt deel aan de Feesten van andere groepen. Waarom staan we deze dingen toe? Omdat wij door geloof die andere groepen als onze broeders en zusters zien, en wij zijn niet in competitie met hen.

Ik moet toegeven dat ik me over enkele van deze dingen zorgen maak, omdat ook ik moet leren op Christus te vertrouwen, en ik maak me zorgen omdat ik denk dat we heel wat hebben te bieden. Ik maak me zorgen dat deze mensen op de lange termijn zichzelf schade toebrengen door min of meer alle kanten uit te vliegen alsof ze geen thuis hebben. Maar gemeente, de werkelijkheid is dat het hun leven is, en zij hebben het recht te kiezen. Christus weet wat ze doen en Hij weet heel wat beter dan ik hoe daarmee om te gaan en wat eraan te doen.

Er is nog een tweede gebied waarop we God moeten vertrouwen en dat heeft vandoen met kerkbestuur.

Johannes 14:15 Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren.

Na de dood van Herbert Armstrong in 1986 werden Evelyn en ik ons vrij snel bewust dat de Worldwide Church of God geestelijk achteruitging. We verlieten haar echter niet voor 1992 en toen we weggingen, gingen we niet weg om een andere kerkorganisatie te beginnen. We hadden absoluut geen anderen uitgezocht om zoiets te doen. We hadden inderdaad met anderen gesprekken gehad over wat er gaande was. We praatten heel wat met John en Dolores Reid, maar we maakten totaal geen plannen om iets meer te doen dan gewoon weg te gaan en een baan te zoeken in de wereld, terwijl we tezelfdertijd persoonlijk zouden blijven onderhouden wat we onder Herbert Armstrong hadden geleerd.

In de tijd dat we in de Worldwide Church of God waren, heb ik — naar ik meen — heel wat geleerd over de manier waarop ze werd bestuurd, en er waren enkele dingen waar ik het niet mee eens was. Mijn verschil in opvatting betrof niet de hiërarchieke vorm, omdat ik geloof dat de Bijbel laat zien dat dat het juiste patroon is. Het probleem scheen te liggen in het beleid en in sommige gevallen de houding waarvan blijk werd gegeven. Het is misschien nooit de bedoeling geweest op die manier te werken, maar ik was van mening dat de vrucht die dat systeem voortbracht, me liet zien dat het niet geheel uit God voortkwam.

Kort na het begin van de Church of the Great God gaf ik als een der eerste series preken een serie over bestuur. De serie sloot af met een preek die ik de titel "Zelfbestuur" gaf. Voor mij betekent dit dat elke persoon individueel en persoonlijk rechtstreeks aan God verantwoordelijk is om zijn leven onder controle te houden en te sturen, zodat zijn relatie met God zich tot het hoogste niveau zal ontwikkelen.

Het praktische effect hiervan is dat geen enkele hoeveelheid dwang van de dienaar of van de kerk in het algemeen de juiste vruchten zal voortbrengen. De dwang kan inderdaad onderwerping voortbrengen, maar vergeet nooit het spreekwoord: "Hij die tegen zijn wil is overtuigd, is desondanks niet overtuigd." Geloof en karakter moeten van binnen komen en als het er niet is, kan het niet tot uitdrukking worden gebracht.

Geloof en karakter bestaan in iemand in de mate van de kwaliteit van de relatie met Christus, niet met de dienaar of de gemeente. Het individu moet de visie hebben, het geloof en de liefde voor God om hem aan te zetten tot gebed, studie, meditatie, zelfopoffering, zelfbeheersing, volharding en overwinnen in het zoeken van God. Gemeente, er bestaat niet zoiets als groepsbehoud, en evenals we individueel worden geroepen, worden we individueel behouden.

Ik kwam er dus toe te gaan geloven dat de verstrooiing niet alleen een straf was, niet alleen een correctie van de koers die werd gevolgd (omdat de kerk duidelijk de verkeerde kant uitging, zowel in houding als in leerstellingen), maar dat het verstrooid worden God een manier verschafte om met mensen te werken zonder de invloed van een grote groep mensen in een vriendelijke, sociale atmosfeer. Als die vriendelijke, sociale atmosfeer bestaat zonder karakter, wordt het ontzettend moeilijk om weerstand te bieden aan het bijwonen van diensten, omdat dat de plaats is waar uw vrienden zijn.

Als het karakter en de discipline en alles op zijn plaats is, dan zijn vriendelijke mensen werkelijk geweldig, maar we moeten altijd op onze hoede zijn dat we niet naar de diensten gaan omdat daar een fijne groep mensen is. Dat is niet de reden om te gaan. Het helpt, maar het is niet de reden. De verstrooiing plaatste hen die trouw bleven, in een geestelijke omgeving waarin iedereen feitelijk op zichzelf staat.

