Geloof en het gevecht van de christen (Deel 5)

Door John W. Ritenbaugh
30 juni 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh laat zien dat zowel de populaire 'leerstelling van eeuwige zekerheid' als de 'leerstelling van geen werken' die door veel belangrijke protestantse organisaties eropna worden gehouden, volkomen onderuit worden gehaald door het opmerkelijke voorbeeld van Noach, die door de grootmoedige genade van God, gebaseerd op geloof in God buitengewone werken tot stand bracht. Evenals onze patriarchen zijn we verplicht om ijverig, met aanzienlijke opofferingen en werken een wederkerige relatie met God te zoeken, Hem boven al het andere te stellen. De weg die naar eeuwig leven leidt is het zoeken van God. Als wij gemotiveerd door geloof door werken reageren op Zijn genade, hopen zich geestelijke beloningen op. Geloof en werken, of genade en werken, zijn op geen enkele manier in tegenspraak met elkaar, maar vullen elkaar aan. Wij moeten werken alsof alles van ons afhangt, maar beseffen dat God volledig verantwoordelijk is voor ons behoud. Jezus Christus' aansporing om te vragen, te zoeken en te kloppen weerspiegelt een toenemende intensiteit van werken, eigen verantwoordelijkheid en volharding. Niemand wordt behouden zonder werken, wij zijn verplicht ijverig en in vreze onze eigen geestelijke ark te bouwen en er vertrouwen in te hebben dat God in al onze behoeften zal voorzien, op voorwaarde dat wij stoutmoedig vragen, zoeken en kloppen, en ijverig werken terwijl God voorziet in de motivatie en mogelijkheid om medewerkers van Hem te worden, met het doel om naar Zijn beeld te worden veranderd.


Wij gaan een aantal heel bekende verzen uit Jacobus 2 lezen:

Jacobus 2:20-24 Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt? 21 Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar legde? 22 Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; 23 en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. 24 Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.

Dit zijn heel bekende verzen, maar daar we zo vertrouwd zijn met deze verzen wordt hun belang misschien wel gemakkelijk over het hoofd gezien. Gemeente, zij leren ons een belangrijke waarheid over de christelijke manier van leven, en die is dat al is geloof er de basis van en is genade het middel van onze bevrijding, deze twee door werken met elkaar worden verbonden. Dit is zo omdat werken het bewijs leveren dat iemand geloof heeft en dat Gods genade inderdaad in de middelen voorziet zodat de juiste werken worden voortgebracht.

In de vier vorige preken uit deze serie zagen we dat Abels getuigenis aan ons een getuigenis is van rechtvaardiging door geloof in het bloed van Jezus Christus. Henochs getuigenis aan ons gaat over het karakter van het geloof van iemand die gerechtigvaardigd is. Dat karakter is heel eenvoudig gezegd, dat, daar rechtvaardiging een relatie tot stand brengt met God, die persoon God met zijn gehele hart zoekt om ernaar te streven in de heiligingsperiode van zijn bekeerde leven als God te worden, naar het beeld van Jezus Christus.

In mijn vorige preek in deze serie gaf ik u zeventien elementen van het christelijke leven waar geloof naar toewerkt, of die tot uiting komen in ons wandelen met God. Het belang daarvan voor ons geestelijk welzijn kan niet sterk genoeg worden benadrukt. In die preek zagen we ook dat Noach, al wordt hij slechts één keer in één vers genoemd — Hebreeën 11:7 — geestelijk geen onbelangrijk voorbeeld is van het gebruik van geloof.

Zijn voorbeeld is in het bijzonder belangrijk voor ons, omdat wij, evenals hij, in een eindtijd leven, maar gelet op de factoren van de tijd waarin hij door geloof leefde, deed hij het inderdaad heel goed, waardoor hij, zoals blijkt, gerangschikt wordt onder de meest rechtvaardige mensen die ooit hebben geleefd. Hij behield zijn geloof in God en bracht een belangrijke onderneming tot stand die 120 jaar kostte. Hij dient dan ook als voorbeeld voor ons allemaal.

Theologisch brengt dat ene vers over hem op zichzelf al bijna een aantal fouten aan het licht in de favoriete leerstellingen van het christendom, en dat zijn de leerstellingen van "eeuwig behoud" en "geen werken".

Hebreeën 11:7 laat zien dat Noachs geloof door hem niet alleen gebruikt werd om hem te motiveren tot werken, maar dat hij ook door God voor zijn werk werd beloond door hem te redden uit de verwoesting van de zondvloed. Dat voorbeeld wordt ons gegeven om te volgen en om hoop uit te putten, maar we moeten het koppelen aan vers 6 en om er gevolg, aan te geven moeten we voortdurend God zoeken. Die twee punten zijn met elkaar verbonden.

Het doel of de reden om door te gaan met Hem zoeken is onze kennis van Zijn karakter te verfijnen en bij te werken, onze persoonlijke relatie met Hem uit te bouwen en te verdiepen, Hem echt en waarachtig te kennen, zodat we meer en meer naar Zijn beeld gevormd gaan worden. Vergeet nooit wat Jezus in Johannes 17:3 zei — "God kennen is eeuwig leven." Zo belangrijk is dat.

God zoeken vereist inspanning. Dat kost heel wat zelfopoffering, maar gemeente, deze inspanning om Hem te zoeken is onze roeping geworden. In Efeziërs 4:1 zegt Paulus het volgende:

Efeziërs 4:1 Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt,

Deze oproep van hem volgt direct op een feitelijk heel ontroerend gebed dat hij voor ons allemaal uitsprak en dat het grootste deel van hoofdstuk 3 beslaat.

Een roeping is een werk. Het is een beroep. Hoe ernstig wordt dit werk verondersteld te zijn en welk voordeel zit er voor ons in, daar het een groot deel van ons leven in beslag zal gaan nemen nadat we geroepen zijn? Welk voordeel zit erin om dit te doen?

We gaan weer naar het boek Genesis. De achtergrond van dit vers is heel interessant.

Genesis 15:1 Hierna kwam het woord des HEREN tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn. [Statenvertaling: Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.]

Om kort te zijn, het voordeel of de beloning van het zoeken van God, is dat God Zichzelf aan de zoeker geeft! De manier waarop God Zichzelf geeft, gaat gepaard met alles wat Hij is en alles wat Hij zal doen. Er kan geen enkele grotere beloning zijn voor iets dat God in dit leven van ons verlangt dan voor het zoeken van Hem, omdat Hij Zichzelf geeft. Wat kunnen we nog meer verlangen? "Ik ben uw Loon, zeer groot."

