Geloof en het gevecht van de christen (Deel 6)

Door John W. Ritenbaugh
14 juli 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh benadrukt dat Abraham de vader der gelovigen is en spoort ons aan zorgvuldig de consequenties van onze roeping als geestelijke nazaten van Abraham in overweging te nemen, een roeping die ons in staat heeft gesteld om van rechtvaardiging voort te gaan tot heiliging, uiteindelijk (door geloof) tot uiting komend in werken en karaktertrekken die Jezus Christus weerspiegelen. Abraham is het prototype van een bekeerde christen en dient als een patroon van de manier waarop wij op onze roeping moeten reageren. God heeft ons persoonlijk gekozen voor Zijn doeleinden waarbij Hij anderen geestelijk verblind liet. De vergelijkenderwijs weinig uitverkorenen zijn geselecteerd voor een zegening die ze in geen enkel opzicht verdienen. Gods roeping is persoonlijk en individueel, niet algemeen en lukraak. Hij opent ons denken dat anders gesloten zou blijven en niet zou reageren, en vervangt geestelijke ongeïnteresseerdheid en blindheid door geestelijke scherpzinnigheid en begrip. Evenals onze vader Abraham worden wij door te reageren op deze roeping gemotiveerd te reageren op Gods wil en doel, zijn we bereid volledig en totaal te breken met ons vorige leven en onze vorige manier van denken.


Wij beginnen met Hebreeën 11:8. Dit is een belangrijk schriftgedeelte voor ons. Voor u die hier in Louisburg bent, denk ik dat het bijna verbazingwekkend is hoe goed de korte preek aansloot bij mijn preek. Hierdoor word ik er voortdurend aan herinnerd dat iemand mij zegt Wie de touwtjes in handen heeft. Degenen onder u die de korte preek hebben gehoord zullen wel weten wat ik bedoel.

Hebreeën 11:8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.

Het is mijn doel met de huidige serie gebaseerd op Hebreeën 11, ons dieper bewust te maken van de werkelijkheid van de God van de Bijbel, en vanzelfsprekend ook van Zijn doel. Ik wil dat we beter in staat zullen zijn om een duidelijker begrip te hebben van de legale, geestelijke en proefondervindelijke consequenties van Zijn roeping, zodat we het beste gebruik kunnen maken van Zijn roeping en niet alleen maar in Zijn Koninkrijk zullen zijn, maar Hem zullen verheerlijken en in het voortgaan beloningen zullen verdienen.

In de vorige preken uit deze serie hebben we het gehad over de eerste drie voorbeelden van het gebruik van geloof in het leven van een christen, de voorbeelden van Abel, Henoch en Noach. Abels voorbeeld gaat over rechtvaardiging door geloof in Christus' bloed. Henochs voorbeeld gaat een stap verder doordat het het principiële karakter van geloof openbaart, en dat is dat als iemand eenmaal gerechtvaardigd is, hij met God wandelt en zijn leven wijdt aan het zoeken van God. Dit brengt het leven van de christen in de heiligingsperiode.

Noachs voorbeeld geeft ons in een bepaald opzicht getuigenis van het gehele pakket. Dat gebeurt doordat er op een wat specifiekere manier aan toe is gevoegd wat men doet tijdens dit wandelen met God. Wat is dat? Hij werkt, werkt mee met God, in het uitvoeren van de een of andere opdracht die gegeven wordt, en wordt beloond en gered voor de vernietiging.

In alle drie de gevallen — dat van Abel, Henoch en Noach — werd de roeping door God die hen apart zette, verondersteld. In elk geval is de toepassing van geloof fundamenteel en in grote lijnen van toepassing op ons. Van ons allemaal wordt verlangd dat we ons geloof ijverig gebruiken en God op vasthoudende wijze zoeken om op de beste manier van onze roeping gebruik te maken.

Vanaf Hebreeën 11:8 begint Paulus zijn aandacht te richten op voorbeelden van een specifieker gebruik van geloof, en het eerste is dat van Abraham met betrekking tot zijn roeping.

U merkte waarschijnlijk op dat de Bijbel heel wat ruimte aan Abraham besteedt. Ik weet niet of u dit weet, maar zijn naam komt 311 keer in de Schriften voor. De eerste keer is in Genesis 11:26. De laatste keer is in 1 Petrus 3:6. Met andere woorden dingen betreffende hem komen praktisch in de gehele Bijbel voor. Hij is ten eerste de vader van Israël, de natie door God uitverkoren om door te werken.

Dit is belangrijk omdat volgend op de openbaring van de oorsprong van alle geslachten op aarde (Genesis 10, waarna Genesis 11 het begin van het tegen God gerichte Babylon openbaart) Gods werk onder de mensheid zich praktisch beperkt tot de nakomelingen van Abraham. Hij wordt duidelijk getoond als de vader van Israël, op bijna dezelfde manier waarop George Washington gezien wordt als de vader van de Verenigde Staten van Amerika. Dit was zo vanwege de belangrijke rol die George Washington speelde in de oprichting van deze natie. Hetzelfde geldt voor Abraham, maar nog veel belangrijker, hij wordt door God ook aangeduid als "de vader der gelovigen".

Laten we nu Galaten 3:27 opslaan. Bedenk dat dit aan christenen werd geschreven.

Galaten 3:27-29 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Daarom kunnen we tegelijkertijd "in Christus" zijn en "zaad van Abraham" zijn.

We slaan nu Romeinen 4:10-13 op.

Romeinen 4:10-13 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij [Abraham] toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen [Hij is dus ook de vader van de heidenen.], opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat. 13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.

