Geloof en het gevecht van de christen (Deel 4)

Door John W. Ritenbaugh
19 mei 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat God Zijn geestelijke schepping begint met genade, omdat het loon der zonde de dood is, en opdat alle geroepenen voor altijd bij Hem in de schuld zouden staan. Als gevolg daarvan zullen Gods geroepenen nederigheid en geloof toepassen in het zich voegen naar God. Geloof is verantwoordelijk voor niet minder dan zeventien aspecten van heiliging, inclusief toegang tot God, gerechtvaardigd worden, hoop hebben op de heerlijkheid van God, God verheerlijken in gedrag, God behagen door onze werken, wandelen in nederigheid en oprechtheid, het wonen van Christus in ons hart, door ervaring heen geheiligd worden, vrijheid hebben van spreken, het vechten van de goede strijd en het overwinnen van de wereld. Noach werd behouden omdat hij werken uitvoerde die door geloof werden gemotiveerd. Het naderen tot God vereist rechtvaardiging (volgend op nederige bekering), heiliging (het zich actief aanpassen aan het beeld van Christus, het voortdurend wandelen met en zoeken van God) en verheerlijking volgend op de opstanding. Evenals Abel, Abraham, Henoch, Daniël, Job en Noach moeten we actief zoeken naar en wandelen met God door meditatie, studie en het houden van Zijn geboden in plaats van geen aandacht aan Hem te schenken of het zoeken en najagen van een droombeeld voortkomend uit onze eigen verbeelding.


Hebreeën 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Toen we twee weken geleden de preek beëindigden, waren we bezig met een onderzoek van Henochs wandelen met God. Aan het begin van die preek stelde ik de vraag waarom God Zijn scheppend werk begint met en verder doet gaan middels genade. Ik gaf twee hoofdredenen aan. De eerste is: daar het loon van de zonde de dood is en niemand ooit volmaakt genoeg zal en kan werken om de tenlastelegging tegen hem uit te wissen, moet er wel genade worden gebruikt. Dus door genade en het pakket aan gaven dat daarmee samengaat, effent God de weg zodat iedereen die geroepen wordt, de mogelijkheid heeft het leven aan de andere kant van het graf voort te zetten.

Hij staat ook toe dat het offer van Jezus Christus wordt toegepast op een geroepene die berouw heeft, en bovendien rekent Hij de rechtvaardigheid van Jezus Christus aan die persoon toe alsof deze daarover de beschikking had. Hierdoor heeft iemand toegang tot God waardoor een relatie met Hem tot stand komt, en op deze manier wordt het startschot gegeven voor iemands reis naar het Koninkrijk van God.

Een tweede reden is, dat door Zijn geestelijke schepping op deze manier uit te voeren, de geroepene helemaal in het krijt staat bij God. Voor wie het begrijpt, dit is heel vernederend voor een trots iemand wiens vleselijkheid zo sterk is dat hij in feite gelooft dat hij behoud geheel op eigen kracht kan bewerkstelligen. Romeinen 8:7 zegt dat de gezindheid van het vlees zich niet aan Gods wet onderwerpt, en inderdaad is dat niet mogelijk. Gemeente, de waarheid is dus dat zonder de nederigheid van een veranderde houding jegens God, iemand zich niet aan God zal onderwerpen. Daarom kunnen mensen die zich op serieuze wijze intellectueel met theologie bezighouden, bijbelse waarheden begrijpen, maar  zich er toch niet naar voegen.

Bijvoorbeeld mensen kunnen begrijpen dat de sabbat gehouden moet worden, en toch zal hun vleselijke gezindheid een rechtvaardiging bedenken om dat niet te hoeven doen en ze zullen ervoor kiezen zich niet te vernederen om het te gaan doen. De belangrijkste verdediging van een vleselijke gezindheid is zelfrechtvaardiging. Deze is bang voor, deze haat, deze verafschuwt het zich onderwerpen. Deze legt de schuld bij God, de kerk, de dienaren, de gemeente, de ouders, de baas, het bedrijf, de genen, de omstandigheden, of wat dan ook maar onder handbereik ligt om de schuld af te schuiven voor het doen wat ze doen of het zich voelen zoals ze zich voelen. Nederigheid is echter een keus die de godvrezenden zullen maken omdat ze God in het gehele plaatje zien .

Toen we de preek beëindigden, onderzochten we waarom en hoe iemand met God wandelt. U zult zich nog wel herinneren dat ik heel Efeziërs 3 las om te laten zien waarom we op deze manier geloven, waarom dit ons overkwam, dat het helemaal Gods werk is. Daarna zagen we in Colossenzen 3 wat zij die deze roeping hebben, doen om met God te wandelen. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn." Dat zullen de godvrezenden doen.

Hebreeën 11:6 voegt daaraan toe: "Maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn." Ondanks dit hebben door alle eeuwen heen velen geprobeerd dit te doen door hun godsdienstigheid. Gemeente, er is een heel groot aantal godsdienstige mensen. Kaïn is het eerste bijbelse voorbeeld hiervan. Er is niets in de Schrift dat erop wijst dat hij niet godsdienstig was.

In feite duidt Genesis 4:3 erop dat hij en Abel God op een vastgestelde tijd ontmoetten. Er was iets geregeld en hij was er. Dit geeft het idee van een soort afspraak die overeengekomen was. Kaïn is een type van de godsdienstige persoon die dit op een wereldlijke manier is. Dit type mens heeft God wel een beetje in zijn denken, maar hij gelooft niet dat God werkelijk meent wat Hij allemaal zegt, en wat doet hij dus? Hij kiest zelf uit waarin hij wel of niet gelooft, waardoor hij laat zien dat er een onoverbrugbare kloof in zijn geloof zit.

