Geloof en het gevecht van de christen (Deel 2)

Door John W. Ritenbaugh
10 maart 2007

Samenvatting: (toon)

John Ritenbaugh herhaalt dat geloof Gods gave is aan hen die Hij geroepen heeft. Alles waar we doorheen gaan is door God uitgedacht. Wij zijn het resultaat van Zijn vakmanschap, geschapen voor goede werken, een reactie op het geloof dat Hij ons gegeven heeft. Goede werken volgen op geloof. Er wordt in dit scheppingsproces van ons medewerking met God verlangd, waardoor we in staat worden gesteld ons behoud tot het logische eindresultaat te brengen. God geeft ons het verlangen om deze werken te willen en te doen. Nalaten om in dit geestelijke proces mee te werken zal leiden tot intellectuele verkalking en een langzame geestelijke dood. Niemand vanaf Abraham tot in deze tijd kon rechtvaardiging door werken verkrijgen, maar van iedereen werd het soort door geloof gemotiveerde medewerking verlangd dat Abraham liet zien, waardoor door beproevingen heen karakter en geduld werden ontwikkeld. Onze aanvaarding in Gods tegenwoordigheid komt tot stand door rechtvaardiging. Dit proces wordt gevolgd door het ontvangen van Gods Heilige Geest en het daarop volgende schrijven van Gods wetten in onze harten. Heiliging brengt gerechtigheid en karakter in praktijk terwijl ons vleselijk leven ter dood wordt gebracht en begraven, waardoor we ons nederig naar God kunnen gaan voegen.


We gaan deze preek beginnen in 1 Timotheüs 6:11-12.

1 Timotheüs 6:11-12 Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtzinnigheid. 12 Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.

We zien hier dat Paulus zei: "Strijd de goede strijd des geloofs." Dat is min of meer de titel van de serie waar ik momenteel mee bezig ben. Ik heb hem "Geloof en het gevecht van de christen" genoemd. Dit is deel 2.

Toen we de vorige keer eindigden, waren we bij Hebreeën 11:4 aangekomen en het voorbeeld van Abels gebruik van zijn geloof in God en Jezus Christus, of het woord van God. Voordat we daar aankwamen hadden we echter reeds gezien dat geloof in deze drie in ons tot stand komt als resultaat van het horen van het woord van God — in het bijzonder het evangelie. Dat stond in Romeinen 10:17.

Een element dat heel kritisch is voor een juist begrip van dit geloof, is dat het niet onze reactie is op het horen van het evangelie. De nadruk ligt op de woorden "niet onze". Het is veeleer veel beter voor ons geestelijke begrip om te weten dat dit geloof door God gegeven wordt, en het horen van het evangelie is het middel waardoor God deze ontzagwekkende gave geeft. We hebben het over een heel specifiek geloof — het geloof dat nodig is voor behoud. Ik zeg dit omdat men gemakkelijk geloof kan hebben in allerlei mensen, of in allerlei producten, of door gewone menselijke ervaring in allerlei religies. Zodoende horen we uitspraken van mensen dat ze zo'n vertrouwen (geloof) hebben in de auto's van General Motors, of in Kenmore wasmachines, of in een of ander atletiekteam, of in het karakter van de een of andere persoon.

De volgende uitspraak is van Aiden W. Tozer, en ik beschouw hem persoonlijk als een van de beste protestantse theologen van de laatste eeuw of zo. De heer Tozer zei het volgende: "Wij zoeken God omdat, en alleen maar omdat, Hij allereerst een aandrang in ons heeft opgewekt die ons tot dat zoeken aanspoort."

We zijn allemaal vertrouwd met Johannes 6:44, maar ik wil dit opnieuw lezen, omdat dit fundamenteel is voor het onderwerp waar we ons in deze preek mee zullen bezighouden.

Johannes 6:44 Niemand kan tot Mij [dat is tot Jezus Christus] komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

"Geloof dat behoud brengt" is een heel bijzonder geloof. Het bestaat alleen maar in ons vanwege iets dat God doet. Tozer noemde het "een aandrang". Wij zouden het een neiging kunnen noemen, of een verlangen, of een openen van het verstand. Dat is iets dat God doet. Het wordt niet intern voortgebracht door logisch menselijk redeneren, gezond verstand of menselijke ervaring. Dit moet zo zijn, want anders zou er een schriftuurlijke tegenspraak geproduceerd worden, en dat is een onmogelijkheid omdat God in Zijn woord ook zegt: "De Schrift kan niet gebroken worden."

We lazen zojuist Jezus' uitspraak over dit onderwerp. Niemand kan tot Hem komen tenzij de Vader hem trekt. Een persoon moet getrokken worden. Een persoon moet de motivatie hebben die uit een geloof voortkomt dat God hem op wonderbaarlijke manier geeft, om in de richting te gaan van geloof hebben in Jezus Christus als zijn Verlosser en daarna als zijn Hogepriester.

Als geloof niet gratis door God gegeven wordt, maar veeleer onze eigen intern voortgebrachte reactie is op het horen van het evangelie, dan komt God daardoor bij ons in de schuld te staan. Met andere woorden Hij zou ons iets schuldig zijn, omdat wij op eigen kracht in het geloof hebben voorzien om Gods weg op te gaan en die te blijven volgen.

Let op wat er in Johannes 6:27-30 staat. In een bepaald opzicht verschaffen deze verzen een fundament voor een beter begrip van Johannes 6:44.

Johannes 6:27-30 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij?