Dit vers is het begin van de introductie van het verbond dat God met Abraham maakte. Dat verbond komt wat later in het hoofdstuk aan de orde. Chronologisch volgt dit vers direct op Abrahams ontmoeting met Melchisedek aan het eind van hoofdstuk 14. Daar aan het eind van het hoofdstuk vond iets heel interessants plaats. Bij die gelegenheid had Abraham duidelijk een beloning van de koning van Sodom geweigerd, een beloning voor zijn handelen ten gunste van de koning toen hij eropuit trok om Lot te redden.

Zijn weigering van een beloning van de koning was een handeling van zijn geloof in God dat hem hiertoe aanzette, omdat Abraham ervoor wilde zorgen dat God in alles binnen zijn leven voorzag. Abraham wilde geen beloning aannemen van de wereld om daardoor in enigerlei opzicht aan de wereld verplicht te worden. Hij bevestigde dus dat voor hem God het enige was dat voor zijn leven belangrijk was, en dat hij gedaan had wat hij had gedaan, omdat het op dat moment het juiste was om te doen teneinde Lot te redden.

Abraham wilde er dus voor zorgen dat de koning van Sodom begreep dat het terugwinnen van de rijkdom van de koning slechts een bijproduct was van het redden van Lot, niet het hoofddoel, en daarbij maakte hij heel duidelijk dat hij niet bij dit gebeuren betrokken was om die koning te behagen of om oorlogsbuit binnen te halen. Zijn enige doel was zijn neef te redden.

Als hoofdstuk 15 begint, bevestigt God in vers 1 aan Abraham dat hij de juiste keus maakte, en dat Hij inderdaad in al Abrahams behoeften zou voorzien. En daar voor hem voorzien ook bescherming inhield, was Hij ook Abrahams schild. Schild tegen wat? Noem het maar op. Elke vloek die tegen hem gericht zou worden, zou door God op zijn minst van het ergste worden ontdaan en op zijn best misschien wel helemaal teniet worden gedaan. Of het ziekte zou zijn, of een leger, verwoesting door het weer, of wat dan ook, God zou zijn schild zijn en dat garandeerde zijn welvaart.

We lezen weer Hebreeën 11:4-7 om ons geheugen op te frissen over wat die verzen precies zeggen.

Hebreeën 11:4-7 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. [Was God ook Henochs schild? We kunnen beter maar geloven dat Hij dat was!] Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt.

Deze verzen die de voorbeelden bevatten van het geloof van Abel, Henoch en Noach, zijn essentieel voor ons begrip van onze relatie met God, evenals de overige toepassingen van geloof door de anderen van wie de namen in Hebreeën 11 voorkomen. Het geloof van die anderen, te beginnen met Abraham (na Noach, Sara, Jakob, enzovoort) was gebaseerd op de dingen die we in de verzen 4 tot 7 zien. Dat maakte deel uit van hun fundament.

Vers 6 bevat het woord "beloner". Maar wie beloont Hij? Het vers zegt ons dat. Hij beloont hen die Hem ernstig zoeken.

We gaan weer naar het Oude Testament om een aantal schriftgedeelten te lezen om ons te helpen sommige dingen betreffende het zoeken van God te begrijpen. Het eerste is Psalm 9. Dit is een waarschuwing.

Psalm 9:17-18 De HERE deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht; in het werk van zijn handen is de goddeloze verstrikt. higgajon, sela [Het Hebreeuwse woord "higgajon" betekent "mediteren". "Denk daar eens over na."] 18 De goddelozen keren om naar het dodenrijk, al de volken die God vergeten.

Deze waarschuwing is niet gericht op hen die Gods bestaan ontkennen. Deze is niet gericht op atheïsten, maar veeleer op hen die God kennen, maar Hem vergeten, Hem over het hoofd zien, of Hem in de gang van het dagelijks leven veronachtzamen. Om deze reden is dit vers rechtstreeks op ons van toepassing. We kunnen iets dat we niet kennen, niet vergeten. Deze mensen zijn mensen die de aansporingen van de Geest weerstaan.

U zult zich nog wel herinneren wat Paulus in de brief aan de Efeziërs zei. Hij zei: "De Heilige Geest van God niet te bedroeven." Mensen die vergeetachtig zijn, mensen die nalatig zijn, bedroeven de Heilige Geest. Dit vers in Psalm 9 laat zien wat de oorzaak is dat God wordt bedroefd, en dat is niet dat ze Hem volledig verwerpen, maar dat ze Hem eenvoudig veronachtzamen. Dit zijn mensen die de aansporingen van de Geest om aandacht te schenken aan geestelijke verantwoordelijkheden, weerstaan. De verantwoordelijkheid van het zoeken van God vereist dat we Hem tot de eerste prioriteit van ons leven maken.

Er zijn schriftgedeelten die de houding laten zien waarin Hij wenst dat we Hem zoeken en Hij geeft ons deze dingen voor ons geestelijk welzijn. Het eerste dat we gaan lezen, is heel interessant. Dit staat in het hoofdstuk waarin wijsheid, die in feite God is, wordt gepersonifieerd.

Spreuken 8:17 Ik heb lief wie mij liefhebben, wie mij ijverig [Statenvertaling: vroeg] zoeken, zullen mij vinden.

Eén van de eerste dingen die we moeten weten is dat God wederkerigheid verlangt in de relatie met Hem. Dit is heel duidelijk. Hij heeft lief die Hem liefhebben. Het is moeilijk het nog duidelijker te maken dat wederkerigheid een hoofdbegrip is in onze relatie met Hem. Dit is een verantwoordelijkheid die samengaat met de genade die door Hem gegeven is en door ons is aanvaard.

Let op het woord "ijverig" [Statenvertaling: vroeg]. De Soncino is een joods commentaar en zij vertalen het woord "ijverig" met "ernstig". We kunnen het daardoor vervangen. "Zij die Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden." Als we nog wat meer naar dat woord kijken, nog wat grondiger, zullen we zien dat het "nauwgezet" of "angstvallig" betekent. Het betekent "oprecht". Het betekent "met kracht". Er zijn dus twee algemene betekenissen verbonden aan dit woord. De duidelijkste, de meest letterlijke betekenis is "vroeg" voor wat betreft op een dag, dat is bij het aanbreken van de dag. De tweede betekenis is dat, als er een activiteit bij betrokken is, het woord datgene wat er in de zin gaande is, intensiveert. Het maakt het serieus.

