Geloof en het gevecht van de christen (Deel 3)

Door John W. Ritenbaugh
5 mei 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh suggereert, terwijl hij terugkijkt naar Gods gaven aan Abel en de andere lichtende voorbeelden in het geloofshoofdstuk (Hebreeën 11), dat wij allemaal, de geroepenen, in dezelfde kritieke geestelijke toestand verkeren, waarin het nodig is om nederig de gaven te gebruiken die God ons gegeven heeft, en getrouw Gods doel met ons na te jagen. Niemand ontwikkelt tot een goddelijk wezen op basis van de kracht van zijn eigen wil. God schept er behagen in hen te redden die zichzelf vernederen, die Hem toestaan middels hen een geweldig werk tot stand te brengen, waarbij Hij iedereen een eerlijke kans geeft en iedereen bij Hem in de schuld doet staan teneinde nederigheid te scheppen. Deze nederige onderwerping wordt metaforisch beschreven als een wandeling, waarbij we reageren op iemand anders (namelijk God) en waarbij we in een bepaalde tijdsperiode (geestelijke) voortgang boeken en ons aanpassen aan een goddelijke levensstijl. Het bekerings- en heiligingsproces dat door deze metaforische wandeling wordt uitgebeeld, kost heel wat tijd; het kostte Paulus 20 jaar om zover te komen dat God hem kon gebruiken om een deel van de Schrift te schrijven. De voortgang die in Hebreeën 11 tot uiting komt is niet chronologisch, daar het een diepte en ruimte van bekering of heiliging laat zien. Onze wandeling zou op dezelfde manier een toenemende heiliging moeten laten zien zoals door Efeziërs 3 en Colossenzen 3 wordt gekarakteriseerd, een criterium waaraan Henoch voldeed, een criterium dat ondubbelzinnig rechtvaardige werken vereist, waardoor we werkpartners van God worden.


We gaan deze preek beginnen in Hebreeën 11.

Hebreeën 11:4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Het is een maand geleden dat ik tot u sprak, maar mijn gehele laatste preek in deze voortgaande serie preken over "Geloof en het gevecht van de christen" was een uiteenzetting over wat er in de uitspraak "daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is" staat.

In die preek ging mijn aandacht grotendeels uit naar Gods gave aan Abel, en ik deed dat omdat ik wil dat we ons volledig bewust zijn dat we allemaal gaven hebben die ons door God gegeven zijn, van hetzelfde soort als die Abel ontving. Die gaven zaten in een pakket waar Paulus het etiket "genade" op plakte. Genade betekent Gods uit vrije wil gegeven, niet verdiende goedertierenheid aan elke zoon die Hij roept.

Bijvoorbeeld God openbaarde Zichzelf aan ons en gaf ons daarmee de waarheid over Zichzelf en een besef van Zijn werkelijkheid en heiligheid in vergelijking met onze geestelijke behoefte. Hij gaf ons de aandrang om Hem te gaan zoeken en daarmee door te gaan. Hij leidt ons tot berouw en bekering, schenkt ons vergeving en geeft ons Zijn Geest samen met andere specifieke gaven die ons helpen. Deze verzameling gaven opent de weg voor ons om voor Zijn aangezicht te verschijnen, om hoop te hebben op de heerlijkheid van God, om in staat te zijn in Zijn nieuwe schepping met Hem mee te werken en gevormd te worden naar het beeld van Jezus Christus.

Deze elementen, en nog meer, maken deel uit van de uitspraak "daar God getuigenis gaf aan zijn gaven". Abel werd in staat gesteld dit getuigenis te geven door wat God deed. Het getuigenis is het "hierdoor" dat in het laatste deel van de zin in vers 4 voorkomt, dat in deze tijd, bijna zesduizend jaar later, nog tot ons spreekt. En zo blijkt dat al die edele mannen en vrouwen die in Hebreeën 11 worden genoemd, door hetzelfde proces gingen dat wij in onze tijd ervaren.

Wat Abel ervoer en waardoor hij tot ons spreekt, is het gebruik van zijn geloof. En dat geloof is het belangrijkste bestanddeel van het fundament waarop God ons schept naar het beeld van Jezus Christus. Deze gaven zijn essentieel voor alles wat er daarna in ons leven plaatsvindt. Het is even essentieel dat we grondig begrijpen wat er in ons gebeurt en dat we daardoor nederig worden.

Waarom is dit essentieel? Omdat tenzij we nederig worden door de combinatie van deze waarheden — deze gaven waar God van getuigt — onze zelfgerichte driften zo sterk zijn en zo misleidend dat we ons niet willen onderwerpen om met Hem samen te werken, zoals Gods verslag van Zijn ervaringen met het oude Israël in het Oude Testament laat zien.