Jullie kwamen van alle kanten uit de Verenigde Staten en in de meeste gevallen is er geen Church of the Great God in de buurt van u. U staat op uzelf. Het kan zijn dat er een ander gezin in de buurt woont, en dat is fijn, we verheugen ons daarin, maar er zijn weinig Louisburgs te vinden, waar ongeveer 30 mensen bijeenkomen. Er zijn bijna geen Fort Mills waar ongeveer 70 tot 75 mensen bijeenkomen.

Weet u dat we in Anaheim begonnen met ongeveer 60 mensen? Nu zijn er daar nog maar 9 of 10 over — negen of tien trouwe mensen. Maar het lijkt erop alsof ze één voor één door de wereld eruit werden gepikt, en de meeste van deze mensen zijn in termen van de kerk van God nergens meer te vinden.

Eens verloren we in één keer 50 mensen, zo maar. Die 50 mensen kwamen bijeen en hielden het Loofhuttenfeest met elkaar in Oregon. Zij hadden een reden. Dat was de kalender. Het volgende jaar probeerden ze weer samen te komen. Weet u wat er gebeurde? Ze hadden drie begindata nodig voor het Loofhuttenfeest, omdat ze het er niet over eens konden worden welke kalender ze zouden gebruiken en ze vielen dus in drie groepen uiteen. Voor zover ik weet is er van hen nog slechts één gezin overgebleven dat contacten met de kerk van God onderhoudt.

Gemeente, God heeft ons in de meeste gevallen in posities geplaatst waar het gaat om 'Hem en ons', of waar het gaat om 'Hem en ons gezin', en dat is het dan. Ik zou zeggen dat één van Zijn doeleinden hiermee is, er zeker van te worden dat u Hem liefhebt. Jezus zei: "Wanneer u MIJ liefhebt, zult u Mijn geboden onderhouden." Gisteravond zagen we dat God tegen Abraham zei: "Nu weet Ik dat u Mij vreest." Het gaat om de relatie en als God daar de zegen aan toevoegt dat er anderen met dezelfde geest in uw nabijheid zijn, dan is dat fantastisch! Op lange termijn gaat het echter om de relatie met Hem, en dat zal ons behoud zijn, omdat Hij in reactie daarop jegens ons zal reageren.

Laten we even denken aan Abraham en Sara. In wat voor gemeente kwamen zij bij elkaar? In geen enkele! Zij hadden geen kerk om hen te steunen. Daarna kwamen Isaak en Rebekka, en daarna Jakob en Esau, en natuurlijk hun vrouwen. Esau ging zijn eigen weg. Hun omgang beperkte zich tot hun gezin. Er was geen kerk om hen te helpen met het in stand houden van hun relatie met God.

Denk eens aan de kerk uit de eerste eeuw. Ik weet niet of u enig onderzoek hebt gedaan naar zaken uit die tijdsperiode. Die gemeenten — Corinthe, Galatië en Filippi — waren kleine gemeenten. Ik heb gissingen gezien dat ze slechts uit een of twee dozijn personen bestonden. Ze hadden niet de beschikking over het internet. Ze hadden geen telefoon. Ze hadden geen radio. Ze hadden geen televisie. Ze hadden geen elektronische hulpmiddelen. Waarschijnlijk was de grootste gemeente die in Jeruzalem.

Begrijpt u dat door de eeuwen heen de toestand waarin de kerk van God zich bevond en waarin ze zich nu bevindt, de normale toestand van de kerk is geweest? De Worldwide Church of God was de uitzondering, daarin waren tienduizenden mensen zo'n 40 of 50 jaar tenminste verenigd in één lichaam. Gemeente, de kerk is altijd verstrooid geweest.

Dit is enigszins een schok voor ons geweest en het is moeilijk geweest om ons aan de verstrooide conditie aan te passen, omdat we eerst het ijs kregen, waarna de erwten en de broccoli op tafel kwamen. Hier zijn we dus nu en we eten broccoli. Dat is een gezond dieet. We zijn naar alle kanten verstrooid en we moeten daar mee omgaan.

Alstublieft gemeente, ik hoop dat u zult begrijpen dat deze verstrooiing een zegen is. Alles wat God doet is erop gericht Zijn kinderen te zegenen. Er kan inderdaad een correctie bij betrokken zijn, maar de zegen zal zijn — als we deze op de juiste manier gebruiken — dat onze relatie met God heel wat meer zal verbeteren dan ooit mogelijk zou zijn geweest in een grote gemeente. We zullen weten dat we een relatie met Hem hebben en dat we niet ongemerkt binnen kunnen komen op basis van de rechtvaardigheid van vader of moeder, of wat dan ook. We moeten een relatie met Hem hebben.

De kerk, de omgang met elkaar die daarbinnen plaatsvindt, en de dienaren zijn nog steeds belangrijk voor het proces van behoud, maar het concept van het beheer van de activiteiten van de kerk en de plaats die dat inneemt in het leven van de leden, vereist dat de leden heel wat ruimte moeten krijgen om God te bewijzen dat ze oprecht vanuit zichzelf gemotiveerd zijn.