Deze verzen bevatten een interessant element, en wel dat Jezus duidelijk zei dat het geloof waar Hij het over heeft, Gods werk is. Hij deed het. Het is Gods werk. Hij zegt duidelijk dat dit specifieke geloof Gods werk in en door ons is. Met andere woorden Jezus zegt dat God de voortbrenger en bron is, anders zouden we het geloof waarover Hij het heeft, niet hebben.

Zoals gewoonlijk begrepen de Joden er totaal niets van. Wij kunnen begrijpen waarom zij er totaal niets van begrepen, omdat Hij hun niet het geloof gaf om te begrijpen. Bedenk dat de discipelen in Mattheüs 13 tot Hem zeiden: "Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen?" En Jezus zei: "Jullie is het gegeven te begrijpen, maar hun niet; zij zijn nog steeds blind, want anders zou Ik hen moeten genezen."

Begint u in te zien in wat voor unieke positie dit iemand plaatst aan wie God de aandrang heeft gegeven Hem te zoeken (Christus te zoeken; het geloof dat tot behoud leidt te zoeken)? Het grootste deel van het begin van deze preek zal op dit punt zijn gericht, en ik hoop hier een zaak te kunnen samenstellen zoals een aanklager dat doet, zodat ik ons allemaal in de hoek kan drijven en elke twijfel kan wegnemen dat behoud een gave van God is. Wij hoeven niet meer te doen dan te reageren op datgene waartoe Hij ons aanzet. Wij moeten hier dus een rol in spelen, maar alles wat er werkelijk toe doet, wordt door God voortgebracht.

Nu slaan we Efeziërs 2:1 op, zodat we kunnen zien hoe die zaak door Paulus werd opgezet, een basis werd gegeven en werd vastgesteld.

Efeziërs 2:1 Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden,

"Hoewel gij dood waart" duidt erop dat dit niet langer het geval is en dat u "opgewekt" bent, zoals dat ook in vers 6 wordt gezegd. Zoals uit de tussenliggende verzen (2 tot 5) blijkt vindt dit opwekken plaats door God de Vader. "Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden."

Efeziërs 2:8-10 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme. 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

De alles omvattende nadruk in dit hoofdstuk ligt op wat God doet. Hij bracht ons dus tot leven. Het gaat hier niet over een fysieke schepping. Hij heeft het hier over geestelijke dingen en Paulus gaat hier in het eerste vers van dit hoofdstuk verder met zijn onderwerp om er voor te zorgen dat we begrijpen dat het God is die geeft wat we geestelijk bezitten.

In vers 8 — "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God" — doet het er niet toe of we menen dat het voornaamwoord "het" verwijst naar genade of geloof. Dat doet er niet toe. Beide is mogelijk. Elk van hen is een gave.

Genade is Gods goedertierenheid voor ons die door Hem wordt getoond of gedemonstreerd door Zichzelf aan ons te openbaren. Ik zal u een illustratie geven die u naar ik meen wel zal aanspreken. Dit betreft Mozes en het voorval van het brandende braambos, voordat God hem naar Egypte zond. Als God Zichzelf niet ten doel had gesteld Zich in het braambos uit eigen vrije wil te openbaren, dan zou Mozes Hem nooit gevonden hebben. Op dezelfde manier, al komen wij God niet in een brandend braambos tegen, openbaart Hij Zichzelf desondanks aan ons, al is dat wel enigszins anders dan Hij het aan Mozes deed. Bij Mozes deed Hij het visueel. Bij ons plaatst Hij een aandrang in ons om onze aandacht in een geestelijke richting te wenden, iets wat we nooit gedaan zouden hebben als Hij niet gedaan had wat Hij eerst deed.

Een van de redenen dat het zo moeilijk voor ons is en waarom God Zichzelf moet openbaren, is omdat Satan ons zo goed heeft misleid dat we niet het flauwste idee hebben waarnaar uit te kijken.

Laten we beginnen te lezen in Efeziërs 2:3. Bedenk dat het onderwerp van de eerste twee of drie verzen hier Satan is als de maker van de loop der wereld.

Efeziërs 2:3-5 — trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns —, 4 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen [geen letterlijke dood, maar we waren geestelijk praktisch dood vanwege de zonde] mede levend gemaakt met Christus, — door genade zijt gij behouden —,

In dit onderwerp van genade kijken we naar een volledig pakket van veel individuele gaven. Het evangelie is het middel dat voorziet in het geloof dat Hij geeft. Het evangelie bevat het leerstellige pakket van wat we geloven en waarin we vertrouwen. Dit is zo, omdat Paulus het gehele pakket zag en de term "genade" gebruikte om daar als etiket op te plakken. Hij gaat dan verder in de verzen 9 en 10 van dit hoofdstuk om de volgende logische, algemene stap in Gods doel te presenteren, en die is "in Christus Jezus geschapen zijn" en "werken".

We kunnen hier min of meer tot een conclusie komen — een voorlopige — dat onze werken, in zoverre als we reeds gekomen zijn, in geen enkel opzicht de oorzaak waren van het begin van het rechtvaardigings-, heiligings- en verheerlijkingsproces. Al de werken die we hebben gedaan, te beginnen met berouw en de voortgang hiervan in de periode van heiliging, zijn rechtstreeks afhankelijk van de gratis gegeven goedertierenheid en het gratis gegeven geloof waarin God voorzag.