Ik zal u zeventien punten geven die de Bijbel noemt betreffende het belang van geloof voor behoud. Elk van hen geldt tijdens de heiligingsperiode van iemands christelijke leven. Het eerste punt vinden we in Romeinen 5. Dit is een van de meest bekende.

Romeinen 5:1-2 Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

We vinden zelfs vier punten in deze verzen.

(1) Geloof rechtvaardigt ons voor God.

(2) Geloof maakt vrede mogelijk met God.

(3) Geloof geeft ons de hoop op de heerlijkheid van God.

(4) Door geloof krijgen we toegang tot God.

Romeinen 4:20 maar aan de belofte Gods heeft hij [Abraham] niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,

(5) Geloof geeft door het eruit voortvloeiende gedrag eer aan God.

Hebreeën 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

We hebben dit vers reeds enkele keren gelezen, maar het zegt onmiskenbaar en heel duidelijk dat:

(6) Geloof behaagt God en Hij zal dat belonen. Het behaagt Hem niet alleen, Hij zal het ook belonen.

We slaan nu Jesaja 38:3 op. De spreker hier is Hizkia.

Jesaja 38:3 en zeide: Ach, HERE, gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in trouw en met een volkomen toegewijd hart gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in uw ogen.

(7) Als er geloof in God is, dan uit zich dit in een nederige en volkomen toewijding.

Het volgende punt vinden we in Efeziërs 2:8 — een van de beter bekende van al deze punten.

Efeziërs 2:8 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;

(8) Door genade en door geloof wordt de overtuigde en berouwvolle zondaar behouden.

Efeziërs 3:17 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde,

(9) Door geloof woont Christus in onze harten.

Galaten 2:20 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

(10) We leven door geloof.

Romeinen 11:20 Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees!

(11) Door geloof staan we voor God.

2 Corinthiërs 5:7 [Statenvertaling] (Want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen.)

(12) We leven, we staan en we wandelen dus door geloof.

1 Petrus 5:8-9 Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. 9 Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.

(13) Door geloof kunnen we Satan met succes weerstaan.

Het volgende punt vinden we in Handelingen 26. Er is misschien wat meer context voor nodig om dit in te zien. De spreker is Jezus. Paulus doet verslag van wat er tegen hem werd gezegd toen Jezus hem op de weg naar Damascus verscheen. Onder Jezus Christus werd het Paulus' verantwoordelijkheid:

Handelingen 26:18 om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij.

(14) Door geloof worden we al doende geheiligd.

"Al doende" betekent in dit geval door de ervaringen van het dagelijkse leven waarin we met Hem wandelen. Er is een heiliging die begint als we gerechtvaardigd worden, maar dat is slechts het begin. Heiliging gaat verder en de heiliging gaat verder door geloof.

Efeziërs 3:11-12 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem.

Dit punt wordt in het bijzonder interessant door het woord "vrijmoedigheid". Geloof het of niet, maar dit vers betekent letterlijk:

(15) We hebben vrijheid van spreken voor God. We kunnen echt met Hem praten en Hij luistert.

1 Timotheüs 6:12 Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.

(16) Door geloof strijden we de goede strijd waar al deze preken over gingen.

1 Johannes 5:4 want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft; ons geloof.

(17) Door geloof overwinnen we de wereld.

De doorslaggevende les van Henochs leven is dat, hoe belangrijk rechtvaardiging ook is, dit slechts een begin is. Het is heel iets anders om geloof over te brengen in alle aspecten van het leven zoals we dat leiden.

De heiligingsfase en de kosten van het zijn van een levend offer voor God brengen de menselijke natuur ertoe zichzelf te verdedigen door het bedenken van allerlei zelfrechtvaardigingen. Geloof het of niet, maar het punt van heiliging motiveert mensen om leerstellingen te bedenken zoals die van "eeuwige zekerheid", "eens behouden, altijd behouden" en "geen werken", omdat ze gaan beseffen dat ze het niet kunnen. Zij kunnen niet doen wat voor heiliging vereist wordt. Zij kunnen niet echt uit geloof leven en zodoende bedenkt de menselijke natuur redenen waarom ze dat niet kunnen.

Henoch leidde letterlijk een leven uit geloof waarin het centrale punt, zijn drijfkracht, zijn geloof in God was. Daarom wordt hij in Hebreeën 11 vermeld.

Als we in geestelijke zin naar het geheel hiervan kijken, gaan we een waarheid zien die uitzonderlijk belangrijk is voor nederigheid, en dat evenals Henochs fysieke wegneming van de ene geografische plaats naar een andere bovennatuurlijk was, ook de geestelijke verandering van een zinnelijke en wereldgerichte persoon naar een op God, Christus en het Koninkrijk van God gerichte persoon bovennatuurlijk is. Dit gebeurt niet zomaar omdat iemand intellect heeft. Dit gebeurt omdat God iets doet.