Dit bestuursbeleid doet de Church of the Great God vrijzinnig overkomen. Maar gemeente, dat is niet het geval. God verlangt nog steeds het onderhouden van Zijn geboden. Als u Hem liefhebt, zult u ze houden, of u nu tot een grote of een kleine gemeente behoort.

Dit bestuursbeleid legt de vereisten om aan Gods verlangens te voldoen op de plaats waar ze behoren: bij het individu. Het dwingt iedereen op subtiele wijze de tijd die hij heeft, te gebruiken om zijn relatie met God uit te bouwen. Ik zeg u, gemeente, u zult nooit eerlijk kunnen zeggen: "Mijn kerk dwong me het te doen", of "Mijn dienaar dwong me het te doen." De motivatie om uw liefde voor God tot uitdrukking te brengen moet vanuit uw eigen hart komen, vanuit uw eigen vertrouwen, dat Hij niet alleen bestaat, maar dat Hij doet wat Hij zegt dat Hij zal doen, en we willen Hem behagen en deel uitmaken van dat werk.

De Bijbel geeft veel duidelijke voorbeelden van mensen — in feite helden deel uitmakend van het bijbelse verhaal — die soms van het pad dat God voor hen uitstippelde, afdwaalden vanwege onwetendheid of karaktergebreken. Zelfs al dwaalden ze af, verhinderde dat God niet om Zich over hen te ontfermen.

1 Koningen 17:1 Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de HERE, de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.

Ik las alleen dat ene vers om de persoonlijkheid te introduceren waar we hier naar gaan kijken.

1 Koningen 18:1-2 Toen er geruime tijd verstreken was, kwam in het derde jaar het woord des HEREN tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik wil regen op de aardbodem geven. 2 En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. De honger nu was sterk in Samaria.

1 Koningen 19:1-4 Toen Achab aan Izebel verhaalde alles wat Elia gedaan had, en hoe hij al de profeten met het zwaard gedood had, 2 zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: Zo mogen de goden doen, ja nog erger, indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken aan de ziel van een hunner. 3 Toen hij dat had vernomen, maakte hij zich gereed en ging weg om zijn leven te redden; en gekomen tot Berseba, dat tot Juda behoort, liet hij zijn knecht daar achter. 4 Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu HERE, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.

Ik wil dat we Gods reactie zien op deze belangrijke bijbelse persoonlijkheid. Elia is een goed voorbeeld om mee te beginnen om de tweede reden uit te leggen waarom de Church of the Great God werkt op de manier waarop ze dat doet, en dit slaat rechtstreeks op mijn aandeel. Er komt zeer zeker geloof bij kijken en er komt ook een belangrijk concept van bestuur bij kijken. Daarnaast komt er een specifiek besef bij kijken van Gods soevereiniteit en daarom slaat het op wat de Church of the Great God doet als werk.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat Elia een vurige ijver bezat in de dienst van God, en binnen de Bijbel wordt hij weergegeven als een model van vurige ijver. Maar we moeten voorzichtig zijn, omdat Jacobus 5:17 [Statenvertaling] van Elia zegt "dat hij een mens was van gelijke bewegingen [gevoelens] als wij". Dat betekent dat hij het hoofd moest bieden aan zijn angsten, perioden van depressie, fysieke beperkingen en een periode van euforie. Hij was menselijk en daarom onderworpen aan menselijke, sterke kanten en zwakheden.

Het wordt duidelijk gesteld, dat al werd hij rechtstreeks door God gezonden en al had hij een vurige ijver voor God, hij niet altijd alles op de juiste manier deed. In feite is iemand met heel sterke gevoelens ook in staat om grote fouten te maken en dat allemaal te doen met het idee dat hij Gods wil uitvoert. Vurige ijver moet op de juiste manier worden gestuurd, want anders kan het resultaat grote verwoesting zijn.

God stelde Elia rechtstreeks aan om Hem voor koning Achab en geheel Israël te vertegenwoordigen. Elia deed dit op spectaculaire wijze binnen het voorval waarin de 450 Baälpriesters met zijn allen tegelijk werden gedood na Elia's honende, spottende uitdaging van hen op de berg Karmel. Kort daarna moest hij, zoals we zojuist in hoofdstuk 19 lazen, voor zijn leven vluchten en raakte hij heel depressief.

God hield Elia tijdens deze confrontatie staande, voornamelijk omdat hij Gods vertegenwoordiger was en de reputatie van Gods naam op het spel stond. Die mensen waren inderdaad slecht, maar dat betekende zeer zeker niet dat Elia Gods volledige bijval had in wat hij deed.

1 Koningen 19:8-18 Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb. 9 Hij kwam daar bij een spelonk, waar hij overnachtte. En zie, het woord des HEREN kwam tot hem en Hij zeide tot hem: Wat doet gij hier, Elia? 10 Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 11 Daarop zeide Hij: Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN. En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de HERE uitging. In de wind was de HERE niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de HERE niet. 12 En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de HERE niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. 13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia? 14 Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 15 Daarop zeide de HERE tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. 17 Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. 18 Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.