Abraham werd in Galaten 3 als de vader aangeduid. Hij wordt ook in Romeinen 4 als de vader aangeduid. Hoe kan dit als we door de Geest van God worden verwekt? Moet Hij dan niet onze Vader zijn? Kijk maar eens of u daar een antwoord op hebt. In welk opzicht is Abraham, een heel belangrijk man, onze vader?

Abraham als vader van de fysieke natie waarin en waardoor God verkoos Zijn werk te doen, is ook de vader van hen die door God verkozen worden deel uit te maken van de geestelijke natie die God aan het vormen is. Begrijpen dat Abraham de vader van de fysieke natie is, is gemakkelijk, maar begrijpen dat hij de vader van de geestelijke natie is, is niet zo gemakkelijk, omdat we door de geest van de God en Vader in de hemel worden verwekt. We zijn dus beide (kind van God en kind van Abraham) tegelijkertijd. Hebben we dan twee vaders? Nee, dat is niet het geval, omdat we Abrahams vaderschap in een ander licht moeten zien. De Joden begrepen dit ook niet, zodoende hadden ze niet het juiste antwoord op dingen die Jezus hun onderwees.

Laten we Johannes 8 opslaan en we zullen daar zien dat Abrahams vaderschap door Jezus wordt uitgelegd.

Johannes 8:16 en indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen, maar Ik en die Mij gezonden heeft. [Met andere woorden Zij staan als het ware achter elkaar.]

Johannes 8:18-19 Ik ben het, die van Mijzelf getuig, en ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. 19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Noch Mij, noch mijn Vader kent gij: Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen.

We kunnen zien wat het onderwerp is van dit hoofdstuk. Dat heeft iets vandoen met geestelijk vaderschap.

Johannes 8:28-29 Jezus dan zeide: Wanneer gij de Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd heeft. 29 En die Mij gezonden heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt.

Deze discussie is nog niet afgelopen. Abraham komt te beginnen in vers 33 in beeld, maar hier hebben we de achtergrond. Wie was Jezus' Vader? Wie was de vader van de Joden?

Johannes 8:33-44 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet, is een slaaf der zonde. 35 En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. 36 Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn. 37 Ik weet, dat gij Abrahams [fysieke] nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen plaats vindt. 38 Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw vader gehoord hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40 maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken van uw vader. Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben één Vader, God. 42 Jezus zeide tot hen: Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43 Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen. 44 Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.

We gaan iets zien van Abrahams geestelijke vaderschap. Iedereen van u weet dat wat ik ga zeggen waar is. Familieleden hebben bepaalde overeenkomsten, ze lijken op elkaar en dat is het principe dat aangeeft wie een geestelijk kind van Abraham is. In dit geval is het geen zaak van fysieke overeenkomst, maar van geestelijke overeenkomst, en die overeenkomst wordt door Christus aangeduid als "zij geloven" en "de werken die zij doen" die het geloof bevestigen dat de mensen beweren te hebben.

Met andere woorden mensen die Abrahams kinderen zijn, zullen groeien. Zij zullen overwinnen en zij zullen langzamerhand veranderen naar het geestelijke beeld van Jezus Christus, en dit identificeert hen als Abrahams kinderen. Zij hebben geloof en zij bevestigen dat geloof door de werken die hen zullen veranderen naar het geestelijke beeld van Jezus Christus. Abraham is de geestelijke vader van die mensen.

De parallel die we hier kunnen vinden is interessant. Eén van de factoren die Abraham van anderen apart zette, was dat geloof hem aanzette, motiveerde, inspireerde en leidde, soms op aangrijpende wijze, tot wat hij deed met zijn leven en dat gebeurde bij hem in veel sterkere mate dan bij praktisch ieder ander. Abraham is dus niet alleen de fysieke voorvader van de Israëlieten, maar hij is het geestelijke patroon waarnaar zijn nakomelingen in moreel opzicht worden gevormd. Abraham is het prototype van een bekeerde christen.

Het eerste punt waar Paulus in Hebreeën 11:8 betreffende Abrahams geloof de aandacht op vestigt, was dat toen hij geroepen werd, hij gehoorzaamde terwijl hij niet wist waarheen hij moest gaan.

We gaan naar Genesis 12:1-3.

Genesis 12:1-3 De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

Abraham moest zijn land (Babylon) verlaten, alsmede zijn verwanten, duidend op de mensen die etnisch aan hem verwant waren (in dit geval het Semitische volk), en ook zijn naaste familieleden — degenen die een bloedverwantschap met hem hadden. De implicatie van zijn vertrek is dat hij niet aarzelde. We kunnen in wat er gebeurde geen enkele aanleiding vinden om dat te denken. Hij werd geroepen. Boem! En het lijkt erop dat hij onmiddellijk ging. Hij zei niet: "God, geef me specifiekere aanwijzingen. Moet ik naar het noorden, oosten, zuiden of westen?" Het lijkt erop dat hij in fysiek opzicht een vrij goed idee had in welke richting hij verondersteld werd te gaan.

Het is ook mogelijk dat God hem van tevoren reeds voorbereidde door kennis teweeg te brengen over Zijn bestaan. Dit bracht op zijn beurt sociale omstandigheden teweeg die dus bijdroegen aan Abrahams gevoel van urgentie. Met andere woorden ik zeg dat God voorzag in basiskennis van Zijn bestaan en misschien ontstond hieruit zelfs een bepaalde mate van vervolging door wat Abraham leerde. Dit was voor God niet ongebruikelijk om te doen. Hij voorziet vaak in een stimulans door de ervaringen waar Hij mensen doorheen laat gaan, terwijl Hij hen voorbereidt op een officiëlere roeping die Hij hun later zal geven.