De goede werken die God (zoals hij in vers 10 zegt) tevoren bereid heeft of vastgesteld heeft, zijn onze reactie op het geloof dat God geeft. Werken vormen het uiterlijke bewijs van het ongeziene innerlijke geloof dat ons gegeven is. (Denk aan Hebreeën 11:1.) Met andere woorden die werken zouden door degene die ze doet, niet gedaan worden tenzij God had gedaan wat Hij deed in het geven van die gave. De voorlopige conclusie is dus dat deze goede werken van vers 10 daarop volgen. Ze gaan daaraan niet vooraf.

We gaan nog een stap verder en deze keer gaan we naar 2 Corinthiërs 5:17. Dat vers begint met woorden die duiden op het trekken van een conclusie.

2 Corinthiërs 5:17 Zo is dan wie in Christus is [Wij worden in Christus Jezus geschapen.] een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

Iets anders dat door dit vers wordt bevestigd is dat God in zo iemand werkt, en wat Hij doet door ons in Christus Jezus te scheppen wordt "een nieuwe schepping" genoemd. De christen is Zijn maaksel, Zijn handwerk — om het aan Efeziërs 2:10 te koppelen.

Denk aan dit eenvoudige principe. Er is niets nieuws dat zichzelf schept; daarom zijn we het handwerk van iemand anders. Vanwege wat God doet, werken we daarna mee en brengen de werken voort die Hij heeft voorbereid.

Aan het eind van 2 Corinthiërs 5 gaat het onderwerp in feite nog verder. Het komt tot een kleine miniconclusie, maar laten we vers 1 van hoofdstuk 6 lezen.

2 Corinthiërs 6:1a Maar als medewerkers (Gods) ...

De vertalers begrepen de strekking van wat Paulus daar in hoofdstuk 5 onderwees. Wij zijn een nieuwe schepping, maar we zijn medewerkers van Hem in die schepping. Onze medewerking is vereist. Als God dit eenmaal begint door Zijn gave van genade, gaat Hij met ons verder en werken we met Hem mee door te reageren — door ons te voegen naar wat Hij ons gegeven heeft en wat Hij ons verder nog onderwijst zodat we gekneed en gevormd kunnen worden om ons aan het beeld van Jezus Christus aan te passen.

Een van de modernere vertalingen die ik betreffende deze term opsloeg — "medewerkers Gods" — heeft dit veranderd in — "wij werken met Hem samen". Dat wordt gemakkelijk begrepen. In een bepaald opzicht is er dus een team van wezens dat samenwerkt om het eindproduct voort te brengen, en dat team bestaat uit de Vader en de Zoon en ons. Wij werken samen om naar het beeld van Jezus Christus te worden gevormd.

We gaan nog iets verder door te laten zien dat een noodzakelijk deel van dit proces dat gaande is, voor onze rekening komt. Daartoe slaan we Filippenzen 2:12-13 op.

Filippenzen 2:12-13 Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, 13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.

Laten we hier direct iets duidelijk maken. Als Paulus zegt "uw behoudenis bewerken", zegt hij niet dat we voor behoud moeten werken om het te verkrijgen. Het Grieks duidt op het voortgaande gebruik van iets dat men reeds in bezit heeft. Wat wij reeds in bezit hebben is genade met de gaven die we daarmee ontvingen, opdat we met God konden meewerken. We hebben het reeds in bezit. Die woorden duiden op doorgaan met iets tot een logisch doel is bereikt. De woorden "uw behoudenis bewerken" duiden op doorgaan met iets tot een logisch doel is bereikt. En dat doel is een leven leiden dat het evangelie waardig is, door de werken te doen die God voor ons heeft voorbereid, zoals we in Efeziërs 2:10 zagen.

Als we dit proces eenmaal gaan herkennen, passen al deze schriftgedeelten als een legpuzzel ineen. Ze vormen een schitterend, maar eenvoudig plaatje. We zien hier dus een teamwerk waarbij de Vader en de Zoon ons van Hun geest geven, waarna wij met Hen samenwerken. Zij brengen de zaak op gang en Zij werken met ons zoals in vers 13 staat: "Want het is God die in u werkt." Dat is een continu proces. Het heeft een begin, dat is het moment waarop Hij ons roept, en daarna gaat het proces almaar door.

Let op wat hier staat: "Want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt." Met andere woorden Hij voorziet ons van het verlangen, de aandrang, om door te blijven gaan. Dat is het willen. Hij geeft ons niet alleen die aandrang, Hij wijst ons ook de richting die we moeten gaan. Soms zijn we nogal blind. We zien het niet. Ik ben er zeker van dat Hij dat doet om ons te testen. Hij wijst, maar we zien geen vinger. We zien de richting niet waarin de vinger wijst, maar Hij is geduldig en Hij vindt dan een manier om onze aandacht te trekken. "O, is dat de weg?" Het is zo duidelijk als we het weten.

Er is nog een heel duidelijk schriftgedeelte van elf verzen dat heel wat van dit onderwerp behandelt. We slaan Romeinen 9:9-19 op. Hoofdstuk 9 is het begin van een sectie bestaande uit drie hoofdstukken — 9, 10 en 11 — waarin Paulus de vraag stelt: "Wat gebeurt er met Israël? Zijn ze allemaal verloren?" en de antwoorden erop onderzoekt. Hij geeft het antwoord erop, maar uit de manier waarop hij dat geeft, kunnen we ook heel wat leren over onszelf.