Ik weet niet of u het beseft, maar we hebben juist gelezen over Gods correctie op de koers van Elia. Hij berispte Elia op een spectaculaire en toch zachtmoedige manier, waarna Hij hem in principe onthief van de meeste van zijn verantwoordelijkheden en hem door Elisa verving.

God stuurde Elia naar de berg Sinaï waar Hij Mozes Zijn wet had gegeven. Misschien zond Hij hem wel naar dezelfde grot als waarin Mozes stond toen God aan hem voorbijging. Hij gaf toen Elia drie sterke uitingen van Zijn macht, waarvan er twee Zijn aanwezigheid vergezelden toen Hij de wet op de Sinaï gaf. Er was een verschrikkelijke storm, een aardbeving en tenslotte vuur over de gehele berg. Dit vond het een na het ander plaats, blijkbaar met amper een pauze ertussen.

De wind van de storm was zo sterk dat hij rotsen in stukken scheurde, maar in dit geval legt de Bijbel uit dat God daar niet in aanwezig was. De gevolgtrekking was duidelijk voor Elia. God zei Elia: "Ik zou het niet op jouw manier hebben gedaan." (Hij doelde daarmee op al die spectaculaire donder en bliksem die Elia ten uitvoer had gebracht.)

Daarna kwam het vierde fenomeen. Dat was heel rustig. De rustige stem kon niet verkeerd worden begrepen. God was in dat fenomeen. Het was alsof God zei: "Elia, dit is de manier waarop Ik het zou hebben gedaan. Ik zou hen in ieder geval hebben geconfronteerd, maar niet met woest, bloedig, afschuwelijk in verlegenheid brengend geweld. Ik had hun de kans gegeven zich te bekeren en te leven."

De les is duidelijk. God was in Elia's nabijheid toen die spectaculaire demonstraties werden gegeven, maar God verwierp het gebruik ervan. Het was een veroordeling van dat soort hevige, wraakzuchtige, zelfverhogende vurige ijver. God zou in plaats daarvan een kalme benadering hebben gebruikt die zo tegengesteld was aan Elia's harde en strenge natuur. Toen Jezus kwam, gemeente, werd er inderdaad van Hem gezegd: "U zult Zijn stem niet horen roepen in de straten." Met andere woorden Hij zou geen revolutionair zijn die groepen mensen opzweepte, die in het openbaar demonstreerde om de mensen achter Zich te krijgen om de nietsnutten eruit te gooien. In plaats daarvan zei Jezus van Zichzelf dat Hij "zachtmoedig en nederig van hart" was.

In zijn ijver was Elia schuldig aan overdrijving van zijn omstandigheden ten opzichte van zichzelf en zo zouden we kunnen zeggen "dat hij op God ging vooruitlopen". Met andere woorden Elia liet de dingen niet over aan Gods soevereiniteit en wachtte er niet op dat God hem zou leiden. In plaats daarvan nam Elia teveel in eigen hand, waardoor hij deze bloedige, grote verwoesting in Israël teweegbracht.

Een van Elia's rechtvaardigingen die tweemaal werd gegeven, was dat iemand de klus moest klaren. "Ik, alleen ik, ben overgebleven." God veegde dat verkeerde uitgangspunt van tafel toen Hij openbaarde dat Hij nog zevenduizend anderen had die de knie niet voor Baäl hadden gebogen. Elia was niet alleen. Er waren zevenduizend anderen die God had kunnen wijden om de klus te klaren.

Ziet u waar ik op uit ben? Sommige van onze dienaren in de kerk van God hebben een heel vurige ijver, en dat is goed, maar is het mogelijk dat ze met het zichzelf aanstellen tot apostel, of "die profeet", of wat dan ook, op God gaan vooruitlopen en een taak uitvoeren waartoe God hen niet geroepen heeft, of waartoe Hij hen niet heeft aangesteld?

Toen God dit had gedaan, zei Hij Elia naar Damascus te gaan en Hazaël tot koning over Syrië te zalven. Daarna moest hij terugkeren naar Israël en Jehu tot koning over Israël zalven, en tenslotte moest hij naar Elisa gaan en hem zalven om Elia's profetische taak over te nemen. In principe ontsloeg God Elia, maar Hij deed het op een manier waarop Hij Elia liet weten dat al was er een koerscorrectie nodig, hij ondanks Gods berisping niet van Hem afgesneden was.

Elia was niet de enige dienaar van God die op Hem ging vooruitlopen. In feite is dit vrij vaak voorgekomen. Ik zal u een aantal voorbeelden geven. Ik denk dat u de volgorde ervan gemakkelijk kunt volgen. De eerste vinden we in het boek Hebreeën.

Hebreeën 1:13-14 En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten? 14 Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?