De Bijbel laat zien dat iemands hart de bron is van iemands motivatie en het functioneren van iemands hart op basis van geloof is geheel gebaseerd op wat alleen God door Zijn roeping mogelijk maakt. Dit wordt in de Bijbel aangeduid als "de besnijdenis die zonder handen wordt gedaan". Uit geloof leven behaagt God, maar iemand kan dat geloof alleen maar hebben en ook de motivatie die voortbrengt wat Hij wil en God behaagt, als God iemand op bovennatuurlijke wijze overbrengt naar de beginfase van Zijn manier van leven die in de Bijbel "eeuwig leven" wordt genoemd.

Hebreeën 11:6 is een schriftuurlijke brug die rechtstreeks op zowel Henoch als Noach van toepassing is. Daar we vandaag met Noach beginnen, wil ik een schriftgedeelte opslaan dat niet in Hebreeën staat. Dat staat in Mattheüs 24. Jezus spreekt en Hij zegt:

Mattheüs 24:36-39 Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen. 37 Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. 38 Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, 39 en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

Ik wilde die verzen even aanhalen omdat Noach een buitengewoon schilderachtig en levendig voorbeeld is voor u en mij, omdat hij leefde in een eindtijd voordat de wereld werd vernietigd. U weet zo onvoorbereid toch wel enkele dingen die Genesis 6 vermeldt over hoe het er in die periode aan toe ging, toen de aarde van geweld was vervuld. Is dit in deze tijd ook niet zo?

Er zijn voortdurend oorlogen en geruchten van oorlogen. Iedere dag als u de radio of de TV aanzet, hoort u over oorlog. U hoort over geweld. U hoort over ziekte. U hoort over dood door een veelheid van oorzaken. U hoort over verstoringen van het weer. U hoort over vloedgolven, orkanen, tornado's, noem maar op. We leven in een tijd die in alle opzichten de indruk geeft een eindtijd te zijn. Het kan dus niet op een juister moment komen dat we iemand onder de loep nemen die 120 jaar van zijn leven doorbracht in het allerergste deel van de periode die aan de zondvloed voorafging.

Denken wij dat wij in een periode van stress leven? Dat is inderdaad het geval. Denken we niet dat het uitputtend is om in deze tijd te leven? We weten dat het zo is, omdat we weten dat we, waar we ons ook maar wenden of keren, met slecht nieuws worden geconfronteerd. Maar hoe lang moeten we dit in vergelijking met Noach het hoofd bieden? Zijn we er ons van bewust dat hij waarschijnlijk een langere periode van testen onderging dan iemand anders in de gehele Bijbel, behalve misschien Abraham of misschien ook Isaak? Ik weet het niet. Dat is gewoon zo, omdat hun leven zo lang duurde.

Om een voorbeeld over Abraham te geven, als God hem op de leeftijd van 75 riep en hij 175 jaar oud was toen hij stierf, dan bestond zijn testperiode uit zo'n 100 jaar. Voor wat betreft Noach weten we zeker dat hij zo'n 120 jaar tests het hoofd moest bieden, en hij moest ook nog iets bouwen in het volle zicht van de mensen die in Genesis 6 worden beschreven.

Het komt misschien vreemd over dat in plaats van naar Hebreeën 11 te gaan, we naar een boek in het Oude Testament gaan waar Noachs naam wordt vermeld, in Ezechiël. Dit is fascinerend. Voordat ik dit ga lezen een vraag. Hoe zou u het vinden als God dit over u zegt, dat Hij dit getuigenis geeft van uw leven?

Ezechiël 14:13-20 Mensenkind, wanneer een land tegen Mij gezondigd heeft door ontrouw te worden, en Ik mijn hand daartegen uitstrek, het de staf des broods verbreek en er hongersnood zend en daar mens en dier uitroei, [Dat klinkt als "eindtijd", nietwaar?] 14 en er zouden daar deze drie mannen zijn: Noach, Daniël en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden, luidt het woord van de Here HERE. 15 Wanneer Ik wilde dieren in het land doe omzwerven, die het van kinderen beroven, en het tot een woestenij wordt, zodat niemand erdoorheen trekt vanwege het wild gedierte, 16 en die drie mannen zouden daar zijn — zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, zij zouden zonen noch dochters redden. Zijzelf alleen zouden gered worden, maar het land zou een woestenij worden. 17 Of ik breng het zwaard over het land en zeg: Zwaard, gij zult in het land rondtrekken; en Ik roei daar mens en dier uit, 18 en die drie mannen zouden daar zijn — zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, zij zouden zonen noch dochters redden. Zijzelf alleen zouden gered worden. 19 Of Ik zend de pest in het land en stort er mijn grimmigheid bloedig over uit om daar mens en dier uit te roeien, 20 en Noach, Daniël en Job waren daar — zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, zij zouden zoon noch dochter redden. Zij zouden door hun gerechtigheid alleen zichzelf redden.

We zien hier de namen van drie heel ongewone, bijzondere, rechtvaardige mannen. Is het mogelijk dat God ons een getuigenis geeft dat deze drie de meest rechtvaardige mensen zijn die ooit in de gehele menselijke geschiedenis hebben geleefd — Noach, Daniël en Job?

Ik heb wat onderzoek gedaan. Daniëls naam komt 81 keer in de Bijbel voor. Dat is nogal wat. Jobs naam komt 59 keer voor. Noachs naam komt 51 keer voor; zijn naam komt het minst van de drie voor. Maar waarom wordt hij dan toch als eerste vermeld?