Abel offerde uit geloof en daar geloof ontstaat door het horen van het woord van God (Romeinen 10:17), betekent dit dat Abel geloofde wat God zei en in gehoorzaamheid handelde naar wat God zei. Het geloof motiveerde en bracht een werk voort in overeenstemming met wat God voorbereidde en waarin allen die in Christus Jezus geschapen worden, moeten wandelen. Dat zegt Efeziërs 2:8-10 ons.

Van wie hoorde Abel Gods woord? Dat zou van God Zelf kunnen zijn geweest, maar mijn persoonlijke mening is dat ik denk dat het waarschijnlijker was dat hij het van Adam en Eva hoorde. Ongeacht van wie hij het hoorde, Abels handelingen uit geloof moesten hetzelfde patroon volgen als dat van ieder ander, opdat het een praktisch getuigenis zou zijn voor allen die na hem zouden komen. Wat voor nut heeft een getuigenis als niemand anders hetzelfde ervaart? Abel wordt ook uit genade door geloof behouden en daarom was het God die naar Zijn doel toewerkte en daarbinnen Abel in staat stelde te doen wat hij deed.

Door deze handeling getuigt God aan ons dat het proces — de schepping van behoud in een ieder van ons — op dezelfde manier begint en verder gaat als bij Abel. God is consequent in de dingen die met behoud samenhangen en iedereen wordt op een onpartijdige, eerlijke manier behandeld. Dit leidt tot een vraag. Waarom wordt het op deze manier gedaan? Daarmee bedoel ik, waarom heeft God Zichzelf de enig verantwoordelijke gemaakt voor het bestaan van het geloof dat iemand in staat stelt gerechtvaardigd te worden en van dat punt verder te gaan?

In mijn vorige preek hebben we reeds één reden gezien. Dat is omdat God iedereen een eerlijke kans zal geven, omdat niemand vanuit zichzelf de werken kan opbrengen die voldoende zijn om het loon der zonde te betalen. We zouden allemaal dode mensen zijn, tenzij het op Gods manier gebeurt.

Er wordt een tweede heel belangrijke reden gegeven in 1 Corinthiërs 1.

1 Corinthiërs 1:19-21 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21 Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven.

1 Corinthiërs 1:26-31 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here.

God heeft deze manier opzettelijk gekozen om de trotse en stijfkoppige mens volledig bij Hem in de schuld te plaatsen voor wat het allerbelangrijkste in het leven is. Deze gaven geven iedereen die geroepen wordt, de gelegenheid eeuwig te leven, waarbij vrede en welzijn wordt bereikt.

Kijk in gedachten om u heen en u ziet dat de mens heel veel dingen heeft bereikt, en doorgaat te bereiken, die hem de gelegenheid geven, als hij dat wil, daar trots op te zijn. Kijk naar wat de mens heeft gebouwd in termen van opbouw, in termen van lanceringen en onderzoek van grote delen van het universum. Kijk naar de vakgebieden medicijnen, biologie, geometrie en antropologie. We kunnen naar elk gebied gaan en de mens heeft verbazingwekkende dingen, die God heeft geschapen, ontdekt, en hij heeft die dingen — we zullen die dingen gaven noemen — gebruikt en aangepast waardoor ze door de rest van de mensheid gebruikt konden worden. Er is dus heel wat door de mens gedaan waarvoor hij zich op de borst zou kunnen kloppen; deze verzen 19 tot 21 laten echter zien waarom de wijzen van deze wereld zich niet aan God zullen onderwerpen.

In vers 21 wordt de reden duidelijk als we eenmaal de uitspraak "de dwaasheid der prediking" begrijpen. Het zou beter kunnen luiden "de dwaasheid van de dingen die gepredikt worden". Er is een groot verschil tussen de manier waarop de NBG deze woorden vertaalt en rangschikt en de manier waarop het Grieks het in feite zegt. De vertaling zou eigenlijk moeten zijn: "De dwaasheid van de dingen die gepredikt worden." Paulus zegt niet dat de wijzen van deze wereld de handeling van prediken verwerpen, maar veeleer is de inhoud van de boodschap die gepredikt wordt, dwaasheid voor hen. Met andere woorden de wijzen zullen het evangelie niet geloven en in deze context in het bijzonder dat God in het vlees voor de zonden van de wereld is gestorven. Paulus schreef daaraan vooraf over de prediking van het "kruis van Christus". Dat is de context.

De ware geestelijke nederigheid jegens God, de keuze daarvoor en de uitdrukking daarvan in handelingen van geloof in God, is zo belangrijk voor het totale, geestelijke doel van God voor ieder mens dat het niet te hoog kan worden geacht. Nederigheid kan niet hoog genoeg geacht worden binnen Gods doel.

Ten eerste, moet iedere persoon zo goed mogelijk weten, en weten dat hij het weet, dat Christus voor hem persoonlijk stierf. We moeten begrijpen dat onze eigen werken geen vergeving verschaffen. Ten tweede, we hebben ons niet zelf "in Christus Jezus" geschapen. Een andere manier van zeggen is dat niemand zich op basis van eigen kracht ontwikkelt tot een goddelijk iemand.