Dit patroon van op God vooruitlopen vindt zijn oorsprong hier. Satan was de voorloper, het prototype, van op God vooruit gaan lopen. Hij ging op eigen initiatief verder dan het doel waartoe hij was geschapen en de taak die hem was opgedragen, waarna anderen — éénderde van alle engelen — werden overreed hem te volgen in dezelfde eenheidvernietigende, gewelddadige aanval. Daar begon het allemaal. Hij nam daartoe zelf het initiatief. Hij werd verondersteld een dienende geest te zijn om ons te dienen. In plaats daarvan stelde hij zichzelf aan als onze vijand.

Laten we nu Genesis 16 opslaan. Hier hebben we de vader der gelovigen.

Genesis 16:1-2 Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar. 2 En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de HERE heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai.

Ik denk dat we met dit voorbeeld niet verder hoeven te gaan. U kent het verhaal. Dit was Abrahams en Sara's schijnbaar eenvoudige oplossing voor het probleem dat Sara geen kinderen kon krijgen. Bijna 4000 jaar later weerklinkt dit nog steeds in het leven van de nakomelingen van die zondige manier van meewerken om nageslacht voort te brengen. Ze deden dit op eigen initiatief. Dit was niet door God bepaald. Dus evenals Satan namen Abraham en Sara zelf het initiatief om dit te doen.

Numeri 16:1-2 Korach nu, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, nam met Datan en Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, Rubenieten, (een aantal mannen); 2 en zij stelden zich vóór Mozes met tweehonderd vijftig mannen uit de Israëlieten, hoofden der vergadering, opgeroepenen ter volksvergadering, mannen van naam.

Numeri 16:8-9 Toen zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij Levieten! 9 Is het u te weinig, dat de God van Israël u heeft afgezonderd van de vergadering Israëls om u tot Zich te doen naderen, om de dienst aan de tabernakel des HEREN te verrichten en voor het aangezicht der vergadering te staan om hen te dienen,

Dat was hun aanstelling. U weet wat er gebeurde. Een speciale opmerking bij dit voorval geldt Korach — de man die de leider schijnt te zijn geweest van deze rebellie — en alle andere Levieten die zich bij hem aansloten. Zij waren reeds geëerd met de verantwoordelijkheden van een belangrijke functie voor God, evenals Elia, Abraham en Sara, maar hun ontevredenheid dreef hen ertoe hun eigen richting in te slaan die chaos teweeg zou hebben gebracht binnen het leiderschap van Israël. Om hen tegen te houden en ons nog een getuigenis na te laten van wat dit soort dingen teweegbrengt, liet God de chaos op hun eigen hoofden neerkomen. Zij gingen op God vooruitlopen. Er was nauwelijks iemand in Israël die een hogere verantwoordelijkheid had dan zij.

Het volgende voorbeeld vind ik echt interessant. Er is nauwelijks een meer aansprekende persoon in de gehele Schrift dan koning Josia.

2 Kronieken 34:1-2 Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem. 2 Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.

Het schijnt dat Josia het gehele potentieel had om een tweede David te worden. Hij ontving de juiste leiding toen hij jong was, en hij bracht deze in praktijk in zijn belangrijke taak als koning van Juda. Hij herstelde de eredienst van de ware God tot op een hoogte als lange tijd niet het geval was geweest, zodat het scheen alsof er een gouden toekomst voor de natie in het vooruitzicht lag, maar er was een zwakke plek in Josia's karakter.

2 Kronieken 35:20-24 Nadat Josia dit alles gedaan had om de tempel te herstellen, trok Neko, de koning van Egypte, op, om te strijden bij Karkemis aan de Eufraat; en Josia trok uit, hem tegemoet. 21 Toen zond hij boden tot hem, die zeiden: Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Het gaat thans niet tegen u, maar tegen het huis waarmede ik in oorlog ben, en God heeft gezegd, dat ik mij haasten moest. Staak uw verzet tegen God, die met mij is, opdat Hij u niet verdelge. 22 Doch Josia wendde zich niet van hem af, maar vermomde zich, om tegen hem ten strijde te trekken; hij luisterde niet naar de woorden van Neko, die uit de mond Gods kwamen, en bond de strijd aan in de vlakte van Megiddo. 23 Toen raakten de schutters koning Josia; en de koning zeide tot zijn dienaren: Brengt mij weg, want ik ben zwaar gewond. 24 En zijn dienaren haalden hem uit de strijdwagen, vervoerden hem op zijn tweede wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Toen stierf hij en werd bijgezet in de graven zijner vaderen, en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.

Gemeente, het lijkt erop alsof Josia naast zijn schoenen ging lopen. Er was in hem een overmoed die naar voren kwam en God liet hem en de natie lijden omwille van Josia's onbeschaamdheid. Hij dwong zichzelf deel te gaan nemen aan een strijd die niet de zijne was. Zelfs al werd hij duidelijk gewaarschuwd, hij keerde niet terug en hij betaalde de uiterste prijs. Bij het ouder worden moet een zekere nederigheid die hij in zijn jongere jaren had, stapje voor stapje zijn verdwenen. Overmoed is een synoniem van trots; het drukt echter trots uit als zijnde aanmatigend, of opdringerig, zoals we zouden kunnen zeggen. Het veronderstelt, zonder daar voldoende over na te denken, dat het aanvaardbaar is te doen wat men doet.