Het is ook belangrijk te begrijpen dat God voorziet in twee afzonderlijke roepingen voor iedere persoon op aarde. Misschien is dit wel een openbaring voor u. U wist niet dat u al eerder een roeping had gekregen? Toch is dat het geval en weet u wat er gebeurde? U verwierp die. Iedereen op aarde verwerpt de eerste roeping van God.

Laten we Spreuken 8 opslaan en let zorgvuldig op de bewoordingen. Dit is het hoofdstuk waarin wijsheid (in feite dus God) wordt gepersonifieerd als een vrouw. Let op de bewoordingen.

Spreuken 8:1-4 Roept de Wijsheid niet en verheft de Verstandigheid niet haar stem? 2 Boven op de hoogten aan de weg, daar, waar de paden samenkomen, is zij gaan staan, 3 aan de zijde van de poorten, aan de ingang der stad, waar men de poortdeuren binnengaat, roept zij luide: 4 Tot u, mannen, roep ik en mijn stem gaat uit tot de mensenkinderen!

Ziet u wat Hij hier zegt? "Ik roep." Denk erover na wat Hij zegt. Hij zegt dat er overal waar we kijken, bewijs is van het bestaan van God. Het doet er niet toe of dit op straat is in een stad, of in de gerechtszalen, waar dan ook, dit bewijs is er.

Wilt u meer bewijs? Dit is echt duidelijk.

Spreuken 1:20-21 De Wijsheid roept luide op de straat, op de pleinen verheft zij haar stem, 21 op de hoek der rumoerige straten roept zij, bij de ingangen der poorten, in de stad, spreekt zij haar redenen:

Met andere woorden we hoeven niet in de vrije natuur te zijn om God te zien. Er is ook in de stad bewijs van Hem aanwezig.

Spreuken 1:22-30 Hoelang zult gij, onverstandigen, het onverstand liefhebben, zullen spotters aan spotternij een welgevallen hebben, en dwazen de kennis haten? 23 Keert u tot mijn vermaning! Zie, ik wil mijn geest voor u uitstorten, u mijn woorden bekendmaken. 24 Omdat gij weigerdet [Dit is tot de gehele mensheid gericht.], toen ik riep, niemand acht gaf, toen ik mijn hand uitstrekte, 25 gij al mijn raadgevingen in de wind sloegt, en mijn vermaning niet wildet, 26 daarom zal ik ook lachen om uw verderf; ik zal spotten, wanneer uw verschrikking komen zal. 27 Wanneer uw verschrikking zal komen als een storm en uw verderf zal aansnellen als een wervelwind, wanneer benauwdheid en angst over u zullen komen, 28 dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden. 29 Omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEREN niet hebben verkozen, 30 mijn raad niet hebben gewild, al mijn vermaningen hebben versmaad,

Wilt u meer bewijs? Ik zal u dat geven. Laten we de brief aan de Romeinen opslaan. Dit is waarschijnlijk een van de beter bekende schriftgedeelten.

Romeinen 1:18-19a Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, [het is zichtbaar, het is duidelijk] ...

Overtuig ik u ervan dat wij allemaal stijfkoppen zijn? God Zelf zegt dat de kennis dat God bestaat, duidelijk is.

Romeinen 1:19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard.

Als God het niet had geopenbaard, zou Hij ons niet schuldig kunnen houden. Wij zijn allemaal schuldig aan het verwerpen van Zijn roeping, omdat Hij verwacht dat we ons verstand gebruiken en ons onderwerpen aan wat we zien, maar zoals we zonet in Spreuken zagen, we verwerpen het allemaal. We besteden er geen aandacht aan.

Romeinen 1:20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij [de mensheid] geen verontschuldiging hebben.

Hij kan iedereen op aarde schuldig houden aan het verwerpen van Hem.

Wilt u meer bewijs? Hoe is dit mogelijk? Ik wil u nog een andere invalshoek laten zien, één die in het bijzonder kan samenhangen met wat we zojuist in Spreuken, de hoofdstukken 8 en 1, en in Romeinen 1 lazen.

In hoeveel talen heeft God de Bijbel laten vertalen? Hij staat praktisch iedereen op aarde ter beschikking. Het laatste getal dat ik hoorde was dat de Bijbel in meer dan twaalfhonderd verschillende talen en dialecten was vertaald. God kan dus eerlijk zeggen: "Jullie kunnen Mij niets verwijten." Het verwijt staat in Zijn woord. Hij zei: "Jullie hebben Mijn stem verworpen." Zijn stem is te vinden in Zijn woord. Iedereen leest de Bijbel en verwerpt deze, waardoor we laten zien dat we liever misleid worden dan dat we ons eerlijk en nederig onderwerpen aan de God der schepping.

Wilt u weten in hoeverre de openbaring van God zich tegen de mensheid richt? Laten we Romeinen 2:14-15 opslaan. Let op wat er hier staat.

Romeinen 2:14-15 Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, [Zij ontvingen niet de geschreven wet van de berg Sinaï; zij hadden dus geen wet.] van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; 15 immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen,

Diep in ieder mens, ongeacht ras of etniciteit, is een door God gegeven besef dat God bestaat — niet alleen een zich bewust zijn van Hem als een Persoonlijkheid, maar zelfs enkele van de grondbeginselen van wat Hij in moreel opzicht van ons verlangt.

Laten we iets goeds en wonderlijks bekijken dat u en mij overkomen is. We slaan daartoe Mattheüs 20:16-18 op.

Mattheüs 20:16-18 Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn. [De Statenvertaling voegt toe: want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.] 17 Toen Jezus zou opgaan naar Jeruzalem, nam Hij de twaalven terzijde, en onderweg sprak Hij tot hen: 18 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen.