Ongeacht hoe hoogstaand de gedachten van de mens zijn betreffende gedrag en karakter, ze zijn bij lange na nooit zo hoogstaand als die van God en ze zouden nooit op basis van de kracht van de eigen menselijke wil uitgevoerd kunnen worden in de mate dat God wil. De mens kan schitterende gebouwen bouwen, maar hij kan geen schitterend karakter bouwen op het niveau, of zelfs maar in de nabijheid komen van het niveau, van Jezus Christus.

Paulus deed later in Filippenzen 2:13 een uitspraak om dat concept te versterken.

Filippenzen 2:13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

Niet ons welbehagen, maar Gods welbehagen.

Geen enkele schepping schept zichzelf. We kijken hier naar 'geestelijke evolutie'. God zegt dat dat een onmogelijkheid is. God doet wat Hij op Zijn manier doet om het concept van "We deden het op onze eigen manier" teniet te doen, omdat die manier tot trots leidt. Dat is de vrucht die altijd zal worden voortgebracht. God roept dus grotendeels de onaanzienlijken, de verachten, de zwakken en de dwazen van deze wereld, die door de ongelovige "wijzen" als onbelangrijk en van geen waarde worden beschouwd. God doet dit teneinde dat niemand voor Zijn aangezicht zal roemen. Zo eindigt dit hoofdstuk.

De protestantse commentator Bengel zei het op de volgende manier: "We hebben toestemming tot roemen, niet voor God, maar in God."

De woorden "in Christus Jezus" die in 1 Corinthiërs 1:30 voorkomen — "Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt" — duiden erop dat wij een intieme relatie met Hem hebben terwijl we één met Hem worden. Paulus werkt dan door middel van de woorden "wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing" verder in detail uit dat God, gebruikmakend van onze gelovende, nederige en onderworpen medewerking, uiteindelijk verantwoordelijk zal zijn voor alle dingen die samenhangen met Zijn werk dat in en door ons tot stand wordt gebracht.

De mens kan bruggen, gebouwen, snelwegen en allerlei dingen bouwen, maar in termen van behoud hangt alles af van het programma waar God Zelf persoonlijk bij betrokken is en waarvan Hij de leiding heeft. Hij begint ermee door zeker te stellen dat het geloof en de gaven om dit te bereiken door Hem gegeven worden en Hij verlangt dat zij aan wie Hij die gaven geeft, nederig zijn. Ik zeg u dat het tweede deel van dit proces zonder die nederigheid niet zal werken. Wat doen nederige mensen dan wat zo belangrijk is voor dit proces? Zij onderwerpen zich. Het is eenvoudig, maar zij onderwerpen zich aan God. Daar is niets ingewikkelds aan.

De meeste moderne commentatoren geloven, omdat de woorden "wijzen en wijsheid" zo vaak voorkomen in dit eerste hoofdstuk van 1 Corinthiërs, dat in vers 30 de woorden "rechtvaardigheid, heiliging en verlossing" tussen haakjes zouden moeten staan, omdat zij van mening zijn dat het Paulus' bedoeling was te definiëren wat hij met ware wijsheid bedoelde. Met andere woorden ware wijsheid is rechtvaardigheid, is heiliging en is verlossing. Deze verzen zeggen ons het volgende: God heeft er een behagen in hen te behouden die er ten eerste nederig voor kiezen te geloven en daarna er nederig voor kiezen zich te onderwerpen aan het geweldige werk dat in hen wordt gedaan.

Gods gaven en Abels nederige, gelovige onderwerping zonderde Abel af van, voor zover wij weten, ieder ander die in die tijd op aarde leefde. Dat vers getuigde dat wat hij in geloof deed, uitbeeldt wat ieder van ons die behoud ontvangt, ook moet doen om aan de reis naar het Koninkrijk van God te beginnen. Schenk aandacht aan het woord "beginnen". Iedereen moet door God worden geroepen en genoeg van Zijn woord geloven om te weten dat hij een zondaar is die het bloed van Jezus Christus nodig heeft voor de vergeving van zijn zonden. Iedereen moet berouw hebben en zich bekeren, dus een verandering van denken ondergaan in relatie met God, juridisch gerechtvaardigd worden, waarbij hem de gerechtigheid van Jezus Christus wordt toegerekend.

Er zijn twee factoren. (1) God doet het op deze manier om iedereen een eerlijke kans te geven. Door het op deze manier te doen effent Hij de weg voor iedereen. (2) God doet het op deze manier om iedereen bij Hem in de schuld te plaatsen om nederigheid voort te brengen. Dit maakt het mogelijk dat een relatie die helemaal terug in de tijd van Adam en Eva verbroken werd, weer hersteld gaat worden en dat een heiliging uitlopend op verheerlijking in gang wordt gezet. Dit was mijn voorwoord, voordat ik aan een ander gedeelte van Hebreeën 11 begin. Dit bereidt de weg voor de instructie in Hebreeën 11 betreffende Henoch, die in geloof wandelde met God, en dat behaagde Hem.