Elk van deze voorbeelden illustreert iemand die iets veronderstelt, zich bepaalde vrijheden veroorlooft en dan tot handelen overgaat. Hoevelen van ons weten dat we op het punt staan iets verkeerds te gaan doen, omdat ons geweten ons waarschuwt, en toch doen we het? De menselijke natuur is altijd ongeduldig en de overmoed ligt maar net beneden de oppervlakte. Er is een oplossing voor en die ligt op het terrein van geloof, maar het is geen gemakkelijke oplossing vanwege trots.

Laten we nu Psalm 27:14 opslaan. Ik zal dit niet echt uitdiepen, omdat het heel duidelijk wordt wat de oplossing is.

Psalm 27:14 Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE. (nadruk van ons)

Ik geef u slechts een paar van deze verzen.

Jesaja 25:8-9 Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de HERE heeft het gesproken. 9 En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten [De NBG vertaalt dit woord meestal met wachten of verwachten!], dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft. (nadruk van ons)

Dat is een profetie. Dat zullen de mensen zeggen die in het Koninkrijk van God zullen zijn. Zij zullen zeggen: "Wij wachtten op God."

Spreuken 20:22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op de HERE, Hij zal u helpen.

Romeinen 8:25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.

Galaten 5:5 Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen.

Deze vijf schriftgedeelten geven u een overzicht van een gebod dat heel, heel vaak voorkomt. We hebben er slechts enkele plaatsen van opgeslagen. Het gebod wordt gegeven, omdat we van nature een heel sterke neiging hebben tot ongeduld. Wachten is een overtuigd, afhankelijk en verwachtingsvol vertrouwen in God, maar het biedt weerstand aan het op God vooruitlopen.

Laten we dit concept van wachten eens wat nader bekijken, maar vanuit een ietwat andere invalshoek. We zullen dit doen op basis van één boek uit het Nieuwe Testament dat ons een idee geeft hoe vaak dit gebod om te wachten in de een of andere vorm voorkomt. We slaan daartoe Mattheüs 4:19 op. Er is iets dat aan dit alles is gekoppeld, maar ik vond het nodig dat we een goede achtergrond krijgen.

Mattheüs 4:19 En Hij zeide tot hen: Komt achter Mij [Statenvertaling: Volgt Mij na] en Ik zal u vissers van mensen maken.

We gaan kijken naar het woord "volgen". "Wachten" en "volgen" zijn in de Bijbel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Met andere woorden ik zeg dat "wachten" niet passief is. Het is iets doen terwijl men wacht. Het is een actief volgen, terwijl men wacht.

Mattheüs 8:22 Maar Jezus zeide tot hem: Volg mij en laat de doden hun doden begraven.

Mattheüs 9:9 En vandaar verder gaande zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Mattheüs genaamd, en Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.

Mattheüs 16:24 Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.

Mattheüs 19:21 Jezus zeide tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij.

"Volgen" brengt hetzelfde concept tot uitdrukking als "wachten", maar er is meer activiteit bij betrokken. Volgen is gaan, of in besteding van tijd achter iemand of iets aangaan. Het betekent zich voegen naar, zich houden aan, geleid worden door, zich schikken naar en iemand die vooraan gaat gehoorzamen. Ja, we moeten wachten. Als we volgen, gaan we niet op Christus vooruitlopen. We gaan door met te doen wat Hij ons heeft gezegd te doen, terwijl we Hem almaar blijven volgen.

"Wachten" is niet passief. Het is actief doen wat ons in het verleden reeds werd opgedragen, gezegd en bevolen, en we laten ons daarvan niet afhouden — we wijken daarvan niet te rechter- of linkerzijde af — totdat we een nieuw gebod hebben gekregen om een andere richting in te slaan. We blijven doen wat ons in het verleden werd opgedragen. Ik denk dat als we Christus begrijpen, dat Hij al doende, terwijl we Hem volgen, de verantwoordelijkheid die Hij ons geeft, zal gaan vergroten, waardoor de verantwoordelijkheden ingewikkelder worden.

Wachtte Satan, Abraham, Korach of Josia op God? Hielden zij zich aan Zijn leiderschap? Schikten ze zich naar Zijn plan en Zijn manier van leven? Volgden zij de patronen die Hij had vastgesteld? Nee, gemeente. In elk van deze voorbeelden schoven zij zich naar voren om handelingen uit te voeren die Hij hun niet had opgedragen.

Laten we dit wat specifieker maken. We slaan daartoe het boek Jeremia op. Ik heb in feite vijf plaatsen alleen al in het boek Jeremia waar God dit middels Jeremia zegt. We gaan wegens gebrek aan tijd maar naar één van die plaatsen kijken.