Die zin geeft ons ook een belofte, dat als we Hem ernstig, angstvallig en met intensiteit zoeken, dat Hij dan garandeert dat we Hem zullen vinden.

De voornaamste betekenis van het woord dat in de Statenvertaling met "vroeg" is vertaald, duidt er dus op dat zij die Hem als eerste in hun leven stellen, Hem zullen vinden. Bij het aanbreken van de dag. Het allereerste wat zij doen als ze opstaan, is God als eerste stellen. Hij zal Zich aan hen openbaren en zij zullen Hem leren kennen en dit leidt tot eeuwig leven.

Ik ben nog niet klaar met de Soncino, omdat het een interessant commentaar op dit vers bevat. Hun commentaar zegt het volgende: "De wijze [hiermee wordt degene bedoeld die dit vers bedacht] erkent de morele verantwoordelijkheid en het potentieel van de mens [duidend op het ontzagwekkende potentieel van de mens] ten volle, de grootste gave van leven ligt binnen handbereik van ieder mens."

De grootste gave in het leven van de mens is eeuwig leven, maar de weg die tot eeuwig leven leidt, is het zoeken van God.

We slaan nu Psalm 119 op als voorbeeld. Wie ook de auteur van Psalm 119 mag zijn, hij zegt:

Psalm 119:10 Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen.

In Psalm 27 wordt nog een voorbeeld gegeven:

Psalm 27:4 Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel.

Dit vers is in feite een bevestiging van Spreuken 8:17 over het angstvallig zoeken van God, enzovoort. Dit vers maakt duidelijk dat David God in alle ernst zoekt. Voor hem was dat geen onbelangrijke aangelegenheid. Er wordt, zoals we hier kunnen zien, met een resolute, ernstige, plechtige en consequente vurigheid gezocht naar vervulling van zijn verlangen.

Interessant genoeg sprak ook Jesaja hier over.

Jesaja 55:1-3 O, alle dorstigen [die naar God, naar Gods woord dorsten], komt tot de wateren [duidend op Gods woord, Gods Geest], en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel [uw leven] zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David.

Wat zegt God ons hier? Hij zegt ons dat het zoeken van Hem zonder geld kan worden uitgevoerd. Het is niet iets dat in materieel opzicht kostbaar is. Iedereen kan dat binnen zijn omstandigheden doen; echter het betekent niet dat het niet kostbaar is, omdat het wèl kostbaar is, maar het is kostbaar in andere opzichten.

Het vereist een aanzienlijke zelfopoffering van de menselijke natuur die er altijd op uit is iets anders te doen en zich aan andere prioriteiten over te geven. Bedenk dat Spreuken 8:17 zegt dat als we dit doen, we Hem zullen vinden. Dit is zo, omdat Gods beloning voor de zoeker is, dat Hij Zich in steeds groter detail zal gaan openbaren, terwijl Hij tezelfdertijd voorziet in alle fysieke en geestelijke behoeften.

In vers zeven wordt in deze context nog een ander voordeel vermeld.

Jesaja 55:7 De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.

Hij zal ons vergeven als we in contact met Hem blijven, Hem blijven zoeken. Zoals God laat zien, deed bijna niemand dit beter dan Noach, en hij deed dit in soortgelijke tijden als waarin wij leven.

Het aspect van belonen dat we in Hebreeën 11:6 zien, wijst terug naar Henoch en vooruit naar Noach in vers 7. Ze werden allebei beloond voor hun werken van het zoeken van God, doordat ze werden bevrijd uit omstandigheden die dodelijk bedreigend waren. Deze vorm van beloning door God is werkelijk niets meer dan een voortdurende vergroting van Zijn genade.

Met andere woorden als Hij ons genade geeft en wij reageren door Hem te zoeken, blijft de genade naar ons toe vloeien. Deze versterkt en breidt Zijn oorspronkelijke openbaring van Zichzelf uit, welke ons in Zijn roeping gegeven werd. Dat moet zo zijn, omdat onze relatie met Hem niet eenzijdig moet zijn.

Denk eens na over relaties in menselijke termen. Mannen en vrouwen, denk eens na over uw relatie met uw echtgenoot. Degenen onder ons die over een huwelijk denken, die willen uitgaan met de andere sekse, denk eens in menselijke termen na over jullie relaties. Bent u ooit betrokken geweest bij iemand anders, of een andere groep, of andere personen waar u een relatie mee wilde hebben, maar alle inspanningen om de relatie tot een succes te maken moesten van uw kant komen? Dat werkt niet. Dat is op zijn zachtst gezegd frustrerend, omdat u zich afgewezen zult voelen. Als de ene kant alleen maar neemt en de andere kant alleen maar geeft, is het een relatie die nergens op uit zal draaien, en binnen het huwelijk eindigt dat in een scheiding.

Ziet u, de allerbeste relaties vereisen wederkerigheid. Daarom zei God om te beginnen: "Ik heb lief die Mij liefhebben." Maar Hij laat dit als eerste zien doordat Hij voor ons stierf toen wij nog zondaars waren. Hij brengt dus de bal aan het rollen. Hij vergeeft ons. Hij geeft ons Zijn Geest, maar Hij verwacht van ons dat we die Geest gebruiken om een relatie te ontwikkelen. Hij wil dat de liefde tot Hem terugkomt, zodat de relatie zal groeien.

"Genade en werken" en "genade en beloning" gaan dus absoluut samen als noodzakelijke onderdelen van hetzelfde proces, maar dat proces is de voortgaande ontwikkeling van een familierelatie met God, en eveneens met onze broeders en zusters binnen de gemeente. Het is het proces waarvan de grootste beloning of het grootste voordeel volledig en algeheel behoud is in Gods familie door middel van de opstanding.

De kwaliteit van de relatie geeft er bewijs van dat iemand tot de familie behoort, en terwijl zo iemand verder gaat met zijn leven, blijft God zo iemand almaar belonen, of zoals we zouden kunnen zeggen "zegenen". Zijn grootste zegeningen zijn geestelijk en worden gegeven om de zich ontwikkelende relatie te blijven versterken. Bedenk dat we voor altijd met Hem zullen gaan samenleven en daarom wil Hij dat de relatie groeit.