Hebreeën 11:5-6 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Als iemand met God wandelt, dwaalt hij niet in zijn eigen richting af. Dit is een eenvoudige uitspraak, maar het is een conclusie die belangrijk is, omdat dit laat zien dat er overeenstemming is met God.

Ik denk dat het op dit punt aangekomen goed is te gaan kijken naar Henochs getuigenis aan ons door eraan herinnerd te worden wat Jezus in Johannes 8:29 zei. Dit is voor mij een heel belangrijk schriftgedeelte geworden.

Johannes 8:29 En die Mij gezonden heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt.

Dat zet Jezus apart van iedereen die ooit heeft geleefd. Hij behaagde altijd de Vader. Hij week nooit af van het pad dat God voor Hem uitzette. Hij wandelde altijd precies in Gods voetstappen, evenals we dat bij Henoch zagen. Henoch behaagde God, maar hij deed dat niet op het niveau van Jezus Christus, die het altijd deed.

Genesis 5:22-24 En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. 24 En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.

Het is interessant dat Mozes tweemaal optekent dat Henoch met God wandelde. Dat geeft ons daar de implicatie, tenminste mij, dat wat hij deed gewoon vreemd was. In feite zien we dat niemand van ons met God wandelt totdat Hij ons roept. Laten we Jesaja 53 opslaan.

Jesaja 53:6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen.

Dat is inclusief u en mij.

Efeziërs 2:2-3 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 — trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns —,

Een menselijk wezen dat met God wandelt is niet normaal. Zo eenvoudig is dat. Wij allemaal gingen onze eigen gang die voor onszelf aangenaam was en geen rekening hield met God. Maar als we eenmaal met God verzoend zijn, verandert het plaatje — soms spectaculair.

Ik denk dat de implicatie van Genesis 5 is dat "wandelen met God" zo zeldzaam was, dat de bedoeling van het tweemaal zo dicht op elkaar zeggen is, onze aandacht te vestigen op Henochs bijzondere prestatie. Het woord "met" suggereert sterk dat er een relatie tussen hen bestond. Dit doet ons denken aan Amos 3:3, waar staat: "Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn?"

Wandelen met God is een van de levendigste en meest gebruikte metaforen uit de Bijbel die duiden op een rechtschapen leven. Het duidt op een vrijwillige, voortdurende voortgang in de tijd, waarbij ondertussen onderling wordt samengewerkt met anderen die dezelfde weg gaan. "Wandelen" is de meest gebruikte bijbelse metafoor voor een aantal aan elkaar verwante concepten. Afhankelijk van de vertaling wordt dit woord bijna 300 keer gebruikt om vier dingen aan te duiden.

Een wisselwerking met iemand anders als manier van leven. Henoch wandelde met God.

Het vooruitgang boeken op weg naar een bestemming. De Israëlieten wandelden [liepen] van Egypte naar het Beloofde Land, zij bewogen zich dus in de richting van een bestemming zoals een pelgrim dat doet.

De aanduiding van het verstrijken van de tijd waarin men in een bepaalde richting van leven bleef voortgaan. De Israëlieten wandelden veertig jaar naar de gekozen bestemming.

Het kan ook gebruikt worden om iemands stijl van leven aan te duiden.

Ik ga u een aantal voorbeelden geven. Het eerste ontleen ik aan Deuteronomium 8:6.

Deuteronomium 8:6 en onderhoud de geboden van de HERE, uw God, door in zijn wegen te wandelen en Hem te vrezen.

Als we in Gods geboden wandelen, onderhouden we ze en zodoende wandelen we met God. Dat definieert een modelpersoon, of zelfs een modelnatie, allemaal samen in Gods wegen wandelend.

Psalm 1:1 Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters;

Dat bestrijkt het geheel: wandelen, staan en zitten. We wandelen niet in de raad der goddelozen. Dit zegt ons dat zij die wandelen in de raad der goddelozen uit de pas lopen met God. Zij wandelen niet met Hem. Zij wandelen in een geheel andere richting.

Spreuken 4:14 Kom niet op het pad der goddelozen, betreed de weg der bozen niet.

De NBV vertaalt die laatste woorden met: "Bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn."

Daniël 4:37 Nu roem, verhef en verheerlijk ik, Nebukadnessar, de Koning des hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen die in hoogmoed wandelen, vermag te vernederen.

Raad eens wie in hoogmoed wandelde? Dat was Nebukadnessar. En God was in staat een eind te maken aan zijn functioneren en hem te doen beseffen dat hij in hoogmoed wandelde en dat het beter was dat hij zich voor God vernederde. Anders zou hij na zeven jaar als een wild beest te hebben geleefd, sterven.

Micha 6:8 Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God.

Ik plaats deze dingen gewoon in een verscheidenheid van categorieën. Deze metafoor van wandelen wordt door heel de Bijbel heen gebruikt. Het is belangrijk te weten dat we met God wandelen.