Als we in Hebreeën 11 kijken, zien we dat er slechts één vers aan Noach is gewijd. Als we daarop afgaan kunnen we daar zomaar snel aan voorbijgaan en denken dat deze man niet op een of andere manier belangrijk was, behalve dan dat hij een grote schuit bouwde. We gaan terug naar Ezechiël en daar zien we dat hij vermeld wordt tezamen met mannen waarvan we op basis van verslagen in andere delen van de Bijbel weten dat ze ontzagwekkend rechtvaardige mannen waren.

Somde God ze chronologisch op? Hij begint met Noach en we weten zeker dat Noach chronologisch de eerste was, maar merkte u op dat Daniël voor Job komt. Job leefde op basis van onderzoek dat door mensen is gedaan, waarschijnlijk zo'n 1000 jaar vóór Daniël. Ze worden dus niet chronologisch opgesomd, maar Noach wordt als eerste vermeld.

Ik denk dat we begrijpen dat God de dingen gewoonlijk in de volgorde plaatst die Hij wil, en Hij wil de aandacht eerst op Noach vestigen. Betekent dat dat Noach de rechtvaardigste van de drie was? Daar weet ik het antwoord niet op. Ik kan u alleen maar dingen aanreiken om u met betrekking tot dit punt te laten gissen.

Ik breng dit punt naar voren omdat ik wil dat u denkt aan de tijd waarin Noach leefde. Wij denken dat wij echt een moeilijke tijd hebben in de eindtijd en toch vermeldt God hier de naam van een man waarvan we zeker weten dat hij uitzonderlijk rechtvaardig was, en hij leefde in dezelfde soort van tijden als wij. Wat zijn onze rechtvaardigingen dat we niet zo rechtvaardig zijn als Noach? Ik denk dat zijn leven al onze rechtvaardigingen onderuit haalt. Als hij het deed, waarom kunnen wij het dan niet? Het is een uitdaging.

Noach is geen onbelangrijk menselijk wezen. In Gods ogen is hij uitzonderlijk belangrijk. Evenals Daniël. Evenals Job. Evenals Abraham, Isaak en Jakob. Hij staat hoog aangeschreven bij God en Gods mening over hem is iets dat we in overweging moeten nemen. Ik weet niet of er iemand was die rechtvaardiger was dan hij. Op zijn minst worden ze allen met elkaar door God gerespecteerd.

Weer terug naar Hebreeën 11. Zelfs de verzen die daar aan de vermelding van Noach voorafgaan, schijnen vrij ongevaarlijk totdat we ze heel wat nauwkeuriger in beschouwing gaan nemen. Voor ons is het heel gemakkelijk ernaar te kijken en onze gang — al denkend over het christelijke leven en behoud — bijna als vanzelfsprekend te vervolgen. Maar ik wil u iets zeggen. Deze twee verzen verstoren het denken van het christendom van deze wereld. Zij brengen voor die mannen en vrouwen heel wat verbijstering teweeg.

Hebreeën 11:6-7 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt.

Eén commentator die ik in mijn onderzoek raadpleegde, zei het volgende toen hij aan zijn uiteenzetting over deze twee verzen begon. Luister hiernaar. "De verzen waar we nu onze aandacht op gaan richten, zijn in geen enkel opzicht gemakkelijke verzen, in het bijzonder voor hen die een geestelijkheid volgen die nagelaten heeft de balans te bewaren tussen goddelijke genade en goddelijke gerechtigheid."

Waarom zou hij dat zeggen? Ik zal u zeggen waarom. Omdat deze twee verzen bijna alleen al in principe twee van de meest gekoesterde leerstellingen van het christendom van deze wereld vernietigen. De ene is de leerstelling van eeuwige zekerheid (of zoals de meeste mensen zeggen: de leerstelling van "eenmaal behouden, altijd behouden"). En de andere is de leerstelling van "geen werken".

Viel u het slot van die aanhaling op? "... in het bijzonder voor hen die een geestelijkheid volgen die nagelaten heeft de balans te bewaren tussen goddelijke genade en goddelijke gerechtigheid." Predikers die nalaten de balans te bewaren, benadrukken Gods gunst (Zijn genade) zo sterk dat ze geen aandacht schenken aan Gods aanspraak op ons leven — dat wat onze plichten en onze verantwoordelijkheden voor Hem zijn — omdat Hij ons bezit. Als het bloed van Jezus Christus eenmaal op ons is toegepast en wij het aanvaarden voor de vergeving van zonden, zijn we niet langer van onszelf. Wij behoren Hem toe. Hij heeft een aanspraak op ons leven en Hij heeft het volste recht en de autoriteit om ons precies te zeggen wat Hij wil dat we doen. De nadruk ligt op het woord "doen" — actie. Alleen maar geloven dat Hij bestaat is onvoldoende, zoals we in het vervolg zullen zien.

Voor ieder denkend wezen dat deze verzen begrijpt, halen deze verzen onverbiddelijk de beweringen van de prediker onderuit die voor hem de garantie op genade schijnen te geven. Hoe kan dat? Omdat vers 6 ons werkelijk zegt dat God hen die uit geloof leven, beloont. Daarna zegt vers 7 ons even duidelijk dat de beloning die gegeven werd, is dat Noach en zijn gezin werden behouden vanwege wat ze deden. Laat dat eens goed bezinken. Dit brengt hen volledig uit balans en ze willen proberen onder de consequenties hiervan uit te komen.