Jeremia 14:14-15 Maar de HERE zeide tot mij: Leugenachtig profeteren de profeten in mijn naam, Ik heb hen niet gezonden, hun geen opdracht gegeven, en niet tot hen gesproken; een leugengezicht, ijdele waarzeggerij en bedriegerij van hun eigen hart profeteren zij u. 15 Daarom, zo zegt de HERE van de profeten die in mijn naam profeteren, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Zwaard noch honger zal in dit land zijn, door het zwaard en de honger zullen die profeten aan hun eind komen.

Zoals ik al zei, zei God dit vijf keer bij monde van Jeremia, en dit wordt gezegd tegen valse profeten, maar zoals ik zojuist heb laten zien, kan rechtstreeks gekozen dienaren van God — mensen waarmee God specifiek heeft gehandeld en tot wie Hij zelfs rechtstreeks heeft gesproken — hetzelfde overkomen. Had God geen contact van aangezicht tot aangezicht met Satan, en met Abraham en Sara? Toch liepen ze op God vooruit en deden ze iets dat Hij niet wilde dat ze zouden doen — iets dat Hij hun niet had opgedragen.

Ik breng dit onder uw aandacht, omdat met een bepaalde mate van onnadenkendheid zelfs onwetendheid deel van de mix kan uitmaken, gecombineerd met een bepaalde mate van overmoed. Zeker, we zijn in staat om hetzelfde soort tragische fouten te maken door onze neus in zaken te steken waartoe God ons geen enkele opdracht heeft gegeven.

We zien in Mattheüs 9:37-38 en op nog enkele andere plaatsen in het boek Mattheüs, iets dat Jezus zei en afkomstig was uit Jeremia. Het lijkt sterk op: "Zij liepen, maar Ik had hen niet gezonden."

Mattheüs 9:37-38 Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. 38 Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.

Hoe vaak moet God ons laten zien dat Hij toezicht houdt op het gehele functioneren van Zijn werk en dat Hij de verantwoordelijkheden toekent aan allen die daarbij betrokken zijn? Hoe vaak gaf Jezus gelijkenissen of instructies in een preek waarin Hij zei dat "Hij arbeiders uitzond"? Of: "Ik zend jullie." Of: "Ik zend Mijn boodschapper." En vele andere varianten.

In 1 Corinthiërs 12:14-15 en 27-30 vergelijkt de apostel Paulus de kerk met een menselijk lichaam. Het menselijk lichaam heeft vele delen en God heeft elk van die delen een verantwoordelijkheid opgedragen waardoor het lichaam in staat is te doen wat er gedaan moet worden. De kerk zit op dezelfde manier in elkaar.

God heeft binnen de kerk verantwoordelijkheden toegekend en elk deel van het lichaam moet door geloof samenwerken met God om deze uit te voeren, anders wordt de werking van het lichaam verzwakt door een verwarrende desorganisatie, of in het slechtste geval tot totale inefficiëntie gebracht. Gemeente, dit is de reden waarom we zijn verstrooid. De verschillende delen van het lichaam vielen uiteen tijdens de uitvoering van de verantwoordelijkheden die hun opgedragen waren.

Laten we dit nu werkelijk naar onze tijd overbrengen.

2 Kronieken 15:1-4 De Geest Gods kwam over Azarja, de zoon van Oded; 2 hij ging Asa tegemoet en zeide tot hem: Hoort naar mij, Asa en geheel Juda en Benjamin! De HERE is met u, zolang gij met Hem zijt; indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; maar indien gij Hem verlaat, zal Hij u verlaten. 3 Lange tijd was Israël zonder de ware God, zonder priester die onderricht gaf, en zonder wet; 4 doch keerden zij in hun benauwdheid tot de HERE, de God van Israël, terug en zochten zij Hem, dan liet Hij Zich door hen vinden.

Hier wil ik het volgende uit halen. Ik wil dat u inziet dat het bijbelse verslag duidelijk laat zien dat er tijden zijn dat God voor Zijn doeleinden geen apostel of profeet zendt. Bijvoorbeeld voor zover we weten zond Hij tussen Maleachi en Christus — een periode van 400 jaar — geen enkele profeet. Wat moeten wij nu doen, nu er geen apostel gezonden is? Ik heb u reeds het antwoord gegeven. Het antwoord is gewoon in geloof doorgaan met het uitvoeren van de laatste verantwoordelijkheid die Hij gaf, totdat Hij een andere apostel of profeet zendt.

Heeft één van ons dienaren het recht ons de taak van apostel toe te eigenen? Dat denk ik niet en toch hebben sommigen dat gedaan. Gemeente, wij zijn werktuigen. We zijn echter uniek in de zin dat we heel wat speelruimte hebben. We kunnen denken en we kunnen kiezen en we kunnen samenwerken, wedijveren of de dingen doen vervagen, moeilijker te begrijpen maken.