We beginnen in dit hoofdstuk te lezen op het punt waar het onderwerp Abraham en Sara is — de onvruchtbaarheid van Sara. Abraham is honderd jaar oud en zij konden samen geen kind voortbrengen en toch was Gods belofte: "Ik zal naties uit u doen voortkomen."

"Hoe dan? Ik heb nog niet eens een zoon. U weet hoe het met Sara is gesteld. Zij kan geen kinderen krijgen. Ze heeft de menopauze allang achter de rug."

Maar God zei: "Je zult een zoon hebben." Paulus begint dus aan dat onderwerp en dan gaat hij over op iets anders, maar dat maakt deel uit van hetzelfde proces.

Romeinen 9:9-11 Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. 10 Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak. 11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren [Jakob en Esau zijn nog in de baarmoeder.] en goed noch kwaad hadden gedaan — opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep —,

God is Degene die kiest in wie Hij die aandrang om op Hem te reageren teweeg zal brengen. Dat is Zijn keus. Hij kiest hen uit bij wie Hij die aandrang, dat verlangen om Hem en Jezus Christus te volgen, zal teweegbrengen. Bedenk dat deze twee — Esau en Jakob — nog in de baarmoeder zijn. Ze hebben nog niets gedaan, niets goeds, niets slechts.

Romeinen 9:11-13 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan — opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep —, [Het is volledig Gods werk.] 12 werd tot haar [Rebekka] gezegd: De oudste [Esau, de eerste die werd geboren] zal de jongste [Jakob, de tweede van de tweeling die werd geboren] dienstbaar zijn, 13 gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.

Dit was de conclusie die moest worden getrokken, omdat God zei dat de oudste (Esau) de jongste (Jakob) zal dienen. Dit was volledig Gods werk. Jakob had niets gedaan om te verdienen wat God hem gaf en Esau ontzegde.

Romeinen 9:14 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!

Er zijn heel wat mensen die menen dat ze in staat zijn op basis van hun intellect God te zoeken, zonder door Hem geroepen te zijn. Ze geloven niet echt dat God iemand moet roepen. Zij geloven niet dat God iemand moet uitkiezen aan wie Hij Zich zal openbaren. Zij zijn van mening dat zij God hebben gezocht. Hier staat: "Beslist niet!" Werd God onrechtvaardig doordat Hij Jakob koos en niet Esau op een moment dat geen van beiden ook maar iets had gedaan om daarvoor in aanmerking te komen? Evenals Jakob niets goeds had gedaan, had Esau ook niets slechts gedaan. God legt het op de volgende manier uit.

Romeinen 9:15 Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.

God zegt: "Luister eens, dat is Mijn keus. Het is Mijn schepping. Ik kan doen wat Ik wil."

Romeinen 9:16 Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt.

Vers 17 is min of meer interessant. Paulus geeft nog een illustratie.

Romeinen 9:17 Want het schriftwoord zegt tot Farao [een slechterik]: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde.

"Luister eens meneer Farao. Ik koos jou omdat Ik wist dat Ik je naar Mijn wil kon doen buigen om al deze dingen te doen, waardoor er echt heel wat druk op de Israëlieten werd uitgeoefend. Hierdoor werden ze niet alleen onder druk gezet, maar het gaf Mij de gelegenheid het effect van jouw handelen uit te schakelen zodat de Israëlieten zouden weten dat Ik aan hun kant stond." Ziet u, dat bouwt het geloof op. God heerst dus niet alleen over het Israëlitische volk, Hij heerst niet alleen over Zijn kerk, Hij heerst over de gehele schepping — zowel over de bekeerden als de heidenen.

Romeinen 9:18-19 Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil?

Ik denk dat we dat kunnen inzien; maar op basis hiervan zullen we een parallel maken. Jakob vertegenwoordigt hen die tot Gods gemeente zijn geroepen. Esau vertegenwoordigt hen die God voor de huidige tijd Zijn liefde heeft ontzegd. Zij die deel uitmaken van de kerk, zoals Jakob, hebben Gods liefde ontvangen in de vorm van de gegeven gaven die hen helpen zich op het Koninkrijk van God voor te bereiden. Diezelfde gaven worden door God aan anderen onthouden.

Laten we een verband met het boek Hebreeën gaan leggen, omdat we daar in de vorige preek waren. We brachten het grootste deel van de tijd in het boek Hebreeën door en uiteindelijk zullen we vandaag ook weer in het boek Hebreeën terechtkomen.

Wat was er gebeurd met de mensen aan wie het boek Hebreeën werd geschreven? Als zij deze nog niet kwijt waren, waren sommigen van hen heel wat van hun vroegere overtuiging aan het verliezen. Er was een tijd dat ze vurig waren en goed voorbereid om de strijd van het christelijke geloof te vechten, maar de dingen waren hun aan het ontglippen. Ze hadden wat hun gegeven was, verwaarloosd. Zoals Paulus in het gehele boek Hebreeën laat zien, hadden ze een overvloed aan dingen waar ze in relatie met God in konden geloven, maar hun overtuiging was door verwaarlozing aan het verdwijnen. Zij bewerkten hun behoud niet en daardoor raakten ze hun overtuiging stapje voor stapje kwijt; deze verdween geleidelijk aan.