Hoe zegent Hij ons? Hij aanvaardt ons voor Zijn aangezicht. Hij vergeeft ons. Hij geeft ons kennis van Zijn karakter en begrip van Zijn wil. Hij geeft ons wijsheid om te weten wat te doen, een gevoel van welzijn, gemoedsrust, visie om de weg te blijven volgen, bescherming tegen rampspoed, genezing, en Hij voorziet in honderden omstandigheden, enzovoort, enzovoort, zonder einde.

Genade en werken zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ze werken elkaar niet tegen, maar juist samen, evenals Gods soevereiniteit en de verantwoordelijkheid van de mens jegens die grote verantwoordelijkheid. Hier hebben we God helemaal daarboven en hier hebben we de mens helemaal hier beneden, en ze zijn verantwoordelijk ten opzichte van elkaar. Geloof en werken staan niet tegenover elkaar. Zij horen bij elkaar, zelfs al schijnen ze bij de eerste gedachte tegengesteld te zijn, maar er zijn in de Bijbel heel wat dingen waarvan we in eerste instantie denken dat ze niet bij elkaar behoren. Zoals bijvoorbeeld in Johannes 13. Dit staat in het hoofdstuk waar Jezus de voeten van de discipelen waste. Let op wat Hij zegt.

Johannes 13:13-16 Gij noemt Mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. 14 Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; 15 want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb. 16 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender.

De implicatie hiervan is als volgt: Christus is tezelfdertijd zowel Heer als dienaar. Hij is onze Baas. In één opzicht is Hij onze dienaar door zorg voor ons te dragen. Twee kanten van dezelfde medaille. Deze zijn in geen enkel opzicht méér tegengesteld aan elkaar dan genade en werken.

In de gemeenschap van de kerk kan iemand zowel een broeder als een dienaar zijn, en dat behoort zo ook te zijn. Geloof is het motiverende fundament. Werken zijn er het gevolg van. Binnen een gezin verkeren de ouders feitelijk in een positie die in relatie tot hun kinderen overeenkomt met die van God, maar tezelfdertijd zijn ze ook dienaren van hun kinderen. Zij zorgen voor hen.

Laten we Colossenzen 3:22 opslaan. Dit is waarschijnlijk een vers waar we over na moeten denken, maar desondanks zullen we het lezen.

Colossenzen 3:22-24 Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles, niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien, maar met eenvoud des harten in de vreze des Heren. 23 Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen; 24 gij weet toch, dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer.

We moeten hard werken, omdat we Christus dienen. We moeten werken alsof alles in ons behoud afhangt van wat wij doen, en toch weten we aan de andere kant, en we weten dat we dat weten, dat behoud iets is dat gegeven wordt. Het kan niet worden verdiend. Behoud is dus, en Hebreeën 11:6 bevestigt dat, tegelijkertijd zowel een gave van God als een beloning voor de christen die werkt.

Wat gebeurt er als één van deze aspecten ontbreekt? Wat als genade ontbreekt. Als God geen genade geeft, is er voor de werker niets om te ontvangen. Aan de andere kant als iemand niet werkt, is er niets op basis waarvan hij iets kan ontvangen. Daarom doet Christus hier en daar enkele interessante uitspraken. Ik ga er één van lezen.

Mattheüs 7:23 En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

Zij deden niets. Hier is geen behoud. Maar zou Hij hetzelfde zeggen tegen iemand die genade had ontvangen en wel werkte? Nee, dat zou Hij niet.

Kijk hoe duidelijk het volgende schriftgedeelte is. Wil Jezus dat we werken? Hier hebben we een opdracht.

Johannes 6:27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.

Dit is degene die om die reden werkt. Zij die Christus volgen, moeten werken.

Het volgende schriftgedeelte is min of meer interessant.

Lucas 13:24 Strijdt om in te gaan [in het Koninkrijk van God] door de enge [of de moeilijke] poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.

Hier geeft Hij een vrij goede aanduiding van de intensiteit die nodig is om de moeilijke poort in te gaan. We kunnen dit vers ook koppelen aan Spreuken 8:17, omdat er intensiteit bij betrokken is. Het woord dat met "strijdt" is vertaald, betekent in het Grieks letterlijk "vreselijk lijden". Moderne vertalingen hebben het enigszins verzacht. De NBV bijvoorbeeld heeft dat ene woord vertaald met "doe alle moeite".

Het niet voortbrengen van de juiste vrucht, waar Hij het in Mattheüs 23 over had, of op onachtzame wijze in het geheel niets doen, worden allebei door God beschouwd als ongerechtigheid of wetteloosheid.

Ondanks dat duidelijk van de christen wordt verwacht dat hij werken doet, ondanks het feit dat dit vereiste ons meestal bij de grenzen van ons geduld of onze energie of onze geestelijke mogelijkheden brengt, moeten we altijd begrijpen dat iemand in dit leven nooit, ondanks al zijn inspanningen, behoud zal verdienen. De vraag is dan: "Waarom?" In het verdere van deze preek zullen we zien, dat dit zo is, omdat God de Schepper alles teweegbrengt. Van ons wordt alleen maar verlangd dat we reageren. We gaan door en zullen dit dan verder uitdiepen.

Bedenk wat Paulus in Filippenzen 2:12-13 zei. Hij zei: "Want God is het, die zowel het willen als het werken in u werkt." Daarom moeten we Hem voortdurend zoeken. Niet zoeken om Hem te vinden, maar zoeken om te kennen, zodat we meer van Hem te weten komen, meer van Hem gaan begrijpen en dan door geloof reageren om de juiste werken te doen.

Onze werken zullen nooit verdienstelijk genoeg zijn om te verdienen wat Hij ons geeft. Hij beloont ons, omdat het Zijn karakter is dat te doen. Hij doet dat, omdat het goed voor ons is. Zijn beloning corrigeert, reinigt, verandert, bemoedigt en versterkt hen die Hem zoeken. Zijn beloning heeft altijd doelen die veruit gaan boven iets wat we slechts verdiend hebben.