Psalm 119:1 Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des HEREN gaan.

Dit vers verbindt de stijl van leven met de geboden van God. Iemand die werkelijk nederig is zal zich dus in onderwerping schikken naar Zijn wet en daarom naar Zijn wil.

Psalm 119:45 Dan zal ik wandelen op ruime baan, want ik zoek uw bevelen.

De Willibrord vertaling 1995 geeft het begin van dit vers weer als: "Dan zal ik in nieuwe vrijheid leven." Iedereen wil in vrijheid leven. God zegt ons hier dat als we wandelen in overeenstemming met Zijn bevelen, we vrij zullen zijn. Daaruit komt vrijheid voort.

Er zijn vele tientallen soortgelijke beschrijvingen verspreid door de Bijbel. Als we deze lezen krijgen we een samengesteld beeld van een veelomvattende verscheidenheid aan facetten van de godvruchtige en slechte mensen in dit leven. Daar Amos 3:3 laat zien dat twee niet samen kunnen gaan, tenzij ze het eens zijn, laat iemand die met God wandelt zien dat hij het met God eens is. Het duidt er niet op dat zo iemand volmaakt is, maar veeleer laat het zien dat God zo iemand heeft aanvaard. Dat is belangrijk.

Hebreeën 11:5-6 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Daar Paulus toevoegt dat Henoch God door geloof welgevallig was, denk ik dat het veilig is om de conclusie te trekken dat de manier waarop Henoch zijn leven leidde God welgevallig was; anders zou hij niet met Hem hebben gewandeld. Henoch werd voor Gods aangezicht toegelaten. Henoch en God waren het met elkaar eens.

Als we bedenken wat Paulus benadrukt in de door God georganiseerde ordening van het onderhavige materiaal in Hebreeën 11, zal ons dat in sterke mate helpen dit te begrijpen. Als u iets uit deze specifieke preek mee mag nemen, dan hoop ik dat het dit is, omdat dit ons tot meer begrip van geloof leidt en hoe het in het leven wordt toegepast: Hebreeën 11 staat niet in chronologische volgorde. Het is niet geordend in een volgorde waarin de naam van iemand in het boek Genesis voorkomt. In sommige gevallen lijkt het erop, maar dat is niet het geval.

God is een God van orde en Hij ordent de dingen op de manier die Hij wil, en als wij die ordening niet begrijpen, of niet zien of beseffen hoe die in elkaar zit, dan zullen we niet zoveel uit dat hoofdstuk halen als eigenlijk zou moeten. We zullen er iets uithalen, maar niet zoveel als zou moeten.

De ordening van Hebreeën 11 is een voorbeeld van een proefondervindelijke ordening. Met "proefondervindelijk" wordt bedoeld het geloof zoals het in het praktische leven wordt ervaren. Ik zal u een voorbeeld geven. Wat Abel meemaakte komt als eerste voor in een leven uit geloof. Gods gaven en Gods aanvaarding van iemand door het bloed van Jezus Christus markeren het begin van het christelijke leven. Daarna moet de christen ervaren waar Henoch doorheen ging. Hij moet dus verder wandelen met God. Dit kan absoluut niet aan Abels ervaring voorafgaan.

Er zijn mensen die zeggen dat zij hun hele leven al naar God op zoek waren. Dat waren ze niet. Zij waren op zoek naar een god die zij in gedachten hadden. Niemand kan tot de Zoon komen tenzij God hem trekt. God moet Zichzelf openbaren. Een heel duidelijke illustratie hiervan is Mozes in de woestijn. God openbaarde Zichzelf aan Mozes in het brandende braambos. Zelfs al had Mozes ongetwijfeld enige ideeën in zijn hoofd die juist waren, hij kende de God van hemel en aarde niet echt totdat God verkoos Zich te openbaren. Zo gaat het met iedereen. Mozes kon net zomin met God wandelen als Henoch met God kon wandelen voordat hij eerst ervaren had wat Abel had meegemaakt. Er is een opeenvolging.

Na Henoch komt in Hebreeën 11 Noach. Noachs relatie met God was die van een dienaar die de wil van God op een heel andere manier uitvoert dan Henoch. Abel voerde Gods wil uit, maar dat was op een heel primitief niveau. In Henochs ervaring lag de lat wat hoger. Hij wandelde met God en had dus meer ervaring met God op basis van aangezicht tot aangezicht. Toen Noach op het toneel verscheen, werd de ervaring met God werkelijk opgekrikt tot een rechtstreeks opdrachten uitvoeren ten behoeve van God. Begint u het te snappen?