Zo diepgaand is de verwerping door de mens, dat toen Hij als mens kwam, ze Hem doodden. Wij doodden Hem. Als wij daar waren geweest, hadden we hetzelfde gedaan als de Joden. Zo diepgaand is deze verwerping van Gods roeping, van het bewijs dat in de schepping aanwezig is, dat God bestaat. Maar er is enige hoop. Lette u op wat vers 16 zegt? Daar staat dat [Statenvertaling] "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren."

Satan heeft zijn werk zo goed gedaan, dat zelfs God toegeeft dat hij erin geslaagd is de gehele wereld te verblinden en te misleiden. God doet dan het volgende, Hij neemt persoonlijk bij sommigen hun blindheid weg, en Hij geeft voor Zijn doeleinden rechtstreeks en persoonlijk de voorkeur aan een bepaald aantal.

We weten allemaal heel goed dat Johannes 6:44 zegt dat niemand tot Christus kan komen tenzij de Vader hem trekt, maar er zijn andere schriftgedeelten — in feite vele andere — die laten zien dat God persoonlijk een beperkt aantal afscheidt van de ronddwalende massa's die Hem volledig verwerpen. Houd dat woord "uitverkoren" in gedachten. We slaan Romeinen 9:11 op.

Romeinen 9:11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan — opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, —

Het woord "verkiezend" komt in dat vers voor. Dit is een bijvoeglijk naamwoord, afgeleid van het werkwoord "verkiezen". Een corresponderend zelfstandig naamwoord is "uitverkorenen". Verkiezen betekent selecteren, uitzoeken, vaststellen en afscheiden. Dit vers zegt ons dat God persoonlijk vaststelde aan wie Hij ten behoeve van Zijn doeleinden de voorkeur zou geven. In dit geval gaf Hij de voorkeur aan Jakob. Hetzelfde geldt voor elk van ons die God geroepen heeft, en deze mensen worden in het Nieuwe Testament, en er zijn zelfs enkele verwijzingen daarnaar in het Oude Testament, bekend als "de uitverkorenen".

Romeinen 11:5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.

Romeinen 11:7 Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard,

In de NBG zien we in vers 7 het bijvoeglijk naamwoord "uitverkoren". Het corresponderende zelfstandig naamwoord "uitverkorenen" wordt een titel die een specifieke groep mensen aanduidt. Synoniem aan dit woord worden ze ook wel "de geroepenen" genoemd. Ze vormen een specifieke groep mensen. Op de ene plaats in de Bijbel kunnen ze "de uitverkorenen" worden genoemd, terwijl ze op een andere plaats "de geroepenen" worden genoemd.

We gaan nu naar Mattheüs 24, naar een ander vrij goed bekend schriftgedeelte. Dit is een voorbeeld van een groep mensen die met een titel worden aangeduid.

Mattheüs 24:24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden.

Begrijp dit alstublieft. We kunnen heel duidelijk in Romeinen 9 zien, waar we niet in detail op in zullen gaan, dat het woord "uitverkoren" niet "beter" betekent. Verwijder die gedachte uit uw denken. Het betekent gewoon iemand die is geselecteerd. Als er iets is dat we erop kunnen toepassen dat goed en wonderlijk en positief is, dan is dat wel dat "de uitverkorenen" verwijst naar mensen die boven alle andere mensen een zegen hebben ontvangen die ze op geen enkele manier verdienden. Het was gewoon Gods keus en die van Hem alleen.

Ik weet niet waarom Hij Jakob koos. Er is niemand die dat weet. Toch waren er twee deugnieten in hun moeders schoot met elkaar aan het worstelen en God zei: "Ik wil deze. Ik wil niet de andere." Hij koos dus Jakob en Hij verwierp Esau.

Hij koos Abel. Hij verwierp Kaïn. Gaat u begrijpen waar het om gaat? Waren ze beiden zondaars? Absoluut. Iedereen van ons verwierp die eerste roeping van God. We verdienden het op geen enkele manier om persoonlijk apart te worden gezet.

Bedenk dat we dit allemaal met Hebreeën 11:8 in verband brengen. Abraham is het patroon. Gaat u begrijpen waar het om gaat? Abraham verdiende de roeping van God niet. Hij was een heiden. Hij moest uit Babylon komen. God zorgde ervoor dat hij fysiek uit Babylon kwam. Abraham was een heiden. Al zijn familieleden waren heidenen en hij werd door God geroepen. Ik weet niet precies waaruit zijn roeping specifiek bestond, maar we gaan straks zien dat God aan hem verscheen. Ik weet ook niet wat dat woord betekent. Wat het ook was, Abraham werd overtuigd en hij zei tegen zichzelf: "Makker, zorg dat je hier wegkomt!" En hij deed dat.

Er is nog een interessant aspect aan onze roeping en daarvoor slaan we Johannes 5:25 op.

Johannes 5:25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven.

Het onderwerp gaat hier voornamelijk over een opstanding, maar ik wil dat u inziet dat het woord "horen" in deze context wordt geplaatst.

Van hier gaan we naar Efeziërs 2 en we gaan dit verbinden met een andere gedachte die de apostel Paulus opschreef. Nogmaals dit wordt aan christenen geschreven.

Efeziërs 2:1 [Statenvertaling] En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;

Koppel dit aan Johannes 5:25 — de doden die Gods stem horen. Ik denk dat we allemaal begrijpen dat we niet letterlijk dood waren, maar we waren geestelijk dood, nietwaar? Gemeente, op de een of andere manier horen de doden de stem van God.

Laten we hier nog een aantal schriftgedeelten aan toevoegen en dan zullen we het gedachtenpatroon zien dat ik hier ontwikkel.

Hebreeën 10:38a en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; ...

Efeziërs 2:8a Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, ...