Lucas 11:5-13 En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, die midden in de nacht bij hem komt en tot hem zegt: Vriend, leen mij drie broden, 6 want een vriend van mij is op zijn reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten; 7 en dat dan hij, die binnen is, zou antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig, de deur is reeds gesloten en mijn kinderen en ik zijn naar bed; ik kan niet opstaan om ze u te geven. 8 Ik zeg u, zelfs al zou hij niet opstaan en ze geven, omdat hij zijn vriend was, om zijn onbeschaamdheid [vasthoudendheid] zou hij opstaan en hem geven, zoveel hij nodig heeft. 9 En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. 10 Want een ieder, die bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden. 11 Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? 12 Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? 13 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?

Bedenk dat ik zei dat God de genade door laat vloeien naar hen die Hem zoeken.

Hier hebben we een heel bekend principe dat een diepgaande betekenis heeft binnen dit onderwerp betreffende geloof en werken. Eén van de hoofdthema's van de bergrede, waarin dit onderwijs bijna aan het eind ervan ook voorkomt, is Gods voorzienigheid. We zijn hier niet in de bergrede. Met andere woorden wat ik zeg is, dat hetgeen waar we het hier over hebben op beide plaatsen voorkomt.

Alle drie de bevelen — vraag, zoek en klop — impliceren het gebruik van iemands geloof, God vertrouwen in onze behoeften, in onze middelen van bestaan te voorzien. In Lucas 11 blijkt het onderwerp gebed te zijn. Volhardend gebed is een werk dat van christenen wordt vereist. Jezus gebruikte deze zelfde aansporing in de bergrede in Mattheüs 7, waar het onderwerp oordelen is. Op juiste wijze oordelen is een ander werk dat van christenen verlangd wordt.

Vragen, zoeken en kloppen zijn allemaal vormen van werken om door geloof een onderzoek te doen met het doel om iets te verwerven dat men niet heeft. Dat is binnen deze illustratie heel duidelijk. Die persoon had geen brood. Hij wilde wat brood en hij begon er dus om te vragen.

Jezus rangschikte in deze gelijkenis deze geboden — vraag, zoek en klop — in een langzaam oplopende schaal van intensiteit en Hij verzekert ons ervan dat God hen die doen wat Hij zegt, zal belonen door in hun behoeften te voorzien, of die behoefte nu klein is of zelfs even groot als behoud zelf.

We gaan nu wat dieper in op deze drie woorden. Het eerste is "vraag". Let erop dat de intensiteit langzaamaan toeneemt.

Vragen impliceert nederigheid en het zich bewust zijn van een behoefte. De handeling van vragen draagt het gevoel met zich mee van een ondergeschikte die een meerdere om iets smeekt. Degene die vraagt maakt zijn behoefte bekend en is dus de ondergeschikte. Degene aan wie gevraagd wordt, suggereert de mogelijkheden te hebben om te geven en is dus in dit geval de meerdere. In een andere omstandigheid zou de positie van die twee mensen net andersom kunnen zijn, maar degene die vraagt is de ondergeschikte. Degene die het vermogen heeft om in de behoefte te voorzien, is de meerdere.

Het is interessant dat in Jezus' gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar in Lucas 18, de Farizeeër in zijn gebed God om niets vroeg. Totaal niets. Veeleer vertelt hij God hoe goed hij is. "Ik vast tweemaal per week", enzovoort, enzovoort. Aan de andere kant pleit de tollenaar bij God om de barmhartigheid die hij nodig heeft, omdat hij zich heel goed bewust is dat hij een zondaar is.

Het feit dat iemand vraagt, veronderstelt een mate van geloof, omdat we God vragen, met Wie we tenminste een bepaalde mate van omgang kunnen hebben. Dit soort communicatie duidt erop dat er reeds een relatie bestaat, vragen verwijst dus op zijn minst naar de verwachting van een antwoord. Als we iemand dus iets vragen, zijn we er vrij zeker van dat er een of ander antwoord zal komen.

Het volgende woord — zoeken — verhoogt de intensiteit een beetje. Zoeken is vragen plus handelen. We zoeken niet door niets te doen. Jezus zegt ons ronduit dat vragen op zichzelf niet voldoende is. We moeten ook iets ondernemen om te verkrijgen waar we om vragen. Ik weet dat we allemaal het spreekwoord kennen dat zegt: "God helpt hen die zichzelf helpen." Dit is waar. Het is bijbels waar.

Johannes 5:39 Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen,

Zo meteen zal ik hier iets meer over zeggen.

Handelingen 17:11 en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen of deze dingen zo waren.

Laten we zeggen dat we God om kennis vragen, of om begrip, of om wijsheid. Jezus' instructie ter harte nemend, kunnen we — als we verwachten een antwoord te ontvangen — er beter ook maar wat zoekwerk naar doen, door er zelf over te studeren en te mediteren. Ik zal u een voorbeeld geven. Salomo vroeg om begrip, maar de Schriften laten tegelijkertijd ook zien dat hij ernaar zocht en hij verzamelde duizenden spreuken. Snapt u waar het om draait? "Zoeken" is vragen en er iets aan doen. Als we dus om vergeving vragen, zijn we dan tegelijkertijd actief door ernaar te streven een einde te maken aan de zonden waar we ons bewust van zijn? Als we om genezing vragen, werken we er dan serieus aan ons gezondheidsprobleem uit ons zelf al te verbeteren? Als we om een baan vragen, zoeken we er dan ook ijverig naar?

Mattheüs 7:21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.

Jezus zei dat zij die vragen en doen, in het Koninkrijk zullen zijn. Dat krikt de zaak een beetje omhoog.

Nummer drie is "kloppen". Dit woord voegt nog een dimensie toe aan het principe dat Jezus hier aan de orde stelt. Het principe wordt: vragen, plus handelen, plus volharden.

Het woordbeeld in Lucas 11 is van iemand die aan de deur staat en die moet kloppen, kloppen, kloppen, kloppen, kloppen, kloppen, kloppen, kloppen, kloppen totdat de bewoner uiteindelijk uit zijn bed komt en misschien wel uit frustratie de deur opent en zegt: "Hé, joh! Ik zal je wel wat brood geven. Stop met dat kloppen!" Ziet u, "kloppen" duidt op vasthoudendheid, volharding door de moeilijkheid heen.

Eén commentator die ik raadpleegde, voegde hier iets toe dat ik nogal interessant vind. Hij zei dat alle drie deze geboden — vraag, zoek, klop — in de tegenwoordige tijd geschreven zijn, en binnen de context suggereert hij dat Jezus' instructie hier mogelijk vertaald zou kunnen worden met: "Ga door met vragen. Ga door met zoeken. Ga door met kloppen." Let erop hoe Jezus dit in Lucas 18:1 versterkte.