Alles in het hoofdstuk is geordend in overeenstemming met die ordening. Als u meer bewijs wilt, dan kan ik u nog het volgende geven. Ik geef u een vers uit 1 Timotheüs en u zult zien waarom het op die manier moest gaan. Paulus heeft het over de ordinatie van iemand en hij zegt:

1 Timotheüs 3:6 Hij mag niet een pas bekeerde zijn, opdat hij niet door opgeblazenheid in het oordeel des duivels valle.

Paulus zegt een pas bekeerd iemand niet te ordineren. God laat in Hebreeën 11 zien dat er een algemeen patroon van groei vereist wordt voordat men van het ene stadium naar het andere gaat, en tijdens de groei nemen ook de eisen en verantwoordelijkheden toe.

Ik noemde eerder dat de abrupte verandering in iemands leven soms werkelijk spectaculair is. We gaan naar een van die gevallen kijken. U weet waarschijnlijk welk geval dit is. Dat was de apostel Paulus in het boek Handelingen. Dit was na het voorval op de weg naar Damascus. Hij ging de stad binnen en toen hij weer naar buiten kwam, gebeurde het volgende:

Handelingen 9:20-22 dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is. 21 En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? 22 Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is.

Paulus' bekering moet een van de meest spectaculaire uit alle tijden zijn geweest, maar ik ga u nu laten zien dat ook Paulus moest groeien voor hij werkelijk op uitgebreide schaal kon worden gebruikt naast de handelingen van heel elementair niveau die vlak na het begin van zijn bekering plaatsvonden. Dat wat hier in Handelingen 9:20-22 gebeurde, was van elementair niveau. Zijn prediking beperkte zich tot het bijbels bewijzen dat Jezus de Messias was.

Weet u hoe lang het duurde voordat Paulus datgene begon te schrijven dat nu deel uitmaakt van de Schrift? Dat duurde ongeveer twintig jaar.

Galaten 1:15-18 Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; 17 ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. 18 Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem;

De implicatie hiervan is dat, aangezien hij zich niet druk maakte om bij mensen te rade te gaan, hij naar de Arabische woestijn vertrok, alwaar hij drie jaar lang door Christus onderwezen werd. Dat betekent niet dat Christus daar de gehele tijd was, maar hij besteedde drie jaar, daar ben ik zeker van, om de Schriften te bestuderen, erover na te denken, te mediteren, te bidden en, wie weet, was Christus van tijd tot tijd daar. Dat weet ik niet precies. Ik denk dat er het volgende gebeurde: Paulus leerde van zijn ervaringen in Damascus onmiddellijk nadat hij zich had bekeerd en gedoopt was, dat hij meer begrip nodig had dan hij op dat moment had. Hij had meer groei nodig om werkelijk te kunnen dienen.

Paulus is een voorbeeld. Er is een opeenvolging van dingen waar God ons doorheen leidt; dat wordt ons als eerste getoond in het voorbeeld van deze drie mannen.

Hebreeën 11:9 Door het geloof heeft hij [Abraham] vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte;

Wat wordt ons hier gezegd? Er staat hier dat Isaak en Jakob genoemd worden voordat de aandacht op Sara wordt gericht.

Hebreeën 11:30 Door het geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat (het volk) er zeven dagen lang omheen getrokken was.

Het neerstorten van de muren van Jericho wordt genoemd voordat de aandacht op het geloof van Rachab wordt gevestigd.

In vers 32 wordt Gideon genoemd voor Barak, Simson voor Jefta, en David voor Samuël. We weten allemaal dat die mensen niet in die volgorde in de Bijbel worden genoemd. Chronologisch staan al deze mensen niet in de juiste volgorde en zo wordt het duidelijk dat het in hoofdstuk 11 niet gaat om de chronologische volgorde; veeleer acht God de opeenvolging van de lessen in het leven van deze mensen belangrijker voor ons begrip.

God is geen God van wanorde. Dit hoofdstuk is doelbewust geordend op de manier waarop het is geordend, en die ordening is belangrijk voor een leven dat in het echt wordt geleefd. Het voorbeeld van Henoch neemt ons mee naar de volgende logische stap in de volgorde van de reis van een gelovig iemand naar de verheerlijking.

Abels voorbeeld van geloof heeft betrekking op rechtvaardiging. Het laat op een beknopte manier zien waar het leven uit geloof begint.

Henochs voorbeeld heeft betrekking op heiliging en zijn voorbeeld geeft ons een algemeen overzicht van waaruit het leven van iedereen bestaat. Tijdens de heiliging is het absoluut essentieel dat we met God wandelen, zodat we het leven met God kunnen ervaren. Vanuit die ervaring komt karakter voort en tijdens die ervaring worden de wetten van God in ons hart geschreven. Iedereen moet die richting uitgaan. Niemand uitgezonderd.

Laten we de uitspraken betreffende het wegnemen van Henoch verduidelijken. De wereld meent dat dit betekent dat Henoch ten hemel werd opgenomen. Maar dat is gewoon niet waar, omdat als het waar is, het een tegenstelling creëert met andere schriftgedeelten uit de Bijbel.

Hebreeën 9:27 En zoals het de [alle] mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel,

Ik voegde het woord "alle" toe. Dat woord komt in het Grieks niet voor. Als er staat dat "het de mensen beschikt is eenmaal te sterven", dan vallen alle mensen daar onder. Er zijn geen uitzonderingen.