Ik wil het echt eenvoudig maken. Noach werd behouden omdat hij werken deed. Als dit zo eenvoudig is, wat zou er gebeurd zijn als hij geen boot had gebouwd? Kunt u inzien dat God een parallel vaststelt tussen fysiek behouden worden en ook geestelijk behouden worden? Die commentators hadden genoeg nederigheid om tenminste dat in te zien en het is voor hen heel moeilijk om onder de logische consequenties daarvan uit te komen.

Waar vinden we de genade in dat vers? Het woord genade komt er niet in voor en toch is het begrip genade erin aanwezig, zoals we straks zullen zien.

Ik wil dat u iets onthoudt dat ik zei, en daarom ga ik het herhalen. Ik zei eerder dat deze verzen bijna de leerstellingen van "eeuwige zekerheid" en "geen werken" vernietigen. Niet geheel. Dat doen ze niet.

Het antwoord op dat "bijna" is dat in deze verzen hier niet het gehele verhaal staat, maar ze zorgen voor problemen — op zijn zachtst gezegd grote problemen — voor hen die de mening van "geen werken" zijn toegedaan. Zo iemand schenkt duidelijk geen aandacht aan wat deze verzen zeggen. Op zijn minst zeggen ze dat iemands werken een belangrijke rol spelen in iemands behoud.

Laten we van hier een iets andere kant uitgaan, omdat we deze verzen werkelijk tot in detail gaan bekijken. Ze zijn op het gebied van geloof en behoud van vitaal belang om te begrijpen. Let erop dat vers 6 zegt: "want wie tot God komt". We slaan nu 1 Petrus 2 op, omdat Petrus soortgelijke woorden gebruikte in wat hij daar schreef.

1 Petrus 2:3-4 indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is. 4 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar,

"En komt tot Hem" zijn hetzelfde soort bewoordingen als die in Hebreeën 11:6 worden gebruikt.

"Tot God komen" betekent "hij die God nadert". We kunnen de betekenis nog wat verder uitbreiden en toch nog in overeenstemming zijn met de woorden "hij die God zoekt" en dat daarmee ook wordt bedoeld "hij die met God wandelt".

Deze woorden — "wie tot God komt", of "tot God komen" — duiden op omgang met God. Dat is het uiteindelijke punt. De persoon die tot God komt, de persoon die met God wandelt, de persoon die God zoekt, doet dit op basis van een omgang die tot stand is gekomen.

De Bijbel laat verder zien dat er echt drie verschillende fases bestaan in het "tot God komen". De eerste is als God roept. Wat doen we dan? We naderen tot God. Ziet u, we komen tot God. We naderen Hem als resultaat van wat Hij heeft gedaan. Dit resulteert in onze rechtvaardiging en het toerekenen van Christus' rechtvaardigheid aan ons.

De tweede is een fase die meer een continu verloop kent. Deze valt samen met de heiliging als we eropuit zijn te worden zoals Hij is, naar Zijn beeld te worden gevormd, Zijn wetten in ons hart geschreven te krijgen en in ons karakter gegrift te krijgen. Dat is de tweede fase waarin rechtvaardiging in een andere versnelling komt en we naar het beeld van Jezus Christus gevormd gaan worden. We komen naar God om gelijkvormig aan Hem te worden.

De derde fase vindt plaats bij de opstanding uit de doden als we verheerlijkt worden.

Het "komen tot God" bestaat uit drie duidelijke fases en het is niet een onbelangrijk iets.

We slaan Efeziërs 4:17 op. Paulus laat hier zien waarom christenen onderscheiden zijn van anderen. Bedenk dat Paulus schrijft aan bekeerde heidenen.

Efeziërs 4:17-20 Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen.

Zijn punt is het volgende. God maakte een onderscheid tussen de ene heiden en de andere, en niemand komt tot God, niemand zoekt de God van de Bijbel tot hij zich bewust wordt van zijn behoefte aan God. Dit moet God doen. Niemand komt tot God totdat hij beseft dat hij van Hem verwijderd is, uit Zijn gunst ligt, in feite onder Zijn veroordeling valt en afgescheiden is van de kwaliteit van leven die in de Bijbel "eeuwig leven" wordt genoemd.

Dit scheidt christenen van alle anderen. Zij zien dingen vanuit het oogpunt van hun begrip dat anderen niet opvalt. De anderen zijn daarom niet gemotiveerd, maar de christen is gemotiveerd omdat hij zich bewust wordt van zijn behoefte, en alleen God maakt het tot Hem komen mogelijk en maakt hen anders.

We gaan naar een gelijkenis uit het boek Lucas die Jezus gebruikte, en die dit min of meer in algemene zin illustreert. Dit is de gelijkenis van de Verloren Zoon. Let op de verandering van denken, de verandering van geest die plaatsvindt als hij zijn behoefte begint in te zien.

Lucas 15:14-15 Toen hij [de verloren zoon] er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. 15 En hij trok er op uit en drong zich op aan een der burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden.

Bedenk dat we het hier over Joden hebben. Dat moest heel beschamend zijn om de zwijnen te moeten hoeden. Om het nog eens extra beschamend te maken, zou een Jood mestvarkens fokken? Hij deed dit voor een heidense baas. Zijn behoefte wordt nog eens extra versterkt.

Lucas 15:16-17a En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: ...

Dat is een Hebraïsme overgenomen in de Griekse taal. Het betekent "toen kreeg hij berouw". Toen hij zijn gemis begon in te zien, werd het hem steeds duidelijker waar in dat gemis kon worden voorzien, hij kreeg berouw. Het betekent werkelijk, zoals we straks zullen zien, dat "hij zich tot zijn vader wendde".