"Overtuiging" is het tegengestelde van "oppervlakkigheid". Laat me nog wat anders te berde brengen. Misschien denkt u dat ik nu van mijn onderwerp afga. Dit betekent niet dat een oppervlakkig iemand niet religieus kan zijn. Een oppervlakkig iemand kan heel religieus zijn, maar zijn religie is een uiterlijke zaak. Als het op een echte, werkelijke, innerlijke verandering van het hart aankomt, schiet zo iemand tekort. Het bewijs daarvan is dat er geen vurigheid is om verandering na te streven of te streven naar het werkelijk toepassen van rechtvaardigheid. Dit gebeurde er in Hebreeën. De mensen in Hebreeën waar Paulus aan schreef, hadden de innerlijke zekerheid verloren dat wat zij geloofden juist en betrouwbaar was, en ze lieten toe dat andere omstandigheden teveel tijd en aandacht kregen.

In de wereld vinden we overal de krachten van een vijandig scepticisme. Deze oefenen vanuit elke hoek druk uit op een christen. De wereld vertegenwoordigt het grootste en meest algemene strijdperk van de christen. Een christen staat er bijna voortdurend mee in contact. Deze werkelijkheid oefent een bijna constante druk uit om een wig te drijven in de wereldlijkheid die binnen ons aanwezig is.

Wat gebeurt er als we het juiste gebruik van Gods gave van genade verwaarlozen? Dat is het punt waar het boek Hebreeën om draait. De christen verliest die gave om zo te zeggen niet onmiddellijk, maar het geestelijke leven wordt niet meer dan een intellectuele bezigheid, geen streven naar rechtvaardigheid. En God wordt niet meer dan iets waar we op intellectuele manier over denken, Hij is niet langer een motivatie om ons gedrag en onze houding te veranderen. Het bijwonen van diensten en religie worden op een intellectueel niveau gebracht. Het is niet langer een ervaring en, gemeente, op die manier ontstaat Laodiceanisme.

Jezus Christus zegt in Openbaring 3:14 nergens dat de Laodiceeërs dom zijn. Ze waren niet onwetend en er is elke aanwijzing dat ze welvarend waren, wat erop duidt dat ze waarschijnlijk vrij harde werkers waren, succes hadden in zaken en in hun beroep, maar desondanks waren ze Laodiceïsch. Ik denk dat hun religie op intellectueel niveau was gebracht. Het was gewoon iets dat zich in hun denken afspeelde, maar het werd nooit omgezet in feitelijke handelingen van overwinnen en groei. Hun gedrag veranderde niet in positieve zin. In plaats daarvan ging het achteruit. Het is interessant dat we vanuit Openbaring 3 kunnen gaan zien dat het in het bijzonder waarschijnlijk is dat dit gebeurt als een grote groep mensen zich in vrij comfortabele economische omstandigheden bevindt.

Gods gave van geloof wordt door Hem bedoeld om zowel intellectueel als praktisch te worden toegepast. Dit brengt ons terug bij de vele voorbeelden die Paulus in Hebreeën 11 als illustratie geeft van hoe geloof moet worden gebruikt. In dat hoofdstuk geeft hij ons ordelijk gerangschikte instructie, waarbij hij helemaal teruggaat naar fundamentele dingen en dit verder opbouwt naar meer complexe dingen.

Een van de meest fundamentele waarheden van Gods programma behelst het feit dat "het loon der zonde de dood is". Zoals we moeten begrijpen is de dood hier de tweede dood. Er zijn slechts twee alternatieve waarheden betreffende deze fundamentele waarheid. Nummer één is dit: Wij komen hier allemaal voor te staan, omdat we allemaal dat loon uitbetaald zullen krijgen, omdat we allemaal gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven. Dat is het eerste alternatief.

Het tweede alternatief is dit: Iemand anders, een onschuldig Iemand — Iemand op wie de dood geen aanspraak kan maken omdat Hij nooit gezondigd heeft — moet dat loon in onze plaats krijgen uitbetaald. Zijn dood is dus plaatsvervangend voor ons, anders wordt er niet aan de wet voldaan.

We vinden allebei die alternatieven in het boek Romeinen toegepast op het praktische, christelijke leven.

Romeinen 5:8 God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.

Let op het woord "voor". Het is essentieel dat we grondig begrijpen dat Christus stierf, niet slechts als een liefdadige handeling, maar voor ons, dat betekent in onze plaats. Herinnert u zich wat God deed toen Abraham op het punt stond Isaak te offeren? Hij voorzag in een vervanging en in plaats van Isaak stierf er een ram. Daar hebben we het over. De illustratie is heel duidelijk. Het is essentieel dat we begrijpen dat Christus stierf, niet slechts als een liefdadige handeling, maar voor ons, dat betekent in onze plaats. Zijn dood fungeert als plaatsvervangend voor onze dood die we door onze zonden hebben verdiend — een door en door verdiende dood.

Laten we nu Romeinen 4:1-5 opslaan. Dit laat iets zien van het proces dat nodig is om aan Gods vereisten te voldoen zodat het offer van Christus plaatsvervangend kan zijn voor onze dood.

Romeinen 4:1-4 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft? 2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.

Als we voor rechtvaardiging konden werken, dan zou God die ons schuldig zijn; God zou dan bij ons in de schuld staan vanwege onze werken. "Zo zit het niet in elkaar", zegt Paulus. Hij kijkt naar Abraham als het voorbeeld voor alle christenen.

Romeinen 4:5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,

De schuld die wij hebben is zo geweldig groot en ernstig, dat iemand die reeds met zonde is besmet, die nooit kan afbetalen. Jezus gaf daar zelfs een gelijkenis over — de gelijkenis over de onrechtvaardige dienstknecht die een kleine schuld niet wilde kwijtschelden toen God hem zijn onbetaalbare schuld had kwijtgescholden. Als iemand eenmaal gezondigd heeft, is de schuld voor hem absoluut onbetaalbaar, tenzij hij sterft of Christus deze betaalt. Ziet u, daar hebben we de twee alternatieven weer. Dit zijn de enige betaalmogelijkheden die voor God acceptabel zijn. Het is of de ene, of de andere.