Een hamer is een geweldig werktuig om spijkers in te slaan en op dingen te beuken, maar hij wordt duidelijk verkeerd gebruikt als we hem als schroevendraaier proberen te gebruiken. Hetzelfde principe geldt binnen het lichaam van Jezus Christus. God kent de verantwoordelijkheden en de functies toe. Romeinen 13:1 laat heel duidelijk zien dat God regeert vanaf de top tot helemaal beneden, en daar is de kerk bij inbegrepen. Als Hij besluit voor zijn doel een apostel weg te nemen om te zien wat er zonder apostel binnen de kerk gaat gebeuren, wat doen we dan? We gaan niet de vrijheid nemen en veronderstellen dat God ons heeft aangesteld om een taak uit te voeren, die Hij ons niet gegeven heeft. We gaan gewoon door met wat Hij middels de apostel heeft ingesteld. Als we dat zouden doen, zouden de meeste problemen binnen de kerk — het wedijveren met elkaar en de rivaliteit — verdwijnen.

Dit slaat ook op mij, omdat ik heel bewust de beslissing nam te doen wat ik heb gedaan. Toen Evelyn en ik de kerk in 1992 verlieten, moest ik een beslissing nemen wat te gaan doen. Mijn besluit was het volgende. Het was zo eenvoudig. Waartoe was ik aangesteld? Ik kreeg achtereenvolgens drie aanstellingen. Eerst werd ik aangesteld tot 'local elder'. Daarna werd ik aangesteld tot 'preaching elder'. Tenslotte werd ik aangesteld tot 'pastor'. Het was mijn taak de mensen te helpen zich op het Koninkrijk van God voor te bereiden. Dat was mijn aanstelling en ik besloot dus dat ik dat zou blijven doen. Mijn aanstelling was er niet op gericht dat ik de handelingen van een apostel zou gaan uitvoeren.

John Reid kan u dat vertellen. We hadden een vergadering. Behalve John waren er nog vier of vijf andere dienaren. Ze gingen allemaal weg behalve John, omdat zij dingen wilden doen waartoe ik door God niet was aangesteld, en ik was niet van plan mijzelf die positie aan te matigen en het risico te lopen dat Josia overkwam, het risico dat Satan overkwam en het risico dat Abraham overkwam. Ik wilde gewoon doorgaan de dingen te doen waartoe ik was aangesteld, totdat Hij dat zal veranderen.

Ik weet niet of Hij het ooit zal veranderen, of hoe Hij het zal veranderen. Het kan zijn dat ik tot aan mijn dood toe zal blijven doen wat ik nu doe, maar dan heb ik tenminste de voldoening te weten dat ik me niet van mijn taak die Hij me gaf, heb afgewend. We gaan door om op Hem te vertrouwen dat Hij in onze behoeften zal voorzien, dat Hij mensen tot ons zal brengen. Wij spannen ons niet in om schapen te stelen of te roven van iemand anders, omdat ik niet geroepen ben te doen wat Herbert Armstrong deed.

De omvang van het werk van Herbert Armstrong onder God was ontzagwekkend! Het was wereldomvattend. Niemand had dat, voor zover ik weet, sinds de tijd van Christus ooit gedaan. Dat was een reusachtige verantwoordelijkheid. Hij [God] riep John Ritenbaugh niet om dat te doen. Ik ben een kleine jongen die in een hoekje werk. Dat is alles. Ik had en heb niet de gaven die Herbert Armstrong had, en ik ben heel dankbaar dat ik dat inzie. Mijn gave is het onderwijzen van specifieke dingen en het uitbreiden van ons begrip. Ik wacht dus af.

Eerder vermeldde ik Numeri 16 en de ontzagwekkende verantwoordelijkheid die God aan de Kehatieten gegeven had. Zij hadden van alle zonen van Levi de nauwste verbinding met God. Dat was een ontzagwekkende verantwoordelijkheid die hun gegeven was, en toch wilden ze op Hem gaan vooruitlopen. De mensen uit die groep die daar in Numeri 16 werden genoemd, wilden meer.

Laten we het boek Openbaring opslaan, omdat ons een ontzagwekkende belofte gegeven is van een ontzagwekkende verantwoordelijkheid.

Openbaring 14:1-4a En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden. 2 En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers; 3 en zij zongen een nieuw gezang vóór de troon en vóór de vier dieren en de oudsten; en niemand kon het gezang leren dan de honderdvierenveertigduizend, de losgekochten van de aarde. 4 Dezen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. (nadruk van ons)

Wat een ontzagwekkende toekomst! Ons, gewone mensenkinderen, kan geen grotere toekomst gegeven worden. Wie zullen Christus in het Koninkrijk van God het naast staan? De 144.000. Laten we niets doen waardoor we vooruit gaan lopen op wat God ons gegeven heeft. We zullen gewoon geduldig op Hem wachten en blijven doen wat Hij ons in het verleden te doen heeft gegeven, en dat is ons op Zijn Koninkrijk voorbereiden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)