Lucas 15:17-19 Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, 19 ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners.

Kijk naar de nederigheid die er nu is. Hij is er klaar voor om bij en met zijn vader en broer te leven en te werken.

Als we begrijpen wat we zojuist zagen in het boek Hebreeën over dit "komen tot God", en het koppelen met andere dingen, zien we heel duidelijk een plaatje van waarom we in de eerste plaats tot God komen. God maakt ons door Zijn roeping ervan bewust dat Hij bestaat, en niet alleen dat, maar ook dat wij behoefte hebben aan een relatie met Hem.

Hij plaatst die aandrang in ons om als het ware terug te gaan naar onze Vader. Om tot Hem te naderen en ons leven in nederigheid aan Hem toe te wijden, en zelfs als knecht te worden ingehuurd, ongeacht wat we voordien waren. De Verloren Zoon was een bevoorrechte zoon van een vermogende vader en hij moest bewust gemaakt worden van zijn behoefte, zodat hij de stap om naar zijn vader terug te gaan vrijwillig zou nemen.

Ik wil weer naar de brief aan de Efeziërs, omdat Paulus verdergaat met wat hij daar zei, en dat wordt heel interessant omdat hij deze mensen dan begint te zeggen wat ze moesten doen om met God te wandelen, dingen waaraan ze moesten werken en die ze moesten overwinnen. Eén van de dingen die hij zegt is:

Efeziërs 4:30 En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing.

De Heilige Geest hier is God Zelf. Let erop dat Hij persoonlijk wordt gekwetst, verdriet gedaan, bedroefd wordt door de zondige verwaarlozing van Zijn gave. Bedenk dat dit geschreven werd aan mensen die reeds christenen waren, en Paulus herinnert hen eraan God niet te bedroeven. We kunnen denken dat Hij misschien geen enkel gevoel heeft. Dat heeft Hij wel! We hebben bewijs in de Bijbel dat Hij gevoelens heeft over ons handelen of het gebrek daar aan, en daarmee bedroeven we Hem.

Als dat gevoel van behoefte eenmaal gegeven is, is het Gods bedoeling dat het een voortdurende stimulans is, tenzij we het onderdrukken, en dat is wat Hem bedroeft. We hebben het vermogen Hem te weerstaan. Het gebeurt gewoonlijk niet omdat we het met hand en tand bevechten. Het gebeurt gewoonlijk heel geleidelijk aan door verwaarlozing. Het is iets dat ons gewoon ongemerkt overvalt, omdat we verwikkeld raken in de dingen om ons heen, de dingen van de wereld, zoals het zorgen voor levensonderhoud en wat al niet meer. Maar het is Gods bedoeling, zoals 2 Corinthiërs 5:7 laat zien dat deze stimulans en dat wandelen met Hem een voortdurende activiteit is vanaf het moment dat we gerechtvaardigd worden tot het moment dat we in het Koninkrijk van God aankomen.

Om dit te versterken moeten we in gedachten nog eens teruggaan naar Hebreeën 11:6, omdat daar staat: "Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat." Wat Paulus daar schreef is heel wat meer dan gewoon instemmen met het vage feit van een eerste oorzaak; dat is de term die heel vaak wordt gebruikt. "Ja, ik geloof in God" als een eerste oorzaak, dat Hij alles schiep en toen een stap achteruit deed om te zien wat er met Zijn schepping gebeurde, waarbij het schijnt dat Hij niet tussenbeide komt, of wat dan ook. Zodoende bedenken ze die rechtvaardiging.

We moeten begrijpen dat we in het Nieuwe Verbond vandoen hebben met een vitale, dynamische, levende, superintelligente, liefhebbende, gevende, dienende, betrouwbare Persoonlijkheid. Hij is een Wezen met gevoel. We lazen zojuist dat Hij bedroefd kan worden, verdriet kan worden aangedaan door de verwaarlozing en de verspilling van de gave van vergeving en van Zijn Geest. Het vers dat zegt: "Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat", bedoelt dat we moeten geloven in Zijn karakter, zoals Hij Zich in Zijn woord openbaart en vanwege Zijn werken. Laten we het vers in Johannes 14 opslaan waar Jezus dit zegt. Dit is één van de eerste dingen die Jezus zei nadat de Paschadienst voorbij was en Hij een vraag stelde.

Johannes 14:11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.

De werken zijn de dingen die Hij zei en wat Hij deed.

Gods karakter is een van de belangrijkste redenen waarom we door moeten gaan Hem te zoeken, zodat ons concept van Zijn karakter, ons begrip ervan, voortdurend gescherpt en verbeterd en vergroot kan worden.

Een eerlijke evaluatie van Gods werken — waarvan het meest duidelijke de schepping zelf is, de aarde en alles wat daarop is — kan een heel positief effect hebben op iemands geloof als men eerlijk evalueert wat men kan zien. Op een bepaalde manier komen de meesten van ons hier echt alleen niet verder dan de oppervlakte, maar het zou desondanks een dusdanige indruk op ons denken moeten maken dat het een heel waardevolle geestelijke kwaliteit voortbrengt.

We moeten denken en mediteren over wat God heeft gemaakt. De schoonheid ervan. De kracht ervan. De voorzienigheid ervan. Hoe alles op een wonderlijke manier is samengesteld om het leven voor u en mij te ondersteunen, opdat wij de gelegenheid kunnen hebben in Zijn Koninkrijk te zijn. Aan Zijn wonderen komt geen einde. Hoe nauwkeuriger we ernaar kijken, hoe fantastischer ze worden.