Paulus laat Christus' overeenkomst met de mens zien, omdat toen Hem eenmaal de zonden van de mens werden opgelegd, wat gebeurde er toen? Hij stierf. Zelfs Hij Die zonder zonde was, stierf zodra de zonde op Hem werd gelegd. Iedereen sterft. Het loon van de zonde is de dood, en zoals het de mens vanwege de zonde eenmaal beschikt is te sterven, zo stierf ook de volmaakte Christus eenmaal als offer ten behoeve van de mens om voor de zonde te betalen. Als wat de wereld over Henochs wegneming zegt waar is, stierf Henoch niet; en daarmee is er binnen de Schrift een tegenstelling gecreëerd. Maar Johannes 10:35 zegt: "De Schrift kan niet gebroken worden."

Johannes 3:13 [Jezus zei] En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.

Deze context laat zien dat Jezus met autoriteit spreekt betreffende hemelse dingen op basis van het feit dat Hij daar vandaan kwam, en Hij zegt heel duidelijk dat niemand — inclusief Henoch — naar de hemel is opgevaren. Zelfs van David wordt door Petrus in Handelingen 2:29 getuigd dat hij niet naar de hemel is opgevaren.

Handelingen 2:29 Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.

Nog niet zo lang geleden gebruikte ik Johannes 3:13 met betrekking tot een vrouw die gelooft dat men onmiddellijk na de dood naar de hemel gaat. Ik zei natuurlijk: "Hoe kan dat nu, daar Jezus zei dat niemand dat had gedaan en Hij er geweest was?" Zij schreef terug: "Toen Jezus eenmaal was opgestaan, veranderde alles, en omdat Hij naar de hemel ging, gaan zij die in Hem geloven ook naar de hemel." Komt dat niet goed uit?

Kunt u inzien dat als een geloof zoals die dame gebruikte, eenmaal begint te worden toegepast, niets dat in het verleden voorafgaande aan Jezus' leven, dood en opstanding werd gezegd, in deze tijd als betrouwbaar kan worden geacht, tenzij de Bijbel specifiek zegt dat dit altijd van toepassing is? Laten we weer naar Hebreeën 11 gaan.

Hebreeën 11:32-39 En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten, 33 die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, 34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen. 35 Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. 36 Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap. 37 Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling 38 — de wereld was hunner niet waardig — zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde. 39 Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen,

Zij zijn niet daar. Al deze mensen, inclusief Henoch en veel niet met name genoemden, wachten op de opstanding uit de doden en hun verheerlijking in Gods Koninkrijk. Het woord "weggenomen" betekent gewoon "verplaatst geworden". Henoch werd naar een andere plaats op aarde verplaatst om te ontsnappen aan het geweld dat op hem was gericht, en op die plaats stierf hij net zoals alle mensen.

Colossenzen 1:13 Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde,

Dit heeft dezelfde betekenis als wat er met Henoch gebeurde. We zijn verplaatst naar het koninkrijk van Zijn geliefde Zoon. Dit laat twee dingen zien. We zijn gerechtvaardigd en daarom met God verzoend door het bloed van Jezus Christus, en ons echte burgerschap — ons geestelijke burgerschap — is nu geestelijk in het Koninkrijk van God, en we zijn geen centimeter van plaats veranderd. Door deze "overbrenging" krijgen we twee dingen. Het eerste vinden we in het boek Johannes.

Johannes 5:24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.

Dit is het eerste ding dat we als resultaat van die overbrenging krijgen. We hebben het zaad van eeuwig leven in ons. Laten we Filippenzen 3 opslaan. Paulus schreef daar later:

Filippenzen 3:13-16 Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, 14 maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; 16 maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!

Het tweede is, dat we dezelfde verplichting hebben als Henoch, en dat is dat we moeten leven en wandelen op een manier die het Koninkrijk van God vertegenwoordigt. Ook wij zijn weggenomen opdat we de dood niet zouden zien, maar de dood in ons geval is de tweede dood. Henochs "wandelen uit geloof" zegt ons dat hij zijn eigen vleselijke voorkeuren en verlangens opzij zette en zich in gehoorzaamheid naar Gods wil voegde, waarbij hij zijn leven onderwierp aan wat God verlangde met hem te doen. Henoch deed dat uit geloof en daarom was hij God welgevallig.

Laten we verdergaan met Henoch omdat er nog meer over hem in het Boek staat. Laten we Judas opslaan.

Judas 14-16 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. 16 Dit zijn de morrenden, mokkend om hun lot, wandelende naar hun begeerten, maar hun mond spreekt hoogdravend, als zij om des voordeels wil (de mensen) in hun gezicht vleien.