Lucas 18:1 Hij sprak een gelijkenis tot hen met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen [of niet opgeven].

Lucas 18:7 Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten?

Verlies de moed dus niet. Blijf doorgaan. Dit is iets dat in veel gedeelten van de Schrift terug te vinden is.

Romeinen 12:12 Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed,

Efeziërs 6:18 En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen;

Merkte u op dat elk gebod — vraag, zoek en klop — gevolgd wordt door de zekerheid van een belofte? "Vraagt [bidt] en u zal gegeven worden." "Zoekt en gij zult vinden." "Klopt en u zal opengedaan worden." In het algemeen moedigt Jezus ons dus aan elk van deze werken te doen — vragen, zoeken, kloppen — en daarin volhardend te zijn. Wees geen zeurpiet, maar aan de andere kant ga door. "Zeg God, hier ben ik weer." Soms voelen we ons nogal dwaas, alsof we een zeurpiet zijn, maar Hij zegt ermee door te gaan.

Een kleine waarschuwing. Zelfs al doen we dit, dan betekent dit niet dat we altijd zullen krijgen waar we om vragen, wat we willen, omdat als we hier andere factoren van andere plaatsen in de Schrift aan toevoegen, we geleid worden tot het begrip dat God altijd zal antwoorden, en Hij zal ons altijd geven wat we nodig hebben, maar niet noodzakelijkerwijs dat waar we om vragen, omdat dat waar we om vragen misschien niet goed voor ons zal zijn. Het is misschien op dat moment wel niet goed. Later misschien wel, maar nu, op dit moment, is het niet zo goed. Volhardend gebed is dus een werk van geloof en het is een werk van Hem ijverig zoeken evenals Abel, Henoch en Noach dat deden, en gemeente, het zal worden beloond.

In deze preek richten we ons op Hebreeën 11:7 en Noach is min of meer op de achtergrond geraakt. Van nu af aan zullen we ons met Noach bezighouden, omdat hij deze principes in praktijk bracht. Daar ben ik absoluut zeker van, want anders zou hij niet zo hoog op Gods standaard van gerechtigheid staan. Vers 7 richt zich op Noachs geloof, werk en zijn beloning voor dat werk. Nu een vraag. Zou Noach zonder Gods genade behouden zijn geworden?

Genesis 6:5-8 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

Dit bereidt de weg voor Noachs roeping en deze weg, als we de gehele context zouden lezen, zou vervuld zijn met een nooit eindigende, gewelddadige verdorvenheid waarin ook Noach en zijn gezin betrokken waren, omdat we moeten begrijpen dat Noach en zijn gezin deze roeping en Gods genade op geen enkele wijze verdienden. In één opzicht was hij niet meer dan een gewone jongen, niet bijzonder slecht; in feite kan hij, wat de Bijbel noemt, een oprecht mens zijn geweest, maar hij was ook een zondaar. Er staat namelijk in Romeinen 3:10: "Niemand is rechtvaardig, ook niet één." Dat is inclusief Noach.

Dus evenals voor iedereen, was Noachs roeping volledig te danken aan Gods doeleinden en handelen. Het antwoord op de vraag is dus "nee". Als God Noach geen genade had gegeven, was er geen behoud geweest, omdat Noach niet rechtvaardig genoeg was om die genade te hebben verdiend. Dit is het begin van wat ik eerder zei, dat alles wat God doet, veroorzaakt wat de mens doet. Zonder Gods genade zou Noach niet van de zondvloed zijn gered. Dat opent dan de weg voor een tweede vraag. Zou Noach zonder zijn werk van het bouwen van de ark zijn gered?

We weten dat God vrij barmhartig, vrij vriendelijk, vrij edelmoedig is, maar ik denk niet dat we even positief kunnen zijn met een antwoord op deze vraag. Het antwoord schijnt dan ook een heel sterk "nee" te zijn.

Laat me nog een vraag stellen. Zal God mensen belonen voor het doen van kwaad? In Amerika doen we dat. Illegalen stromen over de grens en we willen hen welkom heten en hun het staatsburgerschap verlenen. Wij belonen mensen voor het doen van kwaad. God zou nooit zoiets doen.

Laten we een ander schriftgedeelte opslaan. Ik wil u laten zien hoever dat reikt. Ik heb dit schriftgedeelte een aantal verschillende keren aangehaald. Het maakt deel uit van de gelijkenis van de talenten.

Mattheüs 25:24-26 Nu kwam ook hij, die het ene talent [een gave van Gods genade] ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid. 25 En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de grond verborgen; hier hebt gij het uwe. 26 En zijn heer antwoordde en zeide tot hem: Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid?

Niets doen met Gods gave is slecht. Zo belangrijk zijn werken. Als God ons de gelegenheid geeft, verwacht Hij van ons daarop te reageren. "Gij slechte en luie slaaf" zijn heel sterke bewoordingen. Daarom verschaft Hebreeën 11:7 mensen die de gedachte van "geen werken" aanhangen, serieuze theologische problemen. Waarom? Omdat zij weten dat het principe vervat in dit vers moet worden toegepast op ieders behoud, niet alleen op dat van Noach. Op het behoud van iedereen!

Met andere woorden niemand wordt zonder werken behouden. Iedereen die door God geroepen wordt, zoals Noach, om genade te ontvangen, verdient de roeping niet. Hij wordt geroepen uit een wereld vervuld van slechtheid en dus moet iedereen werken van gerechtigheid doen teneinde zijn persoonlijke ark te bouwen, evenals Noach dat deed.

Genesis 6:14-22 Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15 En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. 16 Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken. 17 Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. 18 Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u. 19 En van al wat leeft, van alle vlees, van alles zult gij één paar in de ark brengen om het met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje zullen zij zijn. 20 Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal één paar tot u komen om het in het leven te behouden. 21 En gij, neem u van alle voedsel, dat gegeten wordt, en verzamel het bij u, opdat het voor u en voor hen tot spijze zij. 22 En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij.