Paulus wil uitkomen bij: "Wat deed Abraham in hemelsnaam waardoor hem zijn zonden werden vergeven?" Het punt is — niets! Er is niets wat hij zou kunnen doen, maar hij geloofde wat God zei. Dat is het punt waar het om draait.

Romeinen 4:10-13 Hoe werd het [Abrahams rechtvaardiging] hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. 11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend, 12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat. 13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.

Besnijdenis hier is een symbool van werk of een verzameling van werken die men zou kunnen proberen te gebruiken als betaling voor de schuld die we door de zonde hebben opgebouwd. Paulus' punt hier is dat deze werken daarvoor niet acceptabel zijn. Vers 16 begint uit te leggen waarom ze niet acceptabel zijn. Dit is een heel belangrijk punt.

Romeinen 4:16 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus [dit is de reden dat het uit genade moet zijn] de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is,

Hier hebben we een heel belangrijke reden dat rechtvaardiging absoluut uit genade door geloof moet zijn. Wat is de reden? We hebben reeds één reden. God zal beslist bij niemand in de schuld staan. Een tweede reden is dat het middels genade is dat iedereen een eerlijke kans op behoud wordt gegeven. Paulus gebruikt een algemene term als besnijdenis of niet besneden zijn, duidend op hen die zich bewust zijn van de wet en op hen die zich niet bewust zijn van de wet — het Israëlitische volk is zich bewust van de wet en de heidenen zijn zich niet bewust van de wet, omdat God hun die nooit gegeven heeft. Hij openbaarde die nooit aan hen. Genade is dus het middel waardoor God iedereen een eerlijke kans geeft op behoud. Met andere woorden God effent het speelveld.

Wat gebeurt er met die mensen die niet kunnen tippen aan de indrukwekkende verzameling werken van Abraham? Er is niemand binnen het gehoor van mijn stem die kan tippen aan Abraham, maar zelfs hij moest door geloof gerechtvaardigd worden. Hij moest aan dezelfde vereisten voldoen die God aan ieder ander stelt. Niemands werken zijn goed genoeg. God zal bij niemand in de schuld staan.

Wat betekent dat? Iedereen — inclusief Abraham, ongeacht etnische afkomst, ongeacht ras, ongeacht wat ze van de wet hebben gehoord, het doet er niet toe — zou jammerlijk tekortschieten om gerechtvaardigd te worden. Genade daarentegen geeft iedereen een kans. Dat is werkelijk schitterend. De waarheid is dus dat zelfs Abraham niet werd gerechtvaardigd door zijn werken van de besnijdenis, omdat in de feitelijk zin van de tijd, chronologisch, de besnijdenis pas kwam nadat hij geloofde. Hoe groot Abraham ook was, God plaatste alles in de juiste verhoudingen zodat het plaatje heel duidelijk wordt. Ook hij werd gerechtvaardigd door middel van Gods genade en de gaven die daarmee samenhingen.

We slaan nu Genesis 6:8 op. Daar staat een heel interessante uitspraak over Noach, vlak voor de zondvloed.

Genesis 6:8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

Daarom werden Noach en zijn gezin behouden toen de zondvloed kwam. Ook Noach vond genade.

We slaan nu Romeinen 4 op. Dit gaat nog steeds over Abraham.

Romeinen 4:18-21 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara's moederschoot was gestorven; [Ze had de menopauze reeds achter de rug. Zij produceerde geen eicellen meer.] 20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.

Begrijpen we nu dat God het geloof mogelijk maakte dat Abraham in dit geval demonstreerde. Abraham werkte met God mee. Hij gebruikte het geloof dat God hem gaf en hij werkte met God mee door Hem te geloven.

Romeinen 4:22-25 Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid. 23 Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, 24 maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, 25 die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.

Het sleutelwoord hier in dit gedeelte van vier verzen is het woord "toegerekend". Het onderwerp is hier nog steeds rechtvaardiging. Abrahams gerechtigheid en onze gerechtigheid zijn de gerechtigheid van Christus. Dit is niet iets dat we zouden kunnen verdienen. Deze werd verdiend door Hem die zonder zonde was, en dan, omdat wij geloven dat Hij onze Verlosser is en het geloof gebruiken dat God ons hiertoe geeft, rekent God de gerechtigheid van Jezus Christus aan ons toe.

Begrijp dat we juridisch — God is Rechter en de Rechter neemt een besluit — legaal rechtvaardig worden. We waren niet rechtvaardig op basis van onze werken. We worden rechtvaardig omdat we geloven en omdat de gerechtigheid van Jezus Christus ons dan wordt aangetrokken zoals een kostuum; we zijn nu legaal, juridisch rechtvaardig en we worden uit de gevangenis ontslagen. Dat is wat genade is.

Genade is niet alleen vergeving. Het omvat geloof tot motivering — om ons te voegen naar wat God ons onderwijst — om dit te geloven en er het juiste gebruik van te gaan maken, werken van berouw en bekering voort te brengen, zoals we zullen zien. Op dit punt aangekomen zijn we juridisch rechtvaardig met de gerechtigheid van Christus.