We gaan dood, geloof en geest met elkaar in verband brengen. Daarnaast zegt Paulus ons in Romeinen 10:17 het volgende:

Romeinen 10:17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.

In Johannes 6:63 voegt Jezus er nog het volgende aan toe:

Johannes 6:63b ...; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven.

Door God in staat gesteld worden om door Zijn roeping te horen, zelfs al zijn we geestelijk dood, leidt tot een werkelijk effectief geloof. Ziet u dat in?

Een gedeeltelijk antwoord is dat er geen enkel bestanddeel van een geestelijk leven is waarmee geen geloof verbonden is. Daarnaast is geloof op zijn beurt rechtstreeks verbonden aan in staat gesteld worden te horen wat God zegt en niet blind te zijn voor de werkelijkheid van Zijn bestaan en de werkelijkheid van Zijn doel. Ditzelfde proces begint ons denken te openen voor het praktische gebruik van de kennis van God en de praktische kanten van een leven uit geloof. Dit zouden we nooit hebben verkregen, als Hij niet de proppen uit onze oren had verwijderd en onze ogen niet had geopend.

Dit wordt echt interessant. We gaan weer terug naar Johannes. Dit is het hoofdstuk waarin de herder het onderwerp is, en vanzelfsprekend is onze Herder Christus.

Johannes 10:3a Voor hem [de Herder] doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem ...

Wie zijn in dit onderwijs van Jezus de schapen? Dat zijn wij!

Johannes 10:3ab Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name ...

Zo persoonlijk is dit. Het is niet gewoon iets dat Hij in het algemeen roept. Zijn roeping is bij naam. Hij selecteert en kiest uit, wat Zijn doeleinden ook zijn, wat Zijn redenen ook zijn. Hij zegt: "Ik wil hem daar, met de naam Jan. En Ik wil die kerel daar met de naam Jos, en ook Jakob daarginder. Dat zijn degenen die Ik wil hebben en zij zullen Mijn schapen zijn en zullen deel gaan uitmaken van Mijn kudde." Het is niet zo maar lukraak. God doet niets op goed geluk. Alles wordt van bovenaf op een geordende manier uitgevoerd.

Johannes 10:3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten.

Voert ze naar buiten, waaruit? Vanuit de schaapskooi waarin ze lagen. Wat is de schaapskooi in deze context? Dat is de wereld waarbinnen we slaaf waren en gevangen werden gehouden. Hij voert ze naar buiten.

Johannes 10:4 Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen;

Zij kunnen Zijn stem herkennen, omdat God hen op wonderbaarlijke wijze in staat heeft gesteld te horen. Wat een geweldige gave hebben we ontvangen! Het is gewoon ontzagwekkend. Dit moet allemaal plaatsvinden teneinde geloof voort te brengen dat behoud geeft, omdat zolang ons denken niet geopend is en zolang onze oren gesloten zijn, we het nooit zouden vatten, ondanks wat God beschouwt als een toereikende openbaring van Hem. Hij kan ons veroordelen voor ons gebrek aan erkenning van Zijn bestaan.

Johannes 10:6 In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.

God riep hen niet uit bij naam en daarom bleven ze geestelijk volkomen blind.

Laten we een andere gave bekijken in Romeinen 8:30. Dit is gewoon nog iets extra's, nog meer bewijs dat Hij de aarde doorzoekt, uitkijkend naar degenen die Hij wil roepen. Zoals ik eerder zei, God bereidt ons denken voor — ik weet dat Hij dat doet — zodat wij een eerlijke kans krijgen om het openen van ons denken te aanvaarden en geloof voort te brengen. Hij doet dit door een veelheid aan manieren en redeneringen, zodoende geeft Hij ons een soort denken dat Zijn roeping zal aanvaarden. U zult een volgorde van dingen gaan zien, de ene brengt de andere teweeg, allemaal in het denken van God.

Romeinen 8:30a en die Hij tevoren bestemd heeft, ...

Voordat wij werden geroepen waren we reeds hiertoe bestemd. Niets wordt lukraak gedaan.

Romeinen 8:30b ..., dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Als u bemoediging nodig hebt, dan kunt u dit hier vinden! Dit is ontzagwekkend!

Laten we dit nog wat verder uitdiepen.

1 Corinthiërs 1:26-27 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren [deel uitmakend van de geroepenen] om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen;

Hij neemt doelbewust diegenen die misschien niet helemaal onderaan de maatschappelijke ladder staan, maar misschien slechts op de één na onderste sport staan. Richard Plache placht te zeggen: "Het beste van de rommel." Dat is veelzeggend, maar het snijdt hout. We hebben dus niets waar we voor God prat op kunnen gaan, evenals Jakob die geroepen werd voordat hij zelfs was geboren. Dat is het soort bewijs dat de Bijbel geeft. Het heeft er helemaal niets mee vandoen of we voordat God roept, aardige mensen zijn.

Het heeft niets vandoen met de religieuze voorliefde die we hadden voor we geroepen werden. Het kan zijn dat we heel religieus waren, naar de kerk gingen en in een goed gezin werden grootgebracht en de zegeningen en voordelen ontvingen die hieruit voortvloeiden. Maar wij hadden er niets mee vandoen. Misschien hadden onze ouders er iets mee vandoen, omdat zij hielpen ons te vormen, en wie weet gaf God ons die ouders zodat zij ons zouden vormen op de manier die Hij met ons voor had.