Weet u wat eerlijke evaluatie en meditatie alleen al op de beperkte gebieden waarop we dit kunnen, kan voortbrengen? Dat heeft iets vandoen met geloof. Het is overtuiging, zodat we weten dat God méér is dan een vaag Wezen dat ergens in de diepe ruimte verblijft, en dat Hij Iemand is die diepgaand en dynamisch betrokken is bij het functioneren van Zijn schepping en bij ons persoonlijk — dat Hij zoveel kracht van Zichzelf heeft dat Hij in staat is Zich op de hoogte te houden van wat er in uw leven gaande is. Ik weet niet hoe Hij dat doet, maar Hij zegt me in Zijn woord dat Hij weet wat er in ons leven gaande is.

Als we dit niet tot op zekere hoogte doen (en ik hoop dat u het een eerlijke kans wil geven) dan zal er waarschijnlijk geen overtuiging ontstaan dat Hij een Schepper is die actief in uw leven betrokken is, maar zult u een vaag droombeeld najagen dat aan uw eigen verbeelding is ontsproten en zal dat uw god worden. Ik neem u niet in de maling.

Om deze reden moeten we Hem absoluut voortdurend blijven zoeken. Zoals ik in die preek zei die ik op het Feest gaf en wat ik later min of meer herhaalde, zei iemand dat God het moeilijkste onderwerp is voor de kerk om mee om te gaan — God Zelf — omdat dit iets is waar we voortdurend mee bezig moeten zijn.

David zei in de psalm dat het verschil tussen de bekeerde en de onbekeerde is dat bij de onbekeerde "God niet in al zijn gedachten is." Denkt u niet dat David in staat was die psalmen te schrijven omdat hij over God nadacht, en dat hij zijn begrip bleef uitbreiden omdat hij voortdurend naar God zocht? God reageerde door David begrip te geven van hoe Hij, God, in elkaar zat. David was in staat te begrijpen en die psalmen te schrijven omdat God met hem communiceerde, en David stond open voor die communicatie omdat hij God zocht. Hij deed het niet volmaakt, maar hij werd op die manier op een heel krachtige manier gebruikt.

Laten we weer naar Hebreeën 11 gaan. Ik ga daar drie verzen lezen.

Hebreeën 11:5-7 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt [wie God zoekt], moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt.

Die drie verzen bevatten naast het aspect van plicht ook een aspect van beloning. Het is de plicht van de mens op God te reageren op de manier van Abel, anders is er geen rechtvaardiging. Het is de plicht van de mens op God te reageren op de manier van Henoch, en zijn gehele leven met God te wandelen en Hem voortdurend te zoeken.

Noach neemt ons nog een stap verder. Noach wandelde niet alleen met God, hij diende God. Hij wijdde zijn leven aan het opvolgen van Gods opdracht aan hem, die eruit bestond een ark te bouwen, en omdat hij dat deed, werden hij en zijn gezin behouden.

We zien daar dus een balans. We beginnen met Abel. We gaan verder zoals Henoch en dan komen we bij Noach. Daarmee wordt het proces van behoud min of meer samengevat: geloof — rechtvaardiging; wandelen — heiliging; God dienen terwijl de heiliging verdergaat — behoud.

Een samenvatting van deze drie verzen is dat wandelen met God, God in geloof zoeken, het werk vereist om God in gedachten te houden, gecombineerd met het leveren van de inspanning van gehoorzaamheid en wat er ook maar aan tijd en energie opgeofferd moet worden. Dit allemaal samengaand met de verwerping door de wereldse familie, vrienden en zakenrelaties. Maar het eindresultaat van dit alles is een beloning door God.

Ik zei eerder dat het contact met God verliezen iets is dat wij in feite niet zomaar plotseling en opeens doen. Het is iets waar we langzaam aan in afglijden en we neigen er steeds meer toe God te verwaarlozen. Hij heeft het hier vaak over in het Oude Testament. Ter introductie van dit onderwerp wil ik het boek der Psalmen opslaan. Hier vinden we wat we moeten vermijden: het verwaarlozen van verantwoordelijkheid.

Psalm 50:5 Vergadert Mij mijn gunstgenoten, die met Mij het verbond sluiten met offers.

Wij zijn levende offers. Wij hebben een verbond met God gesloten. Deze psalm is rechtstreeks op ons gericht. Zelfs al was hij ook op de Israëlieten gericht, hij is ook op ons van toepassing. Als u de gehele psalm leest, kunt u zien dat God werkelijk ontdaan is.

Psalm 50:22 Verstaat dit toch, gij, die God vergeet, opdat Ik niet verscheure, zonder dat iemand redt.

Hier hebben we het onderwerp. Het is voor de mens heel gemakkelijk God te vergeten. Hij raakt verwikkeld in de dingen rondom hem heen: zijn werk en dergelijke. Maar God verwaarlozen is een gevaarlijke bezigheid.

We slaan nu Psalm 78 op. Deze psalm geeft een overzicht van Gods relatie met Israël terwijl Israël door de woestijn trok.

Psalm 78:39-42 Hij gedacht, dat zij vlees waren, een ademtocht, die vervliegt en niet wederkeert. 40 Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn, griefden Hem in de wildernis, 41 en verzochten God wederom, en krenkten de Heilige Israëls. 42 Zij gedachten niet aan zijn macht, aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste;

Israël heeft een geschiedenis van 'God vergeten'.