Vanwege wat God doet, vindt er vergeving en rechtvaardiging plaats. Wij worden legaal in overeenstemming met de wet van God gebracht, omdat de gerechtigheid van Hem die zonder zonde is — Christus, die onze plaats innam door voor ons te sterven — ons wordt toegerekend.

Laten we verder lezen in Romeinen 5.

Romeinen 5:1-2 Wij dan, [Als resultaat van wat Paulus zojuist in hoofdstuk 4 heeft uiteengezet.] gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God [Omdat de vijandigheid die verhinderde dat wij in harmonie waren met God, waardoor we niet voor Zijn aangezicht konden verschijnen, is verwijderd en er nu vrede bestaat tussen ons en de Vader vanwege Christus en de toerekening van Zijn gerechtigheid.] door onze Here Jezus Christus, 2 door wie wij ook de toegang hebben verkregen [in het geloof] tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods.

Het is alsof we buiten de hof van Eden staan en ons afvragen hoe we in hemelsnaam daar binnen kunnen komen, en plotseling gaat de poort wijd open en kunnen we de hof binnengaan en voor Gods aangezicht verschijnen. Dat is het beeld dat hier wordt getekend. Het vlammende zwaard is verwijderd. De vijandschap is verwijderd. We zijn in staat binnen te gaan en hebben door geloof toegang tot de boom des levens.

En dat niet alleen, we hebben door geloof toegang tot de genade waarin we staan en we kunnen ons verheugen in de hoop op de heerlijkheid van God. Zover kijkt Paulus in die laatste zin vooruit — "roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods". Hij kijkt helemaal vooruit naar onze verheerlijking, en onze verheerlijking is dat we zullen delen in de heerlijkheid van God, onze Vader, en Jezus Christus, onze Verlosser. We zullen niet zo'n helder licht zijn als Zij. Zij zijn een verblindende schijnwerper en wij zullen in vergelijking een klein lampje van 5 Watt zijn, maar het zal nog steeds de heerlijkheid van God zijn. We zullen van dezelfde soort als God zijn, niet de heerlijkheid van engelen. Het is de heerlijkheid van God.

Romeinen 5:3-4a En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 en de volharding beproefdheid, ...

Het woord "beproefdheid" is een onduidelijke vertaling. Het Griekse woord duidt op de opbouw van karakter. Dit is het woord kharaktare, waaraan wij ons woord "karakter" hebben ontleend.

Romeinen 5:4-5 en de volharding beproefdheid [karakter], en de beproefdheid [het karakter] hoop; 5 en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is,

Rechtvaardiging opent de weg tot verheerlijking, maar feitelijk gaat heiliging daaraan vooraf.

Laat me dit herhalen en het in volgorde plaatsen:

Vanwege onze rechtvaardiging mogen we voor Gods aangezicht verschijnen, zodat er een echte relatie kan beginnen. Daarvoor stonden we om zo te zeggen buiten de hof.

De hoop op eeuwig leven en de heerlijkheid van God worden daarna mogelijk.

Daarmee gaat samen het ontvangen van Gods Heilige Geest (vers 5) en het schrijven van Gods wet in onze harten (ook vers 5, maar feitelijk is dat al in vers 4 inbegrepen).

Het omzetten van de juridische rechtvaardigheid door rechtvaardiging in praktische, empirische rechtvaardigheid gebeurt door heiliging. Rechtvaardiging opent de weg door ons in staat te stellen in de praktijk rechtvaardig te zijn. Dat vermogen wordt ons gegeven door het toegang hebben tot God.

In veel van het onderwijs dat ik heb gegeven, heb ik de plaatsvervangende dood van Jezus Christus benadrukt, maar er is hierbij nog een andere dood betrokken — een geestelijke dood die moet plaatsvinden, zodat rechtvaardiging een praktische werkelijkheid wordt. Deze dood is onze dood en deze wordt ook in het boek Romeinen beschreven. Deze dood is van een symbolisch karakter en heeft zijn basis in de zekerheid van de waarheid die God beschikbaar stelt en zijn invloed uitoefent.

Romeinen 7:7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.

Paulus richt zich nu op het tiende gebod. Let op zijn gedachtegang.

Romeinen 7:8a Maar uitgaande van [van de gelegenheid gebruik makend door] het gebod, [omdat het gebod openbaart wat zonde is] wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op [bracht de zonde allerlei verkeerde verlangens in mij voort]; ...

Waarom gebeurde dat? Omdat God met Paulus' denken bezig was. God openbaarde niet alleen Zichzelf, maar Hij openbaarde Paulus de echte, ware bedoeling van de tien geboden. En Paulus begon — ondanks dat hij had gestudeerd bij Gamaliël, die verondersteld werd een van de betere leraren te zijn, misschien wel de beste en belangrijkste leraar van de Farizeïsche wet — de tien geboden op een manier te begrijpen waarop hij ze nooit eerder had begrepen. Zijn denken werd gewoon voor dit begrip geopend: "O, wat ben ik toch een afschuwelijke zondaar!" Paulus begon de geestelijke bedoeling van de wet te begrijpen en niet alleen de letter. Toen begon hij te zeggen dat deze allerlei verkeerde verlangens in hem voortbracht.

Romeinen 7:8 Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.

Als er geen wet was geweest, zou er geen zonde zijn geweest, maar Paulus besefte volledig dat het tiende gebod op hem van toepassing was.