1 Petrus 2:9-10 Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

Onze roeping is een handeling van soevereine genade waardoor ons denken, onze geest, zich bewust wordt van God en Zijn waarheid, het belang van Hem en doelen waarvan we tevoren geen enkel idee hadden. Het kan zijn dat we voor onze roeping religieus waren, maar niet op de bijzondere manier waarop we het nu zijn. We kregen niet het gehele pakket. Het kan zijn dat we als het ware zelfs de sabbat op eigen houtje hebben ontdekt voordat we geroepen werden, maar dat is niet al te ongebruikelijk. Ook andere mensen doen dat. Dat betekent niet dat zij bekeerd zijn.

Als alle factoren die we nu geloven worden gecombineerd met een door God gegeven drang — een respect voor Hem, een vrees voor Hem (Ik bedoel natuurlijk niet een panische angst, maar een eerbiedig respect voor Hem dat we tevoren nooit hebben gehad.), dan voorziet dat ons van een motivatie om Hem te zoeken in overeenstemming met het patroon dat Hij in Zijn woord heeft vastgelegd. Gewoonlijk zal dat, voor de meesten van ons, dingen omvatten zoals het houden van de sabbat, het houden van de Heilige Dagen, wat de overgrote meerderheid van ons tevoren nooit heeft gedaan.

Het kan zelfs het geven van tienden omvatten. Stel je dat voor! Eén tiende. Twee tienden. Dat is iets dat we ons niet kunnen voorstellen te doen, toen we nog niet bekeerd waren. Twee tienden! Wat moet je dan wel niet denken van drie? Dat ligt in het verschiet.

Wat te denken van bidden? Wat te denken van Zijn woord met een open verstand te bestuderen en een bereidheid zich te onderwerpen aan wat er staat? We hadden dat eerder niet. In ieder geval worden die dingen belangrijk voor ons en voor het verdergaan in het proces. Dat gebeurt allemaal door Hem.

Ik denk dat we begrijpen dat veel van het gehele pakket dat wij als logisch en zinnig beschouwen door de onbekeerde vreemd wordt gevonden, iets dat te allen tijde vermeden moet worden en dient te worden uitgeroeid. Maar wat wij hebben is het resultaat van Gods keus om ons genade te geven en er tezelfdertijd voor te kiezen om hen in hun blindheid te laten.

Dit brengt ons weer terug bij Hebreeën 11:8 en Abraham. Toch wil ik nog niet dat u Hebreeën 11:8 opslaat. Laten we eerst naar het Oude Testament gaan, naar Jesaja 51:1-8. Voordat we geheel vers 1 gelezen zullen hebben, zult u zien dat dit rechtstreeks op u en mij is gericht.

Jesaja 51:1-8 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt [Dat zijn wij.], gij die de HERE zoekt. [Dat zijn wij.] Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; 2 aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik zegende hem en vermenigvuldigde hem. 3 Want de HERE troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des HEREN; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang. 4 Luistert naar Mij, mijn volk, en mijn natie, neig uw oor tot Mij. Want een wet zal van Mij uitgaan en mijn recht zal Ik stellen tot een licht der volken. 5 Mijn zege is nabij, mijn heil treedt te voorschijn, en mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen. 6 Heft uw ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel verdwijnt als rook, de aarde vergaat als een kleed en haar bewoners sterven als muggen, maar mijn heil duurt eeuwig en mijn gerechtigheid wordt niet verbroken. 7 Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart mijn wet is. Vreest niet voor de smaad van stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen. 8 Want als een kleed verteert hen de mot en als wol verteert hen de worm; maar mijn gerechtigheid duurt eeuwig en mijn heil van geslacht tot geslacht.

Jesaja kijkt vooruit in het verloop van de tijd in het besef van de zekerheid dat er een tijd komt dat de naties, de beschavingen op aarde, en zelfs de aarde zoals we die in deze tijd kennen, niet langer zullen bestaan. God spoort middels Jesaja de geestelijke kinderen van Abraham en Sara aan om naar hen — naar Abraham en Sara — te kijken voor instructie. Waarom? Ik gaf u eerder een kleine aanwijzing — Abraham is het prototype.

Een deel van de reden dat Hij ons aanspoort dit te doen, is omdat het nu de tijd is voor hen die gerechtigheid zoeken, om hun voordeel te doen met wat God gegeven heeft. Hij doet een beroep op ons ons leven in beschouwing te nemen door terug te kijken naar wat God heeft laten vastleggen betreffende Abraham en Sara. Dit omdat tijdens Gods werken met hen Hij fundamentele patronen vaststelde voor een leven uit geloof, en er valt heel wat praktisch geestelijk begrip te leren over onze ervaringen binnen onze relatie met Hem en de familie van God waar Hij druk mee bezig is om die scheppend tot stand te brengen. Het is essentieel dat wij leren, omdat onze medewerking in deze schepping is vereist. Dit is precies wat Paulus deed door de voorbeelden van Abel, Henoch en Noach, en nu bovenal het voorbeeld van Abraham.

Het eerste element van Abrahams leven dat Paulus gebruikt is Abrahams roeping. Abraham werd geroepen toen hij letterlijk in Babylon woonde in de vlakte van Sinear in de stad Ur.

Laten we Jozua 24:1-2 opslaan. Jozua uitte deze woorden niet al te lang voor hij stierf.

Jozua 24:1-2 Daarna vergaderde Jozua alle stammen van Israël te Sichem. Hij ontbood de oudsten van Israël, zijn oversten, zijn rechters en zijn opzieners, en zij stelden zich voor het aangezicht Gods. 2 En Jozua zeide tot het gehele volk: Zo zegt de HERE, de God van Israël: aan de overzijde der Rivier hebben oudtijds uw vaderen gewoond, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, en zij hebben andere goden gediend.