Abel was een schaapherder en hij stierf blijkbaar kort na dat voorval een gewelddadige dood. Maar Henoch was een prediker. Er bestaat geen twijfel aan dat Henoch met iets anders in de pas liep dan al degenen rondom hem. Daardoor voelden anderen zich bij hem niet op hun gemak en het blijkt dat dit hem het gevaar deed lopen een gewelddadige dood te sterven, waardoor zijn wegneming werd bespoedigd.

Dit korte verslag van Henochs veelbetekenende leven laat voor ons geestelijk onderwijs en welzijn zien, dat het niet voldoende is juridisch van de dood naar het leven te zijn overgegaan alleen maar omdat iemands zonden zijn vergeven. Abels voorbeeld laat werkend geloof zien met betrekking tot rechtvaardiging en dat is goed, maar hij werd blijkbaar kort na die offerande vermoord. Er hangt veel meer samen met Gods roeping en het leven van een christen dan blijkt uit wat er met Abel gebeurde.

Ik ga u twee volledige hoofdstukken lezen. Het eerste hoofdstuk vertelt wat er met Abel gebeurde, zelfs al wordt hij in het geheel niet genoemd. Dit is ook u en mij overkomen. Het tweede hoofdstuk zal u laten zien waartoe het eerste hoofdstuk ons verplicht. Beide hoofdstukken werden door Paulus geschreven.

Het eerste is Efeziërs 3. Efeziërs 3 is in feite een gebed dat Paulus voor hen uitsprak, en ook voor ons. In principe verheerlijkt het het ontzagwekkende feit van het mysterie van God Zelf — het mysterie van wat Hij doet en het mysterie van hoe dat wordt bereikt, en dat ons bekend is gemaakt ondanks wie en wat we zijn.

Efeziërs 3:1-21 Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; 2 — Gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: 3 dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. 4 Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, 5 dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: 6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. 13 Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u. 14 Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, 17 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, 18 zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, 19 en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods. 20 Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, 21 Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.

Colossenzen 3:1-17 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, [hier is de verplichting] zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. 4 Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. 5 Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, 6 om welke dingen de toorn Gods komt. 7 Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet. 8 Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond. 9 Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, 10 en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, 11 waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus. 12 Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. 14 En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. 15 En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. 16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. 17 En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!

Ik ga niet verder omdat hij terwijl hij doorgaat nog specifieker wordt.

Abels leven laat iemand zien die gerechtvaardigd werd. Henochs leven laat zien dat hij wandelde met God en de dingen deed die we zojuist in Colossenzen 3 lazen. Dat is wat wij moeten doen. Dat beschrijft hoe we met God moeten wandelen. Doen wij dat? Kunnen wij aan die lijst voldoen? Dat is niet meer dan één hoofdstuk, maar dat zijn de dingen waaraan ons leven moet zijn gewijd, als we eenmaal de fase die Abel ons liet zien zijn doorgegaan en op het terrein komen dat Henoch liet zien. Henoch moet een echte kerel zijn geweest en hij krijgt amper de lof die hem toekomt voor de manier waarop hij zijn leven aan God gaf, zelfs in zo'n mate dat de mensen eropuit waren hem te vermoorden. En als God in Zijn barmhartigheid niet tussenbeide was gekomen zou Henoch zeker zijn vermoord omdat hij goed was.

Beseft u wat God ons hier in Hebreeën 11 uiteenzet? Hij slaat het concept dat van een christen niet verlangd wordt werken te doen, aan gruzelementen. Het is het krachtigste hoofdstuk uit de gehele Bijbel voor wat betreft dat werken absoluut vereist zijn van iemand die door God geheiligd wordt, omdat dat de enige manier is waarop de wetten van God en het beeld van God in ons geschreven kunnen worden. Dat moet worden gedaan in en door ervaring — door het te doen. Weten is niet genoeg. We moeten het doen. Zo eenvoudig is dat. Daar is niets ingewikkelds aan.

Ziet u hoeveel succes Satan heeft gehad in het op slinkse wijze overtuigen van de mensen dat ze geen werken nodig hebben? God zegt: "Geen enkel werk zal u behouden." Dat is juist, maar dat betekent niet dat er geen werken nodig zijn. De heer Armstrong placht te zeggen dat niemand door werken behouden zal worden, maar dat iedereen die behouden zal worden, werkt. Zo eenvoudig ligt dat, omdat leven op de manier waarop God leeft, God in staat stelt Zichzelf in ons te scheppen. Daartoe is onze medewerking vereist. Zoals Paulus in 2 Corinthiërs 6:1 zei: "Wij zijn medearbeiders Gods." Wij wandelen met God en we werken met God door de dingen te doen die God God maken. Zijn heilige karakter maakt God tot God. Dat willen wij ook hebben.

De volgende keer dat ik spreek zal ik u nog wat meer zeggen over wat er in Hebreeën 11 staat.

Ik wil iets herhalen dat ik u misschien reeds eerder heb gezegd, maar het is goed om iets weer in herinnering te brengen. Wat 1 Corinthiërs 13 is voor liefde, is Hebreeën 11 voor geloof.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)