Romeinen 7:9 Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, [dat is de kennis, het begrip van het gebod] begon de zonde [de zonde bleek heel zijn denken te doortrekken] te leven, maar ik begon te sterven,

Paulus was zo goed als dood, zelfs al leefde hij nog. Dat raakte hem tot in zijn hart. Hij voelde zich daardoor zo schuldig dat hij niet wist waarheen hij zich moest wenden. Gelukkig was God hierbij betrokken en stuurde hem de juiste richting uit.

Romeinen 7:10-11 en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; ["Het loon der zonde is de dood."] 11 want de zonde heeft uitgaande van het gebod [van de gelegenheid gebruik makend], mij misleid en door middel daarvan gedood.

Romeinen 6:1-4 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, [Wij, aan wie onze zonden werden geopenbaard en die beseffen dat het loon der zonde de dood is.] daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

Ziet u het patroon? Paulus onderwijst nu over de symbolische dood waar we voorafgaande aan de doop doorheen moeten gaan. Zonden die we hebben begaan, worden ons heel duidelijk en we zijn dode mensen. Wat doe je met iemand die dood is? Die begraaf je. Die begraaf je symbolisch in water — de doop — evenals Christus in het graf werd gelegd. Hij werd in die zin begraven. Drie dagen en drie nachten later kwam Hij uit het graf.

Romeinen 6:5-6 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; [Waarom?] 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, [met Hem, als type, ter dood gebracht] opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;

Romeinen 6:8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven,

Galaten 2:16 wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in [Statenvertaling: van] Christus [Een geloof dat ons gegeven is. Dit is het bezit van Christus, maar Hij geeft het ons.] en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

Galaten 2:19-20 Want ik ben door de wet voor de wet gestorven ["Het loon der zonde is de dood."] om voor God te leven. 20 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de [Statenvertaling: van de (des)] Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

Ziet u wat daar staat? Er staat: "Ik leef door het geloof van Jezus Christus." En dat werd ons dus gegeven.

Dit alles voorziet in een verbinding tussen ons en God en die verbinding is geloof dat vaststaat omdat de juiste, ware kennis wordt geloofd en daarnaar wordt gehandeld, waardoor het bewijs wordt geleverd dat de juiste verbanden tot stand zijn gebracht. Dit brengt ons dan weer terug bij Hebreeën 11:4 waar ons de les van het voorbeeld van Abels geloof wordt getoond. Abel offerde uit geloof en daar geloof ontstaat door het horen van het woord van God, betekent het dat Abel geloofde wat God zei en dat tot uiting bracht door gehoorzaamheid aan wat God zei. Het geloof motiveerde tot en bracht een werk voort dat in overeenstemming was met wat God had voorbereid voor hen die in Christus Jezus werden geschapen om in te wandelen, en Abels werk was het offeren van een lam.

Van wie hoorde Abel Gods woord? Het zou kunnen zijn dat dit van God Zelf was, omdat in die dagen, toen de mensheid nog maar pas bestond, God verscheen en van aangezicht tot aangezicht met de mensen wandelde en sprak. Dat doet Hij niet meer. Hij hoeft dat niet meer te doen, omdat we het woord van God hebben. Het boek is overal beschikbaar. Maar zelfs al zou dat hebben kunnen plaatsvinden, toch geloof ik persoonlijk dat hij het via Adam en Eva hoorde. Hoe dan ook, ondanks alles moet Abels handeling van geloof hetzelfde patroon volgen als dat van ieder ander. Ook hij wordt behouden uit genade door geloof. Dus Abel werd in staat gesteld te geloven doordat God bezig was met het uitwerken van Zijn doel.

Door deze handeling die in Hebreeën 11 is vastgelegd, getuigt hij ons dat het proces — de schepping van behoud in iedereen van ons — op dezelfde manier begint en wordt voortgezet. God is consequent en voor wat betreft deze dingen die met behoud te maken hebben, wordt iedereen op dezelfde onpartijdige, eerlijke manier behandeld. Ik zal u nog een reden geven waarom dit wordt gedaan.

God heeft Zichzelf als enige verantwoordelijk gemaakt voor het bestaan van het geloof dat iemand in staat stelt gerechtvaardigd te worden en van dat punt uit verder te gaan, om iedereen een eerlijke kans te geven, omdat niemand de werken tot stand kan brengen die voldoende zijn om het loon voor de zonde te betalen.

Er is een tweede heel belangrijke reden en die wordt in 1 Corinthiërs 1 gegeven. Ik ga daar niet verder op in, omdat dat me teveel tijd zou kosten. Ik zeg u alleen maar welke dat is. Iedereen van ons moet niet alleen uit geloof handelen, maar ook in volledige nederigheid, anders zullen we ons niet overgeven. Weet u dat nederigheid — "arm van geest zijn" — in de allereerste zaligspreking wordt genoemd? Daaruit vloeit alles voort.

Als God het ijs tussen ons en Hem eenmaal gebroken heeft, zal er niets tot stand komen als we niet nederig zijn. We moeten ons overgeven. U kent de ervaring die God ons in het Oude Testament laat zien, die Hij had met het stijfkoppige, eigenzinnige, halsstarrige Israël. Zij wilden zich niet overgeven. Wij moeten dat.

1 Corinthiërs 1 laat ons zien dat alles met betrekking tot ons behoud, met uitzondering van de kleine hoeveelheid medewerking die wij aan God geven — van God komt. Wat hebben wij dan voor God op te scheppen over iets dat wij hebben gedaan? Niets.


Email deze pagina
E-mail aan:
Uw e-mailadres:
Commentaar:  (naar keuze)