Dit heeft een relatie met Hebreeën 11:7, omdat daar staat dat Noach de ark eerbiedig [Statenvertaling: bevreesd geworden zijnde] toebereidde. Dit was het resultaat van Noachs geloof, het feit dat hij God geloofde. Ik bedoel dat wat hem tot actie aanzette. Dat kwam samen met de genade tot hem. De Griekse woorden in Hebreeën 11 die in de Statenvertaling vertaald zijn met "bevreesd geworden zijnde", zijn ongewoon, omdat ze op alles betrekking hebben van voorzichtig zijn, behoedzaam zijn, zelfs achterdocht, tot handelen met heilige eerbied, vandaar dat het woord "bevreesd" wordt gebruikt; deze woorden omvatten heel wat beroering die er binnen Noachs denken kan hebben plaatsgevonden.

Ik ben er zeker van dat het Gods bedoeling is dat wij die woorden "bevreesd geworden zijnde" binnen dat hele spectrum moeten begrijpen, omdat de gelovende Noach ongetwijfeld een zekere mate van angst moet hebben gehad, die in hem het verlangen deed opkomen zichzelf en zijn gezin te redden van een vernietiging die naar hij geloofde zou gaan plaatsvinden, en tegelijkertijd ben ik er zeker van dat hij zich overmand voelde. "Hoe ga ik dat in vredesnaam doen?" Kunt u zich dat voorstellen? En toch overwon hij tezelfdertijd die dingen en volgde hij de door God gegeven stimulans om een diepgaand ontzag te hebben voor Gods woord tot hem. Zodoende kwam hij, zoals vers 22 zegt, in actie.

Het resultaat van de gegeven genade was zijn geloof in de waarschuwing, en de actie die hij ondernam was dat hij de ark bouwde, waardoor het leven van zijn gezin werd gered. We hebben hier een formule, maar het verhaal is nog niet compleet.

Filippenzen 4:13, 19 Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft. ... 19 Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus.

Dit betekent niet dat iemand alles kan doen wat hij wil. Het betekent echter dat God in al onze behoeften zal voorzien binnen het project waaraan Hij ons doet werken. Laten we nog enkele voorbeelden bekijken betreffende Noachs behoefte om de ark te bouwen.

We gaan terug naar Genesis 6. We hebben deze verzen zojuist gelezen, maar we lezen ze nog een keer.

Genesis 6:13-16 Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. 14 Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15 En zó zult gij haar maken: driehonderd el zal de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en dertig el haar hoogte. 16 Gij zult aan de ark een lichtopening maken, en een el van boven af zult gij die afwerken, en de ingang der ark zult gij in haar zijkant aanbrengen; met een onderste, een tweede en een derde verdieping zult gij haar maken.

Bent u zich ervan bewust dat het tot de twintigste eeuw duurde voordat de mens schepen van deze omvang bouwde? De ark was een grote boot. Feitelijk was het een geweldig grote woonboot. Het was inderdaad een heel groot project.

Ik denk dat we hier genoeg vinden om te begrijpen, in het bijzonder als we Filippenzen 4:13-19 begrijpen, betreffende: "Ik vermag alle dingen in Hem [Christus], die mij kracht geeft", dat Noach hier een goed voorbeeld van is. Had hij ooit eerder een boot gebouwd? Nee. Er is geen aanwijzing dat hij ooit een boot had gebouwd. Er is geen aanwijzing dat het tot die tijd ooit had geregend. Er is geen echte aanwijzing dat iemand ooit een boot had gebouwd. Hoe gaat u iets doen dat nooit eerder is gedaan?

Waar moest God Noach dus van voorzien? Dit laat zien dat God ons precies genoeg vertelt om te weten dat Hij hem van een ontwerp voorzag. Hoe deed Hij dat? Zei God: "Luister eens, toevallig heb ik deze blauwdrukken bij me. Hier heb jij ze." Nee. Dat is niet de manier waarop God laat zien dat Hij werkt. "Vraag." "Zoek." "Klop." Noach sloeg zich waarschijnlijk voor het hoofd. "Wat moet ik gaan doen?" U kunt er zeker van zijn dat hij God vroeg: "Wat denkt u ervan, kunt u me niet een beter ontwerp geven?"

Ik denk dat we er vrij zeker van kunnen zijn dat terwijl Noach aan het zoeken was, dat hij pen en papier opzocht en dingen begon te tekenen. Misschien was er iemand in het dorp, iemand in de stad, die Noach waarschijnlijk had opgezocht — iemand met een technische aanleg die hem mogelijk zou hebben kunnen bijstaan. We kunnen er ook zeker van zijn, dat daar God zegt dat als we vragen, we zullen ontvangen, en als we zoeken, we zullen vinden, en als we kloppen, we opengedaan zullen worden, dat God er zou zijn om iemand te inspireren tot een ontwerp om hem te helpen.

Noach moest in alles dezelfde processen doorlopen. Waar moest hij de arbeidskrachten vandaan halen? Waar moest hij de spijkers, de pluggen, de lijm, en wat er nog meer nodig was om het schip te bouwen, vandaan halen? Dit was een gigantisch project. Het is geen wonder dat het hem 120 jaar kostte om het uit te voeren. Het kan zijn dat hij daarnaast een baan had om te prediken. Hij werd "een prediker der gerechtigheid" genoemd.

Misschien was Sem een goede technicus. Misschien kon één van de anderen goed met hout werken en iemand anders in het gezin had weer een andere gave, en daar kon Noach dus gebruik van maken, maar hij moest zijn verstand gebruiken. Hij moest werken door te vragen, te zoeken en te kloppen, en God bleef antwoorden en Hij gaf Noach wat hij nodig had. Maar we kunnen zien dat het project 120 jaar in beslag nam. Het was niet iets waarop God in alles wat Noach nodig had om de boot te bouwen, binnen de tijd van een week antwoordde. We kunnen er zeker van zijn dat Hij Noachs geduld en zijn volharding werkelijk op de proef stelde. En niet te vergeten alle verdrukking die hij het hoofd moest bieden terwijl dit allemaal gaande was. Er moet werkelijk heel wat verdrukking zijn geweest.

Er waren enkele dingen die Noachs capaciteiten te boven gingen en God nam op wonderbaarlijke wijze die dingen voor Zijn rekening. God bracht de dieren naar de ark. Ik kan me dat voorstellen als iets dat als Noach het zelf zou proberen, dit zou lijken op het proberen een troep katten te hoeden. Hebt u ooit geprobeerd zoiets te doen? Katten gaan alle kanten uit, waar ze maar willen. Dat is echt frustrerend. Schapen kunnen worden gehoed. Geiten kunnen worden gehoed. Geiten zijn weliswaar wat moeilijker te hoeden dan schapen, maar met katten is het onmogelijk! Die moet je gewoon oppakken en daar brengen waar je ze hebben wilt.