Laten we Spreuken 8:17 opslaan. Dit is een positief advies van Salomo. Hier wordt wijsheid gepersonifieerd. In feite spreekt God.

Spreuken 8:17 Ik heb lief wie mij liefhebben, wie mij ijverig [Statenvertaling: vroeg] zoeken, zullen mij vinden.

Het woord dat in de Statenvertaling vertaald is met "vroeg" betekent letterlijk "ijverig" zoals het in de NBG is vertaald, maar het woord betekent meer dan alleen maar "ijverig" en daarom kozen de vertalers van de Statenvertaling ervoor het met "vroeg" te vertalen. "Vroeg" heeft dan de betekenis van "datgene wat u de eerste prioriteit geeft". Het zou vroeg in de morgen kunnen betekenen. Het is geen gebod dat iedereen die God nadert, dat als eerste ding in de morgen moet doen, maar het woord heeft die bijbetekenis, en het betekent dat God hen liefheeft die Hem als hun eerste prioriteit stellen. Interessant.

Laten we nu Psalm 119 opslaan. Ik weet niet wie Psalm 119 schreef. Sommigen denken dat er aanwijzingen zijn dat Jeremia deze schreef. Ik weet het niet, maar wie het dan ook deed, deze zei het volgende:

Psalm 119:10 Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen.

Nogmaals de woorden zijn echt toepasselijk. De meesten van ons keren God gewoonweg niet de rug toe om op hun teentjes getrapt boos weg te gaan. Wij doen dingen geleidelijk aan. We dwalen langzaam af. We hebben niet de bedoeling dat te doen, maar dat is wat er gebeurt, omdat we onszelf niet doen terugtrekken en ons ertoe dwingen te doen wat gedaan moet worden in het zoeken van God.

Laten we Psalm 27 opslaan. We weten dat David die psalm schreef.

Psalm 27:4 Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel.

We zien hier een uitbreiding van wat God ons in het vooruitzicht stelt. Hij wil dat wij Hem op de eerste plaats zetten. Hij wil dat wij Hem ijverig zoeken. Hij wil dat wij dat alle dagen van ons leven doen. Het is Gods bedoeling als Hij ons tot Hem trekt, dat Hij ons in een positie plaatst waarin wij Hem voortdurend blijven zoeken. Dat deden Abel, Henoch en Noach. Daarom werden zij wat ze werden en werden ze als voorbeelden voor u en mij gebruikt.

Jezus had hier diverse dingen over te zeggen.

Lucas 11:8-13 Ik zeg u, zelfs al zou hij niet opstaan en ze geven, omdat hij zijn vriend was, om zijn onbeschaamdheid [zijn aanhouden, zijn doorzetten] zou hij opstaan en hem geven, zoveel hij nodig heeft. 9 En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. 10 Want een ieder, die bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden. 11 Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? 12 Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? 13 Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?

Ik ben hier ergens opuit en we zullen eindigen met datgene waar ik opuit ben.

In Jeremia 29:12-13 staat een belofte die God doet aan allen die Hem zoeken. Hij zegt: "Gij zult Mij vinden." Hij verbergt Zich niet voor Zijn kinderen, maar Hij wil zien of we werkelijk het verlangen hebben te begrijpen hoe Hij in elkaar zit.

Jeremia 29:12-13 Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; 13 dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart.

2 Kronieken 15:15 Geheel Juda verheugde zich over de eed, want met geheel hun hart hadden zij gezworen, met geheel hun wil hadden zij de Here gezocht en Hij had Zich door hen laten vinden; Hij gaf hun vrede aan alle kanten.

Hier is het punt waar ik opuit was en ik geef u dit om erover na te denken.

Als we dit doen, wat geeft God ons dan? In feite is het antwoord heel eenvoudig. Laten we Genesis 15:1 opslaan. De context hier is vrij interessant omdat in hoofdstuk 14 Abraham een beloning van de koning voor de redding van zijn rijkdom afwees. God keek toe. Daar bestaat geen twijfel aan. Dan begint hoofdstuk 15. Tussen twee haakjes, u zult zien, als u het gehele hoofdstuk doorneemt, dat dit pal de daarop volgende dag was. God wachtte niet. Het was de volgende dag. In feite kan het, op basis van de manier waarop de Bijbel de tijd laat zien, dezelfde dag zijn geweest, maar dan het daglichtdeel van die dag, omdat wat aan het eind van hoofdstuk 14 plaatsvond heel waarschijnlijk tijdens het donker plaatsvond.

Genesis 15:1 [Statenvertaling] Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

Hier stop ik ermee, omdat ik wil dat u hierover nadenkt. Ziet u wat zijn beloning is? God geeft Zichzelf aan Zijn kinderen die Hem zoeken, en God is de bron van alles wat we voor het leven — fysiek en geestelijk — nodig hebben. Hij belooft Abraham: "Ik zal voor altijd met u zijn. IK BEN UW BELONING!" Dat wil Hij Zijn kinderen geven, en als wij Hem ijverig en vroeg zoeken en dit door ons gehele leven heen onze eerste prioriteit maken, dan staat Hij achter Zijn belofte en geeft Hij Zichzelf, en natuurlijk hangen daarmee alle goede dingen samen.

Hier stoppen we ermee en zo God wil, pak ik de draad weer op in Hebreeën 11 om dit de volgende keer nog wat verder uit te diepen.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)