We moeten dit met Abraham in verband brengen. Abraham kwam niet uit een godvrezend gezin. In feite was Abraham ook een heiden. Zoals ik eerder zei, begon God reeds eerder met hem te werken door hem op zijn roeping voor te bereiden, zijn denken te sturen. Er zijn historische aanwijzingen dat hij behoorde tot een familie die deel uitmaakte van een priesterlijke kaste. Het schijnt iets te zijn dat de Chaldeeën binnen Babylon deden; zij waren één van de families binnen Babylon en machtig genoeg dat het gehele gebied Chaldea of Babylon werd genoemd. Maar ze waren een priesterlijke kaste en het is dan heel waarschijnlijk dat Abraham de zin van de valse goden die hij diende reeds ter discussie stelde. Met andere woorden God leidde hem.

We vinden dan het volgende in Handelingen 7:1-4, waar Stefanus Zijn getuigenis voor de Joden geeft.

Handelingen 7:1-4 En de hogepriester zeide: Is dat zo? 2 En hij zeide: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, 3 en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal. 4 Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont;

Wat Stefanus allemaal over Gods verschijning aan Abraham zei, is niet bekend. Meer dan dit wordt niet weergegeven. Of dit letterlijk was, of in een visioen, of in een droom wordt nergens anders in de Bijbel uitgelegd. Maar het aspect dat we moeten begrijpen is dat, evenals dat met ons het geval is, Abraham zijn roeping niet verdiende. Abraham had niets gedaan waarmee hij wat God hem gaf, verdiende.

Bedenk wat we in Jesaja 51:2 lazen, omdat daar staat: "God riep hem als eenling." Kennelijk was in het begin zelfs Sara niet bij de roeping betrokken. Dat maakt de zaak voor een man echt moeilijk. Ik weet niet of zij in feite medegeroepen was, maar ik denk dat we Gods woord hier moeten aannemen voor wat er staat. Hij zei dat Hij Abraham als eenling riep. Maar als we echter het slot van Genesis 11 combineren met wat we zojuist gelezen hebben, schijnt het dat de familie in bepaalde opzichten vrij sterk van Abraham afhankelijk was, omdat toen Abraham zei: "Ik ga hier weg", een flink deel van de familie met hem meeging. Dat leidt tot iets anders waar we in de volgende preek op in zullen gaan. Maar God maakt het duidelijk dat Abraham de enige was die geestelijk werd geroepen.

Hoevelen van ons is dat overkomen? Het overkwam mij echt niet, omdat Evelyn samen met mij geroepen werd. We werden op precies dezelfde tijd geroepen. We hoorden samen Herbert Armstrong en het World Tomorrow programma voor de eerste keer. Ik kan niet zeggen dat zij alleen werd geroepen, of dat ik alleen werd geroepen, maar ik denk dat het voor de overgrote meerderheid van u anders was. In de meeste gevallen werd de man apart geroepen, of de vrouw werd apart geroepen en dat maakte het om zo te zeggen extra moeilijk voor die persoon om in dit opzicht de familiebanden te verbreken.

De vraag "Waarom gebeurt dit op deze manier?" is een vraag die niet te beantwoorden valt. We kunnen niet meer zeggen dan dat God Zich ontfermt over wie Hij wil. Het gaat allemaal van Hem uit. God koos Noach. Er kunnen wel miljarden mensen zijn geweest over wie Hij Zich had kunnen ontfermen, maar Hij deed dat niet. Hij riep Noach.

Dit weten we, dat enige tijd voordat hij Babylon verliet, God een levende werkelijkheid voor Abraham werd in een mate die niemand anders dichtbij hem en die hem lief waren, ervoer — in een mate dat zelfs midden in zijn eigen persoonlijke zelfgerichte, zelfbehagende, niet-bekeerde leven hij gemotiveerd werd zijn bezittingen bijeen te pakken en weg te gaan en alle normale bezigheden van zijn leven los te laten en een pelgrim te worden.

Ik weet niet of u ooit een boek zoals The Bible is History van Werner Keller, een Duitser, hebt gelezen. Als u ooit in de buurt van een bibliotheek komt en iets wilt lezen dat fascinerend is, in het bijzonder betreffende het leven in de stad Ur der Chaldeeën, waar Abraham vandaan kwam, dan zult u zich verbazen over wat archeologen allemaal over die plaats hebben opgegraven. Die mensen hadden stromend water op de eerste etage. Zij hadden in huis toiletten die je kon doorspoelen. Ze beheersten de kansberekening. Bent u daarvan op de hoogte? Het was een hoog ontwikkelde beschaving.

Ze hadden soorten verf met pigment van zo'n kwaliteit dat de kleuren tot in deze tijd overbleven. Als zij hun muren verfden, dan was dat permanent. Ze waren een hoog ontwikkeld volk. Toen Abraham vertrok, ging hij niet weg uit een kleine achterafplaats ergens, maar verliet hij het centrum van de in die tijd hoogst ontwikkelde beschaving op aarde — echt een modern volk. Hij leefde in de Sumerische beschaving.

Maar op een bepaald moment in zijn leven moet het een beetje geleken hebben op wat Job overkwam. In Job 42 zei hij: "Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu begrijp ik waar het om gaat!" Zo trok Abraham weg. Zo belangrijk was dat voor hem en hij liet de normale bezigheden van zijn leven achter zich. Ik weet niet of Abrahams roeping stapje voor stapje of plotseling plaatsvond, maar hij deed wat er moest gebeuren. Hij was reeds 70 jaar oud en toch verbrak hij praktisch elke relatie die ertoe doet.

Vaak kunnen dingen die God tijdens onze roeping van ons verlangt, voorafgaande aan onze doop, ongebruikelijk harde en moeilijke vereisten zijn. We zouden dat van Abrahams leven waarschijnlijk niet verwachten, maar hij begon aan een reis en een toekomst waarvan hij absoluut geen idee had, waar die hem zou brengen. God overviel hem niet met alles tegelijk, evenmin als God ons met alles tegelijk overvalt.

Ik kan persoonlijk zeggen dat toen God mij riep, ik een lasser was in een staalfabriek. Ik had er geen idee van dat ik voor groepen van soms wel tienduizend mensen zou staan als spreker, zoals op een Loofhuttenfeest. Dit was wel het laatste dat in mijn hoofd opkwam. Het kwam zelfs helemaal niet bij mij op. Ik zal u de waarheid vertellen. Toen ik Herbert Armstrong schreef of hij een dienaar langs wilde sturen omdat ik gedoopt wilde worden, dachten Evelyn en ik echt in het diepst van ons hart dat het ging om Herbert Armstrong, Ambassador College en de Ritenbaughs in Pittsburgh, Pennsylvania. We hadden er geen idee van dat er zelfs meer mensen om ons heen bij betrokken waren. We waren verbaasd te vernemen dat er een kerk in Pittsburgh was waar een kleine honderd mensen bijeenkwamen, en dat de pastor van de kerk zo'n zes tot acht kilometer bij ons vandaan woonde, en de toegevoegd pastor slechts tien tot elf kilometer. Wat denkt u daarvan? We hoefden niet eens ons huis uit. Abraham moest zijn vaderland verlaten.

Er bestaat geen enkele twijfel aan dat God Abraham testte en daarom moeten ook wij in onze roeping een bepaalde mate van testen verwachten. Maar er zit een grote les in Abrahams roeping. Bedenk dat hij het patroon is. God verwacht van allen die Hij roept dat ze volledig zullen breken met hun vorige leven. Hoorde u dat woord — volledig? Geloof me, gemeente, dat is moeilijk en het is niet iets dat onmiddellijk wordt gedaan. Het is iets dat schoksgewijs gaat, we beginnen eraan, maar het kost in de meeste gevallen jaren voordat wij volledig de banden met onze wortels hebben verbroken, ook al hebben we die mensen nog steeds lief. Het kan zijn dat we genoten hebben van de dingen uit het verleden. In een bepaald opzicht hebben ze niet langer de betekenis die ze voorheen hadden. Dit is wat er in ons leven plaatsvindt.

We sluiten af met 2 Corinthiërs 5:14.

2 Corinthiërs 5:14 Want de liefde van Christus dringt ons,

Dit betekent dat het Christus' liefde is en Zijn roeping die ons beginnen te kneden en te vormen, in een bepaald opzicht ons bijna dwingen in de richting te gaan die Hij wil. Het moet zo zijn, omdat wij dat van nature en normaal niet zouden doen.

2 Corinthiërs 5:14-15 Want de liefde van Christus dringt ons, 15 daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven.

Dit is één van de grote dingen die ons in beweging brengen. We beseffen dat Christus voor onze zonden stierf; we willen onder Zijn bloed staan en we willen dat Hij onze Leider wordt.

2 Corinthiërs 5:15-16 En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, [Dit is waar Abraham van wegging.] maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt. 16 Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees.

Ziet u wat hij hier zegt? Als God ons roept begint ons begrip, onze visie, onze indruk, ons perspectief van andere mensen te veranderen, en in plaats daarvan gaan we deze mensen door de geestelijke ogen bekijken die God ons geeft. We zouden niet langer op menselijke wijze naar hen moeten kijken, maar in feite zouden we naar hen moeten kijken vanuit het potentieel dat ze hebben, zelfs al zijn ze nog niet bekeerd. Dit geldt in nog sterkere mate voor onze medebroeders in de kerk. We hebben onze problemen nog niet achter ons gelaten, maar dat zal gebeuren, en daarom kijken we niet langer op dezelfde manier naar mensen.

2 Corinthiërs 5:16 Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.

Ons perspectief op Christus verandert ook.

2 Corinthiërs 5:17 Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

Wat hier dus met Abraham gebeurde moet ook met ons gebeuren. Abrahams denken, en daarom ook zijn leven, werd op een dusdanige manier door Gods openbaring van Zichzelf tot stilstand gebracht en een andere richting uitgestuurd, dat Abraham op een dramatische manier reageerde, omdat hij inzag dat hij niet langer kon leven zoals hij de vorige zeventig jaar had geleefd. Er moesten veranderingen plaatsvinden. Hij kon niet langer volledig voor zichzelf leven. De mensen kwamen niet langer op dezelfde manier op hem over als in die zeventig jaar, en in het bijzonder kwam zijn nieuwe God en Verlosser niet meer zo op hem over als dat vroeger het geval was, omdat er in hem een nieuwe mens werd geschapen, en daarom moest er een radicale en permanente breuk plaatsvinden met zijn vorige leven. Zijn leven had nu een nieuw Doel — Christus — waarop het gericht moest worden. Het had een nieuwe manier, een nieuwe relatie, nieuwe verlangens en nieuwe vereisten waaraan voldaan moest worden.

Vergeet niet dat Abraham een speciaal geval was. Hij is het prototype en geeft daarom een levendig algemeen voorbeeld voor al zijn geestelijke kinderen die na hem zullen komen.

Het volgende gedeelte van mijn preek bevat veel schriftgedeelten. Ik ben reeds twee minuten te lang doorgegaan, we zullen dat deel dus voor de volgende keer bewaren. We zullen de draad weer bij Abraham oppakken, omdat hij en zijn voorbeeld heel, heel belangrijk voor ons leven zijn. In het voorbeeld dat door hem gegeven werd, zitten heel wat fundamentele dingen en geestelijke wijsheid die wij ons daaruit eigen moeten maken. Ik denk dat u dat heel interessant zult vinden.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)