Let nu eens op een bijzonder vers, Genesis 8:1.

Genesis 8:1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde strijken, zodat de wateren daalden.

Het gaat me om de woorden "toen gedacht God Noach". Neem hun hulpeloosheid eens in overweging. Zelfs al komen deze woorden voor op een moment dat de zondvloed al gaande was, geven deze woorden "toen gedacht God Noach" de indruk dat ze helemaal teruggaan naar het moment waarop dit allemaal begon, temidden van alle verwarring en slechtheid en gewelddadigheid, voordat God ooit Noach genade gaf. God zegt hier dat ongeacht het stadium waarin dit plaatsvond, God Noach gedacht. Hij antwoordde Noach terwijl Noach met deze dingen bezig was.

Toen de zondvloed eenmaal van start ging, werd dit in het bijzonder belangrijk, omdat er niet alleen maar geweldige hoeveelheden water vanuit de hemel omlaag kwamen, maar er waren ook geologische krachten aan het werk. De aarde kwam in beweging. De kolken der grote waterdiepten duiden op een geweldige aardbevingsactiviteit waarin geweldige massa's land tegen elkaar aan botsten waardoor ondergrondse waterreservoirs naar boven spoten. Daar water zijn eigen niveau zoekt, moeten zich massale stortvloeden omlaag hebben gestort de dalen in. Dit moeten categorie 5 rivieren zijn geweest die alles met zich mee sleurden.

Er is geen aanwijzing dat de ark een machine, een mast, een zeil, een roer, of zelfs een stuurwiel om te navigeren had. Het was gewoon een geweldig groot schip, gebouwd om te drijven en het was altijd aan de genade van de stortvloeden overgeleverd. De zondvloed was uitzonderlijk tumultueus, maar God was er en Hij gaf Zijn speciale aandacht aan het werk dat Hij Noach had opgedragen.

Wat hebben we hier dus? God riep Noach. God gaf de waarschuwing. God gaf Noach het ontwerp. God voorzag hem van het materiaal. God voorzag in de arbeidskrachten. God bracht de dieren en zorgde ervoor dat ze in de ark kwamen. God sloot de deur. God bracht de zondvloed tot stand. God bewaarde hen tijdens de zondvloed in een schip dat niet de beschikking had over een stuurmogelijkheid, of een mast, niets in dat opzicht. De Eeuwige was er. Snapt u waarom het om draait? Hij is op dezelfde manier met ons.

1 Corinthiërs 3:5-10 Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom. 7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. 8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk. 9 Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij. 10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.

Dit betekent met betrekking tot Noach, dat Noach op uitstekende wijze gebruik maakte van de middelen die God voorschreef en waar Hij voor Zijn doeleinden in voorzag, te beginnen met de genade die Hij gaf. Op soortgelijke manier werken wij samen met God, maar God alleen geeft de voortgang aan het project waar Hij ons bij betrekt. Dit allemaal met elkaar bracht Noachs behoud voort. Laten we dit koppelen aan ons behoud.

2 Corinthiërs 6:1 Maar als medewerkers (Gods) vermanen wij u ook de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen,

Wij zijn medewerkers van God, maar tezelfdertijd kunnen we de genade van God tevergeefs ontvangen, erop duidend dat deze nutteloos voor ons is omdat er niets mee wordt gedaan. Noach deed dat niet. Wat zou er gebeurd zijn als Noach na genade te hebben ontvangen en de daarmee gepaard gaande waarschuwing, had besloten dat het project te veel, te groot was om zich druk over te maken en bovendien had het nog nooit geregend. Wat als hij zou hebben gezegd: "Ik geloof dat ik maar gewoon op Gods genade vertrouw"? Dan zou het niet goed zijn afgelopen. Wat als hij zich had laten afleiden? Het was een eindtijd. Er was een ontstellende hoeveelheid dingen gaande.

Gaat u het plaatje zien? Geen werk, geen ark, geen behoud. Noach zou sterven.

Laten we nu 2 Corinthiërs 5 opslaan. Hier, gemeente, hebben we onze ark.

2 Corinthiërs 5:21 Hem [Christus], die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.

Het sleutelwoord voor deze preek is "gemaakt". Dit duidt op schepping. De ark werd geschapen. Onze ark is gerechtigheid — de gerechtigheid van God, dat we de gerechtigheid van God worden.

Titus 2:11-14 Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, 12 om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, 13 verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, 14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.

"Genade" is Paulus' collectieve woord dat veel aspecten omvat van Gods vrijelijk gegeven goedertierenheid. Voor hen onder ons die in staat zijn over genade na te denken, is het een gave die ons onderwijst. Het onderwijst ons vier kolossale waarheden.

(1) Het onderwijst ons in welke manier en houding we ons leven rechtvaardig en godvruchtig moeten leiden.

(2) Het onderwijst ons dat we al uitkijkend naar Christus' wederkomst moeten leven. Met andere woorden een christen wordt een ziener.

(3) Het onderwijst ons over ongerechtigheid en verlossing. Een andere manier om dit te zeggen is, dat het de christen onderwijst een diepe waardering te hebben voor waarvan hij is gered.

(4) Het onderwijst ons dat we ijverig moeten zijn in het doen van goede werken zoals God die voorschrijft. Een andere manier om dit te zeggen is, dat het ons onderwijst te reageren als een levend offer en op die manier God te behagen.

Noach schiep een ark die voorzag in een fysiek middel om aan zijn eindtijdverdrukking te ontkomen. Wij werken eraan in Christus Jezus geschapen te worden, naar het beeld van Zijn geestelijk karakter. Deze schepping zal blijken onze redding te zijn uit onze eindtijdverdrukking.

Gods genade draagt ons door de gehele gang van zaken, van begin tot eind. Noachs ark en onze gerechtigheid worden alleen maar gebouwd vanwege Gods gaven van genade. God gedenkt ons, evenals Hij dat met Noach deed. Al zijn onze werken noodzakelijk voor deze schepping, niemand zal ooit eerlijk kunnen beweren dat hij het op zichzelf deed, of dat het hem verschuldigd was. Alles wat men doet is meewerken. Genade en werken behoren absoluut bij elkaar. Genade en geloof zijn de oorzaak. Werken zijn het gevolg en de twee samen brengen behoud in Gods Koninkrijk